ADVERTENTIE
Luisterboeken: de makkelijke optie? Lars is niet echt een fan van lezen. Daarom gaat hij op zoek naar de beste manieren om door zijn leeslijst heen te komen. Red je het met alleen maar samenvattingen, of is een e-reader of luisterboek een betere optie? Deze video wordt mede mogelijk gemaakt door Storytel.

Probeer 30 dagen gratis
Blok 2 Samenvatting
2.2

Open plekken zijn plekken in een verhaal die vragen en vermoedens oproepen. Hoe beter de informatie wordt achtergehouden, hoe spannender het is. Vb. Detectiveverhalen  de dader hoor je pas aan het einde dus is er een open plek het hele boek lang.
Twee soorten spanning  Globale spanning en lokale spanning.
Globale spanning.
Globale spanning is een soort spanning die de lezer door het hele boek heen trekt. Aan het begin van het boek wordt er een vraag opgeroepen bij de lezer . Deze vraag wordt pas aan het einde van het boek beantwoord. Als er bv. Bij een detectiveboek aan het begin van het boek de vraag wordt gesteld, Wie heeft het gedaan? Heet dit op het verleden gerichte spanning. Je vraagt je namelijk af wat er in het verleden is gebeurt.
Er is nog een soort globale spanning. Dat is op de toekomst gerichte spanning. Er hangt iets in de lucht wat er gaat gebeuren, de lezer emrkt dit en wil weten wat er gaat gebeuren.
Lokale spanning.
Lokale spanning is de soort spanning die alleen op een bepaalde plek in het boek voorkomt.
Deze spanning, of de vraag die wordt opgeroepen wordt snel opgelost. Denk bv. Aan een achtervolging enz. Deze dingen duren niet hele boek lang, dus is het lokale spanning.
Spanningsboog.
Een spanningsboog is boog van het begin van de spanningssituatie tot het einde.
Uitstel en vertraging.
Bij spanning opbouwen en dus achterhouden van informatie spelen uitstel en vertraging een grote rol. Als je dan denkt dat je antwoord krijgt op je vraag, gebeuren er eerst nog heel veel dingen zodat je nog even iets langer in spanning zit wat het antwoord is.
Een andere uitsteltruc is een cliffhanger. Het verhaal stopt op een vreselijk spannend punt. Deze truc wordt veel gebruikt met soaps.
Dwaalspoor en verkeerde vermoedens.
Als je de lezer op het verkeerde spoor zet of verkeerde vermoedens wekt wordt het ook spannender. Je zorgt er bijv. Voor dat de lezer denkt dat iemand de dader is, maar uiteindelijk is het heel iemand anders.
Vooruitwijzingen.
Vooruitwijzingen in een verhaal maken het ook extra spannend.een zin als: “maar later zou hiervan spijt krijgen.”je gaat je afvragen wat er later gaat gebeuren en leest dus verder.
Informatie voorsprong.
Wat ook extra spanning bezorgt is meer informatie hebben dan de hoofdpersoon. Als jij bv. Weet dat er een moordenaar in een kamer zit, en de hoofdpersoon weet dit niet en hij loopt de kamer binnen, geeft dit veel spanning.
Stijlfiguren.
Herhaling- hetzelfde wordt nog een keer gezegd met dezelfde woorden. Bv. Dat is mooi gezegd, heel mooi.
Tautologie- twee keer een woord wat allebei hetzelfde betekent. Bv. Vast en zeker.
Pleonasme- m.b.v een bijv. Nw wordt een eigenschap die het zelfstandige naamwoord al heeft nog een keer herhaald. Bv. De witte sneeuw.
6.1 Tekstdoelen.
Objectief - met feiten en er wordt geen mening gegeven.
Subjectief - een duidelijke mening die soms wordt ondersteund door feiten.
Tekstdoel Tekstsoort Tekstvorm
Informeren Informerende tekst Nieuwsbericht, verslag, zakelijke brief.
Uiteenzetten Uiteenzettende tekst Lang artikel in krant of tijdschrift.
Overtuigen betogende tekst Commentaar in krant ,betoog, recensie
Beschouwen Beschouwende tekst Beschouwing, achtergrondartikel in krant.
Activeren Activerende tekst Advertentie, folder,pamflet.
Amuseren Amuserende tekst Jeugdboek, roman,strip.
7.3 Het maken van een verslag.
Een verslag gaat over een gebeurtenis of een activiteit. Hier moet duidelijk instaat wat er is gebeurd. Je moet dus , als je je mening wilt geven, duidelijk aangeven dan het over jouw mening gaat. Inleiding: waarover gaat het, waar was het? Enz. middenstuk: wat heb je precies gedaan, hoe je dat deed enz. Slot: resultaat en reacties van anderen op het resultaat.
10.1 Taalfouten.
1.te danken- iets positiefs
te wijten- iets negatiefs.
2.blijkbaar- vaststellen(je kunt het zien)
schijnbaar- het is schijn
3.met behulp van- bij een hulpmiddel
met de hulp van- bij een persoon
4.omdat-reden
doordat-oorzaak.
5. mits- op voorwaarde dat
tenzij- behalve als
1. Naar de-woorden verwijs je met:
• Hij
• Zij
• Deze
• Die
• Zijn
• Haar
2. naar het-woorden verwijs je met:
• het
• dit
• dat
• zijn
3. bij zaken gebruik je:
• waarmee
• waarover
• enz.
4. bij personen gebruik je:
• met wie
• over wie
• enz.
5. hun is een meewerkend voorwerp, na een voorzetsel altijd hen.
6. Namen landen en steden zijn meestal het-woorden.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

J.

J.

BEDANKT! ZIEK VEEL AAN GEHAD

4 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

J.

J.

echt bedankt!!
Xx

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast