ADVERTENTIE

Als ik moet kiezen, dan ga ik het liefst:

M&O samenvatting H21 Intern verslag van commerciële organisaties



§ 21.1 Intern verslag in een eenmanszaak



Intern verslag via resultatenrekening/exploitatierekening



Resultatenrekening: overzicht van kosten en opbrengsten van een bepaalde periode.



Omzet 100

Inkoopwaarde - 15 -

Brutowinst 85

Bedrijfskosten - 65 -

Bedrijfsresultaat 20

Interestopbrengst +/- 5 +

Nettowinst 25



Of





Inkoopwaarde 15 Omzet 100

Bedrijfskosten 65 + Interest 5 +

80

Nettowinst 25 +

105 105



Balans: Overzicht van bezittingen, schulden en eigenvermogen op een bepaald moment.



Debet Balans per 1-10-2003 Credit

Vast activa (lange omlooptijd bv Eigen vermogen

gebouw, grond)

Vlottende Activa (korte omlooptijd bv Vreemdvermogen (hypoth. Lening, lang)

Voorraad)

Liquide middelen (kas, bank) Vreemdvermogen (crediteuren, kort)



Crediteuren: leveranciers die je nog moet betalen i.v.m inkoop.



Debiteuren: moeten jou nog betalen i.v.m verkoop.



Zo ziet een reseultatenrekening eruit:



Resultatenrekening (mei)

Omzet 45.475

Inkoopwaarde omzet 23.200 -

Brutowinst 22.275

Loonkosten 8.200

Afschrijvingen 2.275

Interest 950

Overige kosten 4.975 +

16.400 -

nettowinst 5.875



Aflossing erbuiten laten aflossing is geen uitgave!!!!



§ 21.2 Intern verslag van een NV (naamloze vennootschap)



De gedeeltelijke balans van een Naamloze Vennootschap is anders dan die van een eenmanszaak. Het eigen vermogen is anders, namelijk het eigenbvermogen van een NV is verdeeld in aandelen. (Dit geldt ook voor een BV) We noemen de iegenaars van een BV en NV een aandeelhouder.



Nv: rechtspersoon met aandelen.



Maatschappelijk aandelen kapitaal (ak) statutair 3

Aandelen in portefuille (aip) - 1 -

Geplaatst aandelenkapitaal 2

Nog te storten (bv verzekeraars, 1 -

Pensioenfondsen hebben niet alles nodig) -

Eigen vermogen 1



EV= geplaatst en gestort aandelenkapitaal + reserves + winst.



Emissie: Voor het aantrekken van eigen vermogen is het nodig een aantal aandelen te plaatsen (te verkopen of te emitteren).



Nog te storten: Soms komt het voor dat bij een aandelenemissie de aandeelhouders slechts een deel van de emissieprijs in een keer storten. Dit gebeurt als de Nv nog geen behoefte heeft aan het volle bedrag van de storting. Dit gebeurt o.a bij verzekeringsmaatschappijen. Bij deze ondernemingen wordt het eigenvermogen pas aangesproken, wanneer de schade zo groot is dat deze niet meer uit de premie-ontvangsten kunnen worden betaald.



Reserves: Een reserve is het bedrag waarmee het eigen vermogen het geplaatste aandelenvermogen overtreft. Reserves worden gevormd door:

- winstinhouding: Een deel van de winst waarop derden geen aanspraak hebben, komt toe aan de vennootschap. Een deel van deze winst wordt uitgekeerd aan de aandeelhouders. Het restant wordt toegevoegd aan het eigen vermogen. Redenen: geleidelijke vergroting van het eigen vermogen i.v.m de uitbreiding v.h bedrijf. Dividendstabilisatie: de in veete jaren gereserveerde winst kan in magere jaren worden gebruikt om de dividendbetaling in stand te houden.

- Waardestijging van activa: grond en gebouwen kunnen in de loop van de tijd in waarde stijgen. Zo’n waardestijging kan alleen als winst worden beschouwd, wanneer het gebouw wordt verkocht en er géén gelijkwaardig gebouw moet worden aangeschaft. De waardestijging leidt tot een toename van het eigen vermogen.



Voorziening: een voorziening is een geschatte toekomstige verplichting.Bijvoorbeeld:

- pensioenverplichtingen t.o.v het personeel

- garantieverplichtingen i.v.m verkochte goederen

- periodiek onderhoud van de gebouwen

LET OP!!!! VOORZIENINGEN ZIJN VREEMD VERMOGEN!!!!!



Balans



Balans: is een overzicht van de bezittingen, de schulden en het eigen vermorgen zoals die op een bepaald moment bestaan.



De bezittingen, de productiemiddelen (of activa) van een bedrijf vinden we op de debetzijde van de balans. De debet zijde wordt ook wel de actiefzijde van de balans genoemd. Aan de creditkant vinden we de manier waarop de activa zijn gefinancierd met het eigen vermogen en met de schulden. De financieringsmiddelen van een bedrijf zijn de passiva. De creditkant van de balans heet ook wel de passiefzijde. Zowel de debetzijde als de credit zijde moeten gelijk zijn. (in balans zijn.)



Debet Balans (per 31 oktober) credit



Vaste activa Eigen vermogen 470.000

Gebouwen 415.000

Transportmiddelen 45.000 Langlopende schulden

Inventaris 35.000 Hypotheek 190.000

Vlottende activa

Voorraden 135.000 Kortlopende schulden

Vordering op debiteuren 37.500 crediteuren 30.000

Liquide middelen nog te betalen bedragen 22.500 +

Kas 7.500

Bankgiro 37.500 +

712.500 712.500



Vaste activa daaronder vallen: het gebouw, transportmiddelen en de inventaris (vloerbedekking, verlichting, kasregisters) (lange omlooptijd)



Vlottende activa daaronder vallen: voorraad goederen, debiteuren. (kortere omlooptijd dan de vast activa, meestal is het vermogen dat in de handelsonderneming zit, binnen enkele maanden terugverdiend)



Liquide middelen daaronder vallen: Kas (geeft weer hoeveel geld een bedrijf in de vorm van munten en bankbiljetten bezit), Bank (betreft de vorderingen op een of meer banken. Dit is het girale geld)



Eigen vermogen: is de vermogensinbreng van de eigenaars van het berijf. Het eigen vermogen neemt onder andere toe, als het bedrijf winst maakt ( en daalt als er verlies wordt geleden). Het eigen vermogen zal ook veranderen, wanneer de eigenaar van een eenmanszaak kasmiddelen voor prive-doeleinden gebruikt. Eigen vermogen = activa – vreemd vermogen.



Vreemd vermogen: geeft weer hoeveel door buitenstaanders aan het bedrijf is geleend. Het vreemd vermogen is dus hetzelfde als de schulden van een bedrijf.

- Langlopende schulden: bestaan uit leningen die langer dan een jaar ter beschikking staan. (een hypothecaire lening wordt bijvoorbeeld in de regel in circa 30 jaar terugbetaald.

- Kortlopende schulden: dit zijn de schulden die binnen een jaar moeten zijn voldaan, bijvoorbeeld de schulden aan leveranciers (crediteuren)



§ 21.3 Liquiditeitsbegroting



Liquiditeitsbegroting: verwachte uitgaven en inkomsten in een toekomstige periode.



Een liquiditeitsbegroting wordt meestal voor een betrekkelijke korte periode- bijvoorbeeld enkele maanden- opgesteld. Zodoende kunnen perioden waarin de uitgaven de ontvangsten overtreffen, zichtbaar worden gemaakt. Zo nodig kan de organisatie maatregelen nemen om de te verwachte tekorten te financieren (bijvoorbeeld extra krediet opnemen).



Een liquiditeitsbegroting heeft meestal de volgende opstelling.



Ontvangsten

Uitgaven -

Verandering liquiditeit

Beginsaldo liquiditeiten +

Eindsaldo liquiditeiten



LET OP!!! AFSCHRIJVING IS GEEN UITGAVE (WEL KOSTEN)!!!!



§ 21.4 Resultatenbegroting



Een resultatenbegroting is een overzicht van de verwachte opbrengsten en kosten in een bepaalde periode. Resultatenbegroting is een inzicht in de winstontwikkeling.



Een resultatenbegroting kent de volgende opstelling:



Verwachte omzet (kosten ‘eerlijk’ verdelen over de periode.)

Inkoopwaarde van de omzet - (bv. Huur verdelen over 12 maand)

Brutowinst

Kosten -

Verwacht resultaat



LET OP!!! AFLOSSING/AFBETALING, WINSTUITKERING, INVESETERING ZIJN GÉÉN KOSTEN (WÉL UITGAVEN!!)

Vergelijking liquiditeitsbegroting en resultatenbegroting.



Als we de liquiditeitsbegroting en de resultatenbegroting met elkaar vergelijken, zie we overeenkomsten en verschillen. Deze ontstaan doordat het begrippenpaar uitgaven en kosten niet samenvalt met het begrippenpaar ontvangsten en opbrengsten. Op de liquiditeitsbegroting verschijnen uitsluitend de ontvangsten en de uitgaven en op de resultatenbegroting alleen de kosten en de opbrengsten.



Alleen kosten

- afschrijving

- inkoop op rekening



Alleen uitgaven

- investering

- aflossing

- winstuitkering



DE REST HOORT BIJ ALLEBEI!!!



§ 21.5 verband tussen liquiditeitsbegroting, resultatenbegroting en verwachte balans.



Met behulp van de liquiditeitsbegroting en een resultatenbegroting kan een opstelling worden gemaakt van de verwachte balans aan het eind van een bepaalde periode. We spereken dan van een geprojecteerde of begrote balans.



Een geprojecteerde balans geeft een overzicht van de verwachte waarden van de activa en de passiva van een bedrijf aan het eind van een bepaalde periode.



Begrippen:

Overloopposten:

- vooruitbetaalde bedragen = debet

- nog te betalen = credit



´Gladlopen´ = het bedrag komt weer op nul uit. (voorbeeld vooruitbetaalde verzekering).



Beginbalans per 1 januari 1999 ziet er als volgt uit

Gebouwen en inventaris 240.000 Eigen Vermogen 201.950

Voorraad goederen 100.000 9%-hypotheek 180.000

Debiteuren 125.000 Crediteuren 100.000

Vooruitbetaalde verzekering 1.050 Nog te betalen (interest) 8.100

Liquide middelen 24.000

490.050 490.050



Liguiditeitsbegroting januari



Ontvangsten

Debiteuren 125.000



Uitgaven

Crediteuren 100.000

Nettoloon 9.500

Huur 10.800

Hypotheek-aflossing 10.000

Interest 8.100

Overige kosten 1.500 +

Totaal uitgaven 139.900



Afname liquide middelen 14.900

Beginsaldo liquide middelen 24.000 -

Eindsaldo liquide middelen 9.100



Resultatenbegroting januari

Verwachte omzet 125.000

Inkoopwaarde omzet 100.000 -

Verwachte brutowinst 25.000



Kosten

Nettoloon 9.500

Huur 900

Verzekering 1.050

Rente hypotheek 1.275

Afschrijvingen 750

Overige kosten 1.500 +

Totale kosten 14.975 -



Verwacht resultaat 10.025



Balans per 31 januari 1999

Gebouwen en inventaris 239.250 Eigen vermogen 211.975

Voorraad goederen 100.000 9%-hypotheek 170.000

Debiteuren 125.000 Crediteuren 100.000

Vooruitbetaald (huur) 9.900 Nog te betalen

Liquide middelen 9.100 + (interest) 1.275 +

483.250 483.250



H22 Externe verslaggeving



§ 22.1 Functie van het externe verslag



Functie van het externe verslag: informatie verschaffen aan betrokkenen van een onderneming (bv aandeelhouders, eigenaars, medewerkers, fiscus etc.)



- Jaarverslag: verslag van de directie

- Jaarrekening: balans + verlies en winstrekening + toelichting

Winst en verlies rekening: is een overzicht van de behaalde opbrengsten verminderd met de kosten. Het verschil daartussen vormt de winst of verlies.



§ 22.2 De balans van een handelsonderneming



Waarderen activa volgens

1. Verkrijgingprijs (inkoopprijs + bijkomende kosten)

2. Actuele waarde (= vervangingswaarde)

3. (historische) aanschafwaarde: (aanschafwaarde – afschrijvingen)



Vaste activa

• Materieel: gebouw, grond

• Immaterieel: ´goodwill. Meer betalen voor een bedrijf dan dat het waard is ( imago voor het bedrijf ). / vergunningen.

• Financieel: deelnemingen in andere ondernemingen  aandelenpakket kopen waardoor je inspraak in de onderneming krijgt.



Vlottende activa

• voorraden: waarderen tegen de laagste prijs ( bijvoorbeeld marktwaarde of lifo/fifo) = minimumwaarderingsregel.



Overlopende activa

• vooruitbetaalde bedragen / nog te ontvangen bedragen.



Effecten (bij overtollige kas)

• debiteuren.



§ 22.3 resultatenrekening van een handelsonderneming



Resultatenrekening / verlies en winst rekening



Omzet

Inkoopwaarde van de omzet -

Bruto omzet resultaat

Bedrijfskosten -

Netto omzetresultaat (uit de bedrijfsvoering)

Financieringsresultaat (rentebaten-rentelasten) +/-

Resultaat

Winstbelasting (vennootschapsbelasting, ink.belasting)-

Nettowinst



Cash flow: is de nettowinst (na aftrek van winstbelasting) + afschrijvingen.



De cash flow geeft een andere benadering van de winstgevendheid an de onderneming dan het nettowinstcijfer. Het nettowinstcijfer wordt beïnvloed door de verdeling van de afschrijvingen over de jaren, wat afhankelijk is van het gekozen afschrijvingssysteem. De becijferde cash flow is voor deze invloed gezuiverd.



§ 22.4 Liquiditeit en solvabiliteit



Liquiditeit geeft aan of een onderneming haar verplichtingen op korte termijn kan voldoen.



Uit de balans kunnen enkele kengetallen worden berekend die iets zeggen over de liquiditeit. De kengetallen (of de ratio’s) zijn:

- de current ratio

vlottende activa + liquide middelen  eis > 2

kort vreemd vermogen



- de quick ratio

vlottende activa + liquide middelen – voorraden  eis > 1

kort vreemd vermogen



Wanneer voorraden niet goed in geld om te zetten zijn (bijvoorbeeld bederfelijke waar) / wanneer er te weinig voorraad aanwezig is (dienstverlenend bedrijf)



OPMERKING!!!!

- voorraden kunnen minder waard zijn.

- debiteuren kunnen niet betalen.

- ratio-eis kan per branche verschillen.



Solvabiliteit: geeft aan of een onderneming alle schulden kan betalen (bij liquiditatie = alles in geld omzetten).



Solvabiliteitsratio: totaal vermogen x 100%  tussen 150% - 200%

vreemd vermogen (activa is 1,5 keer zo groot als je vreemd vermogen)



totaal vermogen = eigen vermogen + vreemd vermogen = eigen vermogen + 1

vreemd vermogen vreemd vermogen vreemd vermogen vreemd vermogen



Current ratio : vlottende activa + liquide middelen

Kort vreemd vermogen



A 1/1 115 + 132.5 + 67.5 = 1.8

45 + 130 verslechterd!



31/12 135 + 155 + 85 = 1.7

55 + 170



B Solvabiliteit: eigen vermogen x 100% of totaal vermogen x 100%

Vreemd vermogen vreemd vermogen



1/1 EV = 100 + 195 x 100% = 72.8%

VV 130 + 100 + 45 + 130



31/12 EV = 105 + 200 x 100% = 61.6%

VV 145 + 125 + 55 + 170



C Cash flow: winst + afschrijvingen

15000 + 4000 = 55000



§ 22.5 Rentabiliteit



Rentabiliteit: opbrengst van een belegging

EV  winst

VV  interest



REV (rentabiliteit eigen vermogen) : winst x 100%

Gem ev



LET OP!!! De helft van de winst wordt gebruikt bij het gem. EV omdat de winst aan het begin van het jaar 0 is.



IVV : interest x 100%

Gem. VV



RTV: winst + interest x 100%

Gem. TV



Positief hefboomeffect: REV = RTV + (RTV-IVV) x VV

EV (hefboomfactor)



RTV = winst + interest x 100% = 15%

Gm EV + gem V



Vb: balans x 1000 21-12

AK 2000

Reserve 460

Gem 10%hyp. 1500

Crediteuren 500

Winst 1080 +

5540



- Kosten leverancierskrediet €10.000

- Hypothecaire lening op 1-7-03 200.000 afgelost



REV: winst x 100% 1080

Gem. eigen vermogen 2000 + 460 + 1080

2 !!!! LET OP !!!



REV 1080000 x 100% = 36%

3000000



IVV: interest x 100%

Gem. eigen vermogen



Interest: 10% van 1500 = 150+10 (levrancierskrediet)

= 160

Gem. VV 1500+500= 2000 (2.000.000)

Gem. hypothecaire lening

IVV= 160.000 x 100% = 8%

2.000.000



RTV= winst + interest x 100%

Gem. EV + gem VV



1.080.000 + 160.000 x 100% = 24.8%

3.000.000 + 2.000.000



REV = 36%

IVV = 8%

RTV = 24.8%



REV= RTV (RTV-IVV) x VV

EV



24.8 + (24,8 – 8) x 2.000.000 = 36%

3.000.000


REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

B.

B.

hallo,

moet een lening ook op de verwachte balans van het eerste bedrijfsjaar terugkomen?

groeten.

8 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast