H10 Sociale veranderingen in het verhoudingsvraagstuk

Beoordeling 0
Foto van Jay
  • Samenvatting door Jay
  • 5e klas vwo | 1196 woorden
  • 21 juni 2022
  • nog niet beoordeeld
  • Cijfer
  • nog niet beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Studententijd zomerspecial

Heb jij de Zomerspecial van Studententijd de podcast al geluisterd? Joes, Steie, Dienke en Pleun nemen je mee in hun zomer vol festivals, vakanties en liefde. En kijken ook alvast vooruit naar de introductietijd van het nieuwe collegejaar. Luister lekker mee vanaf je strandbedje, de camping of onderweg. 

Luister nu!

10.1 Casus: Industriële Revolutie


Democratisering is het procces dat de verschillen in invloed in het bestuur van een samenleving verkleint. Democratisering begon tijdens de Industriële Revolutie in de 19e eeuw, toen door innovatie in landbouw de bevolking toenam. Arbeid in de industriële sector steeg, de productie versnelde door mechanisering en de welvaart nam toe.


De industriële revolutie zorgden voor meer sociale ongelijkheid. Arbeiders werkten lange uren onder zware omstandigheden om hun gezin te kunnen onderhouden, en de kinderen werkten mee.


Dit veranderde over de tijd, en nu, in de 21e eeuw, is er leerplicht, verbod voor kinderen op werken onder zware omstandigheden, en is 7 dagen werken een uitzondering en niet de norm.



10.2 Analyse: Sociale ongelijkheid


Sociale ongelijkheid


Tijdens de revolutie ontstondt een klassenmaatschappij, gebaseert op bezit van productiemiddelen. Het verschil in leven van een fabriekdseigenaar en arbeider waren groot. Dit is sociale ongelijkheid, een situatie waar verschillen in kenmerken maatschappelijke postities bepaald.




  • Verschillen tussen mensen kunnen beide aangeboren en niet aangeboren zijn.




  • Verschillen hebben consequenties voor iemands maatschappelijke positie.




  • Verschillen kunnen leiden tot ongelijke verdeling van schaarse en hooggewaardeerde zaken (Macht en bezit), ongelijke waardering (Status) en ongelijke behandeling (Status).




Aangeboren verschillen bestaan uit de variabelen geslacht, huidskleur, handicap, etc. Niet-aangeboren verschillen ontstaan uit het procces van socialisatie. Waar je woont, waar je werkt, met wie je omgaat.


Maatschappelijke ladder


Sociale stratificatie is de verdeling van de maatschappij in groepen waartussen sociale ongelijkheid bestaat. Die groepen noemen we sociale lagen. Leg deze sociale lagen op elkaar en er onstaat een maatschappelijke ladder. Bijvoorbeeld de beroepsprestigeladder, waar chirurgen meer status hebben dan docenten, en docenten meer dan vuilnismannen.


Je plaats op de maatschappelijke ladder kan veranderen. Dit noemen we sociale mobiliteit, waarbij positietoewijzing en positieverwerving rollen spelen.



Positietoewijzing
Aan dit procces kan je bijna niks doen. Het gebeurt buiten de betrokken mensen om. Bijvoorbeeld, mannen worden bevoordeeld ten opzichte van vrouwen, en mensen met een niet-Nederlandse achtergrond worden een lagere plek toegewezen in de samenleving dan mensen met een Nederlandse achtergrond.




Positieverwerving
Aan dit procces kan je wel iets doen, je positie kan veranderen door eigen bijdrage. Bijvoorbeeld mensen die curcussen doen hebben meer kans op een goede baan dan mensen met weinig educatie.




10.3 Paradigma's over ongelijkheid


Functionalisme-paradigma


Volgens het functionalisme-paradigma is sociale ongelijkheid nuttig. Armoede en armen hebben een functie die uitgevoerd moeten worden, en rijkdom en rijken hebben functies die uitgevoerd moeten worden.




  • In een vrije marktsysteem zorgen de armen ervoor dat het laagbetaalde arbeid wordt uitgevoerd omdat ze geen andere keuze hebben. Hoewel dit niet goed is voor de mensen zelf, is dit wel functioneel voor het kapitalistisch systeem.




  • De aanwezigheid van armoede zorgt voor werkgelegenheid voor mensen die hen willen helpen, zoals hulpverleners en andere sociale diensten.




  • Armoede heeft een waarschuwingsfunctie voor de samenleving om te streven naar succes.




  • Armoede zorgt voor vraag naar goedkope producten en woningen.




Deze manier van denken past bij de functionalisten want zij bekijken de samenleving op een technische en doelmatige manier en beargumenteren dat alles in de samenleving een functie heeft.


Conflict-paradigma


Volgens het conflict-paradigma is sociale ongelijkheid ingebakken in de samenleving. De ongelijkheid komt door een machtsverschil dat komt door verschillen in hulpbronnen. Deze ongelijkheid zou volgens Karl Marx, de bekenste conflict denker, leiden tot een groot conflict tussen de klassen, waar de op uitbuiting gebaseerde samenleving omver gegooid zou worden.


Sociaalconstructivisme-paradigma


Volgens het sociaalconstructivisme-paradigma bepaalt sociale ongelijkheid hoe een actor zich gedraagt. Een onderzoek in 1938 laat zien dat de manier waarop Amerikaanse meiden worden behandelt (status) direct invloedt heeft op hoe zij zich gedragen. Ook kan het andersom. De manier waarop de meiden zich gedragen had ook direct invloed op de manier waarop ze werden behandeld. Volgens dit paradigma is sociale ongelijkheid dus een construct gebaseerd op interacties tussen mensen.


Rationeel-actor-paradigma


Volgens het rationeel-actor-paradigma is ongelijkheid de creatie van een zet van keuzes die actoren maken voor hun eigen belang. Adam Smith, filosoof, stelde dat een invisible hand voor welvaart zorgt als iedereen zijn eigenbelang najaagt. Maar ook stelde hij dat er ruimte moet zijn voor empathie, medelijde en compassie voor de ellende van andere mensen.



10.4 Ideologie: Communisme, socialisme en sociaal-democratie


Communisme


Het communisme is vaak gekoppeld aan Karl Marx, en dus aan het conflict-paradigma. Communisten geloven dat ongelijkheid zorgt voor conflict, en willen dus een samenleving met complete gelijkheid. Karl Marx's ideeën over het omver gooien van het capitalistische systeem willen zij werkelijk uitvoeren. Door een revolutie en een tijdelijke dictatuur (overgangsdictatuur) kan de macht teruggegeven worden aan het volk en kan de gelijkheid afgedwongen worden. 


Socialisme


Socialisme geloven ook in veel gelijkheid, maar wijzen een revolutie principeel af. Ook zien ze dat om gelijkheid te hebben, je een figuur of organisatie nodig hebt met meer macht dan het volk om de gelijkheid af te dwingen. Denk Hobbes' Leviathan en rationele-actor-paradigma, en een grote overheid is key. Onderwijs is ook belangrijk voor socialisten; het is de manier om de maatschappelijke ladder op te klimmen.


Sociaal-democratie


Sociaal-democraten willen gelijkheid, maar ook vrijheid. Ze weten dat met te veel macht, ondernemers arbeiders gaan uitbuiten, maar willen ook vrijheid op de markt. Ze zoeken naar een middeweg tussen vrije economie en planeconomie, een gemengde economie. De overheid moet dus niet zo groot zijn als die van de socialisten.


Nederlandse politiek


De CPN is in 1991 opgegaan in GL. De communisten die het hier niet mee eens waren vormden de NCPN. GL hoort bij het socialisme, maar heeft op bepaalde vlak liberale punten. Ook SP en PvdD zouden socialistische genoemd kunnen worden, want ze pleitte beiden voor gelijkheid. (Dierenrechten zijn ook een vorm van gelijkheid.)


De PvdA is een sociaal-democratische partij die pleit voor controlle als het gaat om werkgelegenheid, maar wel de vrije markt wil behouden. Ze zijn groote voorstanders van gelijke rechten.



10.5 Oplossing en ontwikkeling: verzorginsstaat en institutionalisering


Om de sociale ongelijkheid op te lossen, zover dat kan, werd de verzorginsstaat opgesteld, en begon het bouwen van wet- en regelgeving, die onderdeel zijn van de institutionalisering.


verzorginsstaat


Tijdens de industriële revolutie vochten arbeiders voor verandering in hun bare omstandigheden. De middenklasse en mensen uit de hogere klasse deden mee. Dit conflict leidde tot een debat over de sociale kwestie. Arbeiders protesteerden tegen kapitaalbezitters en hun privé-bezit, die verboden moest worden. Conservatieven en liberalen wouden niks horen over dit en overheidsbemoeienis. Uiteindelijk kwamen ze tot een compromis, privé-bezit werd toegestaan, maar de overheid moest arbeiders gaan beschermen. Dit was de eerste stap van de verzorgingsstaat.


Naast welvaart moest ook welzijn verbeterd worden. Levensomstandigheden moesten verbeterd worden door sociale wetten. De eerste Nederlandse sociale wet was het Kinderwetje van Van Houten in 1874. In de volgende eeuw volgden wetten zoals de Ongevallenwet en de Invaliditeitswet. Dit zorgde voor flexibiliteit op de maatschappelijke ladder en maakte van Nederland een open samenleving.


institutionalisering


Het maken van wetten is institutionalisering, het procces waar sociale en politieke instituties worden vastgelegd in standaardspatronen. Nieuwe wetgeving veranderen oudere standaardspatronen die er voor de institutionalisering waren. institutionalisering zijn vaak voortkomend uit waarden van een cultuur.


institutionalisering zorgt dus voor bescherming van waarden die belangrijk zijn voor een samenleving, en zorgt voor voorspelbaar gedrag in een complexe samenleving.



socialeongelijkheid->




wens voor politiek ingrijpen ->




Creëren van verzorgingsstaat ->




Institutionalisering

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Ook geschreven door Jay