ADVERTENTIE
Is jouw geschiedenisleraar de allerbeste?

Geef hem of haar dan op voor de titel Geschiedenisleraar van het jaar van het Rijksmuseum. De deadline voor aanmeldingen is 31 maart 2020.

Geef je leraar op!

Samenvatting M&O boek 1 & 2

Hoofdstuk 1
Organisatie: een samenwerkingsverband van mensen die bepaalde doelen willen bereiken.
Twee soorten organisaties:
• commerciële organisaties streven naar winst
• niet –commerciële organisaties streven niet naar winst
Rechtsvormen kunnen we splitsen in natuurlijke personen en rechtspersonen.
Rechtspersonen zijn:
• naamloze vennootschap
• besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
• vereniging
• stichting
Eenmanszaak: ondernemingsvorm zonder rechtspersoonlijkheid met 1 eigenaar.
Vennootschap onder firma: ondernemingsvorm zonder rechtspersoonlijkheid waarbij twee of meer vennoten een bedrijf uitoefenen onder gemeenschappelijke naam.
Een naamloze en een besloten vennootschap: rechtspersoon met een in aandelen verdeelt eigen vermogen, waarin elk van de vennoten (aandeelhouders) voor een of meer aandelen deelneemt.
Management: het bepalen van de doelstellingen van de organisatie, het plannen, het organiseren, het geven van leiding en het controleren.
Informatie: gegevens die de kennis van de ontvanger vergroten. Gegevens zijn feiten op zich.
Informatie moet altijd aan de volgende eisen volden:
• betrouwbaarheid: dus juist en volledig
• relevantie: de informatie moet zoveel mogelijk aansluiten op de informatie behoeften
• tijdigheid: de informatie moet er op het juiste moment zijn
Gebruik informatie:
• beslissingen nemen  beslissingsinformatie
• verantwoording afleggen  verantwoordingsinformatie
• vergelijking met de norm  feedbackinformatie
Communiceren: uitwisselen van informatie tussen een zender en een ontvanger.
Zender: degene die de informatie ontvangt.
Medium: het middel dat gekozen wordt om de informatie o ver te brengen.
Feedback: als de ontvanger van de informatie reageert op de zender.
Communicatie:
• Intern: tussen personen of afdelingen binnen die organisatie.
• Extern: tussen afdelingen en personen van die organisatie met de buitenwereld.

Informatie:
• Intern: binnen de organisatie
• Extern: informatie die de organisatie ontvangt van de buitenwereld of zelf stuurt naar de buitenwereld.
Informatiesysteem: het geheel van personen, hulpmiddelen en activiteiten dat gericht is op het verzamelen, verwerken en verstrekken van gegevens om te kunnen voorzien in de informatiebehoeften van personen binnen en buiten de organisatie.

Hoofdstuk 2
***** hier stond niks boeiends******



Hoofdstuk 3
Een balans is een overzicht van de bezittingen, het eigen vermogen, en de schulden van een onderneming op een bepaald moment.
Aan de debetzijde van de balans staan de activa (kapitaalgoederen)
Aan de creditzijde van de balans staan de passiva (eigen en vreemd vermogen)
Een balans moet altijd in evenwicht zijn.
De posten worden op de balans in een bepaalde volgorde opgenomen:
Balans
Vaste activa Eigen vermogen
Vlottende activa Schulden op lange termijn
Liquide middelen Schulden op korte termijn

Een onderneming levert goederen of diensten. Daarvoor ontvangt zij een opbrengst. Voordat er opbrengsten zijn, moeten kosten worden gemaakt.
Het overzicht waarop de opbrengsten en de kosten worden vermeld, is de resultatenrekening (winst –en –verliesrekening). Zijn de opbrengsten groter dan de kosten, dan wordt over die periode winst gemaakt.
Op de balans komen de voorraadgrootheden. De stroomgrootheden staan op de resultatenrekening.

Hoofdstuk 4
De vermogensmarkt is het geheel van vraag en aanbod van vermogen.
De vermogensmarkt bestaat uit de geldmarkt en de kapitaalmarkt.
Op de geldmarkt wordt vermogen verhandeld met een looptijd langer dan een jaar.
Een onderhandse lening is een langlopende lening waarbij geld wordt geleend door 1 geldgever.
Een obligatielening is een langlopende lening die opgesplitst is in kleinere gedeelten (obligaties).
Voorbeelden van kredieten van de geldmarkt zijn:
• rekening –courantkrediet (bankkrediet)
• leverancierskrediet
• afnemerskrediet
Voorbeelden van kredieten op de kapitaalmarkt zijn:
• aandelenvermogen
• obligatieleningen
• onderhandse leningen
• hypothecaire leningen
Op de openbare markt worden leningen verhandeld die door een emissie zijn geplaatst en via de effectenbeurs kunnen worden gekocht en verkocht.
Op de onderhandse markt is er 1 aanbieder die voor het nodige vermogen zorgt.
Institutionele beleggers zijn instellingen die grote sommen geld te beleggen hebben als uitvloeisel van hun hoofdtaak.
Voordelen van de onderhandse markt boven de openbare markt zijn:
• Er kan worden onderhandeld over de voorwaarden
• De leningen zijn goedkoper: het rentepercentage is lager dan bij een obligatielening
• De betaling van aflossing en rente is goedkoper dan bij een obligatielening.
Nadelen van de onderhandse markt ten opzichte van de openbare markt zijn:
• Er kan minder vermogen worden aangetrokken dan op de openbare markt
• Er is geen beursnotering
Op de geld –en kapitaalmarkt treden als geldnemers op:
• consumenten
• ondernemingen
• de overheid
Geldgevers op deze markten zijn:
• spaarders en institutionele beleggers
• ondernemingen
• de overheid
Op de effectenbeurs worden aan – en verkooporders van effecten uitgevoerd.
Belangrijke indices zijn:
• Euronext 100
• Next 150
• AEX
De handel op Euronext vindt plaats via:
• doorlopende handel
• handel door veiling
De soorten orders zijn
• limietorder
• market order.

Hoofdstuk 5
Eigen vermogen (permanent vermogen) bestaat uit:
• aandelenkapitaal
• reserves
• onverdeeld winstsaldo
Aandelen zijn bewijzen van deelname in het aandelenkapitaal van een NV of BV. Bij het aandelenkapitaal onderscheiden we de volgende begrippen.

Maatschappelijk aandelenkapitaal € …
Aandelen in portefeuille € …
---- -
Geplaatst aandelenkapitaal € …
Aandeelhouders nog te storten € …
---- -
Gestort aandelenkapitaal € …

In veel ondernemingen zijn preferente aandelen uitgegeven. Dat zijn aandelen waarbij de aandeelhouders op de een of andere wijze voorrechten genieten boven de houders van de gewone aandelen. De preferentie kan betrekking hebben op:
• de winstuitkering
• de uitkering bij liquidatie
• de zeggenschap (prioriteitsaandelen)
Emissie
• a pari: tegen de nominale waarde
• boven pari: de koerswaarde is hoger dan de nominale waarde (agioreserve)
• beneden pari: de koerswaarde is lager dan de nominale waarde.
De winst van een NV of BV komt toe aan de aandeelhouders. De uitkering die zij ontvangen wordt dividend genoemd. We onderscheiden stockdividend (in aandelen) en cashdividend (in geld).
Het dividendpercentage heeft altijd betrekking op de nominale waarde van de aandelen en is inclusief 25% dividendbelasting die de NV of BV wettelijk verplicht is in te houden (en af te dragen).
De dividendbelasting wordt berekend over het totale dividend, en ingehouden op het cashdividend.
Een reserve is dat deel van het eigen vermogen dat niet uit aandelenkapitaal en winstsaldo bestaat.
Redenen voor reservevorming:
• vergroten van weerstandsvermogen van de onderneming
• vervangen van vreemd vermogen door eigen vermogen
• er hoeft bij uitbreiding geen beroep te worden gedaan op de vermogensmarkt
• dividendstabilisatie (als de onderneming ernaar streeft elk jaar eenzelfde percentage dividend uit te keren)
Soorten reserves:
• winstreserves, onderverdeeld in:
o algemeen reserve, bijvoorbeeld om verliezen te dekken
o wettelijke reserve,
o statutaire reserve, die een bepaalde omvang bereikt moet hebben voor er dividend mag worden uitgekeerd
o bestemmingsreserve, bijvoorbeeld voor nieuwbouw
• herwaarderingsreserve, die ontstaat bij de opwaardering van duurzame productiemiddelen en vlottende activa.
• Agioreserve, deze ontstaat bij een verschil tussen de nominale waarde van de geplaatste aandelen en de emissiekoers.

E intrinsieke waarde paar aandeel is:

Geplaatst en gestort aandelenkapitaal + alle reserves + (onverdeeld) winstsaldo
-----------------------------------------------------------------------------------------------
Aantal geplaatste aandelen

De beurskoers wordt beïnvloed door:
• vraag en aanbod
• intrinsieke waarde per aandeel
• winst –en toekomstverwachtingen
• speculatie
• geruchten

Hoofdstuk 6
Bij het aantrekken van vermogen onderscheiden we:
• eigen vermogen
• vreemd vermogen lang
• vreemd vermogen kort

Een hypothecaire lening is een geldlening op onderpand van onroerende goederen (grond en gebouwen).
Bij de hypothecaire leningen onderscheiden we:
• de lineaire lening
• de spaarhypotheek
• de annuïteitenhypotheek
Bij en lineaire lening wordt elk jaar een deel van de schuld afgelost. Daardoor neemt het bedrag dat elk jaar aan interest moet worden betaald, af. Het bedrag dat aan interest moet worden betaald, mag van het inkomen worden afgetrokken, zodat het belastbare bedrag kleiner wordt.
Voordelen van een lineaire lening zijn:
• de interestkosten dalen snel
• de schuld wordt steeds kleiner

Bij een spaarhypotheek wordt op het geleende bedrag niet afgelost. De schuld blijft dus gedurende de looptijd van de lening even groot. Elk jaar moet over het totaal geleende bedrag interest worden betaald, waardoor de belastingaftrek maximaal is. Ook wordt elk jaar premie betaald. Deze premie vermeerderd met de daarover ontvangen interestvergoeding, moet zodanig groot zijn, dat daarmee de hypothecaire lening aan het einde van de looptijd kan worden afgelost.

Voordelen van een spaarhypotheek zijn:
• fiscaal voordeel
• belastingvrij sparen over de betaalde premies
• de maandlasten blijven even hoog

Nadelen van een spaarhypotheek zijn:
• elk jaar betaal je maximale interest
• er is vaak een klein verschil tussen de interestvergoeding en het bedrag dat je aan interest moet betalen.

Bij een annuïteitenhypotheek wordt gedurende de looptijd van de lening jaar in jaar uit hetzelfde bedrag betaald. Doordat er wel wordt afgelost, wordt het interestbedrag van jaar tot jaar kleiner.

Een obligatielening is een geldlening op lange termijn die in kleine gedeelten is opgesplitst.
Een obligatie is een bewijs van deelneming in een geldlening, en bestaat uit een mantel en een couponblad.
De nominale waarde van een obligatie is de waarde die op de obligatie vermeld staat.
De koerswaarde van een obligatie si het bedrag dat voor de obligatie betaald moet worden.
De emissiekoers is de prijs die voor een obligatie betaald moet worden bij uitgifte van de obligatie.

Obligaties kunnen worden geplaatst:
• a pari (tegen nominale waarde)
• boven pari (er ontstaat agio)
• beneden pari ( er ontstaat disagio)

Een obligatielening moet worden afgelost. Dit kan op de volgende manieren:
• aflossing ineen
• elk jaar een gedeelte (door middel van uitloting)
• inkopen door de onderneming/instelling van eigen obligaties

Obligaties kunnen vervroegd worden afgelost:
• als de onderneming over overtollige geldmiddelen beschikt
• als de interestvoet is gedaald

Een onderhandse lening is een lening op lange termijn die verstrekt wordt door 1 geldgever aan 1 geldnemer.
Voordelen zijn:
• er kan onderhandeld worden over de leningsvoorwaarden
• er zijn geen emissiekosten
• de administratiekosten zijn laag

Een voorziening is en vorm van vreemd vermogen waaraan periodiek bedragen worden toegevoegd ter bestrijding van onregelmatig optredende kosten en/ of uitgaven.

Hoofdstuk 7
Een bank is een instelling die zich bezighoudt met het verlenen van kredieten. Zij verschaft deze uit eigen middelen, uit van derden opgenomen gelden of door creatie.
De eigen middelen vullen meestal een garantiefunctie.
De taken van de algemenen banken zijn:
• het verstrekken van kredieten
• het aanbieden van spaarmogelijkheden
• het verrichten van betalingen voor cliënten
• het bewaren van effecten
• het emissie bedrijf
• de valutahandel

Er is sprake van leverancierskrediet wanneer de leverancier krediet verleent aan de afnemer. Dit leverancierskrediet ontstaat doordat de leverancier goederen levert die later worden betaald.
De leverancier kan dit krediet verlenen omdat:
• hij niet aan het krediet hoeft te verdienen
• hij lagere kosten heeft dan de bank
• hij beter dan de bank de kredietwaardigheid van de klant kan beoordelen
• hij op deze wijze een klant aan zich bindt

Leverancierskrediet kan worden vervangen door eigen vermogen omdat:
• het leverancierskrediet meestal duurde ris dan eigen vermogen
• de leveranciers vaak grote kortingen geven bij contante betaling

Bij afnemerskrediet verstrekt de afnemer krediet aan de leverancier. Dit afnemerskrediet ontstaat doordat de afnemer goederen of diensten betaalt die pas na de betaling worden afgeleverd.
Afnemerskrediet komt voor bij:
• dienstverlenende bedrijven
• speciale orders
• de opkopende handel

Bij rekening –courantkrediet kan van de bank een bedrag worden geleend, waarbij de rekening wordt gebruikt voor de dagelijks betalingen. Het bedrag dat maximaal mag worden opgenomen, wordt het kredietplafond genoemd.
De depostitieruimte is het bedrag dat nog kan worden opgenomen. Het is te berekenen door het bedrag van het kredietplafond te verminderen met het reeds opgenomen bedrag.
Bij een doorlopend krediet wordt een maximaal bedrag afgesproken dat de consument mag lenen. Afgeloste bedragen kunnen steeds weer worden opgenomen.
Bij een persoonlijke lening wordt geld geleend zonder dat daaraan een goederentransactie ten grondslag ligt.
Bij koop en verkoop op afbetaling spreken de koper en de verkoper af dat de koopprijs van een roerende zaak in termijnen zal worden betaald, waarvan er ten minste twee vervalen nadat de koper het genot van de zaak heeft verkregen.
Bij huurkoop geldt hetzelfde als bij koop en verkoop op afbetaling, alleen blijft de verkoper eigenaar van de verkochte artikelen totdat de laatste termijn is betaald.
Niet –commerciële organisaties hebben als financieringsvormen:
• budgetfinanciering
• lumpsumfinanciering
• subsidies
• leningen, contributies en giften

Hoofdstuk 8
Interest is de vergoeding voor het lenen van geld. We maken onderscheid tussen:
1. Enkelvoudige interest
2. samengestelde interest
bij samengestelde interest wordt de interest berekend over het oorspronkelijke geleende bedrag plus de reeds gekweekte interest.
Voor de berekening van enkelvoudige interest gelden de volgende regels.
1. het interestbedrag wordt afgerond o centen
2. de maand wordt o 30 dagen gesteld
3. het jaar wordt op 360 of 365 dagen gesteld
4. bij het berekenen van het aantal dagen wordt de eerste dag wel meegerekend en ede laatste dag niet.
5. het interestpercentage geldt per jaar, tenzij anders wordt vermeld.
Bij enkelvoudig e interest is als algemene interest formule te gebruiken.
K*P*T
I=----------------
100*c

Bij t in jaren c =1 K = kapitaal
Bij t in maanden c=12 P= percentage
Bij t in weken c=52
Bij t in dagen c=360(365)

Hoofdstuk 9
De eindwaarde van een bedrag is de beginwaarde of aanvangswaarde van een storting plus de gekweekte interest.
De constante warde is de eindwaarde van een bedrag verminderd met de nog te kweken interest.
Formule voor de berekening van de eindwaarde of de contante waarde
En=K*(1-i)n E= eindwaarde van één bedrag
I= p/100 K= aanvangswaarde van één bedrag
p= interestpercentage
n= aantal perioden
1
K=En-------- =K=En * (1-i)n
(1+i)n
Bij de berekening wordt het aantal interestperioden steeds aangepast aan de periode waarvoor het interestpercentage geldt.
1. Bij p= 12% per jaar en tijd =10jaar n=10
2. Bij p= 6% per half jaar en tijd = 10 jaar n=20
3. bij p= 3% per kwartaal en tijd is 10 jaar n=40
4. Bij p= 1% per maand en tijd is 10 jaar n=120

Hoofdstuk 10
Een rente is een reeks van gelijke bedragen die met gelijke tussenruimten worden ontvangen of betaald.
De eindwaarde van een rente is de waarde van een reeks gelijke bedragen op een bepaald tijdstip in de toekomst op basis van samengestelde interest.
De contante waarde van een rente is de waarde van een reeks gelijke bedragen op een bepaald tijdstip in het verleden op basis van samengestelde interest.
Om de gekweekte interest in een bepaalde periode te berekenen, berekenen we de eindwaarde aan het begin en aan het eind van de betreffende periode.
Het verschil tussen de beide eindwaarden is de gekweekte intrest.
We kunnen de eindwaarde of contante waarde van een rente ook berekenen met behulp van de somformule van de meetkundige rij:
Rn-1
A*-----------------
r-1

Waarbij:
Eerste term = a
Reden = r
Aantal termijnen = n

Hoofdstuk 12
De standaardkostprijs is een kostprijs die vóór de productie van start gaat, volgens bepaalde normen wordt vastgesteld.

De risico’s van het aanhouden van voorraden zijn:
1. diefstal en brand
2. prijsdaling
3. bederf
4. het uit de mode raken van het artikel

De technische voorraad is de voorraad die werkelijk in het bedrijf aanwezig is. De economische voorraad waarover de onderneming prijsrisico loopt (technische voorraad+gekochte, maar nog niet ontvangen grondstoffen – de verkochte maar nog niet verzonden grondstoffen).

Er zijn vier systemen van voorraadwaardering
1. fifo -stelsel
2. lifo -stelsel
3. vaste verrekenprijs
4. vervangingswaarde

volgesn het fifo –systeem worden de goederen bij verkoop afgeboekt tegen de prijs van de langst aanwezige partij.
Volgens het lifo –systeem worden de goederen bij verkoop afgeboekt tegen de prijs van de goederen die het laatst zijn ingekocht.
Bij de vaste verrekenprijs worden de goederen voor een bepaalde periode opgeslagen en afgegeven tegen een van tevoren geschatte prijs. In de vaste verrekenprijs worden de inkoopkosten opgenomen. Bij toepassing van vaste verrekenprijzen bestaat de brutowinst uit:
1. verkoopwinst
2. resultaat op inkopen
3. resultaat op inkoopkosten
Bij de vervangingswaardetheorie worden de goederen op het moment dat ze worden afgeleverd, afgeboekt tegen de vervangingsprijs, dat is de inkoopprijs op het moment van aflevering.

Logistiek houdt zich bezig met de wijze waarop de goederen worden voortgestuwd op weg naar de consument.
De bedrijfskolom bestaat uit de ondernemingen die het product brengen van producent naar consument.
Het logistiek proces bestaat uit een informatiestroom en goedreen stroom.
Bij het JIT – principe maken ondernemingen afspraken met de leveranciers over het precieze tijdstip waarop onderdelen en grondstoffen beschikbaar moeten komen, ten einde voorraden zo klein mogelijke houden.

Reverse logistics is afval, uitval en de goederenstroom die de producent retour ontvangt die hij o milieutechnische redenen dient te recyclen.

Logistieke systemen zijn:
1. voorraadgestuurde systemen
2. order gestuurde systemen
3. plangestuurde systemen

Hoofdstuk 13
Duurzame productiemiddelen zijn activa die vele jaren door de onderneming kunnen worden gebruikt.
Nadelen van het bezit van duurzame productiemiddelen zijn:
1. de interestkosten
2. de onderhoudskosten
3. het risico van prijsdaling
4. het verliezen van een deel van de prestaties op grond van veroudering

Tot de aanschafprijs van een duurzaam productiemiddel behoren ook de bijkomende kosten, zoals overdrachtskosten (gebouw) en installatiekosten (machines).

