Literatuurtheorie

Beoordeling 6.2
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas havo | 2237 woorden
  • 14 oktober 2003
  • 10 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.2
  • 10 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Help nu jouw favoriete goede doel door jouw mening te geven!

Hoe? Heel simpel. Geef je op voor het panel van Young Impact en geef jouw mening over diverse onderwerpen zoals gelijke kansen, diversiteit of het klimaat. Voor iedere ingevulde vragenlijst (+/- 1 per maand) ontvang je een bedrag dat je direct mag doneren aan een goed doel naar keuze. Goed doen was nog nooit zo easy!

Meld je aan!
Caput 1
- Lyriek: (poëzie) literatuur waarbij de persoonlijke gevoelens van de kunstenaar centraal staan.
- Dramatiek: (toneel, proza + poëzie) literatuur waarin het gaat om het uitbeelden van handelingen.
- Epiek: (proza) verhalende kunst, verzamelnaam voor het beschrijven van gebeurtenissen.
- Rijm: een geheugensteuntje voor het onthouden van teksten.
- Stijlfiguren & beeldspraak: zijn hulpmiddelen om literaire teksten te verlevendigen. Ook het toepassen van verteltechnieken kan een verhaal extra boeiend maken.
- De verspreiding van het Christendom, de steeds internationaler wordende handel en de kruistochten leveren stof genoeg om de fantasie van de rondtrekkende minstrelen te prikkelen. En zo sluipen allerlei Germaanse, Keltische en Oosterse elementen in de verhalen die in de volkstaal gezongen worden.

- Het begin van de 20e eeuw brengt de grote vernieuwingen op het toneel. Het elektrisch licht wordt benut om bepaalde effecten te bereiken, de decors worden kunstwerken, acrobatiek, ballet, muziek, snelle acties, massascènes, alles blijkt plotseling mogelijk, Bertolt Brecht heeft van deze nieuwe mogelijkheden gebruik gemaakt.

Caput 2
- Ritme in de poëzie: de manier waarop je met je stem, je intonatie, meebeweegt met de woorden, net zoals je onwillekeurig meebeweegt wanneer je naar muziek luistert.
- Metrum (maat): de regelmatige afwisseling van sterker en zwakker beklemtoonde lettergrepen.
- Versvoeten: combinatie van sterke en zwak beklemtoonde lettergrepen.
- De meest voorkomende versvoeten zijn:
- jam be ½_“½
- tro cheus ½“_½
- ana pest ½_ _ “½
- dactylus ½“ _ _ ½
- amfi bra chus ½_ “ _½
- Enjambement: het einde van de versregel vormt dan niet tegelijk ook het einde van de zin.
- Rijm: herhaling van gelijke klanken in niet al te ver van elkaar staande, beklemtoonde lettergrepen.
- We onderscheiden:

- Beginrijm, ook alliteratie of stafrijm genoemd: rust – roest; wie weet waar Willem Wouters woont?
- Eindrijm, mannelijke rijm: rond – hond. Vrouwelijke rijm: gevallen – stallen. Glijdende rijm: kinderen – hinderen
- Rijk rijm, ook rime riche genoemd: licht – licht; licht – ligt
- Half rijm, ook assonantie of klankrijm genoemd: man. rijm lief – diep
vrw. Rijm dragen – varen
- Binnenrijm is rijm binnenin een versregel: ’t moedige, bloedige, woedige zwaard.
- Blanke verzen zijn verzen zonder rijm.
- Strofe: aantal versregels samengevoegd tot een groep;
- distichon: strofe van twee regels
- terzet of terzine: een strofe van drie regels
- kwatrijn: strofe van 4 regels
- Er bestaan verschillende rijmschema’s:
- alrijm of slagrijm: aaaa
- gepaard rijm: aa bb
- gekruist rijm: abab
- omarmend rijm: abba
- gebroken rijm: alle afwijkende vormen
- Toppen- of heffingenvers: in de Middeleeuwen bestaat de versregel uit drie of vier heffingen (= beklemtoonde lettergrepen) met daartussen een onbepaald aantal dalingen.

