Blok 1,2 + 3: leesvaardig

Beoordeling 5.2
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 2e klas havo/vwo | 1045 woorden
  • 14 januari 2015
  • 11 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.2
  • 11 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode

§1.2.1) Over Simone van der Vlugt



Simone schrijft spannende en meeslepende boeken die zich meestal in het verleden afspelen. Ze schrijft hoe ze zich voelden en hoe ze vroeger leefden. De boeken zijn niet moeilijk en lezen dus vlot. Ze schrijft over onderwerpen zoals: piraten, hekserij en slavernij. Ze schrijft ook voor volwassenen.





§1.2.2) Mening en beoordelingswoorden



Als je je mening geeft, doe je dat met beoordelingswoorden. Als je je beoordelingswoord wilt uitleggen, dan gebruik je argumenten zoals: Ik vind het boek langdradig, want er gebeurde bijna niets in. Volt verteld – langdradig, makkelijk – moeilijk, ouderwets – modern, mooi – lelijk.





§1.2.3) Fictie en non-fictie



Fictie is niet echt gebeurt. De personages hebben het niet echt beleefd zoals: Frozen. Bij de film Frozen hebben ze een bedoeling. Ze willen je ontroeren. Non-fictie is de werkelijkheid zoals: RTL Nieuws. Ze willen je informatie geven en iets vertellen over de werkelijkheid.



Als verhalen erg geloofwaardig zijn en een levensechte indruk op je maken noem je dit realistisch. Een niet-realistisch verhaal is dat de personages ongeloofwaardig gedrag vertonen zoals: De gelaarsde kat.



Een biografie is een verhaal over iemand die iemand anders precies zonder veranderingen en gedachten heeft beschreven (non-fictie). Als het om een autobiografie gaat, schrijft de schrijver over zichzelf (non-fictie). Een autobiografisch verhaal is dat een schrijver een biografie maakt, waarin de hoofdpersoon (waar het verhaal om gaat in dit geval) nog dingen toevoegt en verandert (fictie).



§2.2.1) Over Carry Slee



Carry Slee schrijft over boeiende onderwerpen zoals: pesten, mishandeling of zinloos geweld. De boeken zijn bekend onder de jeugd. Je kunt goed meeleven met de personages. Ze krijgt alsnog vaak kritiek over dat haar verhalen te oppervlakkig zijn en alles voor je wordt voorgekauwd.





§2.2.2) Personages in verhalen



De hoofdpersoon is de belangrijkste personage in het boek. Je komt ook het meest van hem/haar te weten en je kan het beste met hem meeleven. Bijfiguren bijfiguren kom je meestal weinig van hun innerlijk te horen. Je kijkt de buitenkant. Je kunt bijfiguren in twee groepen onderverdelen:





  • Medespelers    =             zijn bijfiguren die belangrijk zijn voor wat er gebeurt;




  • Figuranten         =             zijn alleen maar vulling voor het verhaal.





Bijfiguren kunnen stereotiep zijn. Dan reageren ze op een voorspelde manier wat bij ze past. Tussen personages past een relatie. Bijvoorbeeld: iemand wordt vrienden met de hoofdpersoon, alleen de hoofdpersoon wordt aan het einde van het verhaal vijand van hem.



Personages kun je op drie verschillende manieren leren kennen:





  • Door wat zij denken en voelen;




  • Door wat anderen over hen zeggen of denken;




  • Door wat zij doen en zeggen.





Hoofdpersonen leer je makkelijker kennen dan bijfiguren.





§2.2.3) Spanning



Spanning wordt opgewekt door deze 6 dingen:





  • Het verhaal breekt af op een spannend moment (cliffhanger);




  • Er is een geheim of raadsel dat beetje bij beetje wordt onthuld;




  • Hoe het verder zal gaan, wordt niet meteen verteld, maar uitgesteld (vertraging);




  • De personen komen in enge of gevaarlijke situaties terecht;




  • Het verhaal speelt zich in een griezelige omgeving af;




  • Informatie voor de lezer verzwijgen.





Meer dingen om spanning op te wekken zijn:





  • Onverwachte wending;



  • < > en vermoedens;< >.< >. Hierbij is er actie van toepassing. Hier gebeurt de spanning direct.

    Psychologische spanning. Hierbij gaat het om gedachten, wat er zou kunnen gebeuren en de angst voor wat er zou kunnen gebeuren.





Een verhaal is opgebouwd uit spanningsbogen. Dit is de tijd tussen het begin en einde van de spanning.





§3.2.1) Over Mirjam Mous



Mirjam schrijft spannende en humoristische verhalen waarbij je heel goed in de hoofdpersoon mee kunt leven. De boeken lezen snel, ze bevatten ook korte hoofdstukken.





§3.2.2) Thema



Ieder verhaal heeft een onderwerp of thema. Een verhaal kan ook meerdere thema’s bevatten. Je moet het ook kunnen uitleggen.





§3.2.3) Tijd in verhalen



Thema = een thema en/of een onderwerp, geven aan waar het verhaal over gaat. Een verhaal kan soms meerdere thema’s bevatten.



Tijd in verhalen: De tijd die in een verhaal verloopt, noem je de vertelde tijd. De tijd die nodig is om een verhaal te vertellen (aantal bladzijdes) noem je de verteltijd.



Als een verhaal loopt zoals in de werkelijkheid, noemen we dat de chronologische volgorde. Een verhaal wat terugwijzingen, flashbacks of terugblikken heeft is een niet-chronologisch verhaal.



Een flashback laat gebeurtenissen uit het verleden zien die belangrijk zijn voor het nu (heden).



Bij een terugwijzing denkt de persoon aan iets wat eerder is gebeurd. Het verhaal wordt daardoor niet onderbroken. Bij terugblikken en flashbacks gebeurt dat wel.





§1.10.1) Rijm



Als in een rijm het rijmwoord op het eind van de versregel eindigt, noemen we dit eindrijm. Je hebt ook rijmloze teksten.



Een eindrijm onderscheid je in drie soorten:




  • < > of staand rijm: bok – stok, verdergaan – overslaan;< > of slepend rijm: zeuren – kleuren, versterken – bemerken;< > rijm: kinderen – hinderen.

    Gepaard rijm    →           







§2.10.1) Stijlfiguren



Als je iets speciaals wilt uitdrukken, kun je een stijlfiguur gebruiken zoals: ‘Ik sta al een uur op je te wachten!’. Hierbij gebruik je een overdrijving. De eerste paar stijlfiguren die je krijgt in dit boek zijn:




  • < > (prolepsis). Het woord dat voorop geplaatst wordt, krijgt het voorop geplaatste woord meer de nadruk op de zin.< > (inversie). De pv en het onderwerp wordt omgewisseld. Nu komt de pv eerst en dan het onderwerp.

    Gelijk zinsverloop (parallellisme). De zinnen verlopen en beginnen op de zelfde manier.



  • < > (enumeratie). Dit wordt steeds heviger, zoals: ‘Ik ging lopen, toen ging ik rennen en daarna vloog ik over de weg’.< > (antithese). Dit betekent dat tegenstelling zo dicht mogelijk tegen elkaar aan worden geplaatst. Zoals: arm – rijk, dood – levend.< > (ellips). Woorden die weggelaten zijn die je eigenlijk zou verwachten.





§2.10.2) Versregels en zinnen



Een versregel is een zin in een gedicht. Hij kan op een bepaald moment worden afgebroken, terwijl de zin vervolgens op de volgende regel verder doorloopt. Het doorlopen van de zin noemen we enjambement.


REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

M.

M.

Waarom is deze zo laag gestemd?

3 jaar geleden