Lesuitval, een mondkapjesplicht, onzekerheid over de eindexamens... Wij zijn benieuwd hoe jij met de coronacrisis omgaat en wat jij vindt van de maatregelen. Doe mee met ons corona-onderzoek! 😷🦠🏫 We zoeken nog extra jongens!

Doe mee


ADVERTENTIE
Open Dag = online ontdekken en ontmoeten

Bezoek onze Online Open Dag dit jaar vanaf je bank! Ontdek bijzondere verhalen van onze studenten en docenten. Stel je vragen. Én luister naar onze gezellige radioshow! Klaar voor een toekomst als student in het hbo? 

Meld je dan nu aan!

Toets Nederlands Toetsperiode D – 12-16 maart 2012

 

Hoofdstuk 1  Leeft literatuur?

 

Boeken worden onderverdeeld in literatuur en lectuur. Literatuur heeft een hoger niveau.

Recensent: een beoordelaar van boeken in kranten en tijdschriften.

 

    Lectuur

   Literatuur

   Personages zijn goed of slecht

   Personages hebben verschillende (veranderende)        i  karaktereigenschappen

   Vertelt alle gevoelens van de personages

 

   Bevestigt heersende opvatting

   Kritisch tegenover heersende opvatting

   Heeft ‘happy end’

   Vaak open eind of ‘unhappy end’

   Dialogen, clichés, standaard

   Gevarieerd en natuurlijk taalgebruik

   Weinig open plekken

   Veel open plekken, stijl die auteur kenmerkt

   Eenvoudige opbouw

   Complexe en hechte opbouw

   Bij herlezing niet verrassend

   Bij herlezing nieuwe ontdekkingen

   Korte tijd in de aandacht

   Blijvende waarde

   Dagelijkse problematiek

   Diepgravende thematiek

   Voor vermaak

   Vraagt inspanning en nadenken

   Bevat ‘kunstjes’

I  Is een kunstwerk

   Geeft antwoorden

   Stelt vragen

 

Verhaalwerkelijkheid: een verhaal speelt zich af in de wereld van de taal. De wereld van een verhaal verwijst wel naar de realiteit, maar is uiteindelijk een andere werkelijkheid; de verhaalwerkelijkheid.

Fictie en werkelijkheid vallen nooit samen.

Lyriek: gevoelskunst

Poëzie is vaak lyrisch en opgebouwd uit versregels. Vaak is er sprake van rijm en ritme.

Epiek: verhalende kunst

Proza valt onder epiek. Je herkent het aan de volle pagina’s.

Dramatiek of toneel behoort tot een ander type literatuur. Personen beelden iets uit op een podium. Er kunnen monologen en dialogen plaatsvinden.

Literaire canon: boeken die elke Nederlander gelezen moet hebben.

 

Hoofdstuk 2  Poëzieanalyse

 

§2.1 Inleiding

Dichters gebruiken vaak beelden.

Vorm: de manier waarop de dichter iets zegt, het uiterlijk.

Inhoud: de boodschap.

Vorm en inhoud moeten een eenheid zijn.

Een dichter kiest vaak voor de ik-vorm, om het gedicht dichter bij de lezer te brengen.

Ambiguïteit: de meerduidigheid van woorden of zinnen.

De uitleg moet toepasbaar zijn op het hele gedicht.

 

§2.2 Klank en rijm

Onomatopeeën (klanknabootsing): woorden die geluiden uit de werkelijkheid nabootsen.

Klanksymboliek: als bepaalde klanken gezamenlijk met de betekenis van een woord een gevoel oproepen.

Rijm: de herhaling van een klank in beklemtoonde lettergrepen die vrij dicht bij elkaar staan.

Rijmsoorten

Halfrijm

Alliteratie/medeklinkerrijm: de beginmedeklinkers in beklemtoonde lettergrepen zijn gelijk.

Assonantie/klinkerrijm: alleen de klinker of tweeklank rijmt.

Volrijm: klankovereenkomst van zowel de klinkers als de daaropvolgende medeklinkers.

-gelijke klinkers in de laatste beklemtoonde lettergreep.

-alle klanken na de laatste beklemtoonde lettergreep zijn gelijk.

-verschillende medeklinkers voor de laatste beklemtoonde lettergreep.

-vergelijkbare klemtoonstructuur.

Rijk rijm: het woord of een gedeelte van het woord wordt letterlijk herhaald.

Rijmplaatsen

Voorrijm: het eerste woord van opeenvolgende versregels rijmt.

Binnenrijm: het rijmen van woorden in één en dezelfde versregel.

Middenrijm: woorden in opeenvolgende versregels, op overeenkomstige plaatsen in de regel, rijmen (niet aan het begin of het eind).

Overlooprijm: het rijmen van de laatste lettergreep van een regel op de eerste lettergreep van de volgende regel.

Eindrijm: de rijmwoorden staan aan het eind van de versregel.

  1. mannelijke volrijm: beklemtoonde lettergreep wordt niet gevolgd door een andere lettergreep.
  2. vrouwelijke volrijm: na de beklemtoonde lettergreep komt nog één onbeklemtoonde lettergreep.
  3. glijdend volrijm: na de beklemtoonde lettergreep komen er nog twee onbeklemtoonde lettergrepen.

Dubbelrijm: aan het einde van twee versregels staan niet één, maar twee rijmklanken (vorm van eindrijm).

 

Rijmschema’s

Gepaard rijm: aabb

Gekruist rijm: abab

Omarmend rijm: abba

Slagrijm: aaaa

Verspringend rijm: abcabcdefdef (voor driedelige strofes)

Gebroken rijm: een nieuwe rijmklank doorbreekt de verwachte regelmaat (bijv. abcb of abac)

Alternerend rijm: een schema waarbij om en om mannelijke en vrouwelijke rijm wordt gebruikt

 

§2.3 Strofebouw

Strofe: gedeelte tussen twee witregels.

Distichon: strofe van twee versregels.

Terzine: strofe van drie versregels.

Kwatrijn: strofe van vier versregels.

Kwintet: strofe van vijf versregels.

Sextet: strofe van zes versregels.

Septet: strofe van zeven versregels.

Octaaf: strofe van acht versregels.

 

§2.4 Metrum en ritme

Accent: klemtoon

Metrum: de regelmatige afwisseling van sterker en zwakker beklemtoonde lettergrepen.

Versvoeten: gelijke delen waarin een versregel verdeeld kan worden.

Scanderen: het verdelen van een versregel m.b.v – en v.

Metrums

Jambe: v –

Trochee: – v

Anapest : v v –

Dactylus : – v v

Amfibrachys : v – v

Spondeus : – –

Ritme: het metrum plus de zinsmelodie en het tempo.

Antimetrie: als in metrische poëzie het metrum op een bepaalde plaats bewust wordt doorbroken (een beklemtoonde i.p.v. een onbeklemtoonde lettergreep).

Elisie: als een zwak beklemtoonde klank weggelaten wordt om de versregel in overeenstemming te brengen met het metrum.

Epenthesis: in een woord wordt een onbeklemtoonde lettergreep met een stomme ‘e’ ingelast.

Enjambement: de nadruk leggen op woorden door een zin op een vreemde plaats af te breken. Je moet als lezer dan naar een volgende versregel, terwijl je normaal gesproken helemaal geen rustpauze zou inlasten op die plaats.

 

§2.5 Beeldspraak

Cliché: afgesleten beeldspraak, zo vaak gebruikt dat het niet meer verrassend is.

Bombast: overdreven beeldspraak, teveel beelden of er wordt te diep op ingegaan.

Vergelijking: twee zaken worden met elkaar in verband gebracht en naast elkaar gezet.

-asyndetische vergelijking → vergelijking zonder verbindingswoord. Het beeld en object staan

 zonder verbindingswoord naast elkaar.

-homerische vergelijking → een zeer uitgewerkte vergelijking. De vergelijking is een deel van het

 gedicht.

Metafoor: vergelijking zonder object, de dichter noemt alleen het beeld en de lezer moet ‘raden’ wat het object is.

Allegorie: een metafoor die het hele kunstwerk door wordt volgehouden.

Personificatie: een vorm van beeldspraak waarbij abstracte, levensloze dingen worden voorgesteld als levende wezens. Dingen krijgen eigenschappen van iets levends.

Synesthesie: object en beeld liggen in verschillende zintuiglijke vlakken.

Metonymia: vergelijking zonder object, waarbij beeld en object geen overeenkomst, maar een andere relatie hebben.

-materiaal en product: staal i.p.v. schaats

-maker en product: Rembrandt i.p.v. schilderij van Rembrandt

-omhulsel en inhoud: kop i.p.v. koffie

-deel voor het geheel: neuzen i.p.v. mensen

-geheel voor een deel: Nederland i.p.v. Nederlands elftal

-concreet voor abstract: vuur en vlam i.p.v. liefde

 

§2.6 Stijlfiguren

Stijlfiguur: afwijking van het normale taalgebruik.

Opsomming

Enumeratie: opsomming (asyndeton, zonder verbindingswoorden/polysyndeton, met verbindingswoorden).

Climax: opsomming waarbij er sprake is van een toename in kracht.

Anticlimax: opsomming waarbij er sprake is van een afnemen in kracht.

Herhaling

Parallelisme: enkele (delen van) zinnen zijn op dezelfde manier opgebouwd.

Repetitio: onveranderde herhaling van een woord, woordgroep of zin.

Tegenstelling

Antithese: twee begrippen die een tegenstelling vormen, worden tegenover elkaar geplaatst.

Paradox: schijnbare tegenstrijdigheid.

Chiasme: kruisstelling, de woordvolgorde van twee bij elkaar horende zinnen of zinsdelen wordt omgedraaid.

Overdrijving of verzachting

Hyperbool: overdrijving van de werkelijkheid.

Eufemisme: verzachtende omschrijving van iets aangenaams of afstotends.

Understatement: doen alsof iets minder groot, erg of belangrijk is dan het in werkelijkheid is. Heeft iets humoristisch in zich, in tegenstelling tot een eufemisme.

Litotes: sterke bevestiging d.m.v. ontkenning van het tegenovergestelde (bijv. geen vrede=ruzie).

Spot

Ironie: milde (zelf)spot.

Galgenhumor: spotten met eigen ellende.

Sarcasme: bittere spot.

Cynisme: dodelijke spot, doel om iemand te beschadigen. Geen geloof meer in oprechtheid of goede bedoelingen.

Woordvolgorde

Exclamatio: emotionele uitroep die de aandacht van de lezer moet trekken.

Prolepsis: de dichter plaatst het zinsdeel dat hij bijzondere nadruk wil geven, geïsoleerd voorop.

Retorische vraag: een nadrukkelijke mededeling in de vorm van een vraag. Een vraag die niet om een antwoord vraagt, omdat iedereen dat antwoord wel weet.

Zelfcorrectie: de schrijver maakt opzettelijk een fout en corrigeert die.

Woordspelling: spel met taal. Vaak een woord met twee verschillende betekenissen.

 

§2.7 Dichtsoorten naar de vorm

Visuele poëzie: gedichten die niet alleen iets vertellen door hun woorden, maar ook door de manier waarop ze eruitzien.

Vrije vers: heeft geen of weinig (eind)rijm, meestal geen metrum en er is doorgaans geen regelmaat in strofe- en versregelvorm.

Sonnet: twee kwatrijnen en twee terzetten, slechts vier rijmklanken (abba abba cdc dcd). Tussen het octaaf en het sextet zit meestal een wending (volta).

Haiku: gedicht van drie regels met 5-7-5 lettergrepen.

Ballade: een verhalend lied met een tragische afloop.

Romance: volksbalade met een gelukkige afloop.

Epigram of puntgedicht: kort gedicht waarin kernachtig iets wordt uitgelegd. Het zet je in enkele woorden aan tot nadenken.

Limerick: humoristisch puntgedicht in vijf versregels (aabba). In de eerste regel wordt een persoon, dier of plaats geïntroduceerd, de laatste regel is een uitsmijter.

Perzisch of oosters kwatrijn: vierregelig vers (aaba). Eerste twee regels grondgedachte, derde wending en vierde oplossing. Het geeft een levenswijsheid weer.

 

§2.8 Dichtsoorten naar inhoud en karakter

Lied: strofen van gelijke lengte. Het geeft inhoud aan gevoelens en stemmingen. Bijv. smartlappen, psalmen of vaderlandse liederen.

Lofgedichten

Hymne: loflied op God.

Ode: geestdriftig lofdicht, meestal tot een persoon gericht.

Hekeldicht: gedicht om kritiek te geven op de maatschappij of op de mensen om je heen.

Funeraire poëzie: poëzie over de dood

Grafschrift: gedicht speciaal gemaakt voor iemands graf.

Elegie: klaagzang, treurlied naar aanleiding van het verlies van een geliefd persoon.

Lijkdicht, grafdicht, grafschrift, elegie en in memoriam behoren tot funeraire poëzie.

Pastorale vers: eenvoudig gedicht met het doel de lezer een vertroostende boodschap mee te geven. Traditionele vorm.

Plezierdicht: gemaakt voor het plezier, om de lezer te vermaken.

Parodie of pastiche: variant op bekend, bestaand gedicht.

Gorgelrijm: gedicht over een verzonnen dier.

 

Hoofdstuk 3 Verhaalanalyse

 

§3.1 Literaire genres

Volksverhalen

Legende: een verhaal dat zich afspeelt rond het leven van een heilige, een martelaar of heilige voorwerpen, rond Christus of Maria. God bemoeit zich met mensen (wonder).

Berust op historische gebeurtenis.

Sage: volksverhaal zonder religieuze achtergrond (koningen, ridders of een verschijnsel wordt verklaard).

Er is een historische kern, waaromheen veel is gefantaseerd.

Mythe: een oud verhaal waarin niet-christelijke, godsdienstige elementen een rol spelen. O.a. de Grieken probeerden onbegrijpelijke (natuur)verschijnselen zo te verklaren.

Goden spelen een belangrijke rol.

Sprookje: een kinderlijke en optimistisch getoonzet verhaaltje waarin het goede het kwade overwint.

Vage plaatsen, onduidelijke tijden en dieren (en planten) hebben menselijke eigenschappen.

Geen kern van waarheid.

Parabel: een verhaal dat met een vergelijking een moraal wil doorgeven. Alleen mensen spreken.

Moraal is vaak een religieuze waarheid.

Fabels: planten en dieren leren een les. Menselijke ondeugden worden aan de kaak gesteld.

Proza ingedeeld naar omvang

Kort verhaal - max. rond de 20 pagina’s

-één hoofdpersoon

-eenvoudige opbouw

-één gebeurtenis centraal

-climax wordt snel bereikt

-abrupte en verrassende ontknoping

-gebundeld of in tijdschrift uitgegeven

Novelle - ong. 100 pagina’s

-weinig personages

-weinig karakterontwikkeling

-één verhaallijn

-afgerond verhaal

-zelfstandig uitgegeven

Roman - meer dan 100 pagina’s

-meer personages

-figuren uitvoerig beschreven en gekarakteriseerd

-karakterontwikkeling

-meer plaatsen van handeling, groter tijdsbestek

-verschillende intriges en gebeurtenissen

Proza ingedeeld naar inhoud

Historische roman: een verhaal dat zich afspeelt tegen een bepaalde historische achtergrond.

De schrijver verwerkt waarheidsgetrouwe elementen in zijn verhaal.

Oorlogsroman: een verhaal waarin oorlog een belangrijke rol speelt.

Streekroman: speelt zich af in een landelijke omgeving. Je maakt kennis met de omstandigheden van een streek.

Psychologische roman: de nadruk ligt op het innerlijk, de gevoelens en de gedachten van personages.

Tendensroman (strekkingsroman): de auteur beschrijft wat hij goed of fout vindt. Hij maakt propaganda voor iets of ageert ergens tegen (maatschappelijke misstand).

Toekomstroman (sciencefiction): er wordt een beeld geschetst van de verre toekomst op basis van wetenschap en techniek.

Apocalyptische roman: beschrijving van de eindtijd of de wederkomst van Christus.

Literaire thriller (detective): een spannend boek met karakterontwikkeling en onverwachte wendingen.

De psychologie van de misdaad is belangrijker dan geweld.

 

§3.2 Thema en motieven; titel en motto

Onderwerp: korte samenvatting van wat er in het verhaal gebeurt.

Thema: de kortste omschrijving van de centrale gedachte van het verhaal in één zin.

Verhaalmotief: bouwstenen van een tekst; verhaalonderdelen die regelmatig terugkeren in een verhaal, zoals situaties, voorwerpen, uitspraken en gedachten.

Leidmotief: iets wat bijna onveranderlijk terugkeert binnen één verhaal.

Literair-historisch motief: een verhaalgegeven dat voorkomt in de werken van verschillende schrijvers uit verschillende landen en tijden. Voorbeelden hiervan zijn:

-Assepoestermotief – slecht behandelt, maar uiteindelijk rijk en gelukkig.

-Narcissusmotief – iemand die zichzelf bewonderd.

-Oedipusmotief – een jongen neemt de plaats van vader in.

-Dubbelgangermotief

Titel: naam van een boek.

Onthullend: de titel vertelt waar het verhaal over gaat.

Verhullend: de titel maakt je nieuwsgierig naar de inhoud van het boek, maar verraadt er weinig van. Over het algemeen streeft men nu naar een titel die beknopt en pakkend is.

Ondertitel: geeft een nadere toelichting op de hoofdtitel of laat weten tot welk genre het boek behoort. Kan letterlijk of figuurlijk zijn.

Motto: een citaat dat vooraf gaat aan de eigenlijke tekst. De schrijver geeft met het motto een hint voor de interpretatie van zijn boek.

Opdracht: bij wijze van eerbetoon kan een schrijver zijn boek aan iemand ‘opdragen’.

 

§3.3 Perspectief

Perspectief: het gezichtspunt waaruit een verhaal verteld wordt.

Auctoriale verteller (alwetende verteller): staat tussen de schrijver en de romanpersonages in. Neemt zelf niet aan de handelingen deel. Hij overziet juist al de verwikkelingen en geeft commentaar op het gebeuren.

Hij heeft inzicht in het verloop van de tijd en kan de lezer van de ene naar de andere ruimte brengen.

Soms verteld hij hoe het met een personage zal aflopen.

Auctoriale vertelinstantie: perspectief met een onzichtbare verteller.

Personale verteller: de gebeurtenissen en handelingen worden vanuit de personages in de derde persoon verteld → de hij/zij verteller.

Je kruipt in de huid van één van de romanpersonages.

Ik-verteller: doet zelf aan de handelingen mee. Een ik-verteller heeft maar een beperkte kijk op wat er gebeurt → hij vertelt de lezer niet meer dan hijzelf nodig vindt of waarneemt.

Meervoudig perspectief: als de lezer bij meer romanpersonages naar binnen kan kijken. Zo krijg je een objectiever beeld.

Wisselend perspectief: de schrijver verandert binnen een verhaal van perspectief.

