Zit je in 4/5 havo en heb je een N&T of N&G profiel? Vul deze korte vragenlijst in over chemie-opleidingen en maak kans op 20 euro Bol.com tegoed.

Meedoen

Hoofdstuk 3

Beoordeling 6.6
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 1172 woorden
  • 27 juli 2012
  • 4 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.6
  • 4 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!

Hoofdstuk 3 de barok
Nieuwe ontwikkelingen in de Barok:
- Een nieuwe ontwikkeling uit de barok is canon: een polyfone compositie. Daarin wordt één melodie achtereenvolgens gezongen of gespeeld. De inzetten overlappen elkaar.
- Er ontstond een nieuwe manier van spelen. De monodie: waarin één melodie door akkoorden wordt begeleid.
- Er ontstond ook opera.

Instrumenten:
Orgel, klavecimbel, luit, viool, altviool, cello, contrabas, hobo, traverso, trompet, pauken, hoorn.

Theorie:
Largo: breed
Grave: ernstig, zwaar
Lento: langzaam
Adagio: langzaam, behoedzaam
Slow: langzaam

Andanto: gaande
Medium: gaande
Moderato: matig
Allegro: snel
Fast: snel
Vivace: levendig
Presto: zeer snel
Accelerando: versnellen
Ritenuto: vertragen
Ritardando: enigszins vertragen
Rallentando: vertragen
A tempo: het voorgaande tempo hervatten
Tempo primo: het eerste tempo hervatten

Ostinate bas: een voortdurend herhalende melodie in de bas; soms een voortdurend herhaalt harmonisch schema.
Ground: dans compositie gaat uit van een thema in de bas, dat steeds herhaald wordt.
Passacaglia: compositie bestaande uit variaties boven een ostinate bas; oorspronkelijk een Spaanse dans in driekwartsmaat.
Chaconne: compositie bestaande uit een reeks variaties boven een ostinate bas. Kan deel uitmaken van een suite.
Inégalité: het ongelijk uitvoeren van gelijk genoteerde ritmische figuren. Een in de barok gebruikelijke uitvoeringspraktijk.
Versieringen: het aan de melodie toevoegen van niet genoteerde tonen en ritmes. Dit gebeurt vooral bij herhalingen. Soms worden de versieringen door middel van tekens aangegeven.
Franse ouverture: instrumentaal openingsstuk van cantate, oratorium, opera of suite. Later ook: zelfstandige compositie, bestaande uit drie delen met als temposchema: langzaam, snel, langzaam.
Italiaanse ouverture: instrumentaal openingsstuk van cantate, oratorium, opera of suite. Later ook: zelfstandige compositie, bestaande uit drie delen met als temposchema: snel, langzaam, snel.
Basso continuo: een begeleiding bestaande uit een baspartij en een akkoordpartij.
Sonate: een compositievoor een of enkele instrumenten in meestal vier delen, vervolgens opbouw van de symfonie.
Trisonate: een compositie uit de barok voor twee melodie-instrumenten en basso continuo.
Concerto grosso: muziek geschreven voor een solistengroep tegenover een grote groep die elkaar afwisselen, maar soms ook samen spelen.(tutti) een groot orkest en een klein orkest die tegelijk spelen. Het is grosso + solo OF grosso + ino.
Concertino: een solistengroep.
Tutti: solo + ino + grosso
Soloconcert: compositie waarin een solist begeleidt wordt door een orkestraal ensemble; meestal een betrekkelijk groot werk in drie delen; Snel, langzaam, snel.
Sequens: de onmiddellijke herhaling van een muziekaal gegeven op een hogere of lagere toon.
Terrassendynamiek: plotselinge overgangen van sterk naar zacht en omgekeerd.
Fuga-expositie: meerstemmige imitatorische compositietechniek waarbij een thema achtereenvolgens in de verschillende stemmen terugkeert volgens vaste tonale ordeningspatronen(T-D-T-D) in de zogenaamde expositie. Het kan gedeeltelijk herhaald worden, al dan niet verkleind of vergroot, of moduleren naar verwante toonsoorten. In het slotgedeelte van een fuga treft men vaak een orgelpunt aan en een stretto.
Thema: een afgerond melodisch gegeven dat als bouwsteen dient voor een compositie. Het is langer dan een motief, bijvoorbeeld acht maten, en meestal melodisch opvallend. Een thema kan uit meerdere zinnen bestaan, het eindigt meestal met een cadens.
Contrasubject: een tegen melodie bij het hoofdthema.
Orgelpunt: een begeleidingsfiguur bestaande uit een lang aangehouden of steeds herhaalde toon in de bas.
Tonica: grondtoon
Dominant: 5e toon van de toonladder
Modulatie: overgang van de ene naar de andere toonsoort. C: 1 4 1 5, G: 1 4 1 5.(de 1 van G is de 5 van C)
Monodie: een specifieke vorm van homofonie is de monodie, waarbij een solostem homofoon wordt begeleid.
Aria: een onderdeel van grotere vocale vormen voor solostem met orkestbegeleiding; vaak melodisch zeer rijk, melismatisch en virtuoos. De tekst bevat veel herhalingen en in ondergeschikt aan de melodie. Komt ook voor als zelfstandige melodie.
Duet: muziekstuk voor twee stemmen.
Recitatief: een onderdel van grotere vocale vormen waarin de solist een verhaal vertelt. De muziek is syllabillsich en de melodie is sober, met weinig toonverschillen en veel kleine intervallen. De begeleiding bestaat slechts uit ondersteunende harmonieën op de belangrijkste woorden.
Opera: muziekaal drama voor zangstemmen en orkest; de zueik vervult een rol bij het schetsen van het verloop van de handelingen het weergeven van stemmingen en emoties die daarmee samenhangen. Onderdelen: ouverture, recitatieven, aria’s, koren, balletten, instrumentale intermezzi, duetten, terzetten, enzovoorts. De opera is bedoeld voor scenische uitvoeringen.
Oratorium: grote, meerdelige vocaalinstrumentale compositie op een meestal religieuze tekst. Onderdelen: ouverture, recitatieven, aria’s, koren en instrumentale intermezzi.
Cantate: meerdelige, vocaalinstrumentaal compositie, minder lang dan een oratorium. Meestal is de tekst religieus. Onderdelen: sinfonia’s, recitatieven, aria’s, koralen en koren.
Passie: grote, meerdelige vocaalinstrumentale compositie met als tekst het lijdensverhaal van Jezus. Bij de onderdelen komen ook koralen voor.
Gemengd koor: sopraan, alt, tenor en bas.
Dubbelkoor: muziek geschreven voor twee (of meer) min of meer gelijkwaardige koorgroepen of instrumentale formaties, die nu eens elkaar afwisselen, dan weer samengaan.
Chromatiek: het gebruik maken van halve-toonsafstanden door middel van verhogingen en verlagingen van de tonen uit een diatonische toonladder.
Overgangsdynamiek: overgang van hard naar zacht gaat geleidelijk.

Muzikale componenten:
1. Toonhoogte: -melodie, -harmonie(samenklank)
2. Toonduur: maatsoort, Ritme
3. Toonsterkte: -dynamiek(hard, zacht): Middeleeuwen: vocaal, minder begeleiding
Barok: instrumentaal, meer begeleiding
4. Toonkleur: instrumenten
Strijkinstrumenten: viool(vedel), altviool(vedel), cello(gamba)
Blazers: blokfluit, fagot, trombone, trompet, hobo, fluit.
Toetsinstrumenten/akkoordinstrumenten: klavecimbel, spinet, luit, gitaar, theorbe(basluit)
5. (tempo)

Suite: compositie bestaande uit ten minste vier korte, instrumentale stukken.
Baroksuite: vooral dansen.
Allemande: van oorsprong Duitse, rustig geschreden dans met matig tempo in twee- of vierkwartsmaat. Met opmaat. Vaak met een gevoelige, bewegelijke melodie. De allemande was de openingsdans van de zeventiende- en achttiende-eeuwse suite.
Courante: van oorsprong Franse, matig snelle dans, vaak afwisselend in drietweeden- en zeskwartsmaat. Geen opmaat; tweede dans van de baroksuite.
Sarabande: van oorsprong dans in langzaam tempo; driedelige maatsoort; vaak met lange noot op tweede tel; derde dans van de baroksuite. Geen opmaat
Gigue: van oorsprong Ierse dans; snel tot zeer snel tempo; zesachtstenmaat; vaak imitatorisch; laatste deel van de baroksuite. Met opmaat.
Gavotte: van oorsprong Bretonse, niet te snelle dans in tweetweedenmaat met een opmaat van twee kwarten; komt vaak voor in de baroksuite.
Bourree: van oorsprong een snelle reidans uit de Auvergne met een tweedelige maatsoort; komt vaak voor in baroksuite.

De dansen hebben als kenmerk:
2-delig of 3-delig. Snel of langzaam. Het metrum(de beat) is belangrijk.

Franse dansen: langzaam – snel – langzaam. Symfonie
Italiaanse dansen: snel – langzaam – snel.  Symphonie

Barok:
Bach, Vivaldi en Händel. Vooral technisch moeilijke stukken.
Preludium: voorstuk  preludes. Introductie voorstuk dat erna komt. Het is ritmisch, herhaling, technisch: virtuoos.

Fuga expositie:
1e begin met de Tonica: grondtoon.
2e: de tweede wordt gespeeld in de Dominant(5e) die ‘staart’ naar de tonica toe.
3e eindigt met de Tonica.
T-D-T-D-T
Na de expositie komt het thema terug, maar op andere manieren, bijvoorbeeld gemoduleerd.
Is de fuga 4 stemmig dan eindigt de expositie na het einde van de 4e thema.

Musica nova: -nieuwe muziek, -homofonie(akkoorden)
Musica antiqua: oude muziek, -polyfonie

Opera:
1. Ouverture
2. Aria’s: zangstuk solostem 1-12 personen. (melismatisch) lied: liedvorm da capo aria.
3. Recitatief: (syllabilis) gesproken stuk dat gezongen wordt.
4. Koorstukken: koralen
5. Instrumentale stukken

3 soorten opera’s
1. Opera seria (serieus)
2. Opera buffa (speels)
3. Religieuze opera: oratorium, passie.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.