De NPO is bezig met een nieuwe interactieve videoserie voor scholieren, over persoonlijke dilemma's. Om de serie zo herkenbaar mogelijk te maken, hebben ze jouw hulp nodig. Ben je tussen de 15-18 jaar en wil jij meedenken? Vul de vragenlijst in (5 a 10 minuutjes) en maak kans op een Bol.com bon van 10 euro.

 


Meedoen


Samenvatting M&O Percent VWO H23 t/m H26

H23 De Balans

23.1 De Balans

Bij een inventarislijst geef je aan wat de geschatte nieuwwaarde van alle bezittingen zijn.

Een balans is een overzicht van bezittingen, schulden en eigen vermogen op een bepaald tijdstip. Het is een momentopname. O peen balans staan alleen voorraadgrootheden. Dat zijn grootheden zoals handelsvoorraden, kasgelden en banksaldi. Je kunt ook schulden aan leveranciers en andere geldschieters en de vorderingen op afnemers als een begrip zien.

De linkerzijde noemen we de debetzijde en de rechterkant de creditzijde. Aan de linkerkant staan de bezittingen van de organisatie, ook wel activa genoemd. Aan de rechterkant staan de schulden en het eigen vermogen gemeld, die noemen we de passiva. Verder is de balans altijd in evenwicht à aan de debetzijde staan alle bezittingen of eigendommen vd organisatie opgesomd voor een bepaalde waardering. Ad creditzijde staat vermeld hoe de organisatie die bezittingen heeft gefinancierd. Voor het grootste deel heeft ze daar geld voor moeten lenen: kort of lang lopende schulden. Ook heeft de organisatie en eigen vermogen. Dit is het totaal van de bezittingen (totale activa) – totaal van de schulden (kort- en lang lopend).

23.2 De diverse balansposten: de debetzijde

Vaste activa

Dit zijnd e bezittingen waar de organisatie langer dan een jaar de beschikking over heeft. Grond gaat als enige eeuwenlang mee. De rest wordt in de loop van de jaren minder waard. De afschrijving is de jaarlijkse afwaardering op de waarde van de vaste activa. Dit noemen we ook wel de kosten.

Immateriële vaste activa

Hiertoe behoren de niet ‘grijpbare’ bezittingen als octrooien, licenties, concessies en goodwill.

  • Een octrooi is het recht dat de uitvinder of ontwikkelaar van een nieuwe techniek of procedé heeft om gedurende een bepaalde periode als enige die techniek te mogen toepassen.
  • Sommige octrooihouders verstrekken een licentie. Dan menen de octrooihouders hun octrooi nog beter te kunnen uitbaten als ze andere producenten het recht verlenen tegen betaling van hun octrooi gebruik te maken. Voor beide partijen is dit een waarde. De octrooihouder weet zich id toekomst verzekerd van inkomsten uit de verstrekte licentie, omdat de licentiehouder hem een bepaalde afdracht verschuldigd is. Voor de licentiehouder heeft de licentie ook waarde, omdat die id komende jaren bijdraagt ad verkoop.
  • Concessies verleent bv. de overheid als ze en oliemaatschappij het recht geeft om aardgas of aardolie te winnen. De oliemaatschappij moet dan de overheid voor lek gewonnen vat olie of kubieke meter aardgas een afdracht betalen.
  • Goodwill ontstaat als een onderneming een andere onderneming opkoopt en daar meer voor betaalt dan de balanswaarde. Dit doet men als de overgenomen organisatie nog zeer goede winstverwachtingen heeft. De overnemer moet dan betalen voor de winstcapaciteit die in de overgenomen onderneming aanwezig is.

 

De immateriële activa zijn omstreden, omdat hun waarde moeilijk objectief is vast te stellen. Ze dragen in de toekomst niet zoveel bij ah ondernemingsresultaat als aanvankelijk werd gedacht. Bv. bij de kosten van onderzoek en ontwikkeling.

Materiële activa

Deze activa kunnen we aanpakken of zien, zoals terreinen, gebouwen, transportmiddelen, machines, computers, kantoorinrichting.

Financiële vaste activa

Dit zijn onder andere deelnemingen in andere bedrijven. Van een deelneming is sprake wanneer een onderneming een langlopend kapitaalbelang heeft in een andere onderneming met het doel met die andere onderneming samen te werken. Al s het oogmerk van samenwerking niet aanwezig is, dan noemen we zo’n kapitaalbelang in een andere onderneming een belegging. Boven een kapitaaldeelname van 20% is er sprake van een deelneming. Onder deze grens is het een belegging. Van een moeder-/dochter maatschappij is sprake als een onderneming zo groot kapitaalbelang heeft in een andere onderneming dat ze die feitelijk geheel kan beheersen. Als ze aan de voorwaarden van interne samenhang, samenwerking en afhankelijkheid voldoet, dan is er sprake van een economische eenheid. Deze ondernemingen vormen dan samen een groepsmaatschappij. Als je een concern bent dat bestaat uit een aantal groepsmaatschappijen moet je een geconsolideerde jaarrekening opstellen. Het geeft dan een totaalbeeld vh gehele concern.

Vlottende activa

De vlottende activa bestaan uit bezittingen die korter dan een jaar binnen de organisatie aanwezig zullen zijn. Binnen een jaar zijn ze verkocht, versleten of gebruikt of verbruikt ih productieproces.

Voorraden

Voorraden zijn onder meer handelsvoorraden, voorraden grond- en hulpstoffen, voorraden eindproducten, voorraden halffabricaten en onderhanden werk.

Een handelsvoorraad is aanwezig in handelsondernemingen. Alle vormen van detailhandel en groothandel zijn handelsondernemingen, die kopen goederen in en verkopen die weer zonder die goederen een noemenswaardige bewerking te geven. De handelsvoorraad is de werkvoorraad waaruit de onderneming haar afnemers bediend.

Industriële ondernemingen vervaardigen producten. Deze beginnen het productieproces met grondstoffen. Verder verbruiken hulpstoffen bij het produceren, bv. brandstof. Ze maken geen deel uit van het eindproduct. Halffabricaten zijn producten die nog niet af zijn. Eindproducten noemt men ook wel voorraden gereed product.

Op het moment dat een balans vaker wordt opgemaakt, hebben ondernemingen hun producten nog niet af. Er zijn nog kosten die nog in rekening moeten worden gebracht en er moet ook nog een verkoopopbrengst komen. Men telt deze kosten samen in de post ‘onderhanden werk’. Ze worden dan geactiveerd.

Vorderingen en overlopende activa

In het handelsverkeer tussen handelaren en producenten koopt men op rekening. Betalingstermijnen variëren van tien dagen tot één of twee maanden. Zolang de afnemer nog niet heeft betaald, heeft de leverancier een vordering op hem. Dit is een bezitting en dat noemen we debiteuren.

Overlopende activa ontstaan door het vooruit betalen of ontvangen van kosten of opbrengsten. We noemen dit ook wel Transitorische activa. Dit is een bezit.

Effecten

Tot de effecten behoren waardepapieren als aandelen en obligaties. We rekenen het bezit van effecten alleen tot de vlottende activa als ze dien als tijdelijke belegging van overtollige liquiditeit. Als de onderneming effecten aanhoudt uit het oogpunt van een belegging of als deelneming dat moeten ze verantwoord worden onder de financiële vaste activa.

 

Liquide middelen

De liquide middelen bestaan uit de aanwezige kasgelden en de positieve bank- en girosaldi. Negatieve bank- en girosaldi zijn schulden en die vinden bij de creditzijde.

23.3 De diverse balansposten: de creditzijde.

Aan de credit of passivazijde van de balans vinden we het eigen vermogen en de schulden vd organisatie.

Eigen vermogen

Het eigen vermogen van een onderneming geeft het financiële bedrag weer dat de eigenaars van een onderneming. Bij een eenmanszaak is het eigen vermogen ook eigendom en in een v.o.f. is het eigen vermogen het bezit vd gezamenlijke vennoten. Bij NV en BV valt het eigen vermogen toe ad gezamenlijke aandeelhouders.

Het eigen vermogen bestaat uit:

  • het statutair aandelenkapitaal
  • aandelen in portefeuille
  • geplaatst aandelenkapitaal
  • nog te storten door aandeelhouders
  • gestort aandeelkapitaal
  • agioreserve
  • herwaarderingsreserve
  • overige reserves
  • onverdeelde winst

Statutair aandelenkapitaal

De oprichting van een NV en Bv gebeurt bij notariële akte. Een deel daarvan is de statuten. In de statuten staat onder meer het volgende vermeld m.b.t. het statutaire kapitaal of vermogen.

  • de grootte vh maatschappelijk kapitaal: dit is het maximale aandelenvermogen dat kan worden uitgegeven.
  • Het aantal aandelen van d nominale waarde per aandeel.
  • De regels aangaande het stemrecht vd aandeelhouders.
  • De regels m.b.t. de winstverdeling.

Veel NV’s verstrekken hun aandeelhouders een schriftelijk bewijs van hun aandeelhouderschap; het aandeel. Dit heeft een bepaalde nominale waarde. Dat is het bedrag die op het aandeel staat vermeld.

Emissie

Voor het aantrekken van EV is het nodig een aantal aandelen te plaatsen bij beleggers. Er zijn ook beleggers die hun geld ih bedrijf willen steken. Banken bemiddelen bij het realiseren van zo’n emissie.

Nog te storten door aandeelhouders

Soms komt het voor, dat bij een aandelenemissie de aandeelhouders slechts een deel vd emissieprijs in één keer moeten storten. Ze hebben nog niet de behoefte om alles te storten. Het dividend (de winstuitkering) wordt betaald over het gestorte bedrag. Het niet volstorten van aandelen komt ook voor bij verzekeringsmaatschappijen. De niet-volgestorte aandelen fungeren zo als een garantievermogen.

Reserves

Een reserve is het bedrag waarmee het Ev het geplaatste aandelenvermogen overtreft.

Het geplaatste aandeelvermogen is opgebracht door de aandeelhouders. Reserves ontstaan door:

  • plaatsing van aandelen met een agio
  • winstinhouding
  • waardestijging van activa

Plaatsing van aandelen met agio

Het is mogelijk dat nieuwe aandelen worden geëmitteerd tegen een hogere waarde dan de nominale waarde. Deze opslag op de nominale waarde is het agio. Of de nieuwe aandeelhouders bereid zijn zo’n hoge prijs te betalen, hangt af vd verwachtingen die er bestaan over de toekomstige ontwikkelingen vd onderneming. Het agio is het positieve verschil tussen de emissiekoers en de nominale waarde van de aandelen.

Het totale agio dat de onderneming bij een emissie ontvangt, komt tot uiting in het Agioreserve.

Winstinhouding

Dat deel van de winst waarop derden geen aanspraak hebben, komt toe ad vennootschap. Een deel van deze winst, het dividend, wordt uitgekeerd ad aandeelhouders. De resrt wordt toegevoegd ah EV als reserve.

Enkele redenen waarom bedrijven het EV via winstinhouding versterken zijn:

  • geleidelijke vergroting vh EV i.v.b. de uitbreiding vh bedrijf; investeringen kunnen dan gefinancierd worden met EV (zelffinanciering)
  • dividendstabilisatie: de vette jaren gereserveerde winst kan in magere jaren worden gebruikt om de dividendbetaling in stand te houden. Voor dit doel wordt een afzonderlijke reserve gevormd: de dividendreserve.

De reserves zijn ook nog op een andere manier in te delen. De vraag is daarbij of zo’n reserve verplicht is en wie zo’n verplichting heeft opgelegd.

  1. de wettelijke reserves.

De wet noemt de gevallen waarin zo’n reserve moet bestaan. De herwaarderingsreserve is daar een belangrijk vb. van.

  1. statutaire reserves.

De statuten kunnen voorschrijven dat de BV/NV zich voor bepaald doeleinden reserve aan moet houden. Ze mogen alleen voor een bepaald doel worden gebruikt.

  1. overige of vrije reserves

Dit zijn alle overige reserves die niet als wettelijke of statutaire reserves zijn aangemerkt.

Voorzieningen

Een voorziening is een geschatte toekomstige verplichting.

Vb. zijn:

  • pensionverplichtingen t.o.v. het personeel
  • belastingvoorziening (voor verwachte belastingaanslagen)
  • garantieverplichtingen i.v.m. verkochte goederen
  • periodiek onderhoud vd gebouwen

Het principe van een voorziening: men voorziet id toekomst voor bepaalde lasten gesteld te worden (pensioenbetaling, belastingen) die mede hun oorzaak vinden id huidige bedrijfsactiviteiten. Men vindt het dan iet redelijk de totale last te verantwoorden ih exploitatiejaar waarin de uitgave plaatsvindt. Ieder jaar wordt een stukje vd totale kosten reedt t.l.v. het resultaat gebracht en gespaard id voorziening.

 

Het aanvullen van (doteren aan) en het ontrekken aan een voorziening biedt de ondernemingsleiding de mogelijkheid te schuiven met kosten. Men krijgt dan een vertekend beeld.

Langlopende schulden

Dit zijn schulden met een resterende looptijd van meer dan een jaar. De aflossingsverplichting voor het komend jaar wordt steeds overgeheveld naar de schulden op korte termijn. Vb. obligatieleningen, hypothecaire lening voor opgenomen geld en onderhandse geldleningen.

Kortlopende schulden en overlopende (Transitorische) passiva.

Hieronder vallen handelscrediteuren, nog te betalen bedragen, vooruitontvangen bedragen end e aflossing van langlopende schulden voor zover die ih komende jaar gaan plaatsvinden. De nog te betalen en de vooruitontvangen bedragen noemen we ook wel de overlopende of Transitorische passiva.

Accountantsverklaring

De wet verplicht grote en middelgrote ondernemingen de jaarrekening door een accountant te laten controleren. Alleen waanneer de accountant van mening is dat de jaarrekening ad wettelijke eisen voldoet, geeft hij een goedkeurende verklaring af. Een accountantsverklaring zegt uitsluitend iets over de deugdelijkheid vd cijfermatige opstellingen.

23.4 Waardering van activa

De waardering vd bezittingen (activa) zijn in eerste instantie van grote invloed op het EV van een onderneming. Een afwaardering doet het EV dalen en een opwaardering stijgen. Licenties en goodwill zijn moeilijk te waarderen en andere bezittingen met waarderingsproblemen zijn materiële vaste activa en voorraden. Liquide middelen leveren over het algemeen geen waarderingsproblemen of het zou moeten zijn als de onderneming vreemde valuta bezit. De vorderingen op debiteuren kunnen wel een punt van discussie zijn. Het is nog onzeker of ze wel geïnd kunnen worden. Bij het opmaken vd balans moet men eigenlijke afwaarderingen tot het bedrag dat vermoedelijk wel nog te innen is. Het bedrag vd afwaardering is een verlies.

23.5 De waardering van materiële vaste activa

Afschrijvingen

Waardedalingen brengen we id boekhouding tot uiting door een jaarlijkse afschrijving of afwaardering op die vaste activa toe te passen.

De jaarlijkse afschrijving

Voor de bepaling vh jaarlijkse afschrijvingsbedrag moeten we antwoord hebben op de volgende vragen:

  1. hoe lang is de levensduur vd bezitting?
  2. wat is de restwaarde ah eind vd levensduur?
  3. Welke afschrijvingsmethode wil men gebruiken?

De levensduur

De technische levensduur is de periode dat de bezitting in staat is zijn prestatie te leveren al dan niet dankzij regelmatig onderhoud en het uitvoeren van reparaties. De technische levensduur is beëindigd als de bezitting is versleten.

De economische levensduur is de periode waarin het productiemiddel winstgevend gebruikt kan worden. De economische levensduur kan echter wel voltooid zijn als blijkt dat de reparatiekosten niet kan opwegen tegen de waarde vd prestaties die de machine na de reparatie kan leveren. De economische levensduur kan alleen maar geschat worden.

De restwaarde

Dit is de waarde die het productiemiddel nog heeft als de economische levensduur is voltooid. Soms is de restwaarde nul en soms is er nog een inruilwaarde of dat een andere organisatie nog wel iets wilt betalen. Bij onroerende goederen (gebouwen) en machines is er soms een negatieve restwaarde. De onderneming moet dan nog kosten maken voor het slopen of afvoeren. De restwaarde is bij de aanschaf ook schatten.

De afschrijvingsmethode

Er bestaan diverse rekenkundige methoden om het jaarlijkse afschrijvingsbedrag te bepalen.

Lineaire afschrijving

Hier schrijven we een jaarlijkse vast bedrag af totdat de beoogde restwaarde is bereikt.

Jaarlijkse afschrijving = (aanschafwaarde – restwaarde) / levensduur

= a-r/n

De waarde waarvoor het bedrijfsmiddel op een bepaald moment nog id boeken staat is de boekwaarde van dat moment.

Afschrijving met een vast percentage vd boekwaarde.

De afschrijving van een bepaald jaar te berekenen als een percentage vd laatst bekende boekwaarde. Vb. 20% van 73500, 20% van 58800 enz. De jaarlijkse afschrijving daalt en dat is een voordeel.

Voor materiële vaste activa komen de volgende waarderingsmogelijkheden in aanmerking:

  1. waardering naar verkrijgings- of vervaardigingswaarde;
  2. waardering naar actuele waarde.

1. De waardering naar verkrijgings- of waardigingswaarde.

Indien de onderneming kiest voor deze waarderingsgrondslag zal de betreffende bezitting op het moment van aanschaf id boeken worden opgenomen voor het bedrag dat ervoor is uitgegeven. De balanswaardering zal vervolgens jaarlijks dalen als gevolg vd toegepaste afschrijvingen.

  1. De waardering naar actuele waarde

Als bezwaar tegen de vorige waarderingsgrondslag wordt wel aangevoerd dat deze geen rekening houdt met de mogelijkheid dat de marktwaarde van een bepaald productiemiddel id loop vd tijd stijgt. Dit bezwaar wordt vooral voelbaar als de onderneming de afschrijvingsbedragen jaarlijks toevoegt aan een vervangingsreserve. Men meent dan op die manier een spaarpot te vormen van waaruit men t.z.t. het productiemiddel kan vervangen. Mar als gedurende de gebruiksduur de verkrijgingwaarde is gestegen zal de vervangingsreserve onvoldoende middelen bevatten. Dit bezwaar is te ondervangen door te waarderen naar actuele waarde.

Een tweede bezwaar heft betrekking op de berekenende kostprijs. Als in Dei berekening het afschrijvingsbedrag wordt meegenomen dat is gebaseerd op de verkrijgingswaarde, becijfert de onderneming economisch gezien een te lage kostprijs. Door te weinig kosten door te bereken, kan de onderneming haar voortbestaan in gevaar brengen omdat ze de verbruikte middelen niet kan heraanschaffen.

De minimumwaarderingsregel

Het goed koopmansgebruik is dat ondernemers de nodige voorzichtigheid in acht moeten nemen bij hun balanswaarderingen en resultaatberekeningen. Winsten mogen pas in de boeken tot uiting komen als ze ook werkelijk gerealiseerd zijn. Verliezen en nadelen moeten direct worden geboekt. Dit noemt men ook wel een minimumwaarderingsregel. Deze regel schrijft voor dat activa worden gewaardeerd tegen de laagste vd volgende waarden: historische aanschafwaarde of directe opbrengstwaarde (marktwaarde).

23.6 De waardering van voorraden onderhanden werk en voorraden gereed product

Alle bezittingen moeten worden vermeld op de balans die op de balansdatum aanwezig zijn. Dus ook de voorraden onderhanden werken en de voorraden gerede producten. De waardering van deze voorraden geschiedt op basis vd kosten die donderneming voor die producten heeft gemaakt. Bv. door de standaard fabricagekostprijs bij massaproductie.

Een onderneming die geen massaproduct voorbrengt, maar stukproductie levert, heeft het wat lastiger, omdat er geen standaardkostprijs is. Toch zal de onderneming die kostprijs kennen en anders is die te benaderen door de verkoopprijs te verlagen met de berekende winstopslag.

Dienstverleners kunnen ook te maken krijgen met het waarderen van onderhanden werk. Bv. advocaten en bedrijfsadviseurs zijn vaak maanden bezig me een bepaalde opdracht. Vaak wordt er dan tussentijds ad opdrachtgever voorschotfacturen in rekening gebracht. Anders zal dienstverlener een goed mogelijke schatting moeten maken van deze kosten en voor dat bedrag de opdracht als onderhanden werk op de balans zetten. Dienstverleners noteren de werkuren die ze per opdracht besteden.

23.7 de waardering van handelsvoorraden en grondstoffenvoorraden.

Met betrekking tot de waardering van handelsvoorraden en grondstoffenvoorraden bestaan diverse methoden. We behandelen:

  • de twee methoden die gebaseerd zijn op de historische aanschafwaarde: fifo en lifo
  • het vervangingswaardestelsel

Historische aanschafwaarde

Bij grote voorraden waaraan regelmatig inkopen worden toegevoegd en verkopen ontrokken, is het moeilijk de historische aanschafwaarde per voorraadelement vast te houden. Vb. in de industrie met betrekking tot de grondstoffenvoorraad.

In dit soort gevallen heeft de ondernemer de keus uit twee methoden om toch tot een waardering van zijn voorraad te komen:

  • de fifo-methode (First-in-first-out)
  • de lifo-methode (last-in-first-out)

De fifo-methode

Hier gaat men er bij de waardering vd aanwezige voorraad vanuit, dat de eerst ingekochte partij ook het eerst wordt verkocht. Dit is dus een veronderstelling binnen deze rekenmethode, die niet in overeenstemming hoeft te zijn met de werkelijke gang van zaken ih bedrijf.

De lifo-methode

Deze methode gaat er bij de berekening van de waarde vd voorraad vanuit, dat de laatst ingekocht partij het eerst wordt verkocht.

Vergelijking fifo en lifo

In het geval van dalende prijzen geeft de fifo-methode en lagere waarde vd eindvoorraad dan bij toepassing vd lifo-methode. Dat komt doordat bij fifo de eindvoorraad uit de laatst ingekochte partijen bestaat en die zijn bij dalende prijzen het laagst in waarde.

De vervangingswaarde

De systematiek vd vervangingswaarde vereist dat een bezit op de balansdatum wordt gewaardeerd tegen de actuele vervangingswaarde. Als deze boven de historische aanschafprijs ligt, vindt een opwaardering plaats. Het bedrag waarmee wordt opgewaardeerd vinden we ad creditzijde terug als Herwaarderingsreserve. Afwaarderingen gaan vd herwaarderingsreserve af en als die uitgeput is komen volgende afwaarderingen t.l.v. het resultaat.

 

De minimumwaarderingsregel

De minimumwaarderingsregel kent ook toepassing bij het waarderen van voorraden.

Een geconsolideerde balans is een balans waar alle balansen van die werkmaatschappijen samengenomen. Deze balans id dus de concernbalans.

In de balans derden vinden we terug dat er andere ondernemingen een substantieel belang hebben in de onderneming.

Hoofdstuk 24: De resultatenrekening

Het verschil in balansen komt vooral tot uiting in detaillering en specificaties van de verschillende balansposten. Er zijn doelgroepen voor wie de resultatenrekening wordt opgesteld: intern en extern. En er is een verschil of we temaken hebben met een industriële of een handelsonderneming.

Een resultatenrekening bevat stroomgrootheden. Zij doet verslag vd omvang van bepaalde geldstromen die gedurende een zekere periode door de organisatie zijn gegaan. Het gaat om de kosten en de opbrengsten. Een balans bevat voorraadgrootheden en geven weer hoe groot de bezittingen en schulden op dat moment zijn. Een balans geven we in een datum weer en een resultatenrekening over een periode.

Er is een duidelijke relatie tussen balans en resultatenrekening. Als de balans per 1 jan de beginvoorraden van bezittingen en schulden aangeeft en de balans per 31 dec de eindvoorraden, dan vinden we de verklaring voor de opgetreden veranderingen grotendeels terug id resultatenrekening.

24.1 de externe resultatenrekening van een handelsonderneming.

Een handelsonderneming verkrijgt haar opbrengsten uit de verkoop van goederen: de omzet. De goederen moeten ook worden ingekocht. Het verschil tussen de omzet en de inkoopwaarde vd verkochte goederen noemen we de brutowinst. Na aftrek van alle kosten resteert de nettowinst.

De netto-omzet is de totale verkoopopbrengst excl. BTW verminderd met verleende kortingen en verminderd met eventuele lekkages. De kortingen zijn bedoeld om de afzet te bevorderen. Ze verlagen de omzet. Lekkages zijn bederf, beschadiging, winkeldiefstal, uit de mode enz. er is dan een lagere verkoopopbrengst dan verwacht.

De inkoopwaarde van de omzet vinden we door de inkoopprijs te nemen van de producten.

Bij bulkgoederen als granen, oliën, kolen, zand, grint e.d. wordt de lifo en fifo methoden toegepast. Dit komt omdat ze in grote hoev wordt ingeslagen, waarbij de aard vd goederen vaak een menging plaatsvindt. Toepassing daarvan maakt het ook mogelijk om de inkoopwaarde en de brutowinst of het bruto-omzetresultaat van een verkoop vast te stellen.

De fifo-methode

First in First out à eerst ingekocht, eerste verkocht.

Lifo-methode

Last in, First out à laatst ingekocht, eerst verkocht.

Vergelijking

Fifo heeft een lagere brutowinst dan lifo à alleen bij dalende inkoopprijzen

Verkoopkosten en algemene beheerkosten

Verkoopkosten zijn een belangrijke kostenpost. Ze zijn er om de verkoop te stimuleren: reclamekosten, personeelskosten vd verkopers, kosten verkoopafdeling.

Algemene beheerkosten zijn alle overige bedrijfskosten: kosten vh management, administratiekosten, magazijn- en opslagkosten, vervoerskosten en afschrijvingen.

 

Overige bedrijfsopbrengsten

Dit is een soort restpost à beleggingen.

Rentebaten en rentelasten

Ondernemingen betalen rente over opgenomen leningen en verdienen rente als ze in staat zijn overtollige financiële middelen rentedragend te beleggen.

Vennootschapsbelasting

Die betalen elke BV en NV in NL over de behaalde winst. Bij een emz of vof betalen de eigenaren over de gerealiseerde winst inkomstenbelasting.

Resultaat uit gewone en buitengewone bedrijfsuitoefening

Een resultaat uit gewone bedrijfsuitoefening ontstaat doordat de onderneming datgene doet waarvoor ze is opgericht. Het resultaat dat buiten het doel valt is het resultaat uit de gewone buitengewone winst. à bv. verhuizing van winkel à winst op pand.

Gemiddelde winst per aandeel is een eenvoudige maatstaf om enig inzicht te krijgen id mate van winstgevendheid vd onderneming.

Cash flow

Is het nettoresultaat minus winstbelasting plus afschrijvingen. De operationele cash flow is de kasstroom die id afgelopen periode per saldo de onderneming is binnengevloeid als gevolg van de bedrijfsactiviteiten. Het belang vd cash flow is dat het aangeeft hoeveel kasmiddelen de onderneming id afgelopen periode ter beschikking heeft gekregen om nieuwe investeringen te financieren en om bv. opgenomen leningen af te lossen.

24.2 De externe resultatenrekening van een industriële onderneming

De resultatenrekening van een industriële onderneming kent een iets andere opbouw dan die van de handelsonderneming. Het heeft ook te maken met in- en verkopen, maar de industriële onderneming bewerkt de ingekochte goederen tot nieuwe producten die ze vervolgens verkoopt.

De netto-omzet is de opbrengst vd uitgevoerde bouwopdrachten excl. BTW en na aftrek van eventueel verleende kortingen.

Onderhanden werk rekent met tot de bedrijfsopbrengsten van deze periode. Hier zijn al kosten voor gemaakt, maar de opdrachtgevers betalen pas de volgende periode.

Externe kosten zijn werkzaamheden die men laat verrichten door onderaannemers en andere toeleveranciers.

Operationeel resultaat is ook wel EBIT à Earnings before interest and taxes. Dit is het resultaat dat men heeft geboekt uit normale werkzaamheden.

H25

25.1 De interne resultatenrekening van een handelsonderneming

Een handelsonderneming maakt een voorcalculatie in het begin vd periode. Aan het eind vd periode wil de ondernemingsleiding weten hoe de werkelijkheid zich heeft ontwikkeld en hoe zich dat verhoudt tot de plannen die waren begrepen id voorcalculatie.

Gerealiseerde brutowinst

Na afloop van een periode wordt een nacalculatie gemaakt: hoeveel is er werkelijk afgezet, wat was de feitelijke verkoopprijs en wat was de werkelijk betaalde inkoopprijs. De cijfers moeten juist zijn.

Gerealiseerde nettowinst bij gebruik van een brutowinstopslag

Brutowinst – bedrijfskosten = nettowinst. Met betrekking tot bedrijfskosten kunnen we onderscheid maken tussen de voorcalculatie (verwachte kosten) en de nacalculatie (de werkelijke kosten).

De gerealiseerde inkoopkosten kunnen afwijken vd verwachte. Bij structurele oorzaken, moet voor de nieuwe periode de voorcalculatie worden gebaseerd op de nieuwe gegevens. Bij incidentele oorzaken hoeft dat niet.

De overheadkosten kunnen verwachtingen en realisatie ook van elkaar afwijken. De algemene kosten en verkoopkosten bijv. door stijging Cao-lonen, ziekte.

Interestopbrengsten

De rentestand op leningen en beleggingen is afhankelijk vd ontwikkelingen op de geld- en kapitaalmarkt. Dit is slecht te voorspellen, omdat veel factoren erop van invloed zijn.

Gerealiseerde nettowinst bij gebruik van een nettowinstopslag

In de nacalculatie zetten we de werkelijk behaalde opbrengsten en de werkelijk gemaakte kosten tegenover elkaar. Vervolgens wil de ondernemer een verklaring krijgen voor het verschil tussen de verwachte en werkelijke kosten. De verwachte (toegestane) kosten zijn de inkoopkosten en de overige bedrijfskosten (verkoop en algemene kosten).

De bedrijfsleiding verwacht bij een bepaalde afzet een bijbehorend bedrag aan inkoop- en overheadkosten. Ze hebben op basis vd verwachte afzet/inkopen een bepaald budget tot hun beschikking (de toegestane kosten). Door de werkelijke kosten te vergelijken met de toegestane kosten kan de bedrijfsleiding de ondergeschikten controleren.

De verschillen tussen de toegestane kosten en de werkelijke kosten noemen we het gerealiseerd budgetresultaat.

Wanneer de toegestane kosten hoger zijn dan de werkelijke kosten, spreken we van een voordelig resultaat. Wanneer de toegestane kosten lager zijn dan de werkelijke kosten, spreken we van een nadelig resultaat.

25.2 De interne resultatenrekening van een industriële onderneming

De wijze waarop industriële ondernemingen intern rapporteren over hun resultaten hangt sterk af vh type onderneg. Ze kunnen stukproductie en massaproductie maken.

Stukproductie

Stukproductie is de productie waarbij een bedrijf zijn product afstemt op de wensen vd individuele afnemers. Elk product is anders en vraag een eigen planning en kostencalculatie. De nacalculatie verloopt steeds per order en niet per periode.

De voorcalculatie geeft aan hoeveel de verschillende kosten mogen bedragen. Dit is het beschikbare budget. Er is een budget voor de directe en indirecte kosten. Het verschil tussen de werkelijke uitgaven end e toegestane uitgaven noemen we het budgetresultaat.

Homogene massaproductie

Massaproductie is de productie die niet gericht is op de specifieke wensen vd individuele afnemers, maar op de min of meer gestandaardiseerde wensen vd totale markt.

In het intern verslag zal vooral informatie staan over de afwijkingen vd gerealiseerde kosten en opbrengsten t.o.v. de verwachte kosten en opbrengsten. Bij massaproductie gaan de voor- en nacalculatie per periode en niet per order of per stuk.

Het budgetresultaat

Door de voorcalculatie te vergelijken met de nacalculatie vinden we het budgetresultaat. Het budgetresultaat is het verschil tussen de toegestane kosten (het budget) en de werkelijke kosten. Het budgetresultaat kunnen we ook omschrijven als het verschil tussen de standaardkostprijs vd productie (en afzet) en de werkelijke kosten daarvan.

Analyse vh budgetresultaat

Verschillen tussen de voor- en nacalculatie kunnen bestaan uit:

  • hoeveelheidverschillen
  • prijsverschillen
  • bezettingsverschillen

Hoeveelheidverschillen

Ook wel efficiencyverschillen genoemd, zijn de werkelijk gebruikte hoeveelheid grondstoffen en arbeidsuren die niet gelijk zijn ad toegestane hoeveelheid.

De waarde van een efficiencyverschil vinden we op de volgende manier:

Voorcalculatie                        SH x SP

Nacalculatie                           WH x SP

___________________________________

Efficiencyverschil:                  (SH-WH) x SP

- De standaardhoeveelheid en de standaardprijs maken deel uit vd kostprijs en komen daarom voor id voorcalculatie. De werkelijke hoeveelheid vinden we id nacalculatie.

- Wanneer de werkelijke hoeveelheid meer is dan de standaardhoeveelheid is er sprake van een nadelig efficiencyverschil.

- Wanneer de werkelijke hoeveelheid minder is dan de standaardhoeveelheid, is er sprake van een voordelig efficiencyverschil.

Prijsverschillen

Prijsverschillen ontstaand doordat de werkelijk betaalde prijs afwijkt vd verwachte prijs id voorcalculatie. Prijsverschillen kunnen ontstaan door niet-voorziende prijswijzigingen op de grondstoffenmarkten, maar ook door de inzet van te dure arbeidskrachten.

Prijsverschil = (SP-WP) x WH

  • de standaardprijs maakt deel uit vd standaardkostprijs en komt daarom voor in de voorcalculatie; de werkelijke prijs en de werkelijke hoeveelheid spelen een rol in de nacalculatie
  • wanneer de werkelijke prijs hoger is dan de standaardprijs, is er sprake van een nadelig prijsverschil.
  • Wanneer de werkelijke prijs lager is dan de standaardprijs, is er sprake van een voordelig prijsverschil.

Bezettingsverschillen

Nacalculatorische bezettingsverschillen ontstaan, wanneer de werkelijke productie en afzet niet gelijk zijn ad normale productie en afzet. Omdat de ck pas zijn terugverdiend bij de normale productie en afzet, ontstaat een nadelig bezettingsverschil wanneer de werkelijke productie kleiner is dan de normale. Er is een voordelig bezettingsverschil (overbezettingwinst), wanneer de werkelijke productie groter is dan de normale productie.

Nacalculatorisch bezettingsverschil = (WP-NP x (Cs/Np)

Bedrijfsresultaat

Bij een nadelig bezettingsresultaat is de winst lager uitgevallen dan verwacht. De verkoopprijs is gebaseerd op de kostprijs en niet op de werkelijke kosten. De verwachtingen zijn niet uitgekomen.