Onbetrouwbaar perspectief: de ik-verteller en de personale verteller kunnen soms onbetrouwbaar zijn, bijvoorbeeld als de verteller dementerend is.

 

§3.4 Tijd

Tijd

Historische tijd: in welke tijd het verhaal zich afspeelt.

Vertelde tijd: de tijdsduur waarover een roman vertelt, uitgedrukt in dagen, maanden of jaren.

Verteltijd: de tijd die je nodig hebt om het boek te lezen, uitgedrukt in het aantal pagina’s.

Tijdsversnelling: de schrijver wat een lange tijdsperiode in een aantal regels samen.

Tijdsvertraging: de verteltijd is langer dan de tijd die de gebeurtenis in beslag neemt.

Verhaalverloop

Chronologisch: in tijdsvolgorde.

Niet-chronologisch: niet in tijdsvolgorde.

Vooruitwijzing: zonder de chronologie te doorbreken vooruitblikken.

Terugwijzingen: zonder de chronologie te doorbreken over het verleden spreken, denken of dromen.

Sujet: de volgorde van de gebeurtenissen zoals het verhaal die geeft.

Fabel: wat er daadwerkelijk gebeurd is, de logisch-chronologische volgorde van de gebeurtenissen.

Flashback: een terugblik naar of een herbeleving van een gebeurtenis die voor het begin van de vertelde tijd heeft plaatsgehad.

Flashforward: er wordt een stukje toekomst ingelast.

Verhaalbegin

Informatieve opening: het verhaal begint bij de eerste gebeurtenis waarna de rest in chronologische volgorde wordt verteld.

Opening in de handeling: de lezer wordt midden in het gebeuren geplaatst en verneemt pas later wat er aan voorafging en wat volgt.

Opening na de handeling: de lezer maakt eerst kennis met de afloop van het gebeuren, pas daarna met het voorafgaande. De schrijver begint dus achteraan.

Verhaaleinde

Gesloten einde: alle vragen zijn beantwoord.

Open einde: de lezer blijft met onbeantwoorde vragen zitten (er kan het gevoel ontstaan dat de geschiedenis niet is afgerond).

Panoramic view: aan het eind van het boek worden in vogelvlucht de verdere lotgevallen van de personages verteld.

Cyclische bouw: de roman begint met een voorval dat aan het eind ook weer een rol speelt.

 

§3.5 Ruimte

Plaats van handeling: een concrete aardrijkskundige plaats.

Speelruimte: de beschrijving van de ruimte heeft geen ander doel dan letterlijk een omgeving te beschrijven.

De ruimte heeft geen invloed op de gebeurtenissen of personages.

De ruimte kan gevoelens oproepen.

Belangenruimte: de ruimte doet meer dan alleen weergeven waar iets zich afspeelt. De ruimte zegt iets over de personen en de gebeurtenissen of beïnvloedt ze.

De belangenruimte kan drie verschillende functies hebben:

-ondersteunende functie → de ruimte benadrukt de betekenis van de handeling.

-contrasterende functie → wat plaatsvindt, staat n tegenstelling tot de sfeer die de omgeving

 oproept.

-symboliserende functie → de ruimte kan een symbool zijn voor iets anders.

 

§3.6 Spanning

Spanning: open vragen en de behoefte van een lezer aan antwoorden daarop.

Spanningverwekkende elementen en trucs

Klassieke voorbeelden:

-vondst van een lijk

-vondeling

-er komt iets tussen twee mensen die van elkaar houden

-voorspelling

-opdracht

-bijzondere situatie

-ongewone verhaalfiguren

Moderne trucs:

-een aantal vragen oproepen

-vooruitgrijpen in de tijd

-perspectiefkeuze (lezer kennisvoorsprong of -achterstand)

-beschrijving van ruimte

-uitstellen van de ontknoping

-tijdsvertraging

-uiterlijk van een boek (vooral de titel)

 

§3.7 Personages

Hoofdpersoon: het belangrijkste personage in een verhaal. Van de hoofdpersoon kom je het meeste te weten.

Bijfiguren: overige personages in een verhaal. Ze veranderen nauwelijks en je weet niet zo veel over ze.

Een bijfiguur kan de hoofdpersoon bijv. bijstaan of juist het tegenovergestelde doen.

Figuranten: personages die helemaal geen rol spelen in het verhaal, maar toch niet gemist kunnen worden, zoals de andere passagiers van de bus of de caissière.

Round character: ‘echt mens’; uiterlijk en innerlijk worden beschreven. Het personage verandert in de loop van de tijd.

Hij heeft verschillende ideeën en eigenschappen en reageert telkens anders of anders dan verwacht (3D).

Flat character: statische personages van wie we veel minder weten. Zoals je hen leert kennen, blijven ze.

Ze hebben enkele duidelijke karaktertrekken (2D).

Type: een personage dat slechts één idee of eigenschap heeft (1D).

Karikatuur: als een schrijver een bepaalde eigenschap van een karakter overdrijft.

Sociogram: relatieschema. Om goed inzicht te krijgen in de verbanden tussen personages te krijgen, is het verstandig een relatieschema te maken. Daarin kun je zichtbaar maken wat de mensen met elkaar te maken hebben en wat ze voor elkaar voelen, zonder het uitvoerig te moeten omschrijven.

Speaking name: schrijvers vertellen via de naam iets over het karakter of het uiterlijk van personages.

 

§3.8 Structuur en stijl

Geleding: het verhaal in delen verdelen door het gebruik van alinea’s, witregels en hoofdstukken.

Proloog: een inleidend hoofdstuk, waarin meestal wordt vermeld wat er aan het eigenlijke verhaal is voorafgegaan.

Epiloog: een hoofdstuk na het verhaal. Een epiloog kan als in een panoramic view een totaalblik geven over de verdere levensloop van verschillende personages.

Dubbelroman: een boek met twee intriges (verhaallijnen) die aan elkaar gelijkwaardig zijn.

Kader of -raamvertelling: het boek lijkt uit een verzameling losse verhalen te bestaan, maar er is één intrige die alle verhalen met elkaar verbindt.

Ingelast verhaal: een verhaal dat tussendoor wordt verteld in de roman (meestal staat het thema in verband met de rest van de roman).

Een verhaal krijgt een hechte structuur en samenhang door:

-herhaling

-overeenkomsten

-tegenstellingen

-spiegeling → gebeurtenissen of andere tekstelementen keren (meestal aan het eind) terug in

 andere personages, tijden of ruimtes.

Schrijfstijl: de manier van schrijven. De schrijfstijl wordt bepaald door:

-taalgebruik (woordkeuze, stijlfiguren, beeldspraak, zinsbouw)

-(het ontbreken van) beschrijvingen

-veel of weinig dialoog

-gebruik van humor

-de persoonlijkheid van de auteur

-de tijd waarin de schrijver leeft

-genre

Epische grondsoorten: de functies die zinnen hebben.

-mededeling → geeft aan wat er gebeurt

-beschrijving → deelt mee wat er is

-beschouwing → geeft de eigen mening van de verteller over het gebeuren

-dialoog → het tweegesprek

-monoloog → alleenspraak

Directe reden: letterlijke weergave van de woorden of gedachten van een personage.

Indirecte reden: de woorden van personages worden niet rechtstreeks weergegeven, maar in een bijzin omgezet.

Erlebte reden: een tussenvorm; de auteur geeft de woorden of gedachten van een personage weer in de woordvolgorde van de directe reden, maar dan in de derde vorm en vaak gevolgd door een verledentijdsvorm.

Voorbeeld: Hij zou morgen komen, zei hij.

Monologue intérieur: iemand spreekt in zichzelf en verwoordt zijn eigen gedachten.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.