Gele blokken

Beoordeling 10
Foto van Hanneke
  • Samenvatting door Hanneke
  • 3e klas havo | 882 woorden
  • 6 oktober 2015
  • 1 keer beoordeeld
  • Cijfer 10
  • 1 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak

Ned Samenvatting alle gele blokken



Tekst

uiterlijk: titel, tussenkopjes, illustraties, alinea’s, bronvermelding

onderwerp: waarover de tekst gaat (1, of enkele woorden)

deelonderwerp: bepaald gedeelte ow dat in een alinea vd tekst aan de orde komt

hoofdgedachte: de samenvatting vd tekst in één zin

hoofdzaken: belangrijkste info uit de tekst

kernzin: zin met de belangrijkste info uit de alinea

signaalwoorden: woorden die verbanden in de tekst aangeven

tekstdoel/schrijfdoel: informeren,overtuigen,activeren,instrueren,amuseren

publiek: lezers/luisteraars

structuur: opbouw vd tekst: inleiding->kern->slot



Inleiding (staat vaak vet/cursief gedrukt) heeft 2 functies:

1 de aandacht vd lezer trekken

- één of meer vragen te stellen

- opvallend feit te noemen

- anekdote

- prikkelde uitspraak

2 onderwerp introduceren

-ow omschrijven/ hoofdgedachte noemen

- overzicht geven van belangrijke punten

- aanleiding voor het schrijven vd tekst

- voorbeeld geven wat ow duidelijk maakt



Kern: uitwerking vd hoofdgedachte. (verdeeld in alinea’s)

Slot:

- korte samenvatting vd kern

- conclusie

- advies/tip aan de lezers

Slotalinea eindigt vaak met leuke/opvallende slotzin



Tekstverband: verband tussen delen van een tekst (signaalwoorden)

opsomming: en, ook, verder, bovendien, daarnaast, ten eerste, ten slotte

tegenstelling: maar, toch, echter, daarentegen, integendeel, hoewel, enerzijds



voorbeeld: bijvoorbeeld, zo, zoals, dat blijkt uit, onder andere

tijd: daarna, intussen, toen, terwijl, wanneer, tegelijkertijd, nu

reden: daarom, omdat, want, namelijk, vanwege

oorzaak-gevolg: door, daardoor, hierdoor, waardoor, doordat, zodat, als gevolg van

voorwaarde: als, wanneer, indien, mits, tenzij, op voorwaarde dat

conclusie: dus, kortom, hieruit volgt, dan ook, met andere woorden

middel-doel: om…te, opdat, zodat, met als doel, door middel van, met behulp van



stijlfiguur: bijzondere vorm van taalgebruik-> bepaald effect te bereiken

1. Antithese: tegenstelling

2. Hyperbool: sterke overdrijving

3. Retorische vraag: vraag waarop geen antwoord wordt verwacht



antecedent: woord/woorden waarnaar een verwijswoord verwijst

znw met lw de: hij, zij/ze, die, deze, zijn, haar

znw met lw het: het, dit, dat, zijn

dingen/dieren: waarover, waarbij, waarmee

personen: over wie, bij wie, met wie

dit/deze: dichtbij

dat/die: verderweg

zaken: ze

hen: lv/ na een vz

hun: mwv waar geen vz in staat

hun/hen: nooit als ow van een zin/ als ow: zij/ze

 



ABN: algemeen beschaafd nederlands

taalpuristen: streven ernaar de taal vrij te houden van vreemde woorden & uitdrukkingen



Poldernederlands: Nederlandse taal met accent



H5



Lectuur: ontspanning

Literatuur: artistieke waarde

Kenmerken van literatuur:



_Verschillende karaktereigenschappen/ ontwikkeling

_Werkelijkheid niet geïdealiseerd

_Stof tot nadenken

_Thema: diepgaand. Belangrijke levensvraagstukken

_Verloop/afloop is verrassend

_Taalgebruik is origineel



Volrijm: klankovereenkomst van zowel klinkers als medeklinkers

Halfrijm: alleen klinkers of medeklinkers rijmen op elkaar, 2 soorten:

Alliteratie/medeklinkerrijm/beginrijm: beginmedeklinkers zijn gelijk

Assonantie/klinkerrijm: klinkers zijn gelijk



Tautologie: herhalen van een begrip door een synoniem of door een woordgroep met dezelfde betekenis. Kan gebruikt worden om een uitdrukking te versterken. (hele begrip)

Pleonasme: eigenschap die al in het woord aanwezig is extra benadrukt (deel)



Dat: het-woorden

Wat: _als het antecedent een hele zin in

          _als het antecedent een overtreffende trap is

          _na dat(gene), het enige en na onbepaalde woorden als alles,niets,iets,veel,weinig



Kritisch lezen

1. Tekstdoel, verschillende doelen. Over te halen is minder betrouwbaar dan informerend. Reclame: wel voordelen, geen nadelen genoemd. Amuserende tekst: meestal extra spannend, overdrijving. Betogende tekst: argumentatie juist en geldig?

2. De auteur, kennis van zaken? Welke functie? Objectief? Vaak uitspraken van anderen aan. Zijn die mensen deskundig en welk belang?

3. De bron, betrouwbaar? Info kan verouderd zijn. Info op kleine, onbekende of persoonlijke websites niet altijd even betrouwbaar.

4. Bronnen vergelijken, Meer bronnen te raadplegen is goed, en info te vergelijken



H6

Tijd(sverloop)

Vertelde tijd:
tijd tussen het begin en einde van het verhaal

Verteltijd: Lengte van het verhaal uitgedrukt in het aantal pagina’s.

Verteltempo: de snelheid van het verhaal

Tijdsvertraging: middel om extra spanning in verhaal te brengen-> bepaalde gebeurtenis met veel details beschreven

Tijdsversnelling: onbelangrijke gebeurtenissen vluchtig beschrijven.

Tijdssprong: een periode helemaal overslaan

Chronologisch: als de gebeurtenissen beschreven zijn in de volgorde waarin ze hebben plaatsgevonden

Flashback/terugblik: gedeelte van een verhaal waarin iets wordt verteld wat al eerder gebeurd is

Niet-chronologisch: een verhaal met flashbacks

Terugwijzingen: persoon denkt even terug aan iets wat eerder heeft plaatsgevonden (verschil met flashback: chronologie van verhaal wordt niet doorbroken)

Vooruitwijzing: vooruitgewezen naar iets wat nog gaat komen.  Zorgt voor spanning in verhaal



Understatement: opzettelijke afzwakking van de werkelijkheid  (tegenovergestelde van een hyperbool) vaak humoristisch effect.

Eufemisme: Verzachtend woord/uitdrukking. (verschil met understatement: bedoeling van spreker/schrijver, eufemisme: doel: iets vriendelijker te zeggen/understatement niet. : heeft iets humoristisch in zich/ eufemisme niet)



Spelling:

Aan elkaar schrijven: woorden die één begrip vormen

1. Samenstellingen schrijf je zo veel mogelijk aan elkaar.

_Samengestelde  ww. als het in dezelfde volgorde staat als een infinitief. (opbellen,omkijken)

_Samenstellingen van woorden van Engelse herkomst. (behalve als het eindigt op een vz, dan streepje: black-out/online)

_Samenstellingen van 2 bnw’s die ja als één woord ervaart (lichtblauw etc.)

2. Woorden die met daar, er , hier of waar beginnen schrijf je aan elkaar (daarover, ervan, hiertegenover, waarin)

3. Getal in woorden wordt aan elkaar geschreven (na duizend spatie, miljoen/miljard altijd los) : (zesennegentig, driehonderdvierenzestig, zesduizend honderdtweeëntwintig, twee miljoen tweeduizend)

 


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Ook geschreven door Hanneke