Management & Organisatie



Hoofdstuk 1 De binnenkant van een organisatie



Organisatie = een geordende groep mensen die met behulp van bepaalde middelen samenwerkt om vooraf geplande doelen te bereiken.

Kenmerken organisatie: - een doel

- een plan

- middelen (bv. grond, gebouwen, geld etc.)

- mensen

- leiding (of management)



Winst = de totale (geldelijke) opbrengsten (of baten) zijn in een bepaalde periode groter dan de totale (in geld uitgedrukte) kosten (=lasten).



Managementtaken: - plannen



- organiseren

- leidinggeven

- controleren



Plannen = het formuleren van in de toekomst te realiseren doelen en het vaststellen van de daarvoor noodzakelijke activiteiten.



Organiseren = het regelen en verdelen van taken, bevoegdheden en middelen onder de leden van de organisatie.



Leidinggeven = het sturen, beïnvloeden en motiveren van werknemers.



Controleren = ervoor zorgen dat de gestelde doelen op de voorgeschreven manier bereikt worden.



Strategische plannen: worden ontwikkeld door het topmanagement en beschrijven hoe de organisatie denkt haar langetermijndoelen te bereiken.



Tactische plannen: betreffen de concrete activiteiten die moeten leiden tot het strategische doel. Ze worden in de regel gemaakt in samenspraak tussen top- en middenmanagement van de organisatie.





Operationele plannen: hebben betrekking op de uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Ze worden gemaakt door het midden- en lagere management van de organisatie.



Kortetermijnplanning: de planperiode is niet langer dan ± 1 jaar

Middenlangetermijnplanning: de planperiode ligt tussen de 1 en 3 a 5 jaar.

Langetermijnplanning: de planperiode ligt tussen de 3 a 5 en 15 a 20 jaar.



Begroting = een overzicht van de verwachte financiële gevolgen van een plan.



Organisatiestructuren:



Lijn-staforganisatie



Lijnorganisatie



Functionele organisatie



Projecten: zijn opgebouwd uit diverse activiteiten, die uitgevoerd worden door verschillende afdelingen of specialisten en die uiteindelijk moeten leiden tot een duidelijk omschreven resultaat.

Kenmerken: - het is een geheel van bij elkaar behorende activiteiten, waarbij diverse personen met verschillende deskundigheden betrokken zijn.

- het totaal aan activiteiten moet op een concreet omschreven einddoel gericht zijn.

- de totale doorlooptijd moet begrensd zijn.



Controle: administratieve organisatie en interne controle (AO/IC)

Dit is gebaseerd op functiescheiding.

Bij grote bedrijven gaat functiescheiding verder dan bij kleine. Voorbeelden van functies van verschillende personen zijn: - beschikken of beslissen (inkoopmarkt)

- bewaren (magazijnmeester)

- uitvoeren (productie)

- registreren (administratie)

- controleren (dmv steekproeven etc.)

Interne controle = elke vorm van controle die door of namens de leiding van de organisatie wordt uitgeoefend.

- Het management laat zich dmv gegevens informeren over de stand van zaken binnen de organisatie.



Hoofdstuk 2 Personeelsbeleid



Arbeidsovereenkomst = een afspraak tussen een werkgever en een werknemer, waarbij de werknemer zich verplicht arbeid te verrichten ten behoeve van de werkgever. De werkgever krijgt de verplichting de werknemer een beloning te geven.



Beide partijen hebben rechten en plichten:

De werknemer moet: - de arbeid zo goed mogelijk verrichten

- de arbeid zelf verrichten

- de voorschriften van de werkgever opvolgen

- ‘zich als een goed werknemer gedragen’

De werkgever moet: - tijdig het overeen gekomen loon betalen

- vakantie- en snipperdagen geven met behoud van loon

- de ‘werknemer behandelen zoals het een goed werkgever behoort’

- na de dienstbetrekking desgevraagd een getuigschrift geven



3 fasen personeelsbeleid: - werving

- dienstverband

- ontslag



Werving: er wordt gezocht naar geschikte mensen voor een bepaalde functie. Belangrijk voor een werknemer zijn de werkomstandigheden, mogelijke doorgroeifuncties en het soort contract.

Er mag niet gediscrimineerd worden bij het uitzoeken van personeel, iedereen moet gelijke kansen krijgen.



Positieve discriminatie = het bevoorrechten van mensen, omdat ze deel uitmaken van een tot op dat moment achtergestelde groep.



Bevoegdheden van een ondernemingsraad (OR):

- Recht op overleg: minstens 6 keer per jaar gezamenlijk overleg ondernemer en OR.

- Recht op informatie: ondernemer moet OR info geven over gang van zaken en toekomst.

- Recht op consultatie: ondernemer moet voor sommige zaken advies inwinnen bij OR.

- Recht op meebeslissen: er zij enkele onderwerpen waarover de OR mag meebeslissen.



Functioneringsgesprekken: open gesprekken tussen werknemer en diens directe leidinggevende. Wederzijds kunnen beiden in dat gesprek aangeven wat hun mening is over de diverse aspecten in hun functioneren.



Beoordelingsgesprek: beoordelen staat voorop. Is de werkgever tevreden over de prestaties van de werknemer en wat betekent dat voor diens beloning en verdere loopbaan binnen het bedrijf.



Ontslag verloopt meestal probleemloos (werknemer krijgt betere baan, begint eigen bedrijf, pensioen). Voor probleemgevallen is er vaak een gedwongen ontslag, maar dat moet meestal aangevraagd worden met goede redenen. Er zijn echter uitzonderingen (dringende reden).



3 regelingen waarbij de overheid loonkostensubsidie verstrekt:

- Regeling ‘vermindering lage lonen’: minder belasting, werknemer krijgt meer netto.

- Regeling ‘vermindering langdurig werklozen’: kosten minder belasting

- Regeling ‘vermindering onderwijs’: minder belasting voor werknemers die naast hun werk nog 1 of 2 dagen naar school gaan.



Hoofdstuk 3 Rechtsvormen



Rechtsvorm = de juridische vorm die aan een bedrijf is gegeven.

Natuurlijke personen: alle mensen van vlees en bloed

Rechtspersonen: organisaties die zelfstandig rechten en plichten kunnen hebben en daarbij niet afhankelijk zijn van het bestaan van bepaalde personen. Ze leiden ‘een eigen leven’ en kunnen in beginsel honderden jaren oud worden.

Publiekrechtelijke rechtspersonen: Staat der Nederlanden, provincies, gemeenten, waterschappen.

Privaatrechtelijke rechtspersonen: BV’s, NV’s, verenigingen en stichtingen.

Surseance = uitstel van betaling

Faillissement: onderneming heeft geen bestaanrecht meer.

Curator: zaakwaarnemer, die ervoor zorgt dat een onderneming netjes wordt opgeheven.



Eenmanszaak:

Kenmerken:

- middelen waarmee de onderneming haar activiteiten uitvoert, zijn eigendom van één natuurlijk persoon.

- Zowel schuldeisers van de onderneming als van de eigenaar privé kunnen hun vorderingen verhalen op het vermogen van zowel de onderneming als de eigenaar-privé.

- Voortbestaan van de onderneming is afhankelijk van het leven van de eigenaar. Bij overlijden bepalen de erfgenamen wat er gebeurt.

- Eigen vermogen van de onderneming = inbreng van de eigenaar.

- Eigenaar is als enige hoofdelijk aansprakelijk (ook privé vermogen).

- Eigenaar heeft zelf de volledige zeggenschap en leiding over de onderneming.

- Geen bijzondere oprichtingseisen, alleen inschrijving bij KvK.

- Geen toestemming nodig voor opheffen bedrijf.