Caput 3
- Cultuurlied: een kunstlied waarvan de dichter welbekend is waarin de inhoud meer doordacht is en de vorm verfijnder is.
- Volkslied: een lied dat uiting aan gevoelens geeft die bij het volk leven.
- Dans- en drinkliederen: vormen de feitelijke oorsprong van dichtkunst en muziek.
- Geestelijke liederen: geeft een volk of individu uiting aan godsdienstige gevoelens.
- Verder bestaan er liefdesliederen, historie- en vaderlandsliederen, dat we tegenwoordig ook wel protestsong noemen.
- Volksballade: een lang, verhalend gedicht, in strofen en op rijm, met een sprongsgewijze verteltrant en vaak met veel herhalingen.
- Ode: loflied, waarin een persoon of land of ideaal wordt verheerlijkt.
- Hymne: loflied, waarin God verheerlijkt wordt.
- Elegie: klaaglied, een gedicht naar aanleiding van een treurige gebeurtenis.
- In een hekeldicht of satire worden misstanden en ondeugden in de maatschappij of gebreken van personen met verontwaardiging, haat of spot ‘over de hekel gehaald’.
- Parodie: een vorm van spot, waarbij een literair werk, een schrijver of een literaire stroming belachelijk wordt gemaakt door overdreven nabootsing.
- Eerste Nederlandse cabaretier: Eduard Jacobs.
- Cabaret: professionele literair-muzikale kleinkunst (in een intieme omgeving voor een intelligent publiek).

Caput 4
- Een sonnet heeft 3 kenmerken:
- Bestaat uit 14 versregels, verdeeld over 2 kwatrijnen, die samen het octaaf vormen, en twee terzetten die samen het sextet heten.
- Het rijmschema van een klassiek sonnet ziet er als volgt uit: abba abba cdc dcd.
- Tussen het octaaf en het sextet zien we wat de inhoud betreft een wending, ook wel volta of chute genoemd.
- Rondeel (2 kenmerken): - Het is opbouwt op twee rijmklanken.
- Een zelfde versregel keert zo nu en dan terug.
- Een rondeel kan uit 8 of 13 regels bestaan (8: 1, 4, 7 en 2,8 hetzelfde) (13: 1,7,13 en 2,8 hetzelfde).
- Rederijkersballade: een gedicht waarvan elke strofe op dezelfde versregel eindigt, de stock, die de grondgedachte van het gedicht verwoordt.
- Referein: lijkt op rederijkersballade maar is strakker gebonden aan het aantal regels per strofe terwijl juist vrijer zijn dan van de rederijkersballade.
- Limerick: een vijfregelig vers met het rijmschema aabba. De regels 1,2 5 zijn langer en hebben drie accenten; regel 3, 4 zijn korter en hebben 2 accenten.
- Haiku: bestaat uit 3 versregeltjes die samen een zin vormen. Er is geen rijm en maat. Het onderwerp is natuur; het taalgebruik is eenvoudig en beknopt, maar veelzeggend, diepzinnig.
- Epigram: let. Opschrift. Een epigram of puntdicht heeft niet echt een vaste vorm. Het is een kort gedicht van twee à vier regels met rijm en met een geestige pointe of een treffende gedachte.
- Aforisme: een kernachtig gezegde met meestal een woordspeling en een pakkende gedachte.
- Retrograde: een vers dat men van voor naar achter en van achter naar voor kan lezen.
- Schaakbord: bestaat uit 64 vakken met ieder één versregel.
- Acrostichon: naamdicht, vormen de beginletters van een bepaalde versregels een naam of tekst.
- Light verse: gedichten die geschreven zijn om de lezer te amuseren. De gedichten zitten stevig vast in een vorm, bevatten dus rijm, metrum en strofen.

Caput 5
- Vrije vers: een vers zonder metrum, geen rijmschema, geen strofeopbouw, regels zijn niet even lang.
- Poësie pure: een gedicht gebaseerd op klank en ritme.
- Kenmerkende van experimentele poezie: - sterk vereenvoudigde, bijna tot telegram stijl teruggebrachte zinnen waarin het zn een sterk geladen functie heeft.
- Visuele poezie: Als een dichter een tekst maakt waarin een of meer woorden niet alleen worden gebruikt vanwege hun betekenis, maar ook vanwege hun vorm of klank.
- Experimentele poezie: opgebouwd uit beelden, die met behulp van associaties – spontaan opwellende combinaties van gedachten en beelden – aaneengeschakeld worden.
- Pluri-interpretabiliteit: door het associatief verband zijn beelden, woorden en dichtregels meestal voor meer dan één uitleg vatbaar.
- Pop-art poezie: Beeldende kunst heeft dan speciale aandat voor gewone dagelijkse dingen om ons heen.

Caput 6
Middeleeuws toneel:
· Geestelijk
o Mysterie spelen
§ Ontlenen hun stof aan: de Bijbel, (godsdienstles)
o Mirakelspelen
§ Toneelbewerkingen van legenden waarin een mirakel gebeurt doel is om god of maria te verheerlijken.
o Moraliteiten
§ ookwel sinnespelen, in plaats van of naast werkelijke personen er ook zinnebeelden optreden zoals: De Dood, de Deugd en de Schoonheid

· Wereldlijk
o Abele spelen
§ Gedramatiseerde ridderromans, liefde speelt een grote rol

o Middeleeuwse kluchten
§ Cluten
§ Sotternieen
§ Esbattementen

Claus De hoeveelheid tekst die een spreker spreekt zonder onderbroken te worden
Proloog (in het begin) De problematiek wordt uitgelegd om de aandacht op het stuk te vestigen
Epiloog (op het einde) de lering van het stuk wordt nogmaals duidelijk uitgelegd
Structuur belangrijkste kenmerken van middeleeuws toneelspel
· Proloog
· Clausen
· Spreken in rijmende verzen
· De plaats wordt vaag aangeduid
· epiloog

Excursie
· Na de val van het West-Romeinse Rijk in 476 is het Romeins toneel zo ver in niveau gezakt dat de kerk het bestrijd
· In de 10e en 11e eeuw laat de kerk het toneel opnieuw ontstaan om mensen die geen latijn kunnen, kennis te laten nemen van de bijbelverhalen. Deze worden op kerkelijke feestdagen opgevoerd, eerst door priesters, toen door leken. ZO ONTSTOND HET GEESTELIJK TONEEL.
· Landjuwelen zijn wedstrijden waar de rederijkers hun toneelstukken opvoeren om zo uitgeroepen te worden tot het beste toneelstuk, hier zijn grote prijzen (vandaar juwelen) aan verbonden.

Caput 7

Klassieke drama in de Renaissance
16e en 17e eeuw Het klassieke toneel in de renaissance is geen voortzetting van het middeleeuws toneel. Het is alleen nog maar bestemt voor de rijken in de schouwburg. Door de belangstelling voor de griekse en romeinse kunsten gaan dramaturgen (toneelschrijvers en kenners) deze bestuderen.

· Tragedies of klassieke treurspelen
o Tragische helden gaan ten onder aan de macht van het noodlot of eigen zwaktes, de helden zijn van hoge komaf
· Komedies of klassieke blijspelen
o De mens wordt (komisch) getoond in zijn kleinheid en ijdelheid, de dwaasheid van de schone schijn wordt doorprikt. Ontleend aan het dagelijks leven.

Structuur: er zijn vijf wetten:
· Vijf bedrijven, te weten:
· Expositio; de uiteenzetting van wat vooraf ging
· Intrige; de verwikkeling waardoor er spanning komt
· Climax; de opvoering van de spanning
· Catastrofe; het hoogtepunt van de spanning en begin van ontknoping
· Peripetie; de beslissende wending ten goede of ten kwade en de ontknoping

Deus ex machina Onlogische ontknoping, onverwacht en van buiten komende ontknoping
Rei De eerste vijf bedrijven eindigen met slotzang (rei)
Klassiek drama houdt zich aan de volgende 3 eenheden
1. de eenheid van tijd; binnen 24 uur moeten de gebeurtenissen plaatsvinden
2. de eenheid van plaats; eist dat de handelingen zich op een plaats afspelen
3. de eenheid van handeling; stelt dat alle gebeurtenissen in het drama nauw moeten samenhangen.

Manier om op 1. in te springen: bodes die vertellen wat er eerder al is gebeurd.
Publiek ziet dan weinig handelingen maar hoort veel verhaal.
Men ziet in feite geen dramatiek maar hoort epiek en lyriek

Veel klassieke drama’s zijn in onze tijd als leesstuk interessant maar als toneelstuk onbruikbaar.

4e eeuw voor christus De griekse wijsgeer Aristoteles bestudeerd de grote toneelwerken
De drie wetten van aristoteles
Joost Vondel is de enige die zich echt aan deze wetten houdt.

Caput 8
Toneel tot aan de 2e wereld oorlog

Tot de 19e eeuw zijn lyriek en dramatiek de belangrijkste literaire uitgangsvormen. Maar vanaf 1800 wordt epiek het populairste genre
De traditionele indeling van de toneelstukken vervaagt.

Komedie in de 18e eeuw
· intrige blijspel
o Ingewikkelde verhoudingen tussen personen, komisch is het onbegrip tussen de personen
· zeden blijspel
o maakt de gewoonten van een bepaalde groep in een bepaalde tijd belachelijk.

Toneel/ komedie in de 19e eeuw
· historische stukken
o laten een bepaalde gebeurtenis uit het verleden zien, niet objectief
· ideeen stukken
o de uitbeeldingen van de strikt persoonlijke opvattingen van de schrijver.
· Tendensstukken
o Hebben de bedoeling de toeschouwer maatschappelijke misstanden te tonen.
· Psychologische stukken
o Beelden de geestelijke ontwikkeling of aftakeling van personen uit. Vrijwel altijd pessimistisch.

Dramatiek in de 18e eeuw
· De traditionele types worden personage’s
· Star optreden verandert in allerdaags gedrag
· De uitbeelding op het toneel komt steeds dichter bij die van het echte leven
· De grens tussen speler en toeschouwer vervaagt.

Pieter langendijk Opvallend moderne schrijver in de 18e eeuw en laat zien waar de mens sterk en zwak in is.
Hendrik jan schimmel Belangrijk in de 19e eeuw, kenmerkend door zijn vooruitstrevendheid, geen betrokkenheid
Multatuli Heeft de betrokkenheid die bij schimmel ontbreekt wel
Einde 19e eeuw Biedt de psychologie als wetenschap een prachtige kans tot dramatische nieuwe mogelijkheden.
20e eeuw Herman Heijermans speelt de grootste rol. Vb.: Op hoop van zegen
1909 Heijermans schrijft: de verzamelde toneelspelen.Uitgangspunt: de mens verheffen tot echte mens.
Het wezenlijke aspect in het werk van Heijermans Toneel als wapen
Vorstenschool van Multatuli Over maatschappelijke misstanden

Caput 9
Toneel na 1945
De psychologische test van Willem Frederik Hermans. Over: de positie van de mens in de kosmos.

Existentialistisch toneel
Ontstaat na 1945 in Frankrijk als levenshouding en filosofie.
Fout= de verklaring dat dit gaat over de zinloosheid van het bestaan
Goed = er zijn twee richtingen: de christelijke en de Atheïstische, beide gaan uit van subjectiviteit van het individu.
De christelijke richting: de mens moet als individu de koers waarmaken die god hem heeft meegegeven.
De atheïstische: de mens is bij de geboorte helemaal niets en moet zichzelf maken., vandaar de angst voor als iets niet lukt.

Fransman Jean Paul Satre: De mens is wat hij van zichzelf maakt. Dat is het wezenlijke uitgangspunt voor het existentialistische.

Het existentialistische toneel heeft als thema: de levensangst, de eenzaamheid, de walging van het bestaan.

Om dit op toneel te laten zien komt het episch toneel waartoe Heijermans de aanzet gaf. En die Bertol Brecht vervolmaakt heeft.

Episch toneel:
· Vernieuwend
o De inhoud
o De bouw
o De relatie tussen toneelspelers en publiek

· Het episch toneel toont geen vaststaand wereld en mens beeld, het wil het publiek laten schokken. En wil dat het publiek meedenkt.
· Episch toneel laat het publiek niet met een oplossing maar met vragen achter.
· Het verfremdungs effect: de vertrouwde toneelvormen zijn verdwenen.

Absurdistisch toneel
· De twee wereldoorlogen
· Het existentialisme
· De wetenschap van de psychologie
o Die onze schijnbaar zinloze droombeelden als symbolen ziet van onderbewuste wensen en conflicten.

Het absurdistische toneel wil de chaos in de wereld uitbeelden., angst en eenzaamheid staan centraal.
Uitgangspunt is een situatie en geen ideologie.
De situatie’s kunnen niet met gezond verstand verklaard worden. En is niet realistisch.

Toneel Nu

Het grootste deel van het toneel nu is existentialistisch, het gaat over het zoeken naar de zin van het bestaan.

Belangrijkste toneelschrijver: Judith Herzberg, hoofdthema in haar werk: het gevoel niet te weten waar je bij hoort. Bekend stuk: Leedvermaak, en Kras.

Geëngageerd toneel
· Het leven tonen zoals het is.
· Het vinden van oorzaken voor de gebeurtenissen,
· Het effect van de gebeurtenissen voor de toekomst bepalen.
In de jaren 60 is dit geprobeerd te verenigen onder de noemer happening.
Vaak hebben happenings het karakter van een protestactie.

Na de tweede wereldoorlog zijn er:

· Hoorspelen
o Een soort toneelstukken maar dan korter en omdat er geen oogcontact plaatsvindt zijn er beschrijvende stukken ingelast.
· En Televisiespel
o Combinatie van toneel en film.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

T.

T.

heey bart, heb je misschien ook nog un SV van literatuurtheorie van caput 10 t'm 13 of verder..
zo jah, als het niet vandaag kan dan laat maar zitte
mzzls tim

17 jaar geleden