Lesuitval, een mondkapjesplicht, onzekerheid over de eindexamens... Wij zijn benieuwd hoe jij met de coronacrisis omgaat en wat jij vindt van de maatregelen. Doe mee met ons corona-onderzoek! 😷🦠🏫 We zoeken nog extra jongens!

Doe mee


ADVERTENTIE
Open Dag = online ontdekken en ontmoeten

Bezoek onze Online Open Dag dit jaar vanaf je bank! Ontdek bijzondere verhalen van onze studenten en docenten. Stel je vragen. Én luister naar onze gezellige radioshow! Klaar voor een toekomst als student in het hbo? 

Meld je dan nu aan!

Nederlands blok 1
Paragraaf 1.1
4 manieren (stofvindingstechnieken) om aan informatie te komen:
- Brainstormen.
- Vaste vragen stellen.
- Media raadplegen.
- Eigen onderzoek verrichten: interviewen, enquêteren.
Brainstormen: in telegramstijl opschrijven wat je over het onderwerp te binnen schiet
Vaste vragen stellen: stel je met behulp van vraagwoorden bijvoorbeeld:
Wie? Wat? Welke? Waar? Wanneer? Waarom? Waarmee? Hoe?
- Vragen met die vraagwoorden zijn bijvoorbeeld:


. Wie zijn erbij betrokken?
. Wat is het doel ervan?
. Welke voor- en nadelen zijn er?
. Waar doet zich dit verschijnsel voor?
. Waarom gebeurt dit?
Media raadplegen:
1. naslagwerken, encyclopedieën, woordenboeken, overzichtswerken, jaarboeken, almanakken, adressenboeken en bibliografieën.
2. Knipsel- of documentatiemappen.
3. Keuzelijsten.
4. Kranten en tijdschriften.
5. Audiovisuele hulpmiddelen: bijv. videobanden met interviews,
voorlichtingsprogramma’s.
Geautomatiseerde bronnen: Internet
6. Zoeken op trefwoord.
Voorbeelden van landelijke dagbladen zijn: de Volkskrant, NRC Handelsblad, Trouw, De Telegraaf, Algemeen Dagblad.
Opinieweekbladen: HP/de Tijd, Elsevier, Vrij Nederland.


Populair- wetenschappelijke weekbladen: Kijk, Natuur en Techniek.
Paragraaf 1.2
Manieren van lezen:
1. Oriënterend lezen: een eerste indruk krijgen van een tekst, onderwerp, hoofdgedachte en publiek bepalen.
2. Globaal lezen: hoofdzaken uit een tekst halen.
3. Intensief lezen: een tekst helemaal begrijpen.
4. Kritisch lezen: een tekst beoordelen.
Opletten bij lezen van:
1. Oriënterend lezen: titel, tussenkopjes, illustraties, inleiding, slot, cursieve of vette tekst, schrijver, bron.
Inhoudsopgave, register, flaptekst, schrijver.
2. Globaal lezen: kernzinnen, signaalwoorden.
3. Intensief lezen: betekenis van woorden, verwijswoorden, verbanden, opbouw, tekstdoel.
kritisch lezen: is de informatie…juist, volledig- zijn de argumenten…eerlijk, overtuigend.
Paragraaf 1.3
Alinea met functie:
1. Inleiding.
2. Verklaring 1.
3. Verklaring 2.
4. Verklaring 3.
5. Gevolgen (nadelen)
6. Slot (afweging) (conclusie)
Paragraaf 3.4
Aantekeningen:
- Onderwerp, plaats en tijd.
- Waarover gaat het.
- Wie zijn erbij betrokken.
- Waar en wanneer gebeurde het
- Werkwijze, gang van zaken.
- Hoe gebeurde het.
- Wat waren de belangrijkste gebeurtenissen.
- Resultaat.
- Wat is het resultaat.
- Hoe wordt erop gereageerd.
- Eventueel: eigen mening.
Paragraaf 3.7
Zie infoboek bladzijde 67 tm 78.
Paragraaf 4.1 + 4.2
Een goede alinea bestaat uit een hoofdmededeling en daar een uitwerking van.
Die hoofdmededeling is de kernzin. ( Vaak begint een alinea met de kernzin)
Hoofdzaak is de kernzin.
Bijzaak is wat er over die kernzin wordt verteld.
Hoofdgedachte bestaat uit 1 zin die je meestal zelf onder woorden moet brengen.
Onderwerp bestaat meestal uit 1 of een aantal woorden.
Citeren de eerste en de laatste twee woorden noemen.
Paragraaf 8.1
Je kunt bij een presentie kiezen uit: uiteenzetting, betoog, beschouwing.
Het stappenplan:
1. gebruik een logisch opgebouwd schema in telegramstijl voor aantekeningen.
Zorg voor duidelijke indeling in inleiding, kern en slot.
2. Inhoud moet op niveau zijn van je klasgenoten, let daarbij op:
- Licht de feiten toe met voorbeelden.
- Motiveer je mening met argumenten.
- Vertel hoe je aan je informatie komt.
3. Verduidelijk de inhoud met illustratiemateriaal (moet functioneel zijn)
Geef geen materiaal door, sfeer in de klas wordt rommelig.
4. Let goed op je taalgebruik en stem:
- Spreek duidelijk.
- Goede zinsbouw en gevarieerde woordkeus.
- Praat rustig.
- Varieer je stemtoon, anders wordt het saai.
5. Zorg voor een goede houding:
- Praat tegen de mensen tot wie je je richt en kijk hen rustig aan.
- Sta of zit rechtop.
- Verduidelijk wat je vertelt met rustige, natuurlijke gebaren.
- Als je tijdens de presentatie merkt dat iets niet duidelijk of verkeerd overkomt, probeer daar dan op in te spelen.
- Reageer aandachtig en geduldig op vragen of opmerkingen achteraf.
Beoordelen met de volgende tekens: ++, +, 0, -, --.
Paragraaf 9.1 + 9.2
Stijlfouten vormen een aparte soort taalfouten. We spreken van stijlfouten wanneer zinnen minder goed leesbaar zijn, doordat bijvoorbeeld niet helder zijn geformuleerd of doordat ze teveel dezelfde woorden bevatten.
Wanneer je een woord (of uitdrukking) niet helemaal goed kent bestaat de kans dat je het woord verkeerd gebruikt.
Raadpleeg bij twijfel het woordenboek.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.