Hoofdstuk 4, 5 en 9

Beoordeling 8.3
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • Klas onbekend | 1296 woorden
  • 7 juni 2004
  • 8 keer beoordeeld
  • Cijfer 8.3
  • 8 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
M&O
ADVERTENTIE
Studententijd zomerspecial

Heb jij de Zomerspecial van Studententijd de podcast al geluisterd? Joes, Steie, Dienke en Pleun nemen je mee in hun zomer vol festivals, vakanties en liefde. En kijken ook alvast vooruit naar de introductietijd van het nieuwe collegejaar. Luister lekker mee vanaf je strandbedje, de camping of onderweg. 

Luister nu!
HM&O Tentamen 2.

Hfst. 4 De vermogensmarkt.


Vermogensmarkt= geheel van vraag naar en aanbod van geld.
Eerst de aanbieders van geld.

Aanbieders van geld.
• Institutionele beleggers en spaarders.
Instellingen die van nature over veel geld beschikken, zoals pensioenfondsen en levensverzekeringsmaatschappijen.
• Ondernemingen.
Deze hebben geld over en de mensen lenen dit geld van de ondernemingen.
• Overheid.


* Institutionele beleggers.
De institutionele beleggers hebben veel geld, omdat veel mensen sparen voor hun pensioen en telkens een bedrag achter zetten. Dit komt bij die beleggers terecht. Zij kunnen dit dan weer uitlenen, maar als de lener van het geld de leeftijd van bijvoorbeeld 65 jaar heeft bereikt, wordt het geld aan hem uitgekeerd.
Als er een lening wordt gedaan, is dit een onderhandse lening. De geldgever en de –lener staan dan rechtstreeks in contact. Er is geen bank bij.
Voordelen: - er is 1 geldgever> weinig administratiekosten.
- je kunt onderhandelen over de voorwaarden v/d lening.
Nadelen: - je kunt meestal een minder groot bedrag lenen.
- er is geen beursnotering.
Ook zijn er obligatieleningen> grote lening die is opgesplitst in kleinere delen. Bv. Een onderneming wil € 3.000.000,- lenen, dan wordt dit opgesplits in 3000 leningen van elk € 1000,-.
Ook particulieren die geld hebben gespaard, brengen dit naar de bank. Dit geld wordt door de bank dan weer uitgeleend.
Mensen kunnen ook beleggen> zij kopen aandelen van een NV. De dividend>het geld dat je krijgt voor de winst die het bedrijf heeft gemaakt, is dus ook verschillend.

Koerswinst>als de verkoopprijs hoger ligt dan de prijs waar de aandelen voor zijn gekocht.

* Ondernemingen.
Ondernemingen hebben soms tijdelijk veel geld, omdat het niet is opgenomen in het productieproces. Zij kunnen dit dan tijdelijk uitlenen.

* De overheid.
Als de overheid geld over heeft, kunnen ze dit beter uitlenen. Hier krijgen ze namelijk rente over en zo wordt het meer geld dat ze later weer goed kunnen besteden.


Vragers van geld.
• Consumenten.
• Ondernemingen.
• De overheid.

*Consumenten.
Als consumenten geen geld meer hebben, maar toch een investering willen doen, kunnen ze een lening aanvragen. Ze kunnen deze in termijnen weer afbetalen.

*Ondernemingen.
Ondernemingen hebben geld nodig om bv. een bedrijfspand te huren of kopen. De ondernemingen hebben eigen vermogen(aandelenkapitaal) en vreemd vermogen(leningen).

*Overheid.
Als de overheid grote projecten wil doen, moeten ze hiervoor ook geld lenen. Hiervoor sluiten ze meestal obligatieleningen af, omdat die projecten heel lang meegaan.

De vermogensmarkt.

De vermogensmarkt kun je in 2 delen splitsen:
- Geldmarkt> Kort krediet(looptijd korter dan een jaar).
- Kapitaalmarkt> Lang krediet, aandelen(looptijd langer dan een jaar).

Voorbeelden.
Geldmarkt> Leverancierskrediet
Afnemerskrediet.
Kapitaalmarkt> Aandelenkapitaal Hypotecaire lening
Obligatieleningen Onderhandse lening

De geldmarkt.
Rekening-courantkrediet= een schuld van een particulier of onderneming aan een bank.
Leverancierskrediet= de verkoper levert eerst de goederen en later betaalt de koper.
Afnemerskrediet= de koper betaalt eerst en daarna worden de goederen/diensten pas geleverd.

De kapitaalmarkt.
De kapitaalmarkt kun je verdelen in de openbare en onderhandse markt.
• openbare markt.
Dit gebeurt via de effectenbeurs. Elke belegger kan zich hierop inschrijven en een aandeel of obligatie kopen.
• Onderhandse markt.
Er is 1 aanbieder die voor het vermogen zorgt. Het gaat hier vaak om inet zo heel veel geld, omdat 1 aanbieder niet voor heel veel kapitaal kan zorgen.

De effectenbeurs.
Op de effectenbeurs worden aan- en verkooporders van effecten uitgevoerd.


Hfst. 5 Vormen van eigen vermogen en lang vreemd vermogen.

Bij het krijgen van vermogen kun je onderscheidt maken tussen:
1. eigen vermogen.
2. vreemd vermogen op lange termijn.
3. vreemd vermogen op korte termijn.

Het eigen vermogen= het aandelenkapitaal.
Vreemd vermogen op lange termijn=
- hypothecaire lening.
- Obligatielening.
- Onderhandse lening.

Eigen vermogen.
Aandelenkapitaal.
Het aandelenkapitaal is alles wat geinversteerd is in bedrijven.
Een aandeel>het bewijs van deelname in het aandelenkapitaal van een NV.
Nominale waarde> het bedrag dat op het aandeel vermeld staat. Dit wordt gebruikt om het maatschappelijk aandelenkapitaal uit te rekenen en het dividendpercentage.
Koerswaarde> het bedrag dat voor het aandeel moet worden betaald als men het wil kopen.
Dividend> het gedeelte van de winst dat aan de aandeelhouders wordt uitgekeerd.
Maatschappelijk aandelenkapitaal> dit is het totaal bedrag dat men aan aandelenkapitaal denkt nodig te hebben.
Geplaatst aandelenkapitaal> MA- niet uitgegeven aandelen, die nog niet verkocht zijn als aandelen.

Vreemd vermogen op lange termijn.
Hypothecaire lening= een geldlening op onderpand van onroerende goederen(grond en gebouwen).
Deze kun je verdelen in 3 soorten:
1. Lineaire lening.
2. Spaarhypotheek.
3. Annuïteitenhypotheek.

Lineaire lening.
De lening wordt in gelijke termijnen afgelost.
Voordelen: - de interestkosten worden snel lager.
- de schuld wordt steeds kleiner.
Nadelen: - Het belastingvoordeel neemt ook snel af.

Spaarhypotheek.
Er wordt niet afgelost, maar er wordt een spaarpremie betaalt.
Voordelen: - De maandlasten blijven even hoog.
- Over de interest hoef je geen belasting te betalen.
Nadelen: - Hoge interest, je betaalt namelijk steeds over het totaal geleende bedrag.



Annuïteitenhypotheek.
Er wordt periodiek hetzelfde bedrag betaalt. Dit is de annuïteit. De aflossing wordt telkens meer en de interest minder, maar de annuïteit blijft gelijk.

Obligatielening= een geldlening die in kleien bedragen is opgesplitst.
Een obligatielening kan op verschillende manieren worden afgelost:
1. In 1x aan het einde van de looptijd van de lening.
2. Elk jaar een gedeelte, dit door uitloting.
3. Het inkopen van eigen obligaties.

Verschillen tussen aandelen en obligaties.
Aandelen Obligaties

Bewijs van mede-eigendom van een NV/BV Schuldbewijs van NV/BV
Deel van eigen vermogen
Deel van het vreemd vermogen
Risico bij slecht resultaten
Minder risico
Koers onstabiel, afhankelijk van de winstverwachting Koers stabiel, afhankelijk van rentestand
Dividend als beloning, afhankelijk van hoe hoog de winst is Vast interestpercentage

Onderhandse lening= een lening die op lange termijn door 1 geldgever wordt verstrekt.
Voordelen voor geldgever en –nemer.
- Er kan worden onderhandeld over de leningsvoorwaarden.
- Geen emissiekoersen.
- Lagere administratiekosten.

Leasing= het huren van bedrijfsuitrusting ipv kopen.
Operational leasing.
Het risico van veroudering is voor de verhuurder.
De lease-overeenkomst kan tussentijds worden opgezegd.
Het onderhoud en verzekering is voor de verhuurder.
De huurprijs is vaak wel hoog.

Financial leasing.
De huuroverheenkomst kan niet worden opgezegd.
Risico van de ec veroudering is voor de huurder.
Lease termijn is vaak lang,
Onderhoudskosten en verzekering zijn voor de huurder.
De huurprijs is vaak lager.

Sale and lease back= eerst verkoop je iets aan een leasemaatschappij(sale) en direct daarna lease je het weer van die maatschappij(lease back).


Hfst. 9 De balans en reslutatenrekening van een onderneming.

Balans= een overzicht van de bezittingen, schulden en het eigen vermogen van een onderneming op een bepaald moment.
Het totaalbedrag van de linkerkant moet gelijk zijn aan het totaalbedrag aan de andere kant, anders is er een tekort of een overschot.

Kapitaalgoederen= bezittingen van een onderneming en het geld dat ze nog van andere mensen krijgen, worden ook wel activa genoemd. Deze staan aan de debetzijde(links) van de balans.

Aan de creditzijde(rechts) staat het eigen vermogen en het vreemd vermogen(schulden v/d onderneming). Aan de credit zijde staat dus hoe de onderneming aan het geld is gekomen.

Balans
Debet Momentopname Credit
Activa>bezittingen Passiva> schulden
Vaste activa
Auto, gebouw Eigen vermogen
Geld wat je hebt ingestoken
Vlottende activa
Debiteuren. Vreemd vermogen
- Lang> hypothecaire lening
Liquide middelen
Kas, bankrekening - Kort> Crediteuren

Debet zijde.
Inventaris= hulpmiddelen in de onderneming, zoals meubilair, kassa’s.
Debiteuren= klanten die hun gekochte goederen nog niet hebben betaalt.
Liquide middelen=
Kas=

Credit zijde.
Eigen vermogen= wat je zelf in de onderneming hebt gestoken.
Hypothecaire lening= jaarlijks moet er een bedrag betaalt worden over het onderpand van het gebouw.
Te betalen belastingen= er moet belasting worden betaald over het gebouw.
Te betalen interest=
Crediteuren= leveranciers waaraan nog geld moet worden betaald over de al geleverde goederen.

De balans moet altijd in evenwicht zijn.
Vaste activa= producten die langer dan 1 productieproces mee gaan.
Vlottende activa= gaan maar 1 productieproces mee en kun je in geld omzetten.
Liquide middelen= middelen waarmee kan worden betaald.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.