In bedrijven met homogene massaproductie valt de analyse vh nacalculatorische bedrijfsresultaat (het werkelijk behaalde resultaat) uiteen in twee delen:

  • de wijze waarop het verkoopresultaat tot stand is gekomen;
  • het gerealiseerde budgetresultaat

25.3 de resultatenrekening van een niet-commerciële organisatie

De jaarrekening van een vereniging

Dit een totaaloverzicht van alle inkomsten en uitgaven.

Met het inkomstenboek, het uitgavenboek en de jaarrekening hebben we minder in handen dan we op het eerste oog denken. We missen met name inzicht in

  • het exploitatieresultaat (verschil tussen baten en lasten); hiervoor moeten we een exploitatierekening opstellen;
  • de vermogenspositie (de waarde vd bezittingen waaronder de liquide middelen, de omvang vd schulden en de grootte vh eigen vermogen; daarvoor hebben we een balans nodig.

De Staat van Baten en Lasten

De jaarrekening is geen Exploitatierekening vanwege de volgende punten:

  1. er kunnen inkomsten in het Inkomstenboek staand die geen winst zijn
  2. er kunnen uitgaven in het Uitgavenboek staan die geen kosten zijn
  3. er kunnen winsten zijn die niet tot een ontvangst leiden
  4. er kunnen kosten zijn die niet tot een uitgave leiden

Een exploitatierekening noemen we in verenigingsadministraties ook wel een Staat van Baten en Lasten.

De Staat van Meer en Minder

Het is interessant om de Staat van Baten en Lasten te vergelijken met de Begroting. Zo’n vergelijking geeft onder meer de volgende informatie:

  1. heeft het bestuur zich ad begroting gehouden?
  2. welke consequenties heeft de ervaring voer het afgelopen jaar voor de begroting ih nieuwe jaar?

Het eerste punt is een verantwoordingskwestie en kijkt dus terug naar het verleden. Het bestuur moet zich verantwoorden voor de uitvoering vd begroting. Het tweede punt kijkt naar de toekomst.

Bij elke post kan de penningmeester een toelichting schrijven waarin hij de over- of onderschrijding verklaart. Zo’n toelichting is onderdeel vd verantwoording die de penningmeester en het bestuur afleggen voor hun beleid id afgelopen periode.

De vermogenspositie vd vereniging: de balans

Transitorische posten zijn uitgaven, ontvangsten, vorderingen of schulden die betrekking hebben op twee opeenvolgende boekjaren. Je vindt ze daarom id boekhouding van beide jaren terug.

H26 Kengetallenanalyse

Kerngetallen zijn cijfers en verhoudingsgetallen die kort en kernachtig een bepaalde situatie tot uitdrukking brengen. Deze kengetallen krijgen pas echt betekenis als een ondernemer ze vergelijkt met de waarden ervan uit vorige perioden en met de scores van andere organisaties.

26.1 liquiditeit

De mate van liquiditeit van een onderneming is afhankelijk van de vraag in hoeverre de onderneming in staat is aan haar korte termijn betalingsverplichtingen te voldoen. Hoe ruimer de mogelijkheden vd onderneming wat dit betreft zijn, hoe beter de liquiditeitspositie is.

Er zijn verschillende kengetallen ad hand waarvan we liquiditeit van een onderneming kunnen vaststellen:

  • current ratio
  • de quick ratio
  • de netto-werkkapitaalratio

 

We leiden deze kengetallen af vd balans vd onderneming. We kunnen zowel de gepubliceerde balans als de interne balans gebruiken. Nog beter de liquiditeitsbalans. Hier staan de schulden gegroepeerd naar hun vervaldatum en de bezittingen naar de datum dat ze te gelde gemaakt worden.

Current radio

Dit is de verhouding tussen de vlottende activa (voorraden, vorderingen en liquide middelen) en het kort vreemd vermogen (of kortlopende schulden)

Formule:

Current ratio = vlottende activa / kvv

Een current ratio kleiner dan 1 tot 2 wordt in veel branches als ongunstig beschouwd.

Quick ratio

Door de liquiditeit te beoordelen ad hand vd quick ratio houden we rekening met de omstandigheid, dat de voorraden vaak minder liquide zijn dan debiteuren en liquide middelen. De voorraden moeten nog worden verkocht en dat is soms niet vanzelfsprekend (mode, bederf). Daarom worden bij de quick ratio de voorraden buiten beschouwing gelaten.

Formule

Qr =  vlottende activa – voorraden / kvv

Zolang de quick ratio groter dan 1 is, kan het bedrijf de kortlopende verplichtingen voldoen uit de opende vorderingen en de liquide middelen.

De current ratio en de quick ratio moeten we las maatstaf voor de liquiditeit voorzichtig hanteren, omdat

  • de voorraden snel kunnen verouderen en daardoor veel minder waard blijken te zijn;
  • niet bekend is welke debiteuren uiteindelijk hun verplichting niet zullen nakomen;
  • niet bekend is welke precies de vervaldata zijn van schulden en vorderingen
  • niet bekend is hoe groot de omloopsnelheid vd goederen is
  • er grote verschillen bestaan per branche wat een acceptabele waarde vd ratio is.

Het laatste punt geldt voor alle ratio’s

Nettowerkkapitaalratio

De begrippen nettowerkkapitaal en nettowerkkapitaalratio geven informatie over de structuur vd financiering vd onderneming: in welke mate zijn lang vastgelegde middelen (vaste activa) gefinancierd met vermogen dat voor lange tijd ter beschikking staat (EV en VV op lange termijn). Het zegt ook iets over de liquiditeit van een bedrijf. Hoe groot het nettowerkkapitaal, hoe makkelijker de korte schulden kunnen worden betaald. De vlottende activa noemen we ook wel brutowerkkapitaal.

