Genreleer

Beoordeling 5.3
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 3e klas vwo | 1963 woorden
  • 27 mei 2005
  • 37 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.3
  • 37 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Help nu jouw favoriete goede doel door jouw mening te geven!

Hoe? Heel simpel. Geef je op voor het panel van Young Impact en geef jouw mening over diverse onderwerpen zoals gelijke kansen, diversiteit of het klimaat. Voor iedere ingevulde vragenlijst (+/- 1 per maand) ontvang je een bedrag dat je direct mag doneren aan een goed doel naar keuze. Goed doen was nog nooit zo easy!

Meld je aan!
Genreleer

Non-fictie: teksten die over de werkelijkheid gaan, dus feiten.
Fictie: teksten waar personen en gebeurtenissen in voorkomen die een schrijver zelf bedacht heeft.

3 hoofdgenres: epiek, lyriek en dramatiek.

Epiek: verhalende teksten, een verhaal waarin tijd verloopt.

Lyriek: gedichten, op de bladzijde is veel wit en de regels zijn niet volmaakt, gevoelens spelen een grote rol, er verloopt meestal geen tijd.
Kenmerken:

- een sterke concentratie, het gedicht zegt veel in weinig woorden, als lezer moet je zelf het nodige aanvullen en toevoegen.
- het gaat over één onderwerp, bij epiek kan een verhaal over meer onderwerpen gaan.
- de juiste woordkeuze is heel belangrijk, als je maar weinig woorden kunt gebruiken, moet je de juiste kiezen.
- er wordt vaak gebruik gemaakt van dubbelzinnigheid van woorden en zinnen: de dichter speelt een spel met de taal die zowel op de ene als op de andere manier kan worden uitgelegd, letterlijk en figuurlijk kunnen tegelijkertijd een rol spelen.
- gedichten laten iets bekends op een ongewone of verrassende manier zien.
- het gaat over belangrijke levensvragen als dood, liefde, eenzaamheid, geluk, verdriet.
- dichters gebruiken vaak herhalingen en tegenstellingen. De woorden cirkelen als het ware om het onderwerp.

Dramatiek: toneel of dramatiek is het opvoeren van een spel in een theater of schouwburg.
Neventekst: hierin staan aanwijzingen over hoe gespeeld moet worden.

De meeste prozateksten behoren tot de epiek.

Lyrische proza: als een schrijver heel sterk de nadruk legt op het beschrijven van zijn gevoelens en nauwelijks zijn verhaal vertelt (komt weinig voor).
Epische poëzie: een verhaal in dichtvorm.

Realistische verhalen: verhalen die sterk lijken op de ons omringende, dagelijkse werkelijkheid. Niet veel verbeelding nodig om het verhaal voor te stellen.

Verhalen kunnen niet alleen op de werkelijkheid lijken, maar er ook aan verleend zijn. (eigen belevenissen verwerken in hun eigen verhalen).

Schrijvers schrijven ook vaak over onderwerpen waar ze over hebben gelezen, gezien of gehoord. Schrijvers van historische verhalen en romans doen dat vaak.

Open plekken: plekken in het verhaal die vragen oproepen, nog niet ingevulde stukjes van het verhaal.
Werking van open plekken is de lezer nieuwsgierig maken. Ze maken het verhaal spannend, want je wilt graag antwoord op je vragen, maar dat krijg je niet meteen. De spanning is sterker als het langer duurt voordat je een antwoord krijgt. Er is altijd sprake van het achterhouden van informatie, van uitstel.
Verschillende manieren waarop uitstel in verhalen tot stand komt:
- door te vertragen, het verhaal is op het punt aangekomen dat je een antwoord lijkt te krijgen, maar er volgen eerst nog wat uitweidingen.
- door een terugblik of herinnering in te lassen, er wordt eerst iets over vroeger verteld.
- door op een andere verhaallijn over te schakelen, het verhaal springt naar een andere plaats met andere gebeurtenissen.
- door een vooruitwijzing in te lassen, er wordt eerst iets verteld wat zich later heeft afgespeeld.

De schrijver kan de spanning verder verhogen door het wekken van vermoedens en het aanbrengen van dwaalsporen.
Vermoedens – als er vragen onbeantwoord blijven, de neiging zelf een antwoord te geven, het verhaal stuurt je.

Geschiedenis/fabel: een serie gebeurtenissen in een verhaal.

Sujet: de manier waarop de gebeurtenissen in het verhaal gepresenteerd worden.
Fabel: de volgorde van de belangrijkste gebeurtenissen

Mythen, sprookjes, sagen en legenden

Mythen: (blok 2).
In vele culturen komen verhalen voor waarin men antwoord probeert te geven op het raadsel van het leven, zoals dood en ziekte, het ontstaan van de aarde en de mens, deze verhalen noemen we mythen. De naam mythen is afgeleid van het Griekse woord “Mythos”, dat “gesproken woord “ betekend. Mythen zijn oeroud en werden mondeling door verteld.Mythen hebben een godsdienstig karakter. Mythen hebben vaak te maken met godsdienst, dit kwam doordat men dingen die men niet kon verklaren ging toeschrijven aan hogere machten, zoals goden en halfgoden. Met behulp van Mythen werd de mens iets geleerd. Ze bevatten leefregels; je kunt er normen en waarden en goed en kwaad aan afleiden.Mythen hebben bij ons veel invloed gehad op de kunst en de literatuur. Bijv. Odysseus.

Sprookjes: (blok 2).
Deze heel oude, fantasierijke, enge en vaak wrede verhalen, werden oorspronkelijk door rondreizende vertellers verteld om de mensen op het marktplein te amuseren. Veellater werden deze verhalen ook opgeschreven. In sprookjes treden niet alleen gewone mensen op, maar ook prinsen en prinsessen en daarnaast dieren, kabouters, draken,enz. In deze verhalen heeft iemand uit het gewone volk vaak meer succes dan een rijker of machtiger figuur. Sprookjes zijn nogal eens Humoristisch en bezitten een wensdroomkarakter. Deze verhalen zetten de mens ook vaak aan het denken: in veel sprookjes zit een wijze les. Bijv. Doornroosje.
volkssprookjes: de oude, mondeling overgeleverde sprookjes.
Kunst- of cultuursprookjes: die zijn op een veel latere datum verzonnen en door 1 persoon verzonnen.

Verschil tussen volkssprookjes en mythen:
*In volkssprookjes kunnen dingen in voor komen die in werkelijkheid eigenlijk niet kunnen, in mythen niet.
*Mythen hebben een godsdienstig karakter, volkssprookjes niet.
*Volkssprookjes zijn om te amusemeren.

Overeenkomsten mythen en volkssprookjes:
*Ze zijn mondeling doorverteld.
*Ze zijn allebei oeroud, allebei fictie, en ze geven allebei een wijze les(je leert er iets van).

Verschillen tussen volkssprookjes en cultuursprookjes:
*Cultuursprookjes zijn later verzonnen door 1 persoon.
*Volkssprookjes zijn mondeling doorverteld, cultuursprookjes zijn opgeschreven.

Sagen: (blok 3).
Sagen zijn oude verhalen die mondeling werden doorverteld. In een sage komt vaak een dappere held voor die het moet opnemen tegen machtige tegenstanders als geesten, heksen, duivels, enz. De held gaat nogal eens ten onder.Deze verhalen bevatten wel een historische kern, waar vaak omheen gefantaseerd is. Sagen zijn bedoeld om de luisteraar te vermaken en iets te laten leren uit het verleden. Veel sagen komen uit de tijd van Grieken en Romeinen. Bijv. Romeinse of Griekse sagen en verhalen.

Legenden: (blok 3).Dit zijn godsdienstige verhalen rond Christus,Maria en andere heilige figuren.Ze zijn ontstaan rond de middeleeuwen. Door deze verhalen bracht men het onalfabetische volk in contact met de christelijke leer. In deze verhalen wordt vooral getoond hoe machtig god is en welke kracht het geloof kan hebben. De kern van een legende is vaak een wonder. Bijv. Beatrijs.

Hoofdpersoon: belangrijkste persoon in het boek, die heeft altijd een bepaald doel, heeft moeite met bereiken van doel, er zijn hindernissen, gevaren of moeilijkheden.
Helper: de bijfiguur die de hoofdpersoon steunt bij het oplossen van zijn problemen. Meerdere helpers kunnen er zijn.
Tegenstander: de bijfiguur die de hoofdpersoon dwars zit bij het bereiken van zijn doel. Meerdere tegenstanders kunnen er zijn.

Personen hebben bepaalde relaties met elkaar: vriend/vriendin, moeder/vader enzo..

Scenario: daarin staat precies per scène wat de personen zeggen.

OPBOUWMOGELIJKHEDEN

Met elkaar samen hangen= met elkaar te maken hebben.
Dit is ook zo met gebeurtenissen in een verhaal.
Logisch-chronologische volgorde: de volgorde hoe een verhaal in werkelijk ook gebeurd.
Niet-chronologische volgorde: door terugblikken en herinneringen kom je de vroegere gebeurtenissen te weten.

Begin van verhaal op 2 manieren:

1. het verhaal begint bij het begin: ab ovo.
2. het begint midden in de gebeurtenissen: medias in res.

Spanningsbogen: er wordt informatie achtergehouden en er worden vermoedens gewekt waardoor er spanning ontstaat. Een spanningsboog ontstaat altijd bij een open plek.
Climaxmoment: aan het eind van een spanningsboog loopt de spanning meestal flink op. (hoogtepunt).
Vertelde tijd: de tijd die verloopt tussen begin en eind van een verhaal.
Verteltijd: de tijd die nodig is om een verhaal te lezen.

Met de tijd manipuleren:
1. terugblik of flashback: onderbreking van het verhaal, je leest over vroegere gebeurtenissen.
2. vooruit- en terugwijzingen: in enkele woorden lees je iets over vroeger of over de toekomst, de gebeurtenissen worden niet onderbroken.
3. tijdsprong: een stuk tijd word overgeslagen.
4. tijdverdichting: een groot stuk tijd wordt samengevat in een paar woorden.
5. versnellen en vertragen.

Schema verloop van een verhaal:

Beginsituatie – ontstaan van het probleem – verslechtering van de situatie – dieptepunt – verbetering van de situatie – afronding

Gesloten einde: het probleem van de hoofdpersoon is opgelost.
Open einde: de oplossing blijft uit of het is onzeker hoe het afloopt.
Aaneengesloten verteld: er zitten weinig tijdsprongen en terugblikken in.
Verbrokkelde indruk: het verhaal bestaat dan voornamelijk uit fragmenten en als lezer moet je je behoorlijk inspannen om die met elkaar in verband te brengen.
Één verhaallijn: je volgt voortdurend de hoofdpersoon.
Meerdere verhaallijnen: er zijn meerdere hoofdpersonen die allemaal iets anders meemaken.
Hoofdlijn en zijlijn: je krijgt een zijlijn omdat de bijpersoon zoveel aandacht krijgt.

Fabel: een kort, eenvoudig verhaal waarin dieren spreken en handelen als mensen. Fabels bevatten meestal een wijze les, die noemen we de moraal.
Parabel: een kort, moralistisch verhaal. De hoofdpersonen zijn mensen en de taal vaak plechtig is. In een parabel gaat het om godsdienstige zaken of om goed en kwaad.

Motieven: herhalingen waarin je de lijn van het verhaal ontdekt, dat je onderdelen van het verhaal met elkaar verbindt. Motieven zijn bouwstenen van het verhaal.
Interpretatie: uitleg, verklaring.
Perspectief: zicht op het verhaal.

3 veel voorkomende vertelsituatie:

1. ikvertelsituatie
2. alwetende vertelsituatie, de verteller is iemand die alles weet van alle personen.
3. personale vertelsituatie, het verhaal zien we door 1 persoon. De hij- of zijvorm.

Roman: een lange, doorlopende vertelling en door de grotere omvang complexer dan een verhaal. Bij een roman ligt de nadruk meer op de karakterontwikkeling van de personages.
Novelle: een prozavorm die tussen romen en verhaal inlicht. Een novelle is korter en minder ingewikkeld dan een roman. Het karakter van de hoofdpersoon is minder uitgewerkt dan in een roman.

Detectives:
Detective-, misdaad- en speurdersverhalen hebben meestal een vaste opbouw:
-Er wordt een misdaad gepleegd en het is onduidelijk wie de dader is.
-Een speurder gaat aan het werk en vind na veel tegenslag de dader.
De hoofdvraag is steeds: wie heeft het gedaan?
In sommige detectives gaat men dieper in op het verhaal en komt ook de vraag aan de orde waarom de moord gepleegd is. Daarbij gaat men meer in op de psychologische achtergrond van de personen.

Oorlogsverhalen:
Oorlogsverhalen laten het verdriet en de ellende van de mensen in oorlogstijd zien. De meeste oorlogsboeken spelen tijdens de oorlog maar er zijn ook oorlogsboeken die de nadruk leggen op de gevolgen van de oorlog. Oorlogsboeken zijn geschreven om de mens te laten zien dat het leed dat sommige mensen elkaar aandoen verschrikkelijk is, ze willen erop wijzen dat zoiets niet nog eens mag gebeuren.

Historische verhalen:
Bij historische verhalen krijg je een beeld van de geschiedenis, Hierbij ligt de nadruk meestal op avontuur. Het gaat dan ook meer om de belevenissen dan om de gedachten en gevoelens van de personages. Als de nadruk ligt op karakterontwikkeling van de personages, gaan de verhaalfiguren meer voor je leven. Vaak zijn de hoofdpersonen buitenbeentjes met een sterk karakter die in de problemen raken omdat zij zich niet wil aanpassen aan de situatie. De schrijvers verrichten meestal veel onderzoek naar het tijdvlak waarin het boek zich afspeelt. Ze verzinnen dan meestal een personage dat ze in dat tijdvlak plaatsen.

Verhalen over verre streken en culturen:
Deze verhalen zijn avontuurrijke, en aantrekkelijk om te lezen omdat de gebruiken en gewoontes onbekend zijn. Deze verhalen gaan vaak over: verzet, dictatuur, discriminatie en uitbuiting door het rijke westen. Ook veel historische verhalen spelen zich af in verre streken met onbekende culturen.

Multiculturele Verhalen:
Deze verhalen gaan over de problemen die ontstaan als verschillenden culturen in dezelfde maatschappij moeten samenwonen. Deze boeken laten zien hoe belangrijk respect en verdraagzaamheid zijn. Een veelvoorkomende onderwerp in deze verhalen is de vraag in hoeverre van culturele minderheidsgroepen een of anderen vorm van aanpassing mag worden verlangd en hoe ver dat moet gaan.

Psychologische roman:
Het gaan om de psychologische ontwikkeling van de hoofdpersoon. Het gaat om de reactie van de hoofdpersoon op bepaalde gebeurtenissen. De romans kunnen in heden, verleden of toekomst spelen.

Strekkings- of tendensroman:
Met dit soort roman wil de schrijver een bepaalde mening over een onderwerp naar voren brengen, hij wil iets aantonen. Belangrijk is de boodschap.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.