Afschrijven is het in de boekhouding tot uitdrukking brengen van de waardevermindering van duurzame productiemiddelen.
De grootte van de afschrijving is afhankelijk van:
1. de waarde van de duurzame productiemiddelen
2. de levensduur
3. de restwaarde
4. het gebruik

De restwaarde van een duurzaam productiemiddel is de opbrengst die de onderneming aan het einde van de levensduur van het productiemiddel verwacht te ontvangen.
Bij de afschrijving met een percentage van de aanschafprijs i het bedrag dat per periode wordt afgeschreven, te vinden met behulp van de formule:
A-R
Afschrijving=-----------------
n
De boekwaarde van een duurzaam productiemiddel berekenen we door de aanschafprijs te verminderen met de reeds afgeschreven bedragen.
Wanneer wordt afgeschreven volgens de vervangingswaarde moeten bij een wijziging van deze waar de afschrijvingsbedragen worden herzien.

Tot de overige kosten van duurzame productiemiddelen worden gerekend de interestkosten kunnen berekend worden als een percentage over:
1. de halve aanschafwaarde
2. het gemiddeld geinvesteerde vermogen gedurende de gehele levensduur.
3. het gemiddeld geïnvesteerd vermogen aan het begin van het jaar.
Complementaire kosten zijn alle kosten die samenhangen met het duurzaam productiemiddel op de afschrijvings –en interestkosten na, zoals onderhouds- en reparatiekosten.

Hoofdstuk 14
Verkoopprijs exclusief omzetbelasting € …… = 100%
Omzetbelasting € …… = 19% (of 6%)
-------------------------
Verkoopprijs inclusief omzetbelasting € …… =119% (of 106%)

Verkoopprijs exclusief omzetbelasting =
100/119 * verkoopprijs inclusief omzetbelasting

Berekening van de inkoopprijs inclusief omzetbelasting met behulp van een brutowinstpercentage (brutowinst opslag):
Inkoopprijs € ….
Brutowinstopslag = ….% van inkoopprijs € ….
--------- +
Verkoopprijs exclusief omzetbelasting € ….
Omzetbelasting is 19% of 6 % van verkoopprijs
exclusief omzetbelasting € …
--------- +
Verkoopprijs inclusief omzetbelasting € ….

Berekening van de verkoopprijs inclusief omzetbelasting met behulp van een nettowinstpercentage (nettowinstopslag):
Geschatte inkoopprijs € …
Opslag voor inkoopkosten =….% van geschatte inkoopprijs € …
------- +
Vaste verrekenprijs € …
Opslag voor overheadkosten = …% van VVP € …
------- +
Kostprijs € …
Nettowinstopslag = ….% van kostprijs € …
------- +
Verkoopprijs exclusief BTW € …
Omzetbelasting 19% of 6% € …
------- +
Verkoopprijs inclusief BTW € …

Berekeing van percentages

brutowinst
Brutowinstpercentage =--------------------- *100%
inkoopprijs

overheadkosten
Percentage voor overheadkosten = ----------------------------------- * 100%
VVP

nettowinst
Nettowinstpercentage =------------------------* 100%
kostprijs

Hoofdstuk 15
Voorcalculatorisch (verwacht): vóór een periode begint
Nettowinst
Nacalculatorisch (gerealiseerd): na afloop van een periode

Berekening van de nettowinst volgens de brutowinstopslagmethode:
Omzet € …
Inkoopwaarde van de omzet € …
------- -
Brutowinst € …
Bedrijfskosten € …
------- -
€ …
Interestopbrengesten € …
------- +
Nettowinst € …

Berekening van de nacalculatorische nettowinst volgens de nettowinstopslagmethode.

Omzet € …
Inkoopwaardeomzet € …
------- -
Gerealiseerd verkoopresultaat € …
Resultaat op inkopen € …
Resultaat op overheadkosten € …
Resultaat op inkoopkosten € …
-------
Gerealiseerd budgetresultaat € …
------- + of –
Gerealiseerde nettowinst € …

Hoofdstuk 16
Variabele kosten zijn afhankelijk van de productie of afzet.
Constante kosten zijn binnen de bestaande capaciteit onafhankelijk van de productie of afzet.
Break –evenafzet:
Totale constante kosten
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------=
(verkoopprijs –inkoopprijs – variabele kosten) per eenheid product

totale constante kosten
-------------------------------------------------------------------
dekkingsbijdrage per product

Break -evenafzet grafisch:
1. snijpunt totale opbrengstlijn en totale kostenlijn
2. snijpunt dekkingsbijdrage en constante kostenlijn

Hoofdstuk 17
In de industrie maken we onderscheid tussen:
1. massaproductie, de producent bepaalt het type product en hoopt dat veel consumenten zijn product willen kopen
2. stukproductie, de consument bepaald het type en de producent houdt rekening met de individuele wensen van de consument.

Standaardkosten zijn de kosten die een onderneming moet maken wanneer de productie plaats vindt onder normale omstandigheden.
De standaardkostprijs is de som van de toegestane (standaard)kosten, meestal berekend per product.
In de voorcalculatie worden de verwachte kosten vastgesteld.
In de nacalculatie wordt vastgesteld hoe groot de werkelijke kosten waren.

Bij massaproductie gaat men uit van de kostenindeling in variabele en constante kosten. De kostprijs vinden we met behulp van de volgende formule:

In woorden
Kostprijs= Totale constante standaard kosten + Totale variabele standaardkosten
Normale productie Begrote productie

In Formule
Kostprijs= Cs + Vs
Np Bp

Wanneer de op deze wijze gevonden kostprijs met een percentage voor nettowinst wordt verhoogd, vinden we de verkoopprijs excl. BTW.

Het bezettingsresultaat wordt gevonden met behulp van de formule:

Bezettingsresultaat = (Bp-Np) x Cs
Np

Bij onderbezetting: Bp Np is er een voordelig bezettingsresultaat.
Als de kosten worden verdeeld in fabricagekosten en verkoopkosten, valt het bezettingsresultaat uiteen in een bezettingsresultaat op de constante fabricagekosten. (zie formule bezettingsresultaat)
En een bezettingsresultaat op de constante verkoopkosten (zie formule bezettingsresultaat, p wordt a).
We onderscheiden de fabricagekostprijs en de commerciële kostprijs.
De fabricagekostprijs is de kostprijs waarin de toegestane kosten van de fabricageafdeling zijn opgenomen.
Verhogen we de fabricagekostprijs met de toegestane verkoopkosten per product, dan vinden we de commerciële kostprijs.
Het verkoopresultaat = afzet * (verkoopprijs - commerciële kostprijs)

In de voorcalculatie is het bedrijfsresultaat gelijk aan:
1. de verwachte omzet – de verwachte kosten
2. het verwachte verkoopresultaat + de verwachte bezettingsresultaten.

Hoofdstuk 18
Het machine –uurtarief bereken we als kostprijs waarbij de p de u van uren krijgt.
Het gerealiseerd verkoopresultaat berekenen we als de netto –omzet verminderd met de afzet tegen kostprijs of werkelijke afzet * (verkoopprijs – commerciële kostprijs).
Het gerealiseerde budgetresultaat bestaat uit het verschil tussen de werkelijke afzet tegen de kostprijs en de werkelijke kosten van deze afzet.
Het nacalculatorische bedrijfsresultaat is gelijk aan het gerealiseerde verkoopresultaat +het gerealiseerde budgetresultaat.

Het nacalculatorische budget voor een bepaalde periode bestaat uit:
Werkelijke productie van die periode * de standaard variabele kosten per eenheid product= € …
Standaard constante kosten van die periode
(=evenredig deel van de jaarlijkse constante kosten € …
-------- +
Budget € …

Hoofdstuk 19

Efficiencyresultaten Het verschil tussen verwachte en werkelijke hoeveelheden
Prijsresultaten Het verschil tussen verwachte en werkelijke prijzen

De standaard of toegestane hoeveelheid Sh
De werkelijke hoeveelheid Wh
De standaard of toegestane prijs Sp
De werkelijke prijs Wp

Formule efficiencyresultaat:
(Sh-Wh) x Sp

Sh>Wh er is een voordelig resultaat
ShWp er is een voordelig resultaat
Sp

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

B.

B.

Op de geldmarkt wordt vermogen verhandeld met een looptijd langer dan een jaar.
Langer hoort: korter te zijn!

13 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast