Gezocht: VWO'ers uit de 4e/5e met N&T of interesse in techniek. Doe mee aan een online community over een nieuwe studie en verdien een cadeaubon van 50 euro!

Meedoen
Alle literatuurprijzen

Blok 4, paragrafen: 2.4; 2.5; 3.1; 3.3; 3.5; 4.2; 9.2-9.5

Beoordeling 5.8
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 587 woorden
  • 26 augustus 2008
  • 20 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.8
  • 20 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!
Samenvatting Nederlands paragrafen informatieboek
2.4 Publiek en inhoud

Belangrijk zijn:
- Niveau: beoogde doelgroep moet het kunnen begrijpen
- Aantrekkelijkheid: tekst moet geen droge, omslachtige stijl hebben en er moet voldoende nieuwswaarde inzitten (iets nieuws vertellen of op een nieuwe manier)
- Betouwbaarheid: lezer moet de indruk hebben dat de tekst betrouwbaar is, betrouwbaarder door: meer feiten, veelzijdige informatie en verwijzen naar bronnen. Bij betoog of beschouwing betrouwbaarder door feitelijke informatie en persoonlijke mening duidelijk te scheiden

2.5 Publiek en taalgebruik

Het taalgebruik moet passen bij de leeftijd/ontwikkeling van de lezer.

- Woordkeus: een tekst met weinig moeilijke woorden leest makkelijker dan een tekst met veel lastige termen. (inhoudsloze woorden vermijden)
- Zinsbouw: zinnen met veel lange zinnen zijn moeilijk te lezen. Ook het stapelen van bepalingen is moeilijk te lezen.
- Figuurlijk taalgebruik: een tekst met veel figuurlijk taalgebruik is lastig te lezen.
- Ingewikkelde, abstracte formuleringen: een tekst met veel ingewikkelde, abstracte formuleringen is moeilijk voor de lezer

3.1 Tekstdoelen

Schrijfdoel = wat je met een tekst wilt bereiken
Spreekdoel = als je een tekst spreekt heb je ook een doel
Tekstdoel = schrijfdoel en spreekdoel samen
5 tekstdoelen:
- informeren
- overtuigen
- beschouwen
- activeren
- amuseren

3.1 Tekstsoorten

- Informatieve teksten: doel meestal informeren, ze bevatten gecontroleerde feiten en zijn objectief. Toch zie je vaak subjectieve elementen (hoe de schrijver over iets denkt).
- Persuasieve teksten: bevatten feiten, maar toch duidelijk de mening van de schrijver, is subjectief. Maar bevat ook veel informatie.

- Activerende teksten: bevat mening van de schrijver, erg subjectief, probeert je tot actie aan te zetten

3.3 Overzicht tekstdoelen, tekstsoorten en tekstvormen
Tekstdoel Uitgangspunt Tekstsoort Tekstvormen
Informeren Feiten (objectief) Informatief Bericht, verslag, uiteenzetting, zakelijke brief
Overtuigen/beschouwen Mening (subjectief) Persuasief Betoog, beschouwing, zakelijke brief, recensie
Activeren Mening (subjectief) Activerend Advertentie, folder/brochure, affiche/pamflet, zakelijke brief, recensie
Amuseren/verrijken Diverterend Verhaal, toneelstuk, gedicht

3.5 Persuasieve tekstvormen

- Betoog: mening van de schrijver nadrukkelijk naar voren gebracht met argumenten en een conclusie. Je wilt de ander overtuigen van je gelijk (erg subjectief).
- Beschouwing: belicht een onderwerp van verschillende kanten, door oorzaken, oplossingen, voor- nadelen. Je kunt je eigen mening geven alleen je probeert anderen niet te overtuigen, beschouwing is minder subjectief dan een betoog.

4.2 Citeren, onderwerp, hoofdgedachte

- Citeren: Als er gevraagd wordt een zin uit de tekst te noemen kun je de eerste en laatste twee woorden overnemen en er aanhalingstekens achter en voor zetten.
- Onderwerp: bestaat meestal uit één woord of een enkele woorden. Zoeken van onderwerp in een aantal alinea’s - kijken naar kernzinnen. Zoeken van onderwerp in hele tekst - kijken naar titel, inleiding en slot.
- Hoofdgedachte: bestaat meestal uit één zin. Om hoofdgedachte te formuleren kijk je naar de titel, inleiding, slot en kernzinnen.

9.2 Verkeerd woord/verkeerde uitdrukking

Als je een woord/uitdrukking niet helemaal goed kent, kun je hem snel verkeerd gebruiken.

9.3 Foutieve tautologie, foutief pleonasme, woord te veel, dubbele ontkenning

Tautologie = als binnen een zin 2 keer een woord met dezelfde betekenis wordt gebruikt.
Pleonasme = als een gedeelte van het begrip dat al zit opgesloten in het woord nog eens wordt genoemd.
Woord te veel = vaak wordt hetzelfde woord herhaald, waardoor er te veel woorden in de zin staan.
Dubbele ontkenning = hierbij zeg je het tegenovergestelde van wat je eigenlijk bedoelt.

9.4 Woord te weinig, woord op de verkeerde plaats

Er wordt een woord weggelaten dat er eigenlijk wel had moeten staan.
Soms kan een woord beter op een andere plaats in de zin staan.

9.5 Contaminatie

Twee woorden/uitdrukkingen met dezelfde betekenis kunnen door elkaar worden gehaald. Bijv: hij behoort tot één van de beste voetballers. Verbetering: Hij behoort tot de beste voetballers of hij is één van de beste voetballers.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

T.

T.

waarom alles door elkaar?

8 jaar geleden