Lesuitval, een mondkapjesplicht, onzekerheid over de eindexamens... Wij zijn benieuwd hoe jij met de coronacrisis omgaat en wat jij vindt van de maatregelen. Doe mee met ons corona-onderzoek! 馃樂馃馃彨 We zoeken nog extra jongens!

Doe mee


ADVERTENTIE
Open Dag = online ontdekken en ontmoeten

Bezoek onze Online Open Dag dit jaar vanaf je bank! Ontdek bijzondere verhalen van onze studenten en docenten. Stel je vragen. Én luister naar onze gezellige radioshow! Klaar voor een toekomst als student in het hbo? 

Meld je dan nu aan!

Samenvatting van Topniveau blok 4

3.1 Tekstdoelen

· soorten tekstdoelen
· informeren
· overtuigen
· beschouwen
· activeren
· amuseren

· schrijfdoel: het doel waarom je de tekst schrijft; je wel iets bereiken
· spreekdoel: als je een tekst spreekt wil je daarmee iets bereiken
· tekstdoel: het schrijfdoel of spreekdoel

2.1 Vier beslissingen

· publiekgericht: je tekst moet op het publiek, waaraan je schrijft, afgestemd zijn.
· Bijv.: je wilt een vriend overhalen om lid te worden van Greenpeace

· Je hebt dan al vier beslissingen genomen:
1. Schrijfdoel bepaald: de lezer aansporen tot handelen
2. Publiek bepaald: je vriend
3. Onderwerp bepaald: lid worden van Greenpeace
4. De tekstvorm bepaald: een brief

2.2 Soorten publiek

1. Een bepaalde lezer of luisteraar
· Iemand die je kent: een vriendin
· Iemand die je niet kent: een wethouder
2. Een groep lezers of luisteraars met duidelijke kenmerken: je klas
3. Een groep lezers of luisteraars met vage kenmerken: jongeren

2.4 Publiek en inhoud

a. Niveau (begrijpelijkheid)
Niveau moet geschikt zijn voor de beoogde doelgroep: het publiek moet begrijpen waar het om gaat.
b. Aantrekkelijkheid (voldoende nieuwswaarde

De schrijver moet iets nieuws en boeiends vertellen.
c. Betrouwbaarheid
Betrouwbaar: controleerbare feiten
Verwijzen naar bronnen
Argumenten bij meningen
Een duidelijke scheiding tussen feitelijke informatie en persoonlijke mening of commentaar.

2.5 Publiek en taalgebruik

a. woordkeus.
Een tekst met weinig moeilijke woorden leest makkelijker.
Inhoudsloze woorden te vermijden
b. Zinsbouw
Korte zinnen gebruiken omdat een tekst met lange zinnen moeilijk te begrijpen is
Allerlei constructies waarbij veel bepalingen achter elkaar worden gebruikt is lastig te lezen
c. Figuurlijk taalgebruik
Hoe meer figuurlijk taalgebruik des te lastiger het te lezen is
Voorbeelden: geen peil kunnen trekken op; gevoelens losmaken; munt uit iets slaan; herinneringen wakker roepen


d. Ingewikkelde,abstracte formuleringen
Als je veel ingewikkelde,abstracte formuleringen gebruikt dan geeft de lezer het vlug op.

2.6 Publiek en opbouw/presentatie

a. overzichtelijke bouw.
Een tekst moet een opbouw hebben: inleiding - middenstuk – slot
Het moet ook in alinea’s zijn onderverdeeld.
De inhoud moet logisch worden gebruikt
Nieuw onderwerp: een tussenkopje
b. Aantrekkelijke presentatie
Belangrijk voor tijdschriften van groot publiek; publieksbladen en damesbladen
Tekst is overzichtelijk ingedeeld:
· Kolommen
· Tekst in blokke
· Voldoende wit om de tekst
· Afwisseling van tekst en illustratie
c. Bijzondere presentatie
Het doel hierbij is opvallen. En het mag niet te koste gaan van de leesbaarheid
d. Opvallen
Een affiche valt op:
· Veel wit
· Verschillende lettergroottes
· Informatie in telegramstijl
Om op te vallen wordt gekozen voor een afwijkende opbouw
e. Spreken
Presentatie is even belangrijk als de inhoud
Pakkend begin waardoor de mensen gaan luisteren
Info verdelen
Aankondigen van stukjes: de tussenkopjes zeggen
Voldoende toelichting
De luisteraars blijven aankijken

2.7 Publiek en de dosering van info

· Nieuwe info in stukjes brengen
· De info moet aansluiten bj de voorkennis van de lezer
· De info toelichten met voorbeelden en toelichtingen
· Probeer in te schatten welke voorkennis je publiek heeft.

2.8 Publiek, toon en gebruiksomgeving/situatie

a. Relatie met de lezer
Als je de lezer kent verandert dat je taalgebruik: het wordt informeler
b. Tekstvorm
De soort tekst bepaalt taalgebruik en toon
In een brief gebruik je andere taal dan in ingezonden stuk
c. Publicatieplaats
Taalgebruik en toon worden beinvloed door het feit dat een tekst wordt gepubliceerd
Een brief wordt niet afgedrukt maar een ingezonden stuk wel
d. Tekstdoel en situatie
Taal en toon hangen af van het tekstdoel en de situatie
De toon en de taal is anders als je iemand moet overtuigen, informeren of activeren

5.7 Functies van tekstgedeelten

· Zie boek blz 116,117 en 118



5.1 Verbanden

1. Herhaling
Aan het begin van een nieuwe alinea worden woorden of woordgroepen uit de vorige alinea herhaald (“overlapper”)
2. Overgangszinnen
Dat zijn zinnen aan het begin of eind van een alinea; bevatten verwijzende woorden: deze, die, dit
3. Signaalwoorden
Verbinden zinnen maar geven ook een verband aan tussen verschillende delen van tekst
4. Aankondigende zinnen
Zijn zinnen die aangeven wat er komt
Staan vaak in de inleiding

5.2 Soorten verbanden

Verband Signaalwoorden
Tegenstellend Maar,daarentegen,toch,echter,integendeel,daar staat tegen over, enerzijds..anderzijds
Opsommend En,ook,niet alleen..maar ook,bovendien,verder,nog, daarnaast,zowel..als, vervolgens,tevens, ten..eerste…ten tweede,eerst,dan,daarna
Oorzakelijk Doordat,daardoor,zodat,waardoor,ten gevolge van
Redengevend Omdat,want,daarom,immers
Uitleggend Dat wil zeggen,zo,met andere woorden,bijvoorbeeld,ter illustratie
Concluderend Dus, concluderend
Samenvattend Kortom,samenvattend,om kort te gaan
Voorwaardelijk Als,indien,op voorwaarde dat, mits, tenzij
Vergelijkend Net als, zoals,evenals
Toelichtend Ter toelichting kan dienen
Argumenterend Daarvoor kunnen de volgende argumenten worden genoemd
Verklarend Een verklaring daarvoor is

5.3 Samenhang en structuur

Structuur hoofdvraag middenstuk tekstvorm
Voordelen-en-nadelenstructuur Wat zijn de voor- en nadelen? · Voor-en nadelen· Voor-en nadelen en eigen standpunt UiteenzettingBeschouwingbetoog
Vroeger-en-nu-structuur Wat is er veranderd? · Alleen veranderingen· Ook eigen standpunt over veranderingen BeschouwingUiteenzettingbetoog
Probleem-en-oplossingstructuur Op welke manier(en) kan het probleem worden opgelost · Alleen oplossingen· Ook eigen keuze oplossing UiteenzettingBeschouwingBetoog
Verschijnsel-en-verklaringsstructuur Welke verklaringen zijn er te geven voor verschijnsel · Alleen verklaringen· Ook oplossing en andere keuze UiteenzettingBeschouwingBetoog
Bewering-en-argumentstructuur Waarom is… waar? Argumenten Betoog
Verschijnsel-en-besprekingstructuur Welke aspecten kent dit verschijnsel Bespreking van de verschillende aspecten Uiteenzettingbeschouwing

8.3 Vergaderen en notuleren

· Vergaderen
· Voorzitter: leidt de vergadering
· Secretaris: maakt aantekeningen (worden notulen)
· Penningmeester
· Leden of deelnemers
· Agenda: daar staat in wat er op de vergadering wordt besproken wordt samengesteld door voorzitter en secretaris
· Notulen: schriftelijke verslag van wat er behandeld is in een vergadering
· Wat zit erin de notulen:
1. de datum en de plaats van de vergadering
2. de naam van de notulist
3. de aan- en afwezigen (met eventueel de reden waarom)
4. de besproken punten
5. de standpunten van de aanwezigen met de voornaamste argumenten
6. de conclusie(s) of de genomen beslissing(en)
7. de afspraken over te ondernemen actiepunten en wie ze uitvoert
8. de datum en de plaats van de volgende vergadering

7.2 Samenvatten

7.2.1 Verschil tussen uittreksel en samenvattingen
· Bij een samenvatting maak je alleen een nieuwe korte tekst en is voor anderen bedoeld. En een uittreksel is voor je zelf bedoeld

7.2.2 Eisen aan een samenvatting
a. de samenvatting bevat alleen de hoofdzaken uit de tekst
b. de bedoeling en de hoofdgedachte van de tekst is juist weergegeven
c. de samenvatting is prettig leesbaar
d. de omvang is 20% van de basistekst
e. de samenvatting moet de echte tekst kunnen vervangen en zo dat de lezer niks mist

7.2.3 Voorwaarden voor een samenvatting maken
a. je begrijpt de inhoud van de tekst helemaal
b. je weet hoe de tekst is opgebouwd
c. je kunt de tekst in eigen woorden weergeven

7.2.4 Aanwijzingen voor een samenvatting
1. zet erboven de titel end e schrijver van de echte tekst
2. schrijf in een zakelijke,directe stijl
3. je laat de volgende dingen weg:
· details
· voorbeelden
· anekdotes voor de aandacht
· uitweidingen
· herhalingen

7.2.5 Structuurschema
· Structuur schema:
1. Per alinea vast te stellen wat het onderwerp en de kernzin is.
2. Je probeert van twee of meer alinea’s gezamenlijk het ond vast te stellen
3. Je probeert vast te stellen wat de functie van elk deel in de hele tekst is. Die zet je dan voorop.

7.2.7 De informatieve tekst
Werkwijze voor een samenvatting voor een informatieve tekst
1. Stel het onderwerp vast
2. Wat voor tekst
3. De hoofdgedachte
4. Verdeel de tekst in een aantal delen door vast te stellen welke alinea bij welke hoort.
5. Maak een structuurschema
6. Zoek per alinea de kernzin
7. Verbindingswoorden tussen kernzinnen te zetten
8. Herschrijf in net

7.2.8 De persuasive tekst
In de samenvatting moet altijd de stelling en de argumenten worden opgenomen. Eerst goed kijken naar de opbouw en dan een structuurschema maken

4.1.1 Alinea
· alinea: 1. begin van een alinea springt de tekst in, laatste drukregel niet volgemaakt
2. gesproken tekst: nieuwe alinea korte pauze

4.1.2 Kernzin
· kernzin: alinea bestaat uit hoofdmededeling/-bewering
· alinea: afgeronde eenheid

4.1.3 Plaats van de kernzin
· plaats van de kernzin:
1. opvallende zin: de 1 ste zin
2. na inleidende zin (bij langere alinea’s
3. laatste zin: samenvatting, conclusie

4.1.4 Lastige kernzinnen
lastige kernzinnen: er kunnen twee kernzinnen in een alinea staan of dat geen enkele zin in de alinea een kernzin is.

4.2.1 Citeren
· citeren:
1. letterlijk overnemen
2. begin en eind woord van een zin en regelnummer.

4.2.2 Onderwerp
· onderwerp:
1. meestal 1 woord (zelfst nw) of enkele woorden (zelfst nw + 1 of meer bepalingen)
2. zoek je het onderwerp let dan goed op de titel, de inleiding en het slot

4.2.3 Hoofdgedachte
· hoofdgedachte:
1. is 1 zin (meestal) die je zelf onder woorden moet brengen.
2. Net als bij onderwerp let op titel, inleiding en slot.

4.3.1 Drie delen
zakelijke tekst:
1. de inleiding
2. het middenstuk
3. en het slot

4.3.2 De inleiding
de inleiding 5 functies:
1. belangstelling wekken
2. onderwerp introduceren en of hoofdgedachte naar voren brengen
3. aankondiging hoe de tekst is opgebouwd
4. aanleiding van de schrijver noemen
5. lezer/luisteraar welwillend stemmen

4.3.3 Een pakkende inleiding schrijven:
1. begin met 1 of meer directe vragen
2. met een uitspraak in vorm van een stelling, gevolgd door een vraag
3. met een retorische
4. met een verrassende, uitdagende, shockerende of sarcatische zin
5. een korte anekdote
6. probleem aan de orde
7. de aanleiding van het schrijven

4.3.4 Het middenstuk
· het middenstuk:
1. onderwerp behandeld
2. hoofdgedachte/-mededeling uitgewerkt in aantal aparte alinea’s
4.3.5 Het slot
· het slot kan worden afgerond op twee manieren:
1. korte samenvatting
2. een conclusie (betogende en activerende teksten)

10.8 Aaneenschrijven
1. Zelfstandige naamwoorden schrijven we zoveel mogelijk aaneen. Ook drieledige samenstellingen
2. Veel bijvoeglijke naamwoorden schrijven we aaneen
3. Veel werkwoorden schrijven we aaneen
4. Voornaamwoordelijke bijwoorden (woorden met er,daar,hier en waar)schrijven we aaneen.
5. Getallen tot honderd (in letters) en de samenstellingen met –honderd en –duizend schrijven we aaneen.

10.9 Het liggend streepje
1. Bij twee gelijke klinkers
2. Ook bij andere letters die tot verkeerd lezen leiden
3. Tussen gelijkwaardige delen plaasten we een streepje
4. Als het 1 ste deel uit twee woorden met een hoofdletter bestaat
5. Samenstellingen met cijfers,letters en andere tekens
6. In samengestelde aardrijkskundige namen
7. Samenstellingen met een eigennaam
8. Samenstellingen met prive,pro,ex,niet,non,quasi,loco,semi,vice en oud. Anti als het tweede stuk met een hoofdletter begint
9. Sommige woorden hebben twee liggende streepjes

10.10 Het weglatingsstreepjes
1. Een deel van het woord is weggelaten.

10.11 Het trema
1. Het trema geeft aan waar de nieuwe lettergreep begint. Zonder dat zou je het verkeerd lezen
2. Bij sommige meervoudsvormen schrijven we een trema
3. Bij –iee- en –ii- is eem trema overbodig
4. Samengestelde telwoorden en afgeleide woorden krijgen geen liggend streepje maar een trema

11.2 Punt,vraagteken en uitroepteken
· Een punt aan het einde van de zin
· Geen punt als de zin eindigt met een vraagteken, uitroepteken of afkorting
· Na een vraag een vraagteken
· Na een uitroep,wens,waarschuwing,aansporing of bevel een uitroepteken
· 1 vraag- of uitroeptekens

11.3 De komma
1. Komma tussen delen van een opsomming
2. Achter en/of voor een aangesproken persoon en tussenwerpsels
3. Voor en achter een bijstelling
4. Voor een aantal voegwoorden die twee aparte mededelingen met elkaar te verbinden
5. Tussen 2 werkwoorden uit verschillende gezegdes
6. Na een beperkende of uitbreidende bijvoegelijke bijzin en voor een uitbreidende bijvoegelijke bijzin omdat deze extra info verstrekt
7. Voor en na tussengeschoven woorden
8. Om verkeerde te lezen te voorkomen

11.4 De puntkomma
1. Een puntkomma tussen 2 zinnen of mededelingen die nauw met elkaar samenhangen
2. In langere opsommingen

11.5 De dubbele punt
1. Bij een directe rede
2. Voor een uitwerking,opsomming of een verklaring

11.6 Aanhalingstekens
1. Bij directe rede
2. Niet bij gedachte en wensen
3. Wanneer we willen aangeven dat de gebruikte woorden van een ander zijn
4. Titels van boeken, films enz.
5. Bij ironie, bijzonder gebruik of zelfnoemfunctie

De samenvatting gaat verder na deze boodschap.

Verder lezen

Structuur hoofdvraag middenstuk tekstvorm
Voordelen-en-nadelenstructuur Wat zijn de voor- en nadelen? 路 Voor-en nadelen路 Voor-en nadelen en eigen standpunt UiteenzettingBeschouwingbetoog
Vroeger-en-nu-structuur Wat is er veranderd? 路 Alleen veranderingen路 Ook eigen standpunt over veranderingen BeschouwingUiteenzettingbetoog
Probleem-en-oplossingstructuur Op welke manier(en) kan het probleem worden opgelost 路 Alleen oplossingen路 Ook eigen keuze oplossing UiteenzettingBeschouwingBetoog
Verschijnsel-en-verklaringsstructuur Welke verklaringen zijn er te geven voor verschijnsel 路 Alleen verklaringen路 Ook oplossing en andere keuze UiteenzettingBeschouwingBetoog
Bewering-en-argumentstructuur Waarom is鈥 waar? Argumenten Betoog
Verschijnsel-en-besprekingstructuur Welke aspecten kent dit verschijnsel Bespreking van de verschillende aspecten Uiteenzettingbeschouwing

8.3 Vergaderen en notuleren

路 Vergaderen
路 Voorzitter: leidt de vergadering
路 Secretaris: maakt aantekeningen (worden notulen)
路 Penningmeester
路 Leden of deelnemers
路 Agenda: daar staat in wat er op de vergadering wordt besproken wordt samengesteld door voorzitter en secretaris
路 Notulen: schriftelijke verslag van wat er behandeld is in een vergadering
路 Wat zit erin de notulen:
1. de datum en de plaats van de vergadering
2. de naam van de notulist
3. de aan- en afwezigen (met eventueel de reden waarom)
4. de besproken punten
5. de standpunten van de aanwezigen met de voornaamste argumenten
6. de conclusie(s) of de genomen beslissing(en)
7. de afspraken over te ondernemen actiepunten en wie ze uitvoert
8. de datum en de plaats van de volgende vergadering

7.2 Samenvatten

7.2.1 Verschil tussen uittreksel en samenvattingen
路 Bij een samenvatting maak je alleen een nieuwe korte tekst en is voor anderen bedoeld. En een uittreksel is voor je zelf bedoeld

7.2.2 Eisen aan een samenvatting
a. de samenvatting bevat alleen de hoofdzaken uit de tekst
b. de bedoeling en de hoofdgedachte van de tekst is juist weergegeven
c. de samenvatting is prettig leesbaar
d. de omvang is 20% van de basistekst
e. de samenvatting moet de echte tekst kunnen vervangen en zo dat de lezer niks mist

7.2.3 Voorwaarden voor een samenvatting maken
a. je begrijpt de inhoud van de tekst helemaal
b. je weet hoe de tekst is opgebouwd
c. je kunt de tekst in eigen woorden weergeven

7.2.4 Aanwijzingen voor een samenvatting
1. zet erboven de titel end e schrijver van de echte tekst
2. schrijf in een zakelijke,directe stijl
3. je laat de volgende dingen weg:
路 details
路 voorbeelden
路 anekdotes voor de aandacht
路 uitweidingen
路 herhalingen

7.2.5 Structuurschema
路 Structuur schema:
1. Per alinea vast te stellen wat het onderwerp en de kernzin is.
2. Je probeert van twee of meer alinea鈥檚 gezamenlijk het ond vast te stellen
3. Je probeert vast te stellen wat de functie van elk deel in de hele tekst is. Die zet je dan voorop.

7.2.7 De informatieve tekst
Werkwijze voor een samenvatting voor een informatieve tekst
1. Stel het onderwerp vast
2. Wat voor tekst
3. De hoofdgedachte
4. Verdeel de tekst in een aantal delen door vast te stellen welke alinea bij welke hoort.
5. Maak een structuurschema
6. Zoek per alinea de kernzin
7. Verbindingswoorden tussen kernzinnen te zetten
8. Herschrijf in net

7.2.8 De persuasive tekst
In de samenvatting moet altijd de stelling en de argumenten worden opgenomen. Eerst goed kijken naar de opbouw en dan een structuurschema maken

4.1.1 Alinea
路 alinea: 1. begin van een alinea springt de tekst in, laatste drukregel niet volgemaakt
2. gesproken tekst: nieuwe alinea korte pauze

4.1.2 Kernzin
路 kernzin: alinea bestaat uit hoofdmededeling/-bewering
路 alinea: afgeronde eenheid

4.1.3 Plaats van de kernzin
路 plaats van de kernzin:
1. opvallende zin: de 1 ste zin
2. na inleidende zin (bij langere alinea鈥檚
3. laatste zin: samenvatting, conclusie

4.1.4 Lastige kernzinnen
lastige kernzinnen: er kunnen twee kernzinnen in een alinea staan of dat geen enkele zin in de alinea een kernzin is.

4.2.1 Citeren
路 citeren:
1. letterlijk overnemen
2. begin en eind woord van een zin en regelnummer.

4.2.2 Onderwerp
路 onderwerp:
1. meestal 1 woord (zelfst nw) of enkele woorden (zelfst nw + 1 of meer bepalingen)
2. zoek je het onderwerp let dan goed op de titel, de inleiding en het slot

4.2.3 Hoofdgedachte
路 hoofdgedachte:
1. is 1 zin (meestal) die je zelf onder woorden moet brengen.
2. Net als bij onderwerp let op titel, inleiding en slot.

4.3.1 Drie delen
zakelijke tekst:
1. de inleiding
2. het middenstuk
3. en het slot

4.3.2 De inleiding
de inleiding 5 functies:
1. belangstelling wekken
2. onderwerp introduceren en of hoofdgedachte naar voren brengen
3. aankondiging hoe de tekst is opgebouwd
4. aanleiding van de schrijver noemen
5. lezer/luisteraar welwillend stemmen

4.3.3 Een pakkende inleiding schrijven:
1. begin met 1 of meer directe vragen
2. met een uitspraak in vorm van een stelling, gevolgd door een vraag
3. met een retorische
4. met een verrassende, uitdagende, shockerende of sarcatische zin
5. een korte anekdote
6. probleem aan de orde
7. de aanleiding van het schrijven

4.3.4 Het middenstuk
路 het middenstuk:
1. onderwerp behandeld
2. hoofdgedachte/-mededeling uitgewerkt in aantal aparte alinea鈥檚
4.3.5 Het slot
路 het slot kan worden afgerond op twee manieren:
1. korte samenvatting
2. een conclusie (betogende en activerende teksten)

10.8 Aaneenschrijven
1. Zelfstandige naamwoorden schrijven we zoveel mogelijk aaneen. Ook drieledige samenstellingen
2. Veel bijvoeglijke naamwoorden schrijven we aaneen
3. Veel werkwoorden schrijven we aaneen
4. Voornaamwoordelijke bijwoorden (woorden met er,daar,hier en waar)schrijven we aaneen.
5. Getallen tot honderd (in letters) en de samenstellingen met 鈥揾onderd en 鈥揹uizend schrijven we aaneen.

10.9 Het liggend streepje
1. Bij twee gelijke klinkers
2. Ook bij andere letters die tot verkeerd lezen leiden
3. Tussen gelijkwaardige delen plaasten we een streepje
4. Als het 1 ste deel uit twee woorden met een hoofdletter bestaat
5. Samenstellingen met cijfers,letters en andere tekens
6. In samengestelde aardrijkskundige namen
7. Samenstellingen met een eigennaam
8. Samenstellingen met prive,pro,ex,niet,non,quasi,loco,semi,vice en oud. Anti als het tweede stuk met een hoofdletter begint
9. Sommige woorden hebben twee liggende streepjes

10.10 Het weglatingsstreepjes
1. Een deel van het woord is weggelaten.

10.11 Het trema
1. Het trema geeft aan waar de nieuwe lettergreep begint. Zonder dat zou je het verkeerd lezen
2. Bij sommige meervoudsvormen schrijven we een trema
3. Bij 鈥搃ee- en 鈥搃i- is eem trema overbodig
4. Samengestelde telwoorden en afgeleide woorden krijgen geen liggend streepje maar een trema

11.2 Punt,vraagteken en uitroepteken
路 Een punt aan het einde van de zin
路 Geen punt als de zin eindigt met een vraagteken, uitroepteken of afkorting
路 Na een vraag een vraagteken
路 Na een uitroep,wens,waarschuwing,aansporing of bevel een uitroepteken
路 1 vraag- of uitroeptekens

11.3 De komma
1. Komma tussen delen van een opsomming
2. Achter en/of voor een aangesproken persoon en tussenwerpsels
3. Voor en achter een bijstelling
4. Voor een aantal voegwoorden die twee aparte mededelingen met elkaar te verbinden
5. Tussen 2 werkwoorden uit verschillende gezegdes
6. Na een beperkende of uitbreidende bijvoegelijke bijzin en voor een uitbreidende bijvoegelijke bijzin omdat deze extra info verstrekt
7. Voor en na tussengeschoven woorden
8. Om verkeerde te lezen te voorkomen

11.4 De puntkomma
1. Een puntkomma tussen 2 zinnen of mededelingen die nauw met elkaar samenhangen
2. In langere opsommingen

11.5 De dubbele punt
1. Bij een directe rede
2. Voor een uitwerking,opsomming of een verklaring

11.6 Aanhalingstekens
1. Bij directe rede
2. Niet bij gedachte en wensen
3. Wanneer we willen aangeven dat de gebruikte woorden van een ander zijn
4. Titels van boeken, films enz.
5. Bij ironie, bijzonder gebruik of zelfnoemfunctie

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

S.

S.

Heey Friedchicken,
De samenvatting van topniveau blok 4, is die van het info boek of van het opdrachtenboek.
Graag zo spoedig mogelijk antwoord, want morgen heb ik pw.
Doeg

17 jaar geleden