Natuur/scheikunde hoofdstuk 2

§1A:
Kenmerken van een gas:
- geen eigen vorm
- het verspreidt zich door de hele ruimte
- je kunt het samenpersen

Voorbeelden van gassen:
Chloor,aardgas,zuurstof en koolstofdioxide

Kenmerken van een vloeistof:
- het heeft een horizontaal oppervlak
- geen eigen vorm
- je kunt het niet samenpersen

Voorbeelden van vloeistoffen:
Water,benzine, spiritus en azijn

Kenmerken van een vaste stof:
- een eigen vorm
- je kunt het niet samenpersen

voorbeelden van vaste stoffen:
glas, hout, steen en ijzer.

§1B:
Van vast naar vloeibaar:
- smelten

van vloeibaar naar vast:
- stollen

van vast naar gas:
- sublimeren

van gas naar vast:
- rijpen

van gas naar vloeibaar:
- condenseren

van vloeibaar naar gas:
- verdampen

§2A
Om waarnemingen te verklaren gebruiken we modellen.
Een model is een vereenvoudigde voorstelling van de werkelijkheid.

2 stappen hoe natuurwetenschappers een model maken:
- ze doen experimenten
- met deze gegevens maken ze een model van de werkelijkheid/

Waarvoor gebruik je in de natuurwetenschappen een model?
- om waarnemingen te verklaren
- om resultaten van nieuwe proeven te voorspellen

§2B
Computermodellen worden bijvoorbeeld gebruikt bij het trainen van piloten en het voorspellen van het weer.

CAD betekent:
- Computer Aised Design

Soms kloppen weersvoorspellingen niet omdat het model eenvoudiger is dan de werkelijkheid.

§3A
3 soorten kleine deeltjes:
- moleculen
- atomen
- ionen

Het kleinste deeltje van suiker heet een suikermolecuul
De kleinste deeltjes van ijzer heten atomen
De kleinste deeltjes van keukenzout zijn ionen

Model van een gas:
- in een gas bewegen moleculen alle kanten op
- in een gas is er veel ruimte tussen de moleculen

model van een vloeistof:
- in een vloeistof bewegen moleculen alle kanten op
- in een vloeistof trekken de moleculen elkaar aan
- in een vloeistof is er weinig ruimte tussen de moleculen

model van een vaste stof:
- in een vaste stof trekken de moleculen elkaar aan
- in een vaste stof is er weinig ruimte tussen de moleculen
- in een vaste stof trillen de moleculen op een vaste plaats

2.3B
Bij fase-overgangen verandert de manier waarop de moleculen bij elkaar zitten. Voor sommige fase-overgangen is er energie nodig, bij andere komt er energie vrij.

Bij het smelten gaan moleculen langs elkaar bewegen.

Smeltwarmte:
- de smeltwarme van een stof is de hoeveelheid warmte die nodig is om 1 kg van die stof te laten smelten.

Stollingswarmte:
- de stollingswarmte van een stof is de hoeveelheid warmte die vrijkomt als 1 kg van die stof stolt

Het ontsnappen van moleculen uit een vloeistof heet verdampen.

Bij hogere temperatuur verdampt een vloeistof sneller.

Verdampingswarmte van een stof is de hoeveelheid warmte die nodig is om 1 kg van die stof te laten verdampen.

2.4A
Van 2 verschillende stoffen zijn nooit alle stofeigenschappen gelijk. Dit komt doordat de moleculen verschillend zijn. Als alle moleculen van een stof hetzelfde zijn, heb je 1 stof. WE noemen de stof dan zuiver.

Een zuivere stof is opgebouwd ui 1 soort moleculen.

Voorbeelden van zuivere stoffen: alcohol,suiker,water,koolstofdioxide en zuurstof.

Als een stof is opgebouwd uit verschillende soorten moleculen is de stof een mengsel.
Een mengsel is opgebouwd uit 2 of meer soorten moleculen.

Voorbeelden van mengsels zijn: mayonaise, melk, limonade en constantaan.

Scheiden van een mengsel is het sorteren van moleculen.

2.4B
Stolpunt= als tijdens het stollen de temperatuur niet veranderd
Smeltpunt= als bij het smelten de temperatuur niet veranderd

Stoltraject=het temperatuurgebied waarin een mengsel stolt
Smelttraject=het temperatuurgebied waarin een mengel smelt

Een zuivere stof heeft een stolpunt en een smeltpunt
Een mengsel heeft een stoltraject en een smelttraject

Een zuivere stof heeft een kookpunt
Een mengsel heeft een kooktraject

2.5A
Een oplossing bestaat uit een oplosmiddel en een opgeloste stof. De concentratie geeft aan hoeveel stof is opgelost.

De concentratie van een stof (in g/L) is de massa van die stof (in gram) in 1 liter oplossing.

2.5B
Je kunt de concentratie berekenen door:
C=m:v
Hierin is:
C= de concentratie in gram per liter
M=de massa in gram
V= het volume in liter

De oplosbaarheid (in gram per liter) is de grootste massa (in gram) die kan worden opgelost in 1 liter water.

De oplosbaarheid van de meeste vaste stoffen is groter bij hogere temperatuur.

De oplosbaarheid van gassen is kleiner bij hogere temperatuur.

Als je een stof niet verder kan oplossen is de oplossing verzadigd.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

N.

N.

Goede samenvatting, ga deze leren, hoop nu maar dat ik een goed cijfer voor mijn s.o haal :P

8 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

F.

F.

wrm is er geen reclame op tv . voor de kinderen die het nodig hebben .

8 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast