Nederlands SE-1B
Samenvatting

Leesvaardigheid

Hoofdstuk 1

§1.1 Leesstrategieën

Leesstrategie

Leesdoel

Oriënterend lezen

Onderwerp vaststellen. Snel bepalen of een tekst voor jou bruikbaar is of interessant is.

Globaal lezen

Deelonderwerpen vaststellen

Intensief lezen

De tekst helemaal goed begrijpen. De hoofdzaken van de tekst vinden.

Zoekend lezen

Bruikbare informatie in de tekst vinden.

Kritisch lezen

De betrouwbaarheid van de informatie en de argumentatie in een tekst beoordelen.

Studerend lezen

De inhoud van een tekst onthouden.

 

§1.2 Schrijfdoel

  • Amuseren: Lezers vermaken door iets leuks of interessants te vertellen.
  • Informeren: Lezers vertellen wat er gebeurd is of gebeuren gaat, lezers uitleggen hoe iets in elkaar zit.
  • Opiniëren: Lezers de gelegenheid geven zich een mening te vormen over een onderwerp.
  • Overtuigen: Lezers met argumenten overhalen tot een bepaalde mening, standpunt.
  • Activeren: Lezers aanzetten om iets te gaan doen.


§1.3 Tekstsoorten

Schrijfdoel

Tekstsoorten

Informeren

Uiteenzetting, handleiding, gebruiksaanwijzing, instructie, recept, studieboek, informatieve folder, rapport, nieuwsbericht, familiebericht, notulen.

Opiniëren

Beschouwing, recensie, verslag, discussiestuk.

Overtuigen

Betoog, ingezonden brief, redactioneel commentaar, column.

Activeren

Reclamefolder, brochure, direct mail, advertentie, affiche/poster, flyer.

 

 

§1.4 Tekst en publiek

Voor welke lezers een tekst bedoeld is, kun je zien aan:

  • Het onderwerp
  • De inhoud
  • De bron
  • Het taalgebruik
  • De toon
  • De lay-out


Hoofdstuk 2

§2.1 De indeling van een tekst

De inleiding

  1. Inhoudelijke kenmerken van de inleiding
    De inleiding trekt de aandacht van de lezer met behulp van:
    - Actualiteit (aanleiding om de tekst te schrijven)
    - Geschiedenis (situatie uit het verleden te beschrijving)
    - Anekdote (kort, grappig verhaaltje)
    - Voorbeeld
  2. Typografische kenmerken van de inleiding
    - Witregels scheiden de inleiding van het middenstuk
    - De inleiding is cursief of vetgedrukt

Het middenstuk

  1. Structurerende zinnen
    Vaak kondigen de eerste zinnen van een tekstgedeelte een deelonderwerp aan en ronden de slotzinnen het af.
  2. Alineaverbanden en signaalwoorden
    Sommige alinea’s horen bij elkaar en vormen samen een deelonderwerp.
  3. Typografische kenmerken
    - Witregels
    - Tussenkoppen boven de deelonderwerpen

Het slot

  1. Inhoudelijke kenmerken
    - Vaak bevat het slot de conclusie van de tekst; dat is de hoofdgedachte.
    - Soms bevat het slot een samenvatting
  2. Typografische kenmerken
    - Het slot is herkenbaar aan een witregel na het middenstuk.

 

 

 

§2.2 Vaste tekststructuren

 

Argumentatiestructuur

 

Inleiding

Stelling, standpunt

Middenstuk

Argumenten voor de stelling, tegenargumenten (weerlegging)

Slot

Herhaling stelling of beantwoording vraag

 

Aspectenstructuur

 

Inleiding

Onderwerp

Middenstuk

Diverse aspecten van het onderwerp

Slot

Samenvatting

 

Probleem/oplossing structuur

 

Inleiding

Probleem

Middenstuk

Gevolgen, oorzaken, oplossingen

Slot

De beste oplossing

 

Verklaringsstructuur

 

Inleiding

Bepaald verschijnsel

Middenstuk

Kenmerken, verklaringen

Slot

Samenvatting

 

Verleden/heden/toekomst structuur

 

Inleiding

Onderwerp

Middenstuk

Situatie vroeger, nu

Slot

Conclusie of situatie in de toekomst

 

Voor- en nadelen structuur

 

Inleiding

Vraag of stelling

Middenstuk

Voor- en nadelen

Slot

Samenvatting of conclusie

 

Vraag/antwoord structuur

 

Inleiding

Vraag

Middenstuk

Antwoorden

Slot

Samenvatting of conclusie

 

 

 

 

§2.3 De alinea

Een tekst is verdeeld in alinea’s. De zin die het belangrijkst is van de alinea, noem je de kernzin.

De kernzin kan op verschillende plaatsen voorkomen:
- Meestal is de eerste zin de kernzin
- Soms is de tweede zin de kernzin
- Soms is de laatste zin de kernzin

 

§2.4 Tekstverbanden

 

Verband

Signaalwoorden

Opsommend verband

Ook, tevens, bovendien, daarnaast, vervolgens, verder, om te beginnen, ten eerste, ten tweede, ten derde, ten slotte

Tegenstellend verband

Maar, echter, niettemin, toch, daar staat tegenover, desondanks, evenwel, nochtans, daarentegen, ondanks dat, aan de ene kant, aan de andere kant

Chronologisch verband

Eerst, dan daarna, uiteindelijk, eens, toen, vroeger, nu, later, voordat, nadat

Oorzakelijk verband

Doordat, daardoor, als gevolg van, het komt door, het gevolg is, waardoor, zodat

Toelichtend verband

Zo, bijvoorbeeld, zoals, neem nou

Voorwaardelijk verband

Als, indien, wanneer, in het geval dat, tenzij, mits

Vergelijkend verband

Zoals, net als, evenals, meer/beter dan

Redengevend verband

Daarom, omdat, derhalve, dus, want, immers, dat blijkt uit, namelijk, aangezien, de reden hiervoor is

Doel-middel verband

Om te.., met de bedoeling, opdat, zodat, daarvoor, waarvoor, voor, door … te

Toegevend verband

Ook al, zij het, weliswaar, hoewel, ofschoon

Samenvattend verband

Kortom, samengevat, met andere woorden, al met al

Concluderend verband

Dus, daarom, dat houdt in, concluderend, ik kom tot de slotsom dat, kortom, al met al

 

 

 

 

Argumentatieve vaardigheden

Hoofdstuk 1

§1.1 Standpunten

Als je een standpunt over iets geeft, dan geef je je mening over die zaak.

Het standpunt kun je herkennen aan de volgende signaalwoorden:
Ik vind, volgens mij, ik denk dat, mijn conclusie is dat, dus, daarom, kortom.

Er zijn drie soorten standpunten:

  • Een positief standpunt; Ik vind dat we meer oude examens als voorbereiding op het examen moeten maken.
  • Een negatief standpunt; Volgens mij moeten we niet meer oude examens als voorbereiding op het examen maken.
  • Een standpunt van twijfel; Ik ben er nog niet uit of het goed is dat we meer oude examens als voorbereiding op examen moeten maken.
     

§1.2 Soorten argumenten

Met argumenten kun je je eigen standpunt verdedigen of die van een ander aanvallen.

Verschillende soorten argumentatie:

  • Feiten
    Het standpunt wordt ondersteunt door een argument dat feiten bevat. De feiten zijn controleerbaar en daarom waar of onwaar.
  • Onderzoek of wetenschap
    Bij argumentatie op basis van onderzoek of wetenschap wordt verwezen naar de resultaten van een wetenschappelijk onderzoek.
  • Normen en waarden
    Als iemand zich beroept op een algemene norm of waarde om het standpunt te ondersteunen is er sprake van argumentatie op basis van normen en waarden.
  • Vermoedens
    Het standpunt wordt ondersteunt door een vermoeden. Dat vermoeden kan voortkomen uit iemands intuïtie of gevoel.
  • Geloof of overtuiging
    Een argument op basis van geloof of overtuiging.
  • Gezag of autoriteit
    Als iemand zich beroept op de mening van een deskundige of autoriteit op een bepaald vakgebied, is het een argument op basis van gezag of autoriteit.
  • Nut
    Als het standpunt voor of tegen een bepaald maatregel is en er wordt verwezen naar nut of onnut van die maatregel, spreken we van een argument op basis van nut.

Hoofdstuk 2

§2.1 Redeneringen

Verschillende soorten redeneringen

  • Oorzaak en gevolg
    Bij dit type redenering wordt ervan uitgegaan dat een feit of een gebeurtenis zal leiden tot een ander feit of andere gebeurtenis.
  • Overeenkomst
    Van dit type redenering is sprake als er een vergelijking wordt gemaakt tussen twee gevallen en er een overeenkomst wordt geconstateerd.
  • Voorbeelden
    In het geval dat een standpunt wordt ondersteund door argumenten die voorbeelden zijn, spreken we van een redenering op basis van voorbeelden.
  • Voor- en nadelen
    Bij dit type redenering wordt er een afweging gemaakt: de voordelen worden vergeleken met de nadelen en op basis daarvan wordt er een oordeel uitgesproken.
  • Kenmerk of eigenschap
    Aan dit type redenering ligt de volgende gedachte ten grondslag: als alle onderdelen van een groep hetzelfde kenmerk hebben, dan heeft een onderdeel van die groep dat kenmerk ook.
     

§2.2 Argumentatiestructuren

Enkelvoudige argumentatie

Als er een standpunt maar één argument gegeven wordt, heet dat enkelvoudige argumentatie.

Meervoudige argumentatie

Er is sprake van meervoudige argumentatie als er bij een standpunt twee of meer argumenten gegeven worden die los van elkaar staan.

Onderschikkende argumentatie

Bij onderschikkende argumentatie wordt een gebruikt argument door een ander argument ondersteund.
 

§2.3 Drogredenen

  • Onjuiste oorzaak-gevolgrelatie
    Bij een onjuiste oorzaak-gevolgrelatie wordt tussen twee zaken die ongeveer tegelijkertijd gebeuren, een oorzaak-gevolgrelatie gelegd, terwijl die relatie er niet is.
  • Verkeerde vergelijking
    Er worden twee dingen vergeleken met elkaar, van deze vergelijking kun je je afvragen of het wel terecht is.
  • Overhaaste generalisatie
    Bij overhaaste generalisatie wordt er op basis van één of enkele gevallen een conclusie getrokken.
  • Cirkelredenering
    Bij een cirkelredenering wordt het standpunt ondersteund door het herhalen van datzelfde standpunt, maar dan anders geformuleerd.
  • Persoonlijke aanval
    De persoon wordt aangevallen, niet het standpunt.
  • Ontduiken van bewijslast
    Iemand beweert iets om vervolgens van de andere partij ‘bewijs voor het tegendeel’ te vragen.
  • Vertekenen van standpunt
    De andere partij worden woorden in de mond gelegd, deze uitspraken zijn niet makkelijk te verdedigen.
  • Bespelen van publiek
    Iemand formuleert het standpunt zó dat het moeilijk wordt om er tegenin te gaan.
  • Onjuiste beroep op autoriteit
    Soms kan een beroep op een autoriteit goed zijn en je standpunt ondersteun, maar soms is die autoriteit onbetrouwbaar.

 

Formuleren

Hoofdstuk 1

§1.1 Dubbelop

Er zijn 5 verschillende dubbelop fouten:

1.1 Onjuiste herhaling:
Als een vast voorzetsel ten onrechte twee keer wordt gebruikt, is dat een onjuiste herhaling.

Onjuist

Juist

Je klasgenoten gaan zich aan die rotopmerkingen van jou steeds meer aan ergeren.

Je klasgenoten gaan zich aan die rotopmerkingen van jou steeds meer ergeren.

 

1.2 Tautologie:
Als hetzelfde twee keer wordt gezegd met verschillende woorden van dezelfde woordsoort, heet dat een tautologie.

Onjuist

Juist

Hoewel we de catalogus reeds weken van te voren al in huis hadden, konden we geen keuze maken uit zoveel artikelen.

Hoewel we de catalogus weken van tevoren al thuis hadden, konden we geen keuze maken uit zoveel artikelen.

 

1.3 Pleonasme:
Bij een pleonasme wordt een deel van de betekenis van een woord of woordgroep nog eens door een ander woord uitgedrukt. Dat andere woord is meestal van een andere woordsoort.

Onjuist

Juist

In het scheikundelokaal hing eigenlijk altijd al een vieze stank.

In het scheikundelokaal hing eigenlijk altijd al een stank.

Als je in Zwolle bij de Librije wilt eten, moet je wel van te voren een tafel reserveren.

Als je in Zwolle bij de Librije wilt eten, moet je wel een tafel reserveren.

 

1.4 Contaminatie:
Als twee woorden of uitdrukkingen worden verward en ten onrechte worden vermengd, heet dat een contaminatie.

Onjuist

Juist

Uitprinten

Uitdraaien, printen

Overnieuw

Opnieuw, over

 

1.5 Dubbele ontkenning:
In zinnen met een werkwoord dat al een ontkennend karakter heeft wordt soms ten onrechte een tweede ontkenning toegevoegd.

Onjuist

Juist

De regering raadt ons af het land Japan voorlopig niet te bezoeken.

De regering raadt ons af het land Japan te bezoeken.

 

§1.2 Fouten met verwijswoorden

2.1 Onjuist verwijswoord
Om te bepalen welk verwijswoord je moet gebruiken, moet je altijd eerst naar het antecedent kijken. Kies daarna het correcte verwijswoord met behulp van het schema.

Antecedent

Pers. voornaamwoord

Bezit. voornaamwoord

Aanwijs. voornaamwoord

Betrek. voornaamwoord

Mannelijk de-woord

Hij, hem

Zijn, z’n

Deze, die

die

Vrouwelijk de-woord

Zij, ze

Haar, d’r

Deze, die

die

Het-woord (onzijdig)

het

Zijn, z’n

Dit, dat

dat

Meervoudige zelfstandige naamwoorden

O: zij, ze
lv: hen
mv: hun

hun

Deze, die

die

Onzijdig: het-woorden
Mannelijk: de-woorden
Vrouwelijk: de-woorden

  • Vrouwelijke personen en dieren: de leeuwin, de secretaresse
  • De-woorden met deze uitgangen: -heid, -nis, -ing, -st, -schap, -te, -de, ie, -ij, -iek, -theek, -teit, -uur

Hen of hun?

  • Gebruik hen wanneer het een lijdend voorwerp is.
  • Gebruik hen na een voorzetsel.
  • Gebruik hun als het een meewerkend voorwerp is en er geen voorzetsel voor staat.
  • Gebruik hun nooit als onderwerp!

Dat of wat?
Dat verwijst naar een het-woord.

Wie of waar?
Gebruik bij personen: voorzetsel + wie, en bij zaken: waar + voorzetsel

2.2 Onduidelijk verwijzen:

Soms wijst een verwijswoord terug naar iets wat helemaal niet in de tekst staat. Het heeft dan geen antecedent.

Onjuist

Juist

Alex slaat ons altijd om de oren met Bijbelse uitspraken, maar ze heeft hem zelf nooit gelezen.

Alex slaat ons altijd om de oren met Bijbelse uitspraken, maar ze heeft de Bijbel zelf nooit gelezen.

 

§1.3 Incongruentie

Er zijn vier vormen van incongruentie.

1. Een meervoudig onderwerp wordt voor enkelvoudig aangezien.

Onjuist

Juist

De media schrijft

De media schrijven

 

2. Een enkelvoudig onderwerp wordt voor meervoudig aangezien.

Onjuist

Juist

Zowel Karin als Elena kwamen

Zowel Karin als Elena kwam

 

 

 

3. In het onderwerp wordt een enkelvoudige kern gevolgd door een meervoudige bijvoeglijke nabepaling.

Onjuist

Juist

Meer dan de helft (kern) van de Nederlandse vrouwen (bepaling) hebben een deeltijdbaan.

Meer dan de helft (kern) van de Nederlandse vrouwen (bepaling) heeft een deeltijdbaan.

 

4. Een meewerkend voorwerp wordt ten onrechte voor het onderwerp aangezien.

 

§1.4 Dat/als-constructie

De dat/als-constructie herken je aan de volgende woordgroepen, ergens in het midden van de zin: (om)dat als, (om)dat wanneer, (om)dat indien. Je kunt de dat/als-constructie vermijden door volgens mij te gebruiken ipv ik vind, ik denk of ik geloof.

Onjuist

Juist

De jongen willen de camping niet reserveren, omdat als het in Frankrijk regent, ze in Spanje gaan kamperen.

De jongen willen de camping niet reserveren, omdat ze in Spanje gaan kamperen, als het in Frankrijk regent.

 

§1.5 Foutieve samentrekking

Als in een zin bepaalde woorden herhaald worden, mag je die in sommige gevallen een van beide keren weglaten. Dat heet een samentrekking.

Samentrekking komt voor:
- Bij woorddelen; in voor- en tegenspoed
- Bij woorden; dure (…) en goedkope kleren
- Bij zinsdelen; Els studeert in Groningen en Mariëtte (…) in Amsterdam.

Bij een foutieve samentrekking wordt een woord weggelaten wat niet weggelaten mag worden.

§1.6 Foutieve beknopte bijzin

Een beknopte bijzin is een bijzin zonder onderwerp en persoonsvorm. Een beknopte bijzin is afgeleid van een gewone bijzin.

Bijvoorbeeld:

  1. Omdat hij vogels wilde kijken, ging Mart ’s morgens vroeg naar het bos. Juist
  2. Om vogels te kijken ging Mart ’s morgens vroeg naar het bos. Onjuist

Bij zin twee is het gearceerde stukje de beknopte bijzin. In deze zin zit geen onderwerp en ook geen persoonsvorm. Om de zin juist te formuleren moet je er een onderwerp aan toevoegen, zoals de eerste zin.

 

§1.7 Zinnen onjuist begrenzen

Zinnen beginnen met een hoofdletter en eindigen met een punt. In een samengestelde zinnen wordt bijzin meestal van de hoofdzin gescheiden door een komma.

Het begrenzen van zinnen kan op twee manieren verkeerd gaan:
- Soms staat een zinsdeel los dat eigenlijk deel uitmaakt van een grotere, samengestelde zin.
- Soms worden twee zelfstandige zinnen ten onrechte aan elkaar geplakt.

 

Spelling

Hoofdstuk 1

§1.1 Persoonsvorm

De persoonsvorm vind je door de zin van tijd de veranderen, de werkwoorden die mee veranderen, zijn de persoonsvormen.

Verleden tijd:

Gebruik in deze tijd: ’t kofschip of ’t ex-fokschaap
 

§1.2 Overige werkwoordsvormen

Er zijn verschillende soorten werkwoordsvormen:

  • Infinitief: hele werkwoord; oppassen, spelen
  • Gebiedende wijs: stam; Kijk! Loop!
  • Onvoltooid deelwoord: infinitief + d(e); kijkend, lopend(e)
  • Voltooid deelwoord: ge, be, ver: gegooid, vergeten

Bij twijfel weer ’t kofschip of ’t ex-fokschaap toepassen.

Van voltooid deelwoord naar bijvoeglijk naamwoord. Je spelt een bijvoeglijk naamwoord zo kort mogelijk op; vd – bestraat, bn – bestrate.


§1.3 Lastige gevallen in werkwoordspelling

In deze paragraaf weer ’t kofschip of ’t ex-fokschaap toepassen.


Hoofdstuk 2

§2.1 Leestekens

Punt:

  • Aan het eind van de zin
  • Bij afkortingen

 

Komma:

  • Tussen onderdelen van een opsomming
  • Tussen twee persoonsvormen
  • Voor of na een aanspreking of tussenwerpsel
  • Voor en na een bijstelling
  • Voor een boegwoord waarmee de bijzin begint


Puntkomma:

  • Tussen zinnen die sterk met elkaar samenhangen
  • Tussen delen van opsommingen, zeker als het om zinnen gaat

 

Dubbele punt:

  • Om een opsomming aan te kondigen
  • Om de directe rede aan te kondigen
  • Om een verklaring aan te kondigen

 

Aanhalingstekens:

  • Bij een citaat
  • Bij een directe rede

 

Vraagteken:

  • Aan het eind van een letterlijk gestelde vraag

 

Uitroepteken:

  • Aan het eind van een zin met een bevel of uitroep

 

Haakjes:

  • Informatie die je geeft als toelichting

 

Beletselteken (drie puntjes …):

  • Aan het eind van een zin die niet af is
  • Om onvolledige citaten aan te duiden

 

§2.2 Hoofdletters

 

Hoofdletters:

  • Aan het begin van de zin
  • Bij persoonsnamen
  • Bij namen van verenigingen, instellingen, bedrijven en diensten
  • Bij aardrijkskundige namen, namen van merken en historische gebeurtenissen.


Kleine letters bij de namen:

  • Soorten: spa rood en stukje edammer
  • Historische gebeurtenissen: middeleeuwen
  • Afleidingen van feestdagen: kerstfeest
  • Maanden: augustus
  • Dagen: zaterdag
  • Jaargetijden: herfst
  • Windstreken: noordoosten
  • Religies: islam


§2.3 Meervoudsvorming

 

Meervoud op –s:

  • Schrijf de –s aan een woord vast als de uitspraak correct blijft: tantes, cafés, kangoeroes
  • Om uitspraak problemen te voorkomen: wc’s, pyjama’s, radio’s

 

Meervoud op –en:

  • -en aan het woord vast: deuren, kasten
  • Klinkerweglating: gevaar -  gevaren
  • Sommige woorden krijgen een trema.
    Klemtoon op –ie
    à meervoud met –ën: melodie – melodieën.
    Klemtoon niet op –ie
    à meervoud met –n: trema op de e die er al staat: bacterie – bacteriën


 

 

 

§2.4: Tussenklanken in samenstellingen

Tussen –s:

  • Schrijf tussen-s als je hem hoort: stadswacht, beroepsmilitair
  • Als het tweede deel met een s-klank begint: beroepssoldaat – beroepsmilitair

 

Tussen –e of tussen –en:

  • Het eerste deel heeft alleen een meervoud op –s: parade – parades à paradepaard
  • Het eerste deel heeft twee meervouden: gedachte – gedachten + gedachtes à gedachtesprong
  • Het eerste deel heeft geen meervoud: tarwe à tarwemeel
  • Het eerste deel verwijst naar een uniek exemplaar: maneschijn, Koninginnedag
  • Het eerste deel versterkt een bijvoeglijk naamwoord: beresterk, reuzeleuk (sterk en leuk bn)
  • Het woord wordt niet meer als een samenstelling gezien: apekool, schattebout


§2.5: Verkleinwoorden

Regels verkleinwoorden:

  • Maak verkleinwoorden door -je -kje -pje -tje of -etje achter een zelfstandig naamwoord te zetten à huis – huisje; ketting – kettinkje; boom – boompje; rivier – riviertje; spel – spelletje.
  • Korte klanken worden in het verkleinwoord soms lang; vat – vaatje.
  • Woorden die op een klinker eindigen; hoera – hoeraatje; logé – logeetje; piano – pianootje; pony – pony’tje.
  • Afkortingen krijgen een apostrof; sms – sms’je; wc – wc’tje.


§2.6 Aan elkaar of los

Samenstellingen schrijf je in het Nederlands aan elkaar.

Schrijf de volgende woorden aan elkaar:

  • Samenstellingen van twee of drie woorden:
    bagagedrager, remiseaanbod, langetermijnplanning, koffiezetten, vioolspelen, scheeflopen, nietszeggend, lichtgroen, goedgehumeurd, hoogstnoodzakelijk.
  • Getallen tot duizend in letters en samenstellingen met honderd en duizend:
    drieëntwintig, achthonderdtien, twintigduizend.
  • Bijwoorden die bestaan uit à er, waar, hier, daar + voorzetsel:
    eronderdoor, hiertegenover, daarover, waarheen.
     

§2.7 Liggend streepje

Het liggend streepje dient als koppelteken, als afbreekteken en om weglatingen aan te geven. Het koppelteken is het belangrijkst.

Koppelteken:

  • Om uitspraakproblemen te voorkomen; studie-uren, zee-eend
  • Naam van getrouwde vrouwen; mevrouw De Groot-van Dam
  • In de woorden met voorvoegsels; ex-vriend, oud-soldaat
  • Voor een hoofdletter; anti-Duits, pro-Russisch
  • In combinaties van titels en beroepen; tolk-vertaler
  • Bij sommige aardrijkskundige namen; Noord-Spanje, Zeeuws-Vlaanderen
  • Bij letters, cijfers en andere tekens; hbo-docent
     

§2.8 Trema

Het trema voorkomt uitspraakproblemen in woorden die geen samenstelling zijn. Bij het trema luister je naar de klemtoon.

Ligt de klemtoon achter aan het woord, dan komt er een extra -e met een trema.

Ligt de klemtoon voor aan het woord, dan komt er alleen een -n en het trema op de klinker ervoor.

Melodie – melodieën (klemtoon achteraan)
Kolonie – koloniën (klemtoon vooraan)

 

§2.9 Apostrof
§2.10 Accenten
§2.11 Getallen                                     
à               Doorlezen
§2.12 Sommige of sommigen?
§2.13 Probleemwoorden

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Woordenschat

Hoofdstuk 2

§2.1 120 woorden uit de havo-examens 2007-2011

aanzienlijk              groot
capituleren              opgeven
efficiënt                   doelmatig
draadmeter             middel om de mate van iets te bepalen
ideologie                 de ideeën achter een politiek systeem
kansarm                 weinig kansen krijgend
miskennen              onderwaarderen
onderling                wederzijds
rampspoed             onheil; ellende; tegenspoed
scenario                 draaiboek; vermoedelijke loop van de gebeurtenissen
termijn                    bepaalde tijd
uitheems                buitenlands
uitholling                 verschraling
wederhoor              het aanhoren van de andere partij
voortijdig                 te vroeg

acceptabel              aanvaardbaar
bejegenen              behandelen
column                   enigszins kritisch artikel in een krant of tijdschrift
doorzagen              langdurig ondervragen
essentieel               heel belangrijk
feminisering            vervrouwelijking
hiërarchisch            volgens een rangorde
impliciet                  erin opgesloten liggend
lobbyen                  invloed uitoefenen op de besluitvorming
nomadisch              rondtrekkend
prenataal                aan de geboorte voorafgaand
relatief                    naar verhouding
tekortschieten         niet voldoen aan de eisen
verguizen               met verachting bespreken
zuil                         maatschappelijke groepering met een bepaalde

allergie                   overgevoeligheid voor bepaalde stoffen
beducht                  bang; bevreesd
chronisch                voortdurend; aanhoudend
destijds                   in die tijd
falen                       mislukken
heilstaat                  maatschappij waarin iedereen gelukkig is
impuls                    prikkel
lineair                     lijnvormig; volgens een rechte lijn
mits                        als; indien
naarstig                  ijverig
pessimistisch          somber
reductie                  vermindering; verlaging
saboteren               ondermijnen; in de war sturen
thans                      tegenwoordig; nu; op dit moment
uitwijzen                 aantonen

agrarisch                gebaseerd op landbouw
claimen                   aanspraak maken op
daadwerkelijk          echt; feitelijk
evenmin                 ook niet
gangbaar                gebruikelijk; gewoon
incidenteel              nu en dan
locatie                    plaats
metafoor                 figuurlijke uitspraak die gebaseerd is op overeenkomst
nazaat                    afstammeling; nakomeling
omvang                  grootte, bereik
pleidooi                  betoog
representatief         geschikt om te vertegenwoordigen
spectrum                alle verschillende opvattingen
toonzetting              woordkeus
verrijking                 toevoeging van iets waardevols

alternatief               andere mogelijkheid
beschikken over      hebben; gebruik kunnen maken van
competitief              concurrerend
effect sorteren        resultaat opleveren
gedegen                 grondig; goed doordacht
huidig                     van onze tijd; van heden
indammen              beperken
kennelijk                 blijkbaar; klaarblijkelijk
mantra                    veel herhaalde spreuk
nostalgie                 verlangen vol heimwee
ongebreideld          tomeloos; onbeperkt
potentieel               beschikbaar vermogen
rijmen met              overeenstemmen met
selectief                  gebaseerd op een bewuste keuze; kieskeurig
voorbarig                vroeg

afkerig van              weerzin voelend
betwisten                van mening verschillen over iets
constitutie               grondwet
drastisch                 ingrijpend; krachtig
evenwel                  echter
fauna                      de gezamenlijke diersoorten (in een bepaald gebied)
gestaag                  zonder ophouden; voortdurend
grondslag               basis; fundament
inperking                beperking; het kleiner maken
karig                       schraal; zuinig; niet overvloedig
moreel                    zedelijk; in overeenstemming met wat goed is
kwalijk                    slecht; niet zoals het hoort
onbenut laten          niet gebruiken
propaganda           politieke reclame
voorheen                vroeger

astronomisch          buitengewoon groot
bezwaarlijk             vervelend; lastig
compensatie           vergoeding
elders                     ergens anders
fossiel (fig.)             iemand met ouderwetse opvattingen
groot goed              waardevol bezit
intomen                  bedwingen; beperken
intrinsiek                 wezenlijk; van binnenuit
ironisch                   spottend
mechanisatie          handarbeid vervangen door machinale arbeid
ongemoeid laten     met rust laten; ongestoord laten
publiekelijk              in het openbaar
slinken                    minder worden
uitsluiting                afzondering; buitensluiting
van dien                 daarbij behorend

behelzen                inhouden
concreet                 duidelijk van vorm
curieus                   merkwaardig; raar
duiden                    uitleggen; verklaren
exorbitant               buitensporig groot; zeer afwijkend
gemeengoed          bekend bij iedereen; veelvoorkomend
gering                     klein; onbeduidend
hameren op           steeds op dezelfde zaak aandacht vestigen
institutie                  instelling
lokaal                     plaatselijk
mobiliteit                 beweeglijkheid
notitie                     korte tekst; oorspronkelijk: aantekening
ongeacht                zonder te letten op
rompslomp             lastige drukte; beslommering
vertoeven               verblijven; zich ophouden

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.