Natuurkunde ‘Licht’
§1

- Bij een gaatjescamera moet je het scherm onder een dikke zwarte doek bekijken om het beeld te kunnen zien.
- Het grote verschil met een gaatjescamera is dat een fototoestel een lens gebruikt om beelden mee te maken.
- Op de plek waar het beeld wordt gevormd, zit een stukje lichtgevoelige film, als je een foto maakt, wordt op dat stukje een beeld vastgelegd.
- Als je een film hebt ontwikkeld, zie je een serie negatieven. Een foto is een afdruk van een negatief.
- Als de sluiter van het fototoestel dicht zit, valt er geen licht op de film.


- Als je op de ontspanningsknop drukt, gaat de sluiter open.
- Het diafragma is een verstelbare opening vlak voor de lens, hoe verder het diafragma open staat, hoe meer licht er op de lens valt.
- Positieve lenzen zijn in het midden dikker dan aan de rand.
- Negatieve lenzen zijn in het midden dunner dan aan de rand.
- Positieve lenzen hebben een convergerende werking (ze lopen zo dat ze een snijpunt hebben; naar binnen toe). Positieve lenzen worden in een fototoestel gebruikt.
- Negatieve lenzen hebben een divergerende werking (ze lopen van elkaar af). Een divergente bundel wordt nog sterker divergent, daarom is een negatieve lens niet geschikt voor een fototoestel.
- De (positieve) lens van een fototoestel, wordt meestal het objectief genoemd, daardoor kan je foto´s maken die scherp én lichtsterk zijn.
- Je moet er voor zorgen, dat de afstand tussen lens en film precies goed is, daarvoor gebruik je de afstand-instellingsring, daarmee kun je de lens naar de film toe of van de film af laten bewegen.


- Werking van een lens in een fototoestel; lichtstralen worden van richting veranderd, als ze van de ene doorzichtige stof naar de andere gaan (bijv. van lucht naar glas). Dat verschijnsel heet lichtbreking (). De lichtstraal verandert dan van richting.

§2

- Een positieve lens kan worden gebruikt als brandglas, omdat die lens een hoofdas heeft (een lijn door het midden van de lens die loodrecht op de lens staat).
- Het punt waar de lichtstralen elkaar na de lens snijden, heet het brandpunt van de lens.
- F = brandpunt.
- De afstand tussen het midden van de lens en het brandpunt F, heet brandpuntsafstand f. Deze afstand bepaald hoe scherp de lens is. Hoe kleiner de brandpuntsafstand, hoe scherper de lens.
- Positieve lenzen kom je ook tegen in projectoren. De lens in de projector beeldt een voorwerp af op een scherm;
• Bij een diaprojector is dat voorwerp een dia.
• Bij een overheadprojector is dat voorwerp een ‘sheet’.
• Bij een vergrotingsapparaat is dat voorwerp een negatief.
- De lens van een projector doet hetzelfde als die van een fototoestel; lichtpunten uit één punt van het voorwerp worden door de lens ook weer naar één punt toe gebroken.
- De afstand tussen de lens en het voorwerp wordt voorwerpsafstand v genoemd.
- De afstand tussen de lens en het scherpe beeld heet beeldafstand b.
- De lenzenformule;
1 + 1 = 1
v b f
§3
- Op de plaats waar lichtstralen samenkomen, ontstaat een scherp beeld. Dat kun je zien, als je op die plaats een scherm neerzet. Je kunt de 2 lichtstralen gebruiken om de plaats van het beeld te construeren. Die stralen worden daarom ook constuctiestralen genoemd.
- Het beeld van een voorwerp voor een lens tekenen;
1. Geef de 2 uiterste punten van het voorwerp aan (L’ en L²).
2. Bepaal met behulp van de constructiestralen de plaats van neode beeldpunten. Beeldpunt van L’ = B’, beeldpunt van L² = B².
3. Teken het beeld tussen B’ en B².
(voor duidelijkere tekening; zie boek blz. 31)
- Als L² op de hoofdas ligt, construeer je alleen het beeld van L’. Daarna teken je B² recht boven of onder B’ op de hoofdas van de lens.
- Vergroting berekenen;
N = lengte beeld .
lengte voorwerp ook wel;
N = b
v

§4

- Het licht komt op het netvlies terecht. Het netvlies bevat een aantal lichtgevoelige zintuigcellen. Als er licht op deze zintuigcellen valt, geven ze elektrische impulsen af. Die worden door de oogzenuw doorgegeven aan de hersenen. Als de hersenen die ontvangen, zie je iets.
- De combinatie hoornvlies-oogles-glasachtig lichaam hebben dezelfde werking als één positieve lens.
- De afstand tussen de ooglens en het netvlies kan niet veranderen, de beeldafstand is altijd even groot (17 mm).
- De hoeveelheid licht die op je oog valt, wordt geregeld door de iris.
- Er liggen spiertjes rond de ooglens, die kunnen de ooglens platter en boller maken. Het oog accommodeert dan.
- Als de oogles boller wordt, wordt hij sterker (als je dichtbij iets ziet).
- Als de oogles platter wordt, wordt hij minder sterk (als je iets ver weg ziet).
- Als je bijziend bent, zijn je ooglenzen te sterk (of je oogas te lang). Voorwerpen die ver weg zijn, kun je niet goed zien. Je hebt dan negatieve lenzen nodig.
- Als je verziend bent, zijn je ooglenzen te zwak (of je oogas te kort). Voorwerpen die vlakbij zijn, kun je niet goed zien. Je hebt dan positieve lenzen nodig.
- Oudere mensen dragen vaak een bril, omdat ze oudziend zijn. Het oog is niet meer in staat de ooglens voldoende bol te maken, daardoor kunnen ze niet meer van dichtbij scherp zien en hebben ze positieve lenzen nodig.
- Glazen lenzen zijn al honderden jaren oud. De eerste contactlenzen van kunststof werden in 1938 gemaakt. Een contactlens ligt niet direct op het hoornvlies, maar drijft op het traanvocht. Dan kan het traanvocht tussen de lens en het hoornvlies regelmatig worden ververst. Anders krijgt het hoornvlies een tekort aan zuurstof.
- Een oogarts en opticien gebruiken de dioptrie (D) om de sterkte van brillenglazen aan te geven. Je kunt de dioptrie zo bepalen;
1. Reken de brandpuntafstand indien nodig om in m.
2. Reken dan uit; 1/f
3. Het getal dat je vindt, is de lenssterkte in dioptrie.
- S = 1

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

F.

F.

het is echt een goede samenvatting!
ik heb er heel veel aan gehad, ik snapte er namelijk helemaal niets van.. nu wel =D

10 jaar geleden