Lesuitval, een mondkapjesplicht, onzekerheid over de eindexamens... Wij zijn benieuwd hoe jij met de coronacrisis omgaat en wat jij vindt van de maatregelen. Doe mee met ons corona-onderzoek! 😷🦠🏫 We zoeken nog extra jongens!

Doe mee


ADVERTENTIE
Open Dag = online ontdekken en ontmoeten

Bezoek onze Online Open Dag dit jaar vanaf je bank! Ontdek bijzondere verhalen van onze studenten en docenten. Stel je vragen. Én luister naar onze gezellige radioshow! Klaar voor een toekomst als student in het hbo? 

Meld je dan nu aan!

Blok 5 Lezen: tekstopbouw, Topniveau



► De kernzin staat meestal in de eerste of laatste zin, soms vooraf gegaan door een inleidende zin. De kernzin is belangrijk, omdat het de hoofdmededeling of -bewering van de alinea is.

► Een inleiding kan bedoeld zijn om:

- belangstelling te wekken

- opbouw van de tekst aankondigen

- het onderwerp introduceren of de hoofdgedachte naar voren brengen

- lezer/luisteraar welwillend te stemmen. Het slot kan activeren en samenvatten.

- De aanleiding voor het schrijven van de tekst noemen



► De hoofdgedachte bestaat uit een zin die meestal zelf onder woorden moet brengen. Elke tekst is voor een algemeen publiek geschreven.

► Om een pakkende inleiding te schrijven zijn er 7 tips:

- begin met een of meer directe vragen (dit prikkelt de nieuwsgierigheid van de lezer als hij het antwoord niet direct weet)

- begin met een uitspraak in de vorm van een stelling, gevolgd door een vraag. Die vraag geeft het hoofdonderwerp van de tekst aan

- begin met een retorische vraag: een vraag waarop je geen antwoord verwacht (mededeling in vraagvorm)

- begin met een verrassende, uitdagende, shockerende of sarcastische openingszin (gebruik stijlmiddelen als overdrijving, ironie, sarcasme)

- vertel een korte anekdote (verhalende inleiding)

- stel het probleem meteen aan de orde (scherpe verschillen in mening over het onderwerp kan de nieuwsgierigheid prikkelen)

- noem de aanleiding tot het schrijven van je tekst



► Een slot kan een tekst afronden op 2 manieren:

- In de laatste alinea wordt een korte samenvatting gegeven

- In de laatste alinea wordt een conclusie getrokken

► De verschillende soorten verbanden zijn:

- Tegenstellend verband; maar, daarentegen, toch, echter, integendeel, daar staat tegenover, enerzijds … anderzijds

- Opsommend verband; en, ook, niet alleen … maar ook, bovendien, verder, nog, daarnaast, zowel … als, vervolgens, tevens, ten eerste … ten tweede, eerst, dan, daarna

- Oorzakelijk verband; doordat, daardoor, zodat, waardoor, ten gevolge van Redengevend verband; omdat, want, daarom, immers

- Uitleggend verband; dat wil zeggen, zo, met andere woorden, bijvoorbeeld, ter illustratie

- Concluderend verband; dus, concluderend Samenvattend verband; kortom, samenvattend, om kort te gaan

- Voorwaardelijk verband; als, indien, op voorwaarde dat, mits, tenzij

- Vergelijkend verband; net als, zoals, evenals

► Verbanden kunnen op 4 manieren worden aangegeven:

- Herhaling (herhaling van woorden of woordgroepen uit de vorige alinea)

- Overgangszinnen (samenvattende zinnen aan het begin of einde van een alinea met verwijswoorden als: deze, die, dit, degelijke, zulke, bovengenoemd enz.)

- Signaalwoorden

- Aankondigende zinnen (wordt vooral in langere teksten gebruikt)

► Een tekst moet een samenhang bezitten dit krijg je door hem structuur te geven. Verschillende structuren zijn:

- Voordelen-en-nadelenstructuur; bij uiteenzetting of beschouwing

- Vroeger-en-nustructuur en vroeger-nu-toekomststructuur; uiteenzetting of beschouwing. Inleiding-> welk verschijnsel? Middengedeelte -> beschrijving van veranderingen Slot -> conclusie of aanbeveling. Heb je alleen te maken met veranderingen dan is het een uiteenzetting. Laat de schrijver zien dat je op verschillende manieren tegen die veranderingen aan kunt kijken dan is het een beschouwing. Kiest de schrijver duidelijk een standpunt dan is het een betoog.

- Probleem-en-oplossingstructuur; meestal betoog (probleem->oplossingen->beste oplossing)

- Verschijnsel-en-verklaringstructuur

- Bewering-en-argumentstructuur; betoog

- Verschijnsel-en-besprekingstructuur; bijna altijd uiteenzetting of beschouwing

► Brainstormen, vaste vragen stellen, media raadplegen, eigen onderzoek verrichten (interviewen, enquêteren)

► Leesstrategieën:

- Oriënterend lezen

Doel: eerste indruk krijgen en onderwerp/hoofdgedachte/publiek bepalen.

Let op: (bij een tekst) titel, tussenkopjes, illustraties, inleiding, slot, schrijver, bron.

(bij een boek) inhoudsopgave, register, flaptekst, schrijver.

- Globaal lezen

Doel: hoofdzaken uit de tekst halen.

Let op: kernzinnen en signaalwoorden.

- Intensief lezen

Doel: een tekst helemaal begrijpen.

Let op: betekenis van woorden, verwijswoorden, verbanden, opbouw en tekstdoel.

- Kritisch lezen

Doel: een tekst beoordelen.

Let op: of de informatie juist en volledig is en of de argumenten eerlijk een overtuigend zijn.

► Het doel van een enquête is het verzamelen van kwantitatieve of meetbare gegevens. Bij het opstellen van een enquête moet je letten op de onderzoeksvraag, deelvragen en open vraag of gesloten vraag. In het Handboek van de Nederlandse Pers en Publiciteit kun je de gegevens van de meeste Nederlandse dagbladen en tijdschriften vinden.

► Om een tekst niet saai te laten worden moet je afwisselen in zinsbouw.

► Beknopte bijzinnen slaan teug op het onderwerp van de rest van de zin. Vaak is het een constructie van te + infinitief of met een voltooid deelwoord



- Foutieve samentrekking: als twee niet-gelijkwaardige delen van zinnen worden samengetrokken. Bijvoorbeeld:

’s Ochtends zette zij thee voor haar dochter en vervolgens haar fiets buiten. (en zette vervolgens)

Mijn naam is Annet Schouten en ben van beroep administratief medewerkster. (en ik ben van beroep)

- Onvolledige zin: Hij belde dat hij dinsdag om ongeveer tien uur zou aankomen op het centraalstation. (hij belde om te zeggen)

- Losstaand zinsgedeelte: de bijzin staat ten onrechte los van de hoofdzin. Het is afwisselend werk. Waardoor je je nooit hoeft te vervelen. (het is afwisselend werk en daardoor)

- Telegramstijl: overbodige woorden worden weggelaten. Bijvoorbeeld:

De avond was om voor ik het wist. Heb eerst de krant gelezen. Pilsje genomen. Daarna uurtje voor de tv gehangen. Trudy gebeld. Eigenlijk te laat naar bed gegaan.

► Verkeerd gebruikte beknopte bijzin: bevatten geen onderwerp en in de bijzin van de beknopte bijzin staat ook geen onderwerp. Te herkennen aan te + infinitief of met het voltooid deelwoord. Bijvoorbeeld:

Na op een terras een broodje te hebben gegeten werd de terugtocht aanvaard. (Nadat we op een terras een broodje hadden gegeten, aanvaardden we de terugtocht of Na op een terras een broodje te hebben gegeten aanvaarden we de terugtocht)



Blok 6 Media: informatieve teksten




► Tekstdoelen:

- Informeren; bericht, verslag, uiteenzetting, zakelijke brief

- Overtuigen; betoog, beschouwing, recensie, zakelijke brief

- Beschouwen; zie overtuigen

- Activeren; advertentie, folder, affiche, zakelijke brief, recensie

- Amuseren; verhaal, toneelstuk, gedicht

► Het belangrijkste verschil tussen een informatieve en persuasieve tekst is dat informatieve teksten uit controleerbare feiten bestaan en objectief zijn. Persuasieve teksten zijn op meningen gebaseerd en daarom subjectief. Activerende teksten bevatten ook meningen van de schrijver, maar het hoofddoel is om de lezer aan te zetten tot actie. Deze teksten zijn duidelijk subjectief.



- Bericht; zakelijke mededeling van iets wat recent is gebeurd

- Verslag; beschrijving van een gebeurtenis of activiteit, je beschrijft wat je ziet en hoort

- Uiteenzetting; informatie geven en iets uitleggen (objectief) vooral door uitleggend en toelichtend verband.

► Er zijn 3 soorten publiek:

- Een bepaalde lezer of luisteraar die je kent of die je niet kent

- Een groep lezers of luisteraars met duidelijke kenmerken

- Een groep lezers of luisteraars met vage kenmerken (jongeren, ouders)

► Teksteigenschappen:

- de inhoud

- het taalgebruik

- de opbouw en de presentatie

- de dosering van de informatie

- de toon en de gebruiksomgeving/situatie

Het hangt mede van deze eigenschappen af of een tekst een lezer/luisteraar aanspreekt.

► De inhoud van de tekst moet aansluiten bij de begrijpelijkheid (niveau), aantrekkelijkheid (voldoende nieuwswaarde, boeiend) en betrouwbaarheid.

► Het taalgebruik moet passen bij het publiek, dit hangt af van:

- de woordkeus

- de zinsbouw

- figuurlijk taalgebruik

- ingewikkelde, abstracte formuleringen

► Oorzaak: de mens kan er zelf niets aan doen.

Reden: de mens heeft een keus gemaakt.

► Objectieve argumenten: controleerbaar

Subjectieve argumenten: gebaseerd op intuïtie of geloof.

► Argumenten:

- Nevengeschikte argumenten kunnen onderling worden verbonden door een opsommend verband

- Ondergeschikte argumenten; een bewering wordt ondersteund door 1 of meer subargumenten

► Logisch redeneren: stelling -> waarneming -> conclusie, waarneming en conclusie moeten hierbij wel juist zijn.


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.