De NPO is bezig met een nieuwe interactieve videoserie voor scholieren, over persoonlijke dilemma's. Om de serie zo herkenbaar mogelijk te maken, hebben ze jouw hulp nodig. Ben je tussen de 15-18 jaar en wil jij meedenken? Vul de vragenlijst in (5 a 10 minuutjes) en maak kans op een Bol.com bon van 10 euro.

 


Meedoen


6.1 A Zien en gezien worden
Om iets te zien heb je licht nodig. Je kunt een voorwerp alleen zien als er licht vanaf komt, in je ogen. Licht wordt gemaakt door een lichtbron. Sommige voorwerpen geven geen licht, maar je kunt ze wel zien. Dit komt door weerkaatsing, bijvoorbeeld zonlicht. Bijvoorbeeld een fiets in het donker. Deze kan je zien door reflectoren. Een bundel licht (bijvoorbeeld een autolamp) is een lichtbundel. Een evenwijdige lichtbundel is overal even breed. In een tekening wordt de richting aangegeven met kleine pijltjes. Je hebt nog meer verschillende lichtbundels. Divergente en Convergente. Een divergente loopt van klein naar groot, een convergente van groot naar klein.
6.1 B Terugkaatsing
Je hebt twee verschillende soorten terugkaatsing; diffuse en spiegelende terugkaatsing. Bij diffuse terugkaatsing wordt het licht in alle richtingen teruggekaatst. Bij spiegelende terugkaatsing wordt het licht maar in één richting teruggekaatst.
Tekenen van spiegelende terugkaatsing;
- de normaal is een hulplijn loodrecht op de spiegel
- de hoek van inval is de hoek tussen de invallende lichtstraal en de normaal
- de hoek van terugkaatsing is de hoek tussen de teruggekaatste lichtstraal en de normaal.
De hoek van inval is gelijk aan terugkaatsing: i = t
6.2 A Straling
De zon zendt licht uit. Licht is een vorm van straling. Als je een wit licht op een cd schijnt, splitst het licht. Dit heet kleurschifting. De kleuren rood, oranje, geel, groen, blauw, indigo en violet. Er ontstaat een regenboog. Deze regenboog noemen we een spectrum.
Door te lang in de zon zitten, verbrand je. Dat komt door de ultraviolette-straling die in de lucht zit (UV-straling). Deze kun je niet zien.
In de dampkring rond de aarde zitten een aantal stoffen. Bijvoorbeeld zuurstof en stikstof. Ook ozon. Dit houd een groot deel van de uv-straling tegen. Teveel uv-straling kan huidkanker opleveren. De ozonlaag word aangetast door de mens. Dit komt door de stof cfk (chloorfluorkoolwaterstoffen). Sinds 1991 is deze stof verboden.
Je hebt ook infraroodstraling. Ook deze kun je niet zien. Dit is warmtestraling. Je kunt warmtestraling wel zien met een infraroodcamera.
6.2 B Spiegelbeelden
Een virtueel beeld is een beeld dat je wel kunt zien, maar dat niet echt.
6.3 A Straling op een voorwerp
Zichtbaar licht word teruggekaatst. Soms word licht niet teruggekaatst maar geabsorbeerd. Dit betekent dat het licht word opgenomen in het voorwerp.
Gladde en lichte oppervlakken kaatsen straling goed terug. Een voorwerp is zwart als het geen licht terugkaatst.
Door een ruit kun je naar buiten kijken. Licht komt door de ruit in je ogen. Een stof waar zichtbaar licht doorheen kan, heet transparant
6.3 B Schaduw en Breking
Als licht word tegengehouden, komt er geen licht meer. Er komt schaduw. Als licht op een prisma komt, veranderd de richting. Dit heet breking.
De hoek van breking is de hoek tussen de gebroken lichtstraal en de normaal
6.4 A Je staat er gekleurd op
Wit licht bestaat eigenlijk uit rood, oranje, geel, groen, blauw, indigo en violet. Wit is een mengkleur. Sommige dingen kaatsen alleen één kleur terug, bijvoorbeeld een blauwe broek. Die kaatst alleen het blauwe licht terug, dus de broek is blauw. Bijna alles heeft een kleur
Elke kleur heeft een nummer. Een E-nummer. Deze nummers lopen van 100 tot 200. E122 is rood, en E110 is oranje.
6.4 B Nog meer kleur
Licht van één kleur heet monochromatisch licht. Bijvoorbeeld een straatlantaarn. Een witte auto onder een straatlantaarn, kan alleen maar wit licht terugkaatsen. Omdat wit uit alle kleuren bestaat (waaronder geel lantaarnpaal licht) kan hij geel terugzenden. Kleurfilters laten één kleur licht door en absorberen de andere kleuren. Bijvoorbeeld je fietslamp, deze is rood. Maar het lampje geeft toch alleen maar wit licht. Alleen rood word doorgelaten, de rest word geabsorbeerd.
6.5 A Het oog
Belangrijke onderdelen;
- Pupil
- Iris
- Lens
- Netvlies
De pupil is het gat in je oog waar licht door binnenkomt. Deze kan van formaat veranderen. Je pupil is zwart omdat er geen kleur uitkomt.
De iris is de gekleurde band om je pupil. Deze regelt de hoeveelheid licht die in je oog komt (de grootte van je pupil)
Op je netvlies komen de beelden die je ziet. Je oogzenuw geeft deze door aan je hersenen. Op de plaats waar geen oogzenuw zit, is het niet gevoelig voor licht. Dit heet de blinde vlek.
De ooglens zorgt dat het beeld precies op je netvlies komt.
6.5 B Kleurenblindheid en Gezichtsbedrog
Als je kleurenblind bent, zie je het verschil tussen bepaalde kleuren niet goed. Dat kan bij ontwerper of schilder problemen veroorzaken. Als een piloot het verschil tussen waarschuwingskleuren (rood en groen) niet kan zien, kan deze niet worden aangenomen. Een piloot word daarom dus ook eerst gekeurd.
Als je naar een boek kijkt, komt er een beeld van een boek in je op. Je hersenen vergelijken het beeld met iets wat je herkent. Maar soms zie je iets, wat je hersenen met iets anders vergelijken. Dit heet gezichtsbedrog.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.