ADVERTENTIE
Zie jij op tegen het lezen van al die boeken voor je leeslijst?

Probeer dan eens een luisterboek! Wij geven je acht tips van boeken die op je leeslijst staan en die je kunt terugvinden op Storytel. Check het blog en probeer Storytel nu 30 dagen gratis! 


Check het blog!

Inhoudsopgave

  1. Over lezen;
  2. Grammatica;
  3. Spelling;
  4. Taalschat;
  5. Lees vaardig;
  6. Over taalgebruik;
  7. Gedicht.

Over lezen

Smaak en mening

Smaken verschillen, niet iedereen houdt van dezelfde boeken en verhalen. Smaak is iets wat niet vast staat. Door kennis te hebben over verschillende verhalen en soorten verhalen, ontwikkel je je smaak.

Het is belangrijk om je bewust te zijn van je smaakontwikkeling. Met behulp van beoordelingswoorden kun je je mening over verhalen en films goed te woord brengen. Je ondersteunt je mening met argumenten.

Proza, poëzie en toneel

Fictieteksten kunnen in drie verschillende vormen voorkomen, proza, poëzie en toneel. Dit zijn de hoofdgenres.

Proza: de schrijver gebruikt de volle breedte van het papier. De tekst is verdeeld in alinea’s en hoofdstukken.

Poëzie: er wordt maar een deel van de bladzijde gebruikt. Veel wit op de pagina. Regels worden niet volgeschreven en zijn vaak ongelijk van lengte. De tekst is soms verdeeld in strofen.

Toneel: gespeelde tekst in theater of schouwburg. De tekst kan je lezen, maar is bedoeld om te zien. Film is een voorbeeld van toneel.

Proza heeft drie genres, dit zijn: roman, novelle en verhaal. Een roman heeft veel bladzijden. Er komen vaak meer verhaallijnen in voor. Een novelle heeft minder dan 100 bladzijden.

Vormen van beeldspraak:

  • Vergelijking: als het beeld en de persoon/ het voorwerp wordt genoemd. Bijvoorbeeld: hij is een ezel;
    - Vergelijking met als: (bijvoorbeeld) hij doet als een ezel.
  • Metafoor: als alleen het beeld wordt genoemd. Bijvoorbeeld: ezel;
    - Uitdrukking.
  • Personificatie: een voorwerp een menselijke eigenschap geven. Bijvoorbeeld: het zonnetje lacht;
  • Metonymia: als je het anders zegt dan het is. Bijvoorbeeld: wil je nog een kopje? Je bedoelt: wil je nog een kopje koffie/ thee.

Grammatica

Zinsontleding – Het voorzetselvoorwerp

Het voorzetselvoorwerp (vzv) begint altijd met een voorzetsel. Dit voorzetsel kan (bijna) niet vervangen worden door een ander voorzetsel. Het voorzetsel is een vast voorzetsel bij een zelfstandig werkwoord of het naamwoordelijk gezegde van de zin.

Een voorzetselvoorwerp begint net als veel bijwoordelijke bepalingen met een voorzetsel. De twee zinsdelen lijken op elkaar, maar er zijn verschillen.

Als het voorzetsel letterlijk iets over een plaats zegt, is het een bijwoordelijke bepaling. Bijvoorbeeld: Ik wacht op het schoolplein.

Als het voorzetsel door een ander voorzetsel kan worden vervangen, is het ook een bijwoordelijke bepaling. Bijvoorbeeld: Ik wacht naast het schoolplein.

Zinsontleding – De bijstelling

De bijstelling (bijst) is geen zinsdeel, maar een deel van een zinsdeel. Het is eenvoudig te herkennen. De bijstelling staat altijd tussen komma’s achter het zelfstandig naamwoord. Het noemt dezelfde zaak of persoon nog een keer, maar dan met andere woorden.

Woordsoortbenoeming – Het koppelwerkwoord (uitbreiding)

Een koppelwerkwoord verbindt een onderwerp met een ander woord. De koppelwerkwoorden zijn: zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken en voorkomen. De laatste zes werkwoorden zijn niet altijd koppelwerkwoorden, ze kunnen ook een hulpwerkwoord of een zelfstandig werkwoord zijn.

Woordsoortbenoeming – Het betrekkelijk voornaamwoord

Betrekkelijke voornaamwoorden zijn: die, dat, wie en wat. Wie en wat zijn moeilijker te herkennen.

Het antecedent van het betrekkelijk voornaamwoord ‘wat’ kan een overtreffende trap, iets vaags of een hele zin zijn.

Soms staat er geen antecedent in de zin. Je kunt de betrekkelijke voornaamwoorden ‘wie’ en ‘wat’ dan vervangen door ‘degene die’ en ‘dat wat’. Je noemt ‘wie’ en ‘wat’ dan een betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent (betr. Vnw. m.i.a.).

Spelling

De spelling van lastige bijvoeglijke naamwoorden:

  • Het bijvoeglijke naamwoord dat is afgeleid van een voltooid deelwoord:
    zo kort mogelijk
  • Het stoffelijk bijvoeglijk naamwoord:
    eindigt op -n
  • Het bijvoeglijk naamwoord na ‘te’:
    hele werkwoord

Er zijn nog meer soorten bijvoeglijke naamoorden met een lastige spelling

  • Bij woorden op -loos schrijf je geen tussen-n. Dit soort woorden is geen samenstelling, want je kan -loos niet ‘los’ gebruiken.
    Let op! Als het voorste woorddeel eindigt op een -n, moet je die natuurlijk wel schrijven: gewetenloos.
  • Bij sommige bijvoeglijke naamwoorden moet je letters schrijven die je niet (goed) hoort.

Sneldictee

  • 30+-kaas;
  • Aartsvijand;
  • Alinea-indeling;
  • Aluminiumproductie;
  • Applaudisseren;
  • Astronautenvoedsel;
  • Bacteriën;
  • Bedrijfsspionage;
  • Bevloeiingssysteem;
  • Blocnotevel;
  • Bodembegroeiing;
  • Boeddhabeeld;
  • Boulevardpers;
  • Busabonnement.

Taalschat

  • Evalueren: onderzoeken wat goed en wat slecht aan iets was;
  • Exploiteren: winstgevend maken;
  • Exposeren: tentoonstellen;
  • Infiltreren: stiekem binnendringen in een organisatie (om informatie te verkrijgen);
  • Inventariseren: een lijstje maken van spullen of punten;
  • Professionaliseren: tot beroep(s) doen;
  • Promoveren: naar een hogere klasse of functie (doen) gaan;
  • Provoceren: uitdagen, uitlokken;
  • Analytisch vermogen: vaardigheid om zaken te doorzien;
  • Missie: opdracht, taak;
  • Elimineren: verwijderen;
  • Eerwraak: plicht om de familie-eer te zuiveren door de overtreder van de regels te vermoorden;
  • Essentieel: belangrijk, wezenlijk;
  • Fatale: nootlottige;
  • Groeihormoon: door klieren afgescheiden stof die de groei bevordert;
  • Chemische: scheikundige;
  • Klier: orgaan dat vocht afscheidt;
  • Verkeersinfarct: het volledig vastlopen van het verkeer;
  • Longitudinale: langdurende;
  • RSI: repetive stain injury, gewrichtsaandoening bij mensen die voortdurend dezelfde bewegingen moeten maken;
  • Sensitief: (over)gevoelig;
  • Sociale fobie: ongemotiveerde (ziekelijke) angst voor contact met mensen;
  • Stringente: dwingende, waar je niet omheen kunt.

Lees vaardig

Tekstdoelen, tekstsoorten en tekstvormen

Schrijvers willen iets bereiken met hun tekst. Dat heet het schrijfdoel of tekstdoel. De belangrijkste schrijf- of tekstdoelen zijn:

  • Informeren = gegevens verstrekken;
  • Uiteenzetten = uitleggen hoe iets in elkaar zit;
  • Overtuigen = betogen, een mening (opinie) naar voren brengen, ondersteund met argumenten;
  • Beschouwen = een onderwerp van verschillende kanten belichten;
  • Activeren = aansporen tot handelen;
  • Amuseren = vermaken.

Informerende en uiteenzettende teksten zijn objectief. Ze bevatten hoofdzakelijk controleerbare feiten. De mening van de schrijver blijft achterwege.

Betogende, beschouwende en activerende teksten zijn subjectief. De mening van de schrijver komt nadrukkelijk naar voren. Daarnaast geeft de schrijver vaak ook de nodige informatie over het onderwerp om zijn mening te ondersteunen.

Amuserende teksten zijn subjectief en hebben het doel de lezer te vermaken of te ontroeren. Ze behoren niet tot de zakelijke teksten zoals andere tekstsoorten die zijn genoemd.

Inleiding van teksten

In de inleiding probeert de schrijver de aandacht van de lezer te trekken, o.a. door:

  • Een anekdote vertellen;
  • Een vraag stellen;
  • Het onderwerp aankondigen;
  • De hoofdgedachte noemen;
  • De probleemstelling formuleren;
  • Een korte omschrijving van het probleem geven;
  • De aanleiding voor het schrijven van de tekst noemen;
  • De opbouw van de tekst beschrijven;
  • Vooraf een samenvatting geven;
  • Een conclusie vooropzetten;
  • Een deskundige voorstellen;
  • Een opvallend detail uit de tekst naar voren halen;
  • De uitkomst van een onderzoek noemen;
  • Een voorbeeld geven bij het probleem van het artikel
  • Een kort, historisch overzicht geven;
  • Een verwachting uitspreken;
  • Een herkenbare situatie schetsen;
  • Een opmerkelijke bevinding rapporteren;
  • Een betwistbare mening geven;
  • Een uitdagende stelling poneren.

Over taalgebruik

Taalfouten – verkeerde, ontbrekende of overbodige woorden

Als je schrijft of spreekt, kun je fouten maken. Het is handig om een aantal veelvoorkomende taalfouten te herkennen.

Verkeerde woorden

Soms gebruik je in een tekst een woord dat je niet (vaak) gebruikt of waarvan je de betekenis niet zeker weet. Je moet dan altijd de betekenis van dat woord controleren. Doe je dat niet en gebruik je een verkeerd woord, dan komt je boodschap niet goed over.

Ontbrekende woorden

Door onzorgvuldigheid kun je soms een woord vergeten. Als een woord een vast voorzetsel heeft, moet je dat voorzetsel altijd in de zin gebruiken.

Overbodige woorden

Soms gebruik je een woord dat eigenlijk niet nodig is, omdat een ander woord de betekenis al aangeeft.

Gedicht

Rijmschema’s

De manier waarop de rijmwoorden aan het eind van de versregels zijn geordend, kan verschillen. We noemen die ordening een rijmschema.

Gepaard rijm

De rijmwoorden staan in paren.

A
A
B
B

Gekruist rijm

De rijmwoorden wisselen elkaar af.

A
B
A
B

Omarmend rijm

De rijmwoorden van regel 1 en 4 ‘omarmen’ de rijmwoorden van regel 2 en 3.

A
B
B
A

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.