Vennootschap Onder Firma:

v.o.f. = bedrijf dat door verscheidene personen gezamenlijk wordt gedreven onder een gemeenschappelijke naam.



Kenmerken:

- Onderneming is eigendom van verschillende natuurlijke personen.

- Schuldeisers verhalen in eerste instantie op bedrijf, daarna pas hoofdelijk.

- Voortbestaan is beter gegarandeerd dan bij eenmanszaak, want er zijn meerdere eigenaren.

- Firmanten leggen samen vermogen v.o.f. bijeen.

- Firmanten zijn hoofdelijk aansprakelijk, schuldeisers kunnen iedere firmant aansprakelijk stellen voor de volledige vordering.

- Arbeidsverdeling in leiding.

- Geen bijzondere inschrijvingseisen, alleen inschrijving KvK.

- Geen speciale opheffingsprocedure.

Besloten Vennootschap:

B.V. = een rechtspersoon met een in aandelen verdeeld maatschappelijk kapitaal. Aandeelbewijzen worden niet uitgegeven en zijn niet overdraagbaar.



Kenmerken:

- BV is een rechtspersoon en kan dus zelfstandig optreden, overeenkomsten sluiten en rechten en plichten hebben.

- BV heeft een eigen vermogen, niet verbonden aan vermogen van personen.

- Aandeelhouders brengen met eigen inleg het aandelenvermogen van de BV bijeen.

- Als een aandeelhouder wil uittreden, kan hij zijn aandeel verkopen aan een andere aandeelhouder of aan de BV zelf.

- Continuïteit is beter gegarandeerd dan bij eenmanszaak en v.o.f., omdat BV een rechtspersoon is.

- Eigen vermogen bestaat uit aandelenvermogen van aandeelhouders + niet uitgekeerde winsten.

- BV als rechtspersoon aansprakelijk.

- Aandeelhouders gezamenlijk eigenaar en vaak ook bestuurder.

- Oprichtingsprocedure:- notariële oprichtingsakte (ingebracht EV, 1e bestuur)

- ministeriële verklaring van geen bezwaar

- inschrijving handelsregister

- Opheffingsprocedure: 1. Besluit tot opheffing door AVA

2. faillietverklaring rechtbank

3. besluit van een rechter



Naamloze Vennootschap:

NV = een rechtspersoon met een in overdraagbare aandelen verdeeld maatschappelijk kapitaal.



Kenmerken:

- NV is een rechtspersoon.

- NV heeft een eigen vermogen dat los staat van het vermogen van anderen.

- Aandeelhouders brengen met hun inleg het aandelenvermogen NV bijeen. Als bewijs ontvangen ze een aandeelbewijs.

- Als een aandeelhouder wil uittreden kan hij zijn aandeelbewijs aan elke willekeurige gegadigde verkopen.

- Continuïteit beter dan bij BV, door omvang van de onderneming.

- Eigen vermogen is het aandelenvermogen door aandeelhouders bijeengebracht.

- NV is als rechtspersoon aansprakelijk.

- Scheiding tussen dagelijkse leiding (directie) en aandeelhouders is volledig.

- Oprichtingsprocedure als bij BV.

- Opheffingsprocedure als bij BV.



3 verschillende bestuursorganen bij NV/BV:

- Bestuur of directie

- Raad van commissarissen (RVC)

- Algemene vergadering van aandeelhouders (AVA)



Algemene Vergadering van Aandeelhouders

Benoeming, ontslag Benoeming, ontslag

RVC Toezicht, Advies Bestuur

Bestuur: besturen van de onderneming

RVC: - toezicht houden op beleid van het bestuur (namens AVA).

- advies aan bestuur (gevraagd en ongevraagd).

AVA: - vaststellen van de winstuitkering per aandeel.



Vereniging:

Informele vereniging: geen rechtspersoon

Formele vereniging: wel rechtspersoon



Kenmerken:

- Een vereniging heeft een doel, maar niet het behalen van winst.

- Er mag geen winst verdeeld worden onder de leden.

- Er is een ledenbestand.

- Er is een bestuur, benoemd door de algemene ledenvergadering.

- Een erkende vereniging is een vrij stabiele organisatie (zelfstandig rechtspersoon)

- Financiële middelen komen door: - contributies

- subsidies

- sponsoring

- giften en donaties

- Erkende vereniging als rechtspersoon aansprakelijk, informeel -> hoofdelijk

- Algemene ledenvergadering grootste macht.

- Oprichtingsprocedure: notariële akte + inschrijving verenigingsregister.

- Opheffingsprocedure: ontbinding, opheffing, faillietverklaring, ontbreken van leden of door een besluit van de rechter.



Stichting



Stichting = een rechtspersoon, die m.b.v. een daartoe bestemd vermogen een doel wil bereiken.

Kenmerken:

- Stichting is een rechtspersoon, daardoor continuïteit redelijk gegarandeerd.

- Stichting kan door 1 of meer personen gezamenlijk worden opgericht.

- Stichting kent geen leden.

- Nieuwe bestuursleden worden door aanwezige bestuursleden benoemd.

- Stichting mag geen uitkering doen aan oprichters of bestuurders.

- Financiële middelen d.m.v. subsidies, sponsoring, giften etc.

- Stichting als rechtspersoon aansprakelijk.

- Bestuur is niet democratisch.

- Oprichtingseisen: notariële akte + inschrijving stichtingenregister.

- Opheffingseisen: bij vereniging beschreven.



Hoofdstuk 4 Interestberekeningen



Enkelvoudige Interest

Formule: EI = kapitaal * percentage * tijd



Samengestelde Interest

Formule: Eindwaarde na ‘n’ jaar = Beginkapitaal * (1 + i)n (= aantal perioden)



Contante Waarde = oorspronkelijk kapitaal (teruggerekend)

Formule: CW = En * 1/ (1 + i)n



Rente = een reeks van periodiek te betalen (of te ontvangen) kapitalen (termijnen).



Eindwaarde van een Rente

Formule: E = Termijn * (1 + i) * {[(1 + i)n – 1]/ i}



Contante Waarde van een Rente

Formule: CW = T * [1 – (1/ (1 + i)n]/ i -> T * {[1 – (1 + i) –n]/ i}



Hoofdstuk 5 Financiële markten



Vermogensmarkt: het geheel van vraag naar een aanbod van financieringsmiddelen.

-> te splitsen in: - kapitaalmarkt

- geldmarkt

Kapitaalmarkt = het geheel van vraag en aanbod van financieringsmiddelen met een lange looptijd.

Markt voor openbaar vermogen: voorwaarden waartegen geld geleend kan worden zijn van tevoren in openbaarheid bekend gemaakt en iedereen kan in de lening deelnemen.



Markt voor onderhands vermogen: één geldvrager en één geldgever onderhandelen rechtstreeks met elkaar. Voorwaarden niet bekend.



Aandeel = eigendomsbewijs van een onderneming.

Nieuwe aandelen -> eerstehandsmarkt

Oudere aandelen -> tweedehandsmarkt



Obligaties: schuldbewijzen van de overheid, bedrijven of andere instellingen.

Nominale waarde: waarde die op een obligatie vermeld staat.

-> pari: emissiekoers is gelijk aan nominale waarde.

Agio: emissiekoers ligt boven nominale waarde.

Disagio: emissiekoers ligt onder de nominale waarde.



Factoren die voor schommeling aandelenkoersen zorgen:

- rentestand

- winstgevendheid van bedrijven

- beurssentiment



Geldmarkt = het geheel van vraag en aanbod van financieringsmiddelen met een korte looptijd


REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

D.

D.

er staat de samenvatting tot hfst 28 gaat terwijl het maar tot 5 gaat..

14 jaar geleden