ADVERTENTIE
Luisterboeken: de makkelijke optie? Lars is niet echt een fan van lezen. Daarom gaat hij op zoek naar de beste manieren om door zijn leeslijst heen te komen. Red je het met alleen maar samenvattingen, of is een e-reader of luisterboek een betere optie? Deze video wordt mede mogelijk gemaakt door Storytel.

Probeer 30 dagen gratis
M&O samenvatting hoofdstukken

Hoofdstuk 1.

Hoofdstukje 1.

Organisatie: Dit is een geordende groep mensen die met behulp van bepaalde middelen samenwerkt om vooraf geplande doelen te bereiken.
Organiseren: Het regelen en verdelen van de taken, bevoegdheden en middelen.

Kenmerken van een organisatie:
· DOEL
· PLAN
· MIDDELEN (grond,gebouwen,geld,inventaris)
· MENSEN
· LEIDING (managen) je moet dan> plannen, organiseren, leidinggeven, controleren.

Commerciële organisaties: deze bedrijven willen alleen winst maken.
Niet-commerciële organisaties: dit zijn scholen, verenigingen (geen winst maken).

Leidinggeven: Het sturen, beïnvloeden en motiveren van de medewerkers.
Strategische plannen: Worden ontwikkeld door het topmanagement en beschrijven de algehele doelen van de organisatie.
Operationele plannen: Hebben betrekking op de uitvoering van de plannen, en word door lager management geregeld.
Korte termijnplannen: de planperiode is niet langer dan ongeveer een jaar.
Middellange termijnplannen: de planperiode ligt tussen de een en drie a vijf jaar.
Lange termijnplannen: De planperiode ligt tussen de 3 tot 5 jaar en 15 tot 20 jaar.

Begroting: is een overzicht van de verwachte financiële gevolgen van een plan.
Lijnorganisatie: alle bazen, dus je hebt de echte baas, daar onder bazen die geven weer leiding aan de bazen die daar onder staan, enzovoorts.
Stafdiensten: Dienen ter ondersteuning van de feitelijke kernactiviteiten van de organisatie.

Interne Controle: is elke vorm van controle die wordt uitgeoefend door of namens de leiding van de organisatie.
Sociale Controle: Medewerkers die elkaar aanspreken als er niet iets goed gaat. (diefstal)

Hoofdstuk 2.
Hoofdstukje 3.

Rechtsvorm: is de juridische vorm die aan een bedrijf is gegeven.
Rechtspersonen: zijn organisaties (dus geen mensen) die zelfstandig rechten en plichten hebben en daarbij niet afhankelijk zijn van het bestaan van bepaalde personen.

Publiekrechtelijke rechtspersonen: de staat der Nederlanden, de provincies, de gemeenten.
Privaatrechtelijke rechtspersonen: naamloze en besloten vennootschappen en verenigingen.

EENMANSZAAK, VOF, BV, NV
De eenvoudigste rechtsvorm voor een onderneming is de eenmanszaak, de onderneming heeft dan geen rechtspersoonlijkheid, de bezittingen van de eenmanszaak zijn de bezittingen van de eigenaar. De eenmanszaak betaalt de eigenaar geen loon, hij zal het winstbedrag of een ondernemersloon uit de zaak moeten halen. Het eigen vermogen slinkt als de eenmanszaak verlies leidt, lopen deze verliezen zo hoog op dat de eigenaar ze niet meer kan betalen dan is dat zijn persoonlijk faillissement, hij is dan niet alleen zijn bedrijf kwijt, maar ook al zijn persoonlijke bezittingen.
De eigenaar van een eenmanszaak betaalt inkomstenbelasting over de winst van zijn bedrijf.

Een andere ondernemingsvorm is de vennootschap onder firma (VOF), ook dit is een onderneming zonder rechtspersoonlijkheid, er zijn echter meerdere eigenaren (vennoten). Het eigen vermogen van een VOF is het vermogen van haar vennoten. Bij oprichting stellen de vennoten een firma-akte op, hierin staat hoeveel vermogen de vennoten in de zaak hebben en hoe de winst verdeeld wordt, ook staat erin wie welke beslissingen mag nemen.

Een andere rechtsvorm is de besloten vennootschap (BV), deze is een zelfstandig rechtspersoon, ze kan dus zelfstandig rechten en plichten aangaan.
Een BV heeft ook eigen vermogen wat ontstaat doordat aandeelhouders geld in het bedrijf storten, dat vermogen is dan van de BV en niet van henzelf.
De aandeelhouders van een BV zijn slechts beperkt aansprakelijk, de schuldeisers kunnen bij betalingsproblemen van de BV uitsluitend aanspraak maken op het vermogen dat de aandeelhouders in het bedrijf hebben gestort, het persoonlijk vermogen van de aandeelhouders blijft buiten schot.
De leiding en het eigendom van een BV zijn gescheiden, de directie bestuurd de onderneming en krijgt daarvoor beschikking over het vermogen van de onderneming, ze ontvangen net als de overige werknemers een salaris.
Een BV is belastingplichtig, over de winst moet de BV vennootschapsbelasting betalen.
Een BV kan zijn winst inhouden of uitkeren, de uitgekeerde winst heet dividend.
Bij oprichting van de BV zijn statuten opgesteld waarin onder andere het maatschappelijke aandelenvermogen staat, dit is het aandelenvermogen wat de onderneming maximaal mag uitgeven, ook staat er de nominale waarde (waarde van de aandelen die de onderneming uitgeeft) van de aandelen in.
Het vermogen aan aandelen die zijn geplaatst heet het geplaatst aandelenvermogen.
Aandelen hoeven niet meteen te worden volgestort, het gestorte aandelenvermogen is dan kleiner dan het geplaatste aandelenvermogen, gaat de vennootschap failliet dan kunnen de schuldeisers het nog niet gestorte vermogen opvragen bij de aandeelhouders.
Bij winstdeling gaat een deel van de winst naar de belasting en een deel naar de aandeelhouders, de BV kan ook een deel van de winst reserveren, dat heet de winstreserve.
Het eigen vermogen van een BV is dus het geplaatst aandelenvermogen + de winstreserve van de afgelopen jaren.
Bij een BV houdt de oprichter van het bedrijf de meerderheid van aandelen, hij mag niet alle aandelen hebben, dan is er immers geen sprake van een vennootschap.
Het stemrecht van de aandeelhouders hangt af van hun aandeel, door de meerderheid van de oprichter houdt deze de controle over zijn bedrijf. Aandelen van een BV zij niet vrij verhandelbaar, ze worden in een aandelenregister geadministreerd.

Heeft een bedrijf nog meer vermogen nodig dan kan het de rechtsvorm omzetten in een NV, ook een NV heeft een eigen rechtspersoonlijkheid. Aandelen van een NV zijn vrij overdraagbaar, de directie weet dus niet wie de aandeelhouders zijn en roept ze daarom jaarlijks via advertenties in kranten bijeen voor de aandeelhoudersvergadering, de aandelen van een NV zijn altijd volgestort.
Een NV kan zijn aandelen ook op de effectenbeurs verhandelen, de potentiële beleggers zijn dan eerder bereid in een onderneming te beleggen, de koers is dan dagelijks in het koersoverzicht gepubliceerd.
Door de goede verhandelbaarheid kan een NV zijn aandelen vaak tegen een koers boven de nominale waarde uitgeven, dat is gunstig voor de bestaande aandeelhouders.
Een emissie van aandelen neemt het eigen vermogen van de NV toe, deze toename is gelijk aan het aantal uitgegeven aandelen maal de emissiekoers.
Het bedrag dat de onderneming voor haar aandelen meer krijgt dan de nominale waarde vormt de agioreserve. Op de jaarlijkse algemene aandeelhoudersvergadering kunnen de aandeelhouders invloed uitoefenen op het beleid van de vennootschap, ze hebben stemrecht naar het aantal aandelen dat ze bezitten. De belangrijkste taak van de aandeelhoudersvergadering is het vaststellen van de winstverdeling.
Om overname van de NV te voorkomen kan een NV prioriteitsaandelen in de statuten opnemen, deze vertegenwoordigen een groter aantal stemmen en zijn niet vrij overdraagbaar.
Om te kunnen investeren bij grote groei kan een onderneming zijn rechtsvorm veranderen in een BV of NV, dat heeft grote voordelen bij het aantrekken van nieuw eigen vermogen, ook kan dat de continuïteit verbeteren of betekenen dat de ondernemer minder belasting hoeft te betalen.

Over EENMANSZAAK, NV, BV, VOF: lees nog even blz 37 tot 43.

De wet onderscheidt voor nv’s en bv’s de volgende bestuursorganen.
· Het bestuur (directie)
- zij moeten besturen, voorbeireden en uitvoering van het ondernemingsbeleid, het beheren van het vermogen.
· De raad van commissarissen (afgekort de RvC)
- Toezicht houden op het beleid van het bestuur
- Advies aan het bestuur (gevraagd of ongevraagd)
· De algemene vergadering van aandeelhouders (Afgekort de AVA)
- Ze komen 1 keer per jaar bij een
- Ze moeten de jaarrekeingen vaststellen, en de winst te bekijken(divident)

Verenigingen.
Informele vereniging: Geen rechtspersoon.
De erkende vereniging: Wel rechtspersoon.

Kenmerken van verenigingen.
* Doel (bijv aansporen van mensen tot sport)
*Verbod op winst te verdelen onder leden
*Ledenbestand
*Bestuur

Verenigingen krijgen hun geld uit:
*Contributies van leden
*Subsidies van de gemeente
*Sponsoring door bedrijven
*Giften en donaties van sympathisanten

Een stichting: is een rechtspersoon die met behulp van een daartoe bestemd vermogen een bepaald doel wil bereiken.

Kenmerken van een stichting:
1. stichting is een rechtspersoon
2. de stichting kan door een of meer personen gezamenlijk worden opgericht
3. de oprichting moet geschieden bij notariële akte
4. de stichting kent geen leden
5. nieuwe bestuurders worden benoemd door de reeds aanwezige bestuursleden.
6. de stichting mag geen uitkering doen aan oprichters/bestuurders.

Hoofdstukje 4.

INTEREST
Enkelvoudige interest= kapitaal x percentage x tijd
EI = k x p x t

Er staat nog meer over interest, blz 52. Dit zal duidelijker worden uitgelegd in de boekjes.

Hoofdstukje 5.

Onder de vermogensmarkt verstaan we het geheel van vraag naar en aanbod van financieringsmiddelen.
De vermogensmarkt bestaat uit 2 deelmarkten:
· Kapitaalmarkt: is het geheel van vraag naar en aanbod van financieringsmiddelen met een lange looptijd.
· Geldmarkt: is het geheel van vraag naar en aanbod van financieringsmiddelen met een korte looptijd.

Op de markt voor openbaar vermogen zijn de voorwaarden waartegen geld kan worden geleend (zoals de rente en de manier van aflossen) van tevoren in alle openbaarheid bekendgemaakt. Bovendien kunnen alle geïnteresseerden in de lening deelnemen.

Op de markt voor onderhands vermogen onderhandelen een geldvrager en een geldgever rechtstreeks met elkaar.

Op de effectenbeurs worden waardepapieren verhandeld. De meeest bekende zijn aandelen en obligaties. Dit gebeurt in Nederland bij de Amsterdam Exchanges.

Een bedrijf zet aandelen tekoop van zijn bedrijf, ze hebben bijvoorbeeld geld nodig, de aandelen die dan te koop komen te staan heet: eerstehandsmarkt. Je kan die aandelen later wel verkopen aan andere beleggers, dit heet de tweedehandsmarkt.

Hoeklieden: zijn de enige die op de beursvloer mogen komen.

Er kunnen flinke schommelingen zijn in de aandelenmarkt:
· De rente (rente verlaagd, meer vraag naar aandelen)
· Winstgevigheid van bedrijven (Maakt een bedrijf winst, dan krijgen beleggers vertrouwen.)
· Beurssentiment. (de stemming op de beurs verandert, door gebeurtenissen)
Emissiekosten: kosten die zijn verbonden aan het plaatsen van aandelen.

De belangrijkste functies van de banken zijn:
* Kredietbemiddeling (het bij elkaar brengen van vragers en aanbieders van kredieten)
* Kredietverlening: (het verstrekken van kredieten uit eigen middelen)
* Beheren van spaargelden: (Banken hebben veel soorten spaarmogelijkheden)
* Bewaren van waardepapieren van klanten

Hoofdstukje 6

Een balans is een overzicht van bezittingen,schulden en eigen vermogen van een organisatie op een bepaald tijdstip.

