Hoofdstuk 5 en 6

Beoordeling 7.3
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 3e klas havo | 784 woorden
  • 9 februari 2002
  • 17 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.3
  • 17 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
LEZEN 5: doelgericht en oriënterend lezen
Als je op zoek bent naar informatie dan lees je doelgericht
je weet ongeveer wat je nodig hebt. Je lees eerst zoekend en oriënterend. Tijdens het zoeken moet je selecteren: wat wel en wat niet. Probeer niet alles te lezen maar maak ook gebruik van hulpmiddelen als: titel enz..
Boeken en artikelen bevatten vaak weer verwijzingen naar andere bronnen. Let op de datum het kan zijn dat de informatie verouderd is.

LEZEN 6: studerend lezen
Als je een tekst moet bestuderen dan moet je goed weten wat de bedoeling is; moet je alles weten of allen de hoofdzaken? Moet je begrijpen wat er is uitgelegd? Moet je het kunnen toepassen?

Een goede manier om een tekst te bestuderen is:
- Lees de tekst eerst oriënterend en bepaal het onderwerp. Gebruik de hulpmiddelen.
- Lees de tekst globaal kijk of er een hoofdgedachte is en zo ja noteer die dan.
- Lees de tekst intensief.
- Maak een aantal overhoorvragen over de inhoud van de tekst.
- Maak een uittreksel.
- Probeer of je de tekst in schema kunt zetten

SCHRIJVEN 5: schrijven op basis van documentatie.
Als je een tekst schrijft en niet genoeg over het onderwerp weet, moet je documenteren. Je gaat op zoek naar informatiebronnen. Uit deze bronnen neem je informatie over. Deze materialen vormen je documentatie. Wat voor documentatie je selecteert hangt af van je doel waarvoor je de info nodig hebt.
Als je informatie gebruikt uit een bepaalde bron kun je citeren(letterlijk overnemen(hier gebruik je aanhalingstekens)) of parafraseren (in eigen worden navertellen).


SCHRIJVEN 6: een betoog schrijven.
Een betoog is een tekst met als doel de lezer te overtuigen. Dat bestaat uit een standpunt(een mening) en argumenten die het ondersteunen. In de eerste alinea is het standpunt de twee daarna argumenten voor, de 4e tegen+ ontkrachting en de 5e is het standpunt in andere woorden. Je kan het sterker maken als je ook tegenargumenten gebruikt.(je moet ze natuurlijk wel ontkrachten) De kwaliteit van de argumenten is belangrijk.

TAALGEBRUIK 5: lijdende vorm.
Een zin met een W.W. Kan in de bedrijvende of in de lijdende vorm staan. Het lijdend voorwerp van bedrijvende vorm word onderwerp in de lijdende vorm. Het onderwerp van de bedrijvende vorm word een bepaling met 'door' in de lijdende vorm. Met of zonder door bepalingen hebben hun eigen voor en nadelen; vaag of onnodig omslachtig. Bij de lijdende vorm gebruik je in de ovt het hulpwerkwoord worden en in de vt het hulpwerkwoord zijn.

TAALGEBRUIK 6: ambiguïteit.
Homoniemen zijn woorden die dezelfde vorm hebben, maar iets totaal verschillends betekenen.
Ze kunnen vaak op verschillende manieren uitgelegd worden: ze zijn ambigu.
Het kan ook voort komen uit de zinsbouw.

SPELLING 5: Hoofdletter of kleine letter?
Je schrijf in de volgende gevallen een hoofdletter:
- Bij het eerste woord van een zin
- Bij eigennamen
- Bijvoeglijke naamwoorden die van eigennamen zijn afgeleid.

Je gebruikt een kleine letter:
- Als je bij eigennamen niet meer aan een bepaald persoon denkt (de achillespees)
- Bij soortnamen( wel Havanna maar een dampende havanna
- Bij samenstellingen met religieuze feesten (bijv. kerstbal)
- Bij religiueze groeperingen
- Bij wind streken
- Bijafleidingen van geschiedkundige processen (middeleeuws)
- Bij name van seizoenen. Maanden of weekdagen

 De meervoudsvorming
-Woorden met een lange klank of een tweeklank die op een f of een s eindigen, krijgen soms in het meervoud een v of een z.
-Bij woorden die op onbeklemtoond -ik of -es eindigen, verdubbel je de medeklinkers niet.
-Bij woorden op onbeklemtoond -is of -us verdubbel je de medeklinker altijd.
-Woorden op -ee krijgen -ën maar ook -s
-Bij woorden op -ie met klemtoon op de laatste lettergreep schrijf je in het meervoud -ën
-Als de klemtoon niet op de laatste lettergreep valt, eindigt het meervoud op -iën
let op!: veel woorden op -ie hebben een meervoud op -s.

SPELLING 6: tussenletters in samenstellingen
De tussen -s:
Als je niet zeker weet of de tussen letter met een -s is omdat het 2e woord al met een s begint vervang dan het 2e woord.. en kijk of er dan nog een s is… is kan het allebei.

De tussen -e of de tussen -en
Als het 1e deel van een samenhang een zelfstandig naamwoord is dat alleen een meervoud op -en heeft zet je en tussen de woorden
Schrijf_e als tussen letter:
- Als het eerste deel geen zelfstandig naamwoord is.
- Als het 1e gedeelte geen meervoud heeft.
- Als het 1e gedeelte verwijst naar iets waar er maar een van is.
- Als het 1e deel een meervoud op -s heeft
- Als het woord niet meer herkenbaar als samenstelling is.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.