Het nettowerkkapitaal is dat deel vd vlottende activa dat met lang vreemd vermogen en/of EV is gefinancierd.

2 manieren om dat te bereken:

1. Nettowerkkapitaal = vlottende activa – kvv

1. Nettowerkkapitaal = vlottende activa – kvv

2. Nettowerkkapitaal = EV en lvv – vaste activa

Vanuit liquiditeitsoogpunt is een relatief groot nettowerkkapitaal gunstig: de op kort termijn te betalen verplichtingen zullen zeker kunnen worden voldaan. Wanneer echter rekening wordt gehouden met de kosten vh lvv is het vanuit rentabiliteitsoogpunt wijselijk het nettowerkkapitaal zo klein mogelijk te houden.

De nettowerkkapitaalratio is de verhouding tussen het netto-werkkapitaal en het kort vreemd vermogen.

Wanneer id loop vd tijd de netto-werkkapitaal toeneemt, wijst dit op een verbetering vd liquiditeit.

Netto-werkkapitaalratio = current ratio -1

26.2 Solvabiliteit

Solvabiliteit si de mate waarin een organisatie – desnoods na opheffing – alle schulden (zowel kortlopende als langlopende) kan terugbetalen.

De gegevens zijn o.a. belangrijk om inzicht te krijgen id vraag of de onderneming voldoende nieuw vv kan aantrekken. Bij geringe solvabiliteit lukt dit niet.

Schuldeisers willen niet alleen informatie over de vraag of interest en aflossingen wel op de afgesproken tijdstippen kunnen worden voldaan wanneer een bedrijf leningen afsluit. Ze willen ook weten of de onderneming de schulden terug kan betalen als ze moet liquideren. De vaste activa wordt dan verkocht en de opbrengst gaan naar de fiscus, de onderhandse leningen, schulden aan leveranciers en het bankkrediet. Het overblijvende is bestemd voor de aflossing van achtergestelde leningen en de rest gaat naar de verschaffers van het EV.

Juist bij de liquidatie vd onderneming komt de garantiefunctie vh EV naar voren. De liquidatiewaarde (directe opbrengstwaarde) vd activa is kleiner dan de boekwaarde. Het EV is dus ook kleiner bij liquidatie vd onderneming kleiner dan uit de balans blijkt. Het EV kan ook negatief uitvallen, de schulden kunnen dan niet volledig worden terugbetaald. Bij de beoordeling vd solvabiliteit zouden we daarom eigenlijk moeten uitgaan vd liquidatiewaarde vd onderneming.

Solvabiliteit = totale activa/vreemd vermogen x100%

De ratio geeft aan in welke mate een onderneming met vv is gefinancierd. De onderneming is solvabel als het getal tussen de 150% en de 200% ligt. Bij 150% wil het zeggend at de vaste activa 1,5 x zo groot is als het vv. afhankelijk van de economische situatie en de branche vd onderneming kan deze veiligheidsmarge groot genoeg zijn om een tegenvallende opbrengst bij liquidatie te compenseren.

26.3 Rentabiliteit

In een bedrijf hebben de verschaffers vh vermogen geld belegd. Deze vermogensverschaffers verwachten dat hun belegging een zeker rendement. De hoogte van dit rendement in vergelijking tot andere beleggingsmogelijkheden is een aanwijzig voor het succes vd onderneming.

Rendement = opbrengst belegging / belegging x 100%

Rentabiliteit totaal vermogen

De rentabiliteit vh totale in een onderneming geïnvesteerde vermogen (RTV) is de winst plus de betaalde rente in procenten vh gemiddeld geïnvesteerde totale vermogen.

RTV = winst + interest / gemiddeld totaal vermogen x 100%

Omdat het vermogen id loop van een jaar verandert, wordt uitgegaan vh gemiddelde geïnvesteerde vermogen van dat jaar.

Rentabiliteit eigen vermogen

Voor de verschaffers van eigen vermogen is uitsluiten de winst van belang.

REV = winst/ gemiddeld EV x100%

Hefbomeffect

De hoogte vd winstuitkering ad verschaffers vh eigen vermogen is afhankelijk vh behaalde resultaat. De betaalde interest over het vreemd vermogen is daarentegen niet afhankelijk vh bedrijfsresultaat. Die interest is bij het aangaan vd lening overeengekomen en ligt id regel gedurende de looptijd vd lening vast. Wanneer de onderneming van verscheidene vormen van vreemd vermogen gebruikt maakt, waarbij voor elk een andere interestvergoeding si overeengekomen, zijn de kosten vh vreemd vermogen (IVV = interest vreemd vermogen) op de volgende manier te berekenen:

IVV = betaalde interest / gemiddeld vreemd vermogen x 100%

Het verband tussen de REV, de RTV en de kosten vh vreemd vermogen geven we met de volgende formule weer:

REV = RTV + (RTV – IVV) x VV/EV

Het hefboomeffect is het verschijnsel, dat als de kosten van vreemd vermogen lager zijn dan de rentabiliteit vh totale vermogen, de rentabiliteit vh eigen vermogen groter wordt dan de rentabiliteit vh totale vermogen.

De verhouding VV/Ev wordt de hefboomfactor genoemd.

26.4 Beurskengetallen

Beleggers in aandelen beoordelen het rendement van hun beleggin op verschillende manieren, zoals m.b.v. het dividendrendement en de koers/winstverhouding.

Het dividendrendement is het dividend in procenten van het bedrag waarvoor het aandeel is aangekocht.

Dit betekent automatisch dat dit cijfer bij hetzelfde aandeel voor beleggers verschillend kan zijn, iemand die minder voor een aandeel heeft betaald, heeft bij een zelfde dividenduitkering een hoger dividendrendement dan een belegger die het aandeel tegen een hogere beurskoers heeft aangeschaft.

Een veel belangrijker kengetal is de koers/winstverhouding (k/w). Dit verhoudingsgetal wordt vaak gebruikt bij de beoordeling of een bepaald aandeel al dan niet koopwaardig is. 

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.