Eigen vermogen: bestaat uit bezittingen verminderd met de schulden. Bij de NV en de BV is het eigenvermogen het aandelenvermogen.

De aandeelhouder van een BV staat ingeschreven in een aandeelhouder register. De NV kent echte ‘Fysieke’ aandeelbewijzen. Net zoals op de foto van blz 61.

Nominale waarde van een aandeel is de waarde die op het aandelen bewijs staat afgedrukt. De beurswaarde is het bedrag waarvoor het aandeel op dat moment verkocht kan worden op de beurs. De koers waartegen aandelen worden geplaatst is de emissiekoers. De winstuitkering aan aandeelhouders noemen we het dividend. Dus ook wel, het gedeelte van de winst dat uitgekeerd wordt aan de aandeelhouders.

Je leent ergens geld, maar hier betaal je wel voor, dat heet interest, dus een schuld die je afbetaald.

Consumptief krediet: Dat zijn leningen aan gezinnen om er consumptieve uitgaven mee te verrichten.
Productieve kredieten: Die worden afgesloten door bedrijven en andere organisaties.

Aflossing op je lening kan op verschillende manieren:

· Aflossing met annuïteiten: een annuïteit is een gelijkblijvend periodiek te betalen bedrag, waarmee aflossing van de schuld plus de vereffening van de verschuldigde interest plaats heeft.
· Aflossing ineens: aan het eind van de overeengekomen looptijd wordt de lening in een bedrag afgelost. Periodiek wordt los daarvan de verschuldigde interest voldaan.
· Aflossing met gelijke periodieke bedragen (lineaire aflossing): gedurende de looptijd van de lening wordt periodiek een evenredig deel van de lening afgelost. Een lening die bijvoorbeeld voor 20 jaar is aangegaan, word in dit geval in 20 gelijke jaarlijkse termijnen afgelost.

Hypothecaire lening: is een geldlening waarbij de geldgever het recht van hypotheek verkrijgt.

Recht van hypotheek: is het recht dat de geldgever heeft om de als zekerheid dienende zaak te verkopen, als de geldnemer in gebreke blijft bij de betalen van de interest en of aflossing.
De zaak waarop het recht van hypotheek gevestigd is, moet een registergoed zijn. Tot de categorie registergoederen behoren onroerende zaken als grond, huizen en gebouwen, maar ook roerende zaken als schepen. De rechten die op die goederen rusten, zijn aangetekend in een openbaar register.

Er zijn verschillende mogelijkheden om de aflossingen en de interest in geval van een hypothecaire lening te betalen. We noemen de volgende mogelijkheden:
1. Lineaire hypotheek: Elke maand/jaar word eenzelfde bedrag afgelost, tevens word steeds over de afgelopen periode de verschuldigde interest voldaan. De te betalen interest word steeds kleiner, omdat de schuld voortdurend afneemt. VOORDEEL: erg overzichtelijk. NADEEL: Voor mensen die net voor het eerst een huis kopen is het lastig, want je moet in het begin zoveel betalen. Inkomen is bij starters dan ook nog vrij laag.
2. Annuïteitenhypotheek: Een annuïteit is een gelijkblijvend periodiek te betalen bedrag dat een rente en een aflossingsdeel bevat. De annuïteit word zodanig berekend dat aan het einde van de looptijd de gehele lening is afgelost. Doordat er wordt afgelost, vermindert de schuld. Daardoor wordt er steeds minder interest betaald. Aangezien de annuïteit steeds gelijk blijft, neemt het aflossingsdeel in de annuïteit toe. In figuur 6.3 op blz. 67 zie je dat in elke periode een vast bedrag word betaald, de annuïteit. Dit vaste bedrag verandert in de tijd van de samenstelling: Het interestdeel wordt steeds kleiner, het aflossingdeel word steeds groter. VOORDEEL: jaar op jaar word hetzelfde bedrag betaald. Dat geeft zekerheid bij de financiële planning. NADEEL: De schuldrest is na een paar jaar nog groot, als mensen bijvoorbeeld willen verhuizen is dat lastig dat er nog zo’n grote schuld is.
3. Spaarhypotheek: Het bijzondere hiervan is dat er in het geheel niet wordt afgelost. De betaalde interest blijft dus van jaar op jaar gelijk, aangezien de schuld onveranderd blijft. Behalve de interest word elk jaar een gelijkblijvende verzekeringspremie betaald. De verzekeringspremie bestaat uit een spaardeel en een verzekeringsdeel. Het spaardeel is bedoeld om het eindkapitaal op te leveren waaruit de hypotheekschuld uiteindelijk moet worden afgelost. Het verzekeringsdeel dient om de nabestaanden van de verzekerde (geldnemer) bij diens onverhoopte overlijden een uitkering te geven waarmee ze de hypotheekschuld ineens kunnen aflossen. De geldgever belegt (het spaardeel daarvan) de premie zodanig dat er aan het einde van de looptijd precies genoeg geld is om de schuld in een keer af te lossen.

Consumptieve kredieten:

Koop op afbetaling:
Een koop op afbetaling is een kredietvorm die altijd is verbonden aan de aanschap van een bepaald consumptiegoed. De koper is gewoon eigenaar ge3wordne bij de aankoop van het duurzaam goed. De consument is het een tamelijk starre kredietvorm, hij moet volgend een vast schema zijn aflossingen en rente betalen.

Huurkoop: De koper wordt pas eigenaar als hij alle huurkoopverplichtingen volledig heeft voldaan. Tot dat moment is de geldgever eigenaar van het artikel. Voor de geldnemer is de huurkoop even star als de koop op afbetaling: vast terugbetalingschema en geen recht opnieuw opnemen van afgeloste bedragen.

Persoonlijke lening: De persoonlijke lening is later ontstaan. Het is een consumptieve lening die niet verbonden is met de aankoop van specifieke goederen. De consument mag zelf weten waaraan hij het geleende geld besteedt. Wel is er spraken van een vast interest en aflossingschema.

Doorlopend krediet: Het doorlopen krediet is van nog weer latere datum. Het doorlopend krediet lijkt op een persoonlijke lening. Belangrijkste afwijking is wel dat de bepaling dat de geldnemer eenmaal afgeloste bedragen altijd weer mag opnemen. Wel moet hij iedereen maand een vast bedrag voor aflossing en interest betalen, maar omdat hij ook weer zelf mag opnemen, kan in feite volstaan worden met de interest te betalen. Deze flexibiliteit oogt wel aardig voor de consument maar heeft ook een belangrijk nadeel. Omdat het zo gemakkelijk is steeds weer geld op toenemen, ontstaat het gevaar dat men nooit meer van de lening afkomt.

Tot lang vreemd vermogen rekenen we:
· Hypothecaire lening
· Onderhandse lening
· De gewone obligatielening

Kort vreemd vermogen:
· bankkrediet
· leverancierskrediet
· afnemerskrediet

Leasing: Is het huren van een roerende of onroerende zaak voor een bepaalde periode.
De huurder noemen we de Lessee, en de verhuurder de Lessor. Leas bijv een auto, pc.

Je hebt 2 soorten leasen:
Operational Lease: Operational lease komt dicht bij het huurcontract. Het leasecontract kan in dit geval op korte termijnen worden opgezegd en periodiek (maandelijks) moet een huurtermijn betaald worden. Omdat de lessee geen eigenaar is van het geleasde object, staat het dus op de balans van de lessor.

Financial lease: Financiering van het geleasde object staat voorop. Dit contract heeft meestal een lange looptijd van rond de 20 jaar. De lessee heeft het economisch eigendom en draagt ook alle risico’s die aan het object zijn verbonden. Hij betaald dus alle onderhoudskosten, verzekeringskosten. In de periodiek te betalen leasetermijn zijn alleen vergoedingen begrepen voor afschrijving en interest. .

Na afloop van de lease periode kan de lessee meestal kiezen uit de volgende mogelijkheden:
· Productiemiddel teruggeven aan de lessor
· Het contract voortzetten
· Het productie middel van de lessor kopen

Leverancierskrediet: Je moet elkaar hier goed vertrouwen, je koopt van een bedrijf een bepaald aantal goederen, je betaald alleen pas na een tijdje terug.

Bankkrediet of rekening-courantkrediet: je leent ergens geld, en de ene maand stort je weer veel geld, en de andere maand heb je weer heel veel geld nodig, door de seizoenen.

Factoring: is een vorm van financiële dienstverlening door factormaatschappijen of factors die er in bestaat dat de factoor de vorderingen van ondernemingen op hun afnemers overneemt.

Afnemerskrediet: is in het geval van afnemerskrediet de afnemer degeen die het krediet (zijn vertrouwen) geeft aan de leverancier. Hier moet eerst betaald worden en daarna volgt pas de tegenprestatie van de leverancier.

Hoofdstuk 3.
Hoofdstukje 7

Marketing: omvat alle activiteiten die een organisatie onderneemt om zijn ruilactiviteiten te bevorderen, te vergemakkelijken en te bespoedigen.

Marketingmix: is de combinatie van instrumenten waarmee een bedrijf in de wensen van de afnemers wil voorzien.

Product: Alles wat in een behoefte kan voorzien, noemwen we een product.

· Product
· Prijs
· Plaats
· Promotie

Omgevingsfactoren: zijn externe omstandigheden waarmee een organisatie bij het toepassen van de marketingmix rekening moet houden.
· Niet beïnvloedbare omgevingsfactoren:
- een organisatie kan hier invloed op uitoefenen, omgekeerd hebben die factoren wel invloed op de activiteiten van een organisatie.
- Wetten (sociale wetten, arbeidswetten)
- Macro-economische ontwikkeling (hoe het economisch in een land gaat, rente, inflatie,belastingen)
- Demografische ontwikkeling: (Verandering in leeftijdsopbouw in een land)
- Sociaal en cultureel milieu: Je moet rekening houden met culturele verschillen.
- Technologische ontwikkelingen: dat er bijv veel tv stations komen.
· beïnvloedbare omgevingsfactoren:
- inkoop
- verkoop
- concurrentie

Hoofdstukje 8

Het marktaandeel van een bedrijf is diens afzet (9in hoeveelheden) of omzet (in euro’s) uitgedrukt in procenten van de afzet of omzet van de gehele bedrijfstak.
Een marktaandeel kan je dus uitdrukken in hoeveelheden (geld, kilos, aantallen)

Positioneren: Duidelijk maken waarom een consument nou juist DAT product moet kopen.

Een marktsegment (of doelgroep) is een groep mensen met dergelijke kenmerken, die op gelijke wijze reageert op de marketingmix. Een aanbieder kan een marktsegment selecteren op basis van verscheidene kenmerken: geslacht, opleiding, inkomen, leeftijd.

Marketingstrategie is de wijze waarop een producent met de elementen van marketingmix inspeelt op de eigenschappen van zijn doelgroep.
We onderscheiden de volgende marketingstrategieën:
· ongedifferentieerde marketing: hierbij word geen marketing segmenten onderscheiden, iedereen is de doelgroep.
· Gedifferentieerde marketing: Als de ondernemer voor elke marktsegment het product aanpast, en dus richt op elk segment.
· Dit is exclusief en voor bepaalde groep. Bijvoorbeeld Rolex (rijke mensen).

Hoofdstukje 9.

Productmix: is de combinatie van eigenschappen die een product bezit.
· kwaliteit
· merk
· verpakking
· service

Technische kwaliteit: objectief, (grondstoffen en constructie)
Consumentenkwaliteit: subjectief, wat de consument er van vind, qua merk, garantie.

Garantie: is het vrijwaren van de koper voor onverwachtse kwaliteitsvermindering.
Merk: is een naam, een beeld of symbool waarmee een product wordt aangeduid.
Fabrikantmerk: zoals Hak
Individueel merk: Zoals unilever heeft: zeeuwsmeisje, becel, rama, bona enz.
Collectief fabrikantenmerk of paraplumerk voorziet de fabrikant al zijn producten van hetzelfde merk, zoals Philips.
Assortiment: geheel aan producten wat een winkel aanbied
Winkelmerk: Merk gevoerd wordt door de handel (bijvoorbeeld spar)
Eigenmerk: bijv ‘perfect’ van Deen.
Verpakking heeft 4 functies:
· Bescherming (filmrolletjes die niet kapot mogen gaan)
· Communicatie (product wordt aangetrokken door opvallende verpakking+info)
· Verkoopstimulering (mooie verpakking kan doorslaggevend zijn bij de verkoop)
· Hanteerbaarheid (veel producten kunnen zonder verpakking niet worden vervoerd)

Service is een onderdeel van productmix, letterlijk dienstverlening.
De behoefte aan service kan zich bij de koper voordoen:
· Voor de aankoop (demonstratie, proefopstelling, bouwtekening)
· Tijdens de aankoop (Bezorging, installeren, gebruiksinstructie’)
· Na de aankoop (onderhoud, reparatie, garantie)

Immateriële product eigenschappen:
· kwaliteit
· merk
· verpakking
· service
Materiele product eigenschappen:
Tastbare producten, bijvoorbeeld roestbestendigheid van een auto, enz.

De productlevenscyclus: is het verloop van de afzet van een product in de loop der tijd.

Fasen van de levenscyclus:
De productlevenscyclus bestaat uit vijf fasen:
· Introductiefase: het nieuwe product moet zich bewijzen.
· Groeifase: de afzet vertoont in de groeifase een snellere toename, de hoge prijs wordt later verlaagd om nieuwe kopers te trekken.
· Rijpheids fase: De afzet groei neemt af. Behalve mensen die het product voor het eerst kopen, zien we ook vervangingsvraag optreden. Vervangingsvraag houdt in dat versleten producten worden vervangen voor nieuwe producten. Premiums: dit zijn kleine cadeautjes die bij de koop worden verstrekt.
· Verzadigingsfase: Afzet groeit niet meer. Vooral vervangingsvraag treed er op.
· Neergangfase: De afzet daalt, de winst is laag, en er kan verlies ontstaan.

De lengte en hoogte van de levenscyclus worden onder meer bepaald door factoren als:
· De modegevoeligheid van een product: top 40 liedje is kort in trek
· Technische ontwikkeling: eerst langspeelplaat, nu cd
· De concurrentie: succesvolle producten worden nagemaakt.

De prijs van een product is het geldbedrag dat de afnemer aan de verkoper betaald om een product te verkrijgen.

Doeleinden van de prijs:
· Productie en verkoopkosten
· Goed rendement behalen
· Bepaald deel van de markt veroveren
· Concurrentiemiddel

Enkele manieren om de hoogte van de prijs vast te stellen zijn:
1. kostengeoriënteerde prijsbepaling
2. vraaggeoriënteerde prijsbepaling

Bij kostengeoriënteerde prijsbepaling worden de productiekosten verhoogd met een brutowinstpercentage (de brutowinstopslag)

Bij vraag georiënteerde prijsbepaling neemt de prijs die de consument voor het product wil betalen, als uitgangspunt.

Er zijn verschillende manieren om de prijs die de consument wil betalen als uitgangspunt te nemen:
· Prijsdiscriminatie: Als er op hetzelfde moment voor het zelfde product op verschillende marktsegmenten verschillende prijzen worden gevraagd.
· Psychologische prijzen: NS-tienertoer, kortingen aan ouderen, euro: 9.95.
· Afroompolitiek: houdt in, dat de producent voor een nieuw producet aanvaneklijk een hoge prijs vraagt en vervolgens de prijs geleidelijk verlaagt.
· Penetratiepolitiek: Hier kiest de ondernemer met zo lage prijs dat meteen een groot deel van de markt wordt bedient.
· Prijskortingen: Drie halen , twee betalen.

Profijtbeginsel: Houdt in dat de gebruiker van een bepaalde voorziening de kosten daarvan betaalt.

Niet monetaire aspecten van de prijs kunnen zeer verschillend van aard zijn, zoals:
· Bereikbaarheid: berucht zijn in dit verband de beperkte openingstijden van de gemeentesecretarie. Hoe moet iemand met een normale baan van negen tot vijf pas poot aanvragen om een rijbewijs te verlengen.
· Psychologische drempels: komen we vaak tegen bij medische behandelingen. De angst voor tandarts en ziekenhuis zijn bekende voorbeelden.

Het plaatsbeleid of distributiebeleid betreft al het handelen dat erop is gericht de goederen op de plaats te krijgen waar de afnemer deze goederen verwacht.

De klassieke keten:
In de klassieke keten of lange keten vervult de grossier een belangrijke taak. Door van veel verschillende producten importeurs goederen te kopen, biedt hij de detaillist een aantrekkelijk assortiment. We noemen dit de collecterende functie van de grossier. De leveringen van de grossier aan de detaillist vormen de distribuerende functie van de grossier. Door het optreden van een grossier hoeft de detaillist niet langer zelf zijn inkopen bij honderden verschillende producten/importeurs te doen. De klassieke of lange keten wordt het meest toegepast bij consumentproducten. Een korte keten is het als albert hein geen grossier heeft.

Detaillist: is degene die de producten aan de consument levert.
Kleinhandel: levert producten aan de consumenten
Groothandel: levert aan andere handelaren/winkels

Rabat: De fabrikant brengt de detaillist de adviesprijs in rekening als inkoopprijs, maar verstrekt daar een korting op, het rabat.

Directe distributie: appeltjes aan de weg aan Zwaag. (gelijk aan de consument verkopen)

Pushstrategie:
Een pushstrategie houdt in, dat de fabrikaten zijn product door het distributiekanaal probeert te duwen. Door het bieden van hoge marges en het leveren op krediet afhaalt hij de handel ertoe over zijn product in het assortiment op te nemen. De handel wil in deze gevallen extra inspanningen leveren voor de verkoop van het product. Pushstrategie wordt onder mee toegepast bij de handel van cosmetica.

Pullstrategie:
Wanneer een fabrikant/importeur een pullstrategie toepast, probeert hij de consument vraag naar en product te creëren. (zuigkracht) het meest gebruikte instrument hiervoor is reclame. Vooral A-merken passen de pullstratie toe. Als gevolg van de merkbekendheid kunnen supermarkten er niet onderuit A-merken (tegen de voorwaarden van de producent) in het assortiment op te nemen.

Brutowinstmarge: is het verschil tussen de verkoopprijs en de inkoopprijs van een product.

De brutowinstmarge wordt uitgedrukt in een percentage van de verkoopprijs. Overigens kan de brutowinst ook worden uitgedrukt in een percentage van de inkoopprijs, maar dan spreken we van de brutowinstopslag.

Hoofdstukje 12

Het promotiebeleid omvat alle activiteiten waarmee de interesse van de afnemer wordt gewerkt en waarmee hij tot de aankoop wordt overgehaald.

Het promotiebeleid dient om de verkopen te stimuleren. De werking van het promotiebeleid is samengevat in de zogenaamde AIDA formule:
A= Attention: aandacht getrokken
I= Interest: de koper krijgt belangstelling (interest) voor het product.
D= Desire: De koper wenst (desire) het artikel te kopen.
A= Action: hij gaat het kopen.

Tot de instrumenten van promotiebeleid worden gerekend:
· persoonlijke verkoop
· reclame
· public relations

Persoonlijke verkoop: is er rechtstreeks contact tussen de afnemer en verkoper.
Een koopovereenkomst is een overeenkomst waarbij de verkoper zich verbindt een bepaalde zaak te leveren en de koper zich verbindt de overeengekomen prijs te betalen.

De belangrijkste rechten en verplichtingen van de verkoper zijn de volgende:
· de verkoper heeft recht op de overeengekomen koopsom
· de verkoper heeft een leveringsplicht en een vrijwaringplicht
(de leveringsplicht van de verkoper houdt in dat hij ervoor moet zorgen, dat de koper ook inderdaad de beschikking krijgt over zijn aankoop).
De koper heeft als plicht het betalen van de overeengekomen koopsom. De rechten van de koper zijn in het spiegelbeeld van de verkoper.

De vrijwaringplicht van de verkoper houdt in, dat de verkoper instaat voor het verborgen gebreken en dat de verkoper ervoor zorgt, dat andere geen aanspraak kunnen maken op het gekochte product.
Van verborgen gebreken is sprak, wanneer de koper bij uiterlijke inspectie van het gekochte niet had kunnen zien dat er iets aan mankeerde.

Reclame is elke vorm van niet persoonlijke presentatie en promotie van ideeën, goederen en diensten. Belangrijk doel van reclame is informeren.

Op de basis van de boodschap onderscheiden we:
· Individuele reclame: van 1 product (frisia financieringen)
· Collectieve reclame: Bijv; Kappers, Bloemenbank
· Ideële reclame: Het doel van deze reclame is het veranderen van gedragingen of opvattingen van mensen.
· Actiereclame: Korte termijn + omzetvergroting: (koop kaas, en krijg een mes)
· Themareclame: Lange termijn + gedragsverandering (Biertje?)

Free Publicity: wordt een bepaald product of bedrijf in de media genoemd zonder dat de belanghebbende voor deze publicatie heeft betaald.

Reclame Code: hier moet de pers zich aan houden. Je mag de consument niet belazeren.
De Reclame Code Commissie: behandelt eventuele klachten.
Public relations: is het stelselmatig bevorderen van wederzijds begrip tussen een organisatie en groepen van het publiek die voor de organisatie van belang zijn. Een belangrijk onderdeel van P.R is het verstrekken van informatie over de bedrijfsactiviteiten.
Het verstrekken van algemene informatie over het bedrijf heeft tot doel:
· Het wegnemen van vooroordelen tegen het bedrijf
· Het voorkomen van ongunstige overheidsbeslissingen voor het bedrijf
· Het onder de aandacht brengen van nieuwe producten of productieprocessen.

Hoofdstukje 13:

Marktonderzoek: is het verzamelen, vastleggen en analyseren van gegevens die betrekking hebben op de markt voor een bepaald product en op de effectiviteit van de marketinginstrumenten (marketingmix).

Het raadplegen van interne bronnen (binnen het bedrijf) en externe bronnen (CBS, buiten het bedrijf dus) heet: Desk Research.

FIELD RESEARCH:
3 vormen:
· Experimenten: (het product in een nieuwe verpakking in winkels verkopen, testen)
· Steekproeven: Dit is een deel van een verzameling (populatie) dat informatie geeft over de hele verzameling.
· Vergelijkend warenonderzoek: dit wordt uitgevoerd door de consumentenbond.

Hoofdstuk 4.

Hoofdstukje 14

Niet commerciële organisaties: zijn gericht op het uitgeven van geld door het vervullen van hun taak.
Commerciële organisaties: Juist geld moeten verdienen door het vervullen van hun taak.

Inputfinanciering: subsidieerden van scholen,ziekenhuizen enz, door de overheid.
Lump-sum-financiering: de organisatie krijg dan haar geld op basis van een prestatienorm.

De begroting is de financiële vertaling van het voorgenomen beleid van een organisatie in een toekomstig boekjaar. De financiële vertaling kan uitgedrukt zijn in inkomsten en uitgaven, maar ook in baten (of winsten) en lasten (of verliezen).

Ruim voor aanvang van het nieuwe jaar moet het verenigingsbestuur een begrotingsvoorstel doen aan de ledenvergadering. Het bestuur laat zich hierbij onder meer leiden door:
· Nieuwe plannen
· Bestaande activiteiten
· De financiële positie

Een investeringsbegroting bevat een raming van de kosten en uitgaven die in de komende jaren met de geplande investeringen samenhangen. Tevens bevat het een voorstel om de investering te financieren.

Een liquiditeitsbegroting is een prognose voor de inkomsten en uitgaven van een organistatie voor een komende periode.
Liquide middelen: Kas/Bank

De volgende documenten en gegevens vormen de uitgangspunten voor de liquiditeitsbegroting:
· De begroting van een organisatie
· De investeringsbegroting
· De betalingsverplichtingen aangaande opgenomen leningen (aflossingen, rentebetaling)
· De voorraad liquide middelen aan het begin van de periode
· De bestaande kredietruimte bij de bank (hoeveel mogen we maximaal rood staan).

Hoofdstukje 15

Een handelsonderneming is een bedrijf dat goederen in- en verkoopt zonder deze goederen verder te bewerken.

‘Chicky Bea heeft een drogisterij’
Voordat een handelsonderneming goederen kan verkopen, moet ze die eerst inkopen. Bea koopt voornamelijk in bij een drogisterijgroothandel, maar ze betrekt haarinkomen ook wel bij andere leveranciers. Deze inkomen vormen de collecteren de functie van de handelsonderneming. Bea’s bedrijf kent een zeer uitgebreid assortiment op het gebied van lichamelijk verzorging. De voornaamste functie van zo’n winkel is het op het juiste moment, in de nabijheid van de consument aanbieden van de gewenste goederen in de gewenste hoeveelheid, dit noemen we distribuerende functie van een handelsonderneming.

De gelduitgaven gedurende een bepaalde periode moeten voldaan worden uit de geldontvangsten in diezelfde periode.
De uitgaven betreffen onder meer:
· Betaling ingekochte producten
· De betaling van de inkoopkosten
· Loonkosten personeel
· Rentebetalingen
· Overige betalingen (gas/water/licht/gemeentekosten)

Als een bedrijf geld ontvangt (per kas of op een bankrekening), spreken we van ontvangsten. Geldontvangsten die voortvloeien uit de levering van goederen of diensten noemen we opbrengsten.

De afzet is de hoeveelheid goederen die in een bepaalde periode is verkocht.
De omzet is de som van het aantal verkochte goederen vermenigvuldigd met de werkelijke verkoopprijs van ieder goed.

Enkele oorzaken voor het verschil tussen de verwachte kosten en de werkelijke kosten zijn:
· Prijsveranderingen van enkele kostencategorieën (door loonsverhoging kan de kostenpost lonen stijgen)
· Om dezelfde omzet te behalen is van meer arbeid gebruik gemaakt (bij hetzelfde uurloon per werknemer zijn de totale loonkosten dan hoger)
· Diensteen van derden zijn duurder geworden (denk aan energietarieven, transportdiensten, verzekeringspremies, en gemeentelijk heffingen)

Omzetbelasting: is een belastingheffing op de consumptie van goederen en diensten.
Toegevoegde waarde: is de waardevermeerdering die een product verkrijgt tijdens een productieproces. Je berekend dat zo: waarde eindproduct min waarde ingekochte grond- en hulpstoffen min waarde diensten van derden = toegevoegde waarde.

FIFO methode: First in, Fist out. Deze berekening staat nog wel in de werkboekjes.
LIFO: Last in, Last out.

Gerealiseerde brutowinst is hetzelfde als nacalculatorische brutowinst. Dit vindt plaats na afloop van een bepaalde transactie (bijvoorbeeld een verkoop) of na afloop van een bepaalde periode)

Hoofdstukje 17

Wanneer de handelsonderneming producten verkoopt waarvan de inkoopprijzen betrekkelijk weinig schommelen, is de berekening van de gewenste verkoopprijs sterk te vereenvoudigen door de voorraad te waarderen tegen een vaste prijs: de vaste verrekenprijs VVP.

Berekeningen op basis van verwachte gebeuren per definitie altijd vooraf. We spreken daarom van een voorcalculatie. Voorcalculaties zijn schattingen en dus nooit helemaal zeker.

Na afloop van een bepaalde periode wordt de echte prijs uitgerekend, dit is wel zeker en dit heet de nacalculatie.

Het verschil tussen de toegestane kosten en de werkelijke kosten noemen we het gerealiseerd budgetresultaat.

Hoofdstukje 19

Kosten van de voorraad:
· Bestelkosten: de bestelkosten zijn alle kosten die verband houden met de inkoop. Tot deze kosten behoren de loonkosten van de inkoper, de kosten van het gebruikte materiaal, telefoonkosten, vervoerskosten enzovoorts.
· Opslagkosten: opslagkosten houden verband met het in de voorraad houden van de goederen. Tot deze kosten behoren de loonkosten van het magazijnpersoneel en de kosten van de opslagruimte, zoals verlichting, verwarming, koeling.

Voorraad:
Ruimte
Rente
Risico:
· Kwalitatief (kwaliteit gaat achteruit)
· Kwantitatief (hoeveelheidrisico, diefstal)
· Commercieel (leuke dingen gekocht, maar niet meer in de mode)
· Prijsrisico (Je had het achteraf goedkoper kunnen kopen)

In het algemeen zullen handelsondernemingen ernaar streven de voorraad zo klein mogelijk te houden, dat zonder dat de verkopen in gevaar komen, de kosten en de risico’s zo gering mogelijk zijn. We spreken dan van een optimale voorraad.

Als we de voorraad van een bedrijf beki9ijken, blijft dat vaak een deel van de voorraad al is verkocht, maar nog niet is geleverd, dit zijn de voorverkopen. Over verkochte goederen loopt het bedrijf geen prijsrisico meer. Of er zijn al goederen besteld, gekocht, maar nog niet ontvangen, die noemen we voorinkopen.

Economische voorraad: is de voorraad waarover een onderneming prijsrisico loopt.
Technische voorraad: dat is de echte werkelijk aanwezige voorraad.

Om te produceren moet een bedrijf over productiemiddelen beschikken: gebouwen, inventaris, transportmiddelen, voorraad handelsgoederen, banktegoeden en kasgeld. Dit noemen we de activa. Activa met een relatief korte omlooptijd zijn de vlottende activa.
Omlooptijd is hier minder als een jaar. Vaste Activa staan een bedrijf langer dan een jaar beschikking. Het in de vaste activa geïnvesteerde geld is in de regel pas na een aantal jaren terugverdient.

-De omlooptijd is de tijd die verstrijkt tussen het moment dat het productiemiddel is aangeschaft en het moment dat het geheel is terugverdient uit de verkopen.
-Slijtage: waardedaling van duurzame productiemiddelen.

De restwaarde of residuwaarde is de opbrengt van het productiemiddel bij buitengebruikstelling, dus dat het niet meer word gebruikt.

De economische levensduur is de periode waarin een productiemiddel winstgevend kan worden gebruikt.

Hoofdstukje 20

Vaste kosten, of constante kosten, zijn de kosten die afhankelijk zijn van de gekozen productiecapaciteit en niet van de werkelijk productiegrootte.

Omdat vaste kosten samenhangen met de gekozen productiecapaciteit noemwen we deze kosten ook wel capaciteitskosten.

De productiecapaciteit van een bedrijf is de hoeveelheid goederen die een bedrijf onder normale omstandigheden voort kan brengen.

Dekkingsbijdrage: word ook wel eens contribution margin genoemd.
De bezettingsgraad van een bedrijf is de mate waarin de beschikbare capaciteit wordt benut.

Hoofdstuk 5.

Met behulp van een aantal geprognosticeerde balansen en resultatenrekeningen kan de bedrijfsleiding inzicht krijgen in de verwachte financiële consequenties van haar beleidsvoornemens. Een resultatenrekening is een overzicht van de opbrengsten en de kosten van een bedrijf gedurende een bepaalde periode.

Een balans is een overzicht van de bezittingen, de schulden en het eigen vermogen zoals die op een bepaald moment staan.

Voor meer informatie over de opbouw van een balans kan je even kijken op pagina 174.

Een reserve is het bedrag waarmee het eigen vermogen het geplaatste aandelen vermogen overtreft. Het geplaatste aandelen vermogen wordt opgebracht door de aandeelhouders. Reserves worden gevormd door:
· Winstinhouding
· Waardestijging van activa
· Plaatsing van aandelen met een agio

Emissie: voor het aantrekken van eigen vermogen is het nodig een aantal aandelen te plaatsen (te verkopen of te emitteren) bij beleggers. Bij de oprichten van een NV of BV zijn dat voornamelijk mensen die al nauw bij het bedrijf zijn betrokken.

Het agio: is het verschil tussen de emissiekoers en de nominale waarde van de aandelen.
Het totale agio dat de onderneming bij een emissie ontvangt, komt tot uiting in de balanspost Agioreserve. De agioreserve is een onderdeel van het eigen vermogen van de vennootschap en vind je dan ook terug aan de creditzijde van de balans.

WINSTINHOUDING
Enkele redenen waarom bedrijven het eigen vermogen via winstinhouding verstrekken:
· Geleidelijke vergroting van het eigen vermogen in verband met de uitbreiding van het bedrijf (investeringen)
· Dividend stabilisatie: de in de vette jaren gereserveerde winst kan in de magere jaren worden gebruikt om de dividendbetaling in stand te houden.

Een voorziening is een geschatte toekomstige verplichting:
Voorbeelden:
· Pensioenverplichtingen ten opzichte van het personeel
· Garantieverplichtingen in verband met verkochte goederen
· Periodiek onderhoud van de gebouwen

Een liquiditeitsbegroting is een overzicht van de verwachte ontvangsten in een toekomstige periode.
Een resultatenbegroting is een overzicht van de verwachte opbrengsten en kosten in een bepaalde periode.

Een geprojecteerde balans geeft een overzicht van de verwachte waarden van de activa en passiva van een bedrijf aan het eind van een bepaalde periode.

Hoofdstukje 22

Activa kunnen op verschillende manieren worden gewaardeerd. Zo onderscheiden we;
· Verkrijgingprijs: De verkrijgingprijs is de inkoopprijs plus de bijkomende kosten.
· Actuele waarde: Dit kan de vervangingswaarde zijn, dus het bedrag dat nodig is om een ander goed aan te schaffen dat bedrijf economisch gelijkwaardig is aan het huidige actief.

Immateriële vaste activa: goodwill, vergunningen
Materiële vaste activa: terreinen, gebouwen, transportmiddelen, machines
Financiële vaste activa: zijn onder andere deelnemingen (in andere bedrijven).
Deelneming: wanneer een rechtspersoon duurzaam is verbonden met een andere rechtspersoon ten dienste van de eigen werkzaamheid.

Onder vorderingen kunnen we overlopende activa (transitorische posten) tegenkomen. Dit zijn vooruitbetaalde bedragen en nog te ontvangen bedragen.
Voorbeelden van overlopende posten zijn:
· Vooruitbetaalde verzekeringspremies: Verzekeringspremies worden in de regel voor een jaar vooruitbetaald.
· Te ontvangen interest: de rente op verstrekte leningen wordt vaak na afloop van een bepaalde termijn ontvangen.

PASSIVA
Binnen het eigen vermogen van een NV of BV kunnen we onderscheiden:
· Geplaatst kapitaal: dit is het aandelen vermogen dat bij aandeelhouders is ondergebracht.
· Reserves: dit ontstaat door plaatsing van aandelen met een agio, winstinhoudingen en herwaardingen.

Voorzieningen: hieronder vallen verplichtingen waarvan de omvang en tijdstip van nakomen onzeker is. Voorzieningen kunnen onder andere samenhangen met pensioenverplichtingen.

Langlopende schulden: Obligatieleningen, hyptheken, onderhandse lening
Kortlopende schulden: Handelscrediteuren, nog te betalen bedragen, voor uit ontvangen bedragen.

Totale resultaat: netto-omzetresultaat plus financieringsresultaat.

Cashflow: is de nettowinst (na aftrek van winstbelasting) + afschrijvingen.

Een onderneming is liquide, als ze de kortlopende schulden op het afgesproken tijdstip kan voldoen.

De current ratio is de verhouding tussen de vlottende activa(incl. liquide middelen, en het kort vreemd vermogen. Berekening: Vlottende activa:kort vreemd vermogen.
Quick ratio, vlottende activa-voorraden:kort vreemd vermogen.

De current ratio en de quick ratio moeten we als maatstaf voor de liquiditeit in het algemeen voorzichtig hanteren omdat:
· De voorraden snel kunnen verouderen en daardoor veel minder waard blijken te zijn
· Niet bekend is welke debiteuren uiteindelijk hun schuld niet zullen nakomen
· Er grote verschillen bestaan per branche wat een acceptabele waarde van de ratio is.

De solvabiliteit is de mate waarin een bedrijf – desnoods na liquidatie – alle schulden (zowel kortlopende als langlopende) kan terugbetalen.

Solvabiliteit= totale activa : vreemd vermogen x 100%

Rentabiliteit, ook wel rendement genoemd bereken je zo: opbrengstbelegging:beleggingx100

De rentabiliteit van het totale in een onderneming geinvesteerde vermogen: RTV, is WINST+INTEREST: GEMIDDELD TOTAAL VERMOGEN x 100

Rentabiliteit van het eigen vermogen: REV= winst:gemiddeld eigen vermogen x 100

Het hefboomeffect is het verschijnsel, dat als de kosten van het vreemd vermogen lager zijn dan de rentabiliteit van het totale vermogen, de rentabiliteit van het eigen vermogen groter wordt dan de rentabiliteit van het totaal vermogen.

Hefboomfactor: VV: EV

Hoofdstukje 23:

het exploitatieresultaat: verschil tussen baten en lasten.
Vermogenspositie: de waarde van de bezittingen waaronder de liquide middelen, de omvang van de schulden en de grootte van het eigen vermogen)

Transitorische posten zijn uitgaven, ontvangen, vorderingen of schulden die betrekking hebben op twee opeenvolgende boekjaren, je vind ze daarom in de boekhouding van beide jaren terug.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.