ADVERTENTIE
Luisterboeken: de makkelijke optie? Lars is niet echt een fan van lezen. Daarom gaat hij op zoek naar de beste manieren om door zijn leeslijst heen te komen. Red je het met alleen maar samenvattingen, of is een e-reader of luisterboek een betere optie? Deze video wordt mede mogelijk gemaakt door Storytel.

Probeer 30 dagen gratis

Maatschappijwetenschappen: Politieke Besluitvorming - complete samenvatting

Hoofdstuk 1

1.1 het begrip politiek
politicoligie:, de wetenschap die politiek onderzoekt. Bestaat geen overeenstemming over een definitie van politiek.
Hieronder volgt een aantal mogelijk betekenissen van politiek:
- politiek in de betekenis van beslissingen van de regering: dat wil zeggen het overheidsbeleid om een probleem op te lossen. Bijv.: drugspolitiek.
-politiek in de betekenis van staatsinrichting, dat wil zeggen alle regels voor de manier waarop een land bestuurd wordt. Bijv: macht v.h. staatshoofd.
-politiek als de handelwijze of strategie om een doel te bereiken. Bijv: denk aan de politiek vn de vereniging van verkeersvliegers om schiphol tot onveilige luchthaven te verklaren.
- politiek in de betekenis van behendig,sluw,slim,achterbaks. Bijv: in de zin van vervelende politieke spelletjes. ( iemand zegt niet precies wat hij denkt).
in dit boek komen vooral de 3 betekenissen aan bod: overheidsbeleid, staatsinrichting, handelwijze. Daarbij beschrijven we politiek vanuit de systeembenadering en omschrijven het als :een proces van omzetting van verlangens wensen en eisen vanuit de samenleving in bindende besluiten.
We spreken ook wel van het proces van politieke besluitvorming: daarin spelen niet alleen organen als de regering en het parlement een rol, maar ook bijvoorbeeld de media en pressiegroepen. En ook wij als burgers zijn politieke actoren.
Politiek probleem
politieke besluitvorming is gericht op het oplossen van maatschappelijke problemen.
veel problemen zijn verdelingsvraagstukken waarbij het gaat om de verdeling van materiele dingen. Bijv: kosten van de gezondheidszorg.
omdat we bij maatschappelijke kwesties van de overheid oplossingen verwachten, spreken we ook wel van politieke problemen. We definieren een politiek probleem: als een situatie die mensen ongewenst vinden en die ze (mede) door middel van overheidsingrijpen veranderd willen zien. Bijv: file probleem.
Problemen die de aandacht krijgen van burgers en van maatschappelijke groeperingen vormen de publieke agenda. Door media-aandacht of omdat belangenverenigingen aandringen bij politici komen deze publikje problemen op de politieke agenda. Vervolgens verwachten we van de overheid dat zij met beleidsmaatregelen het probleem oplost.
Definitie van Easton
Hij omschreef politiek als de: gezaghebbende toedeling van waardevolle materiele en immateriele zaken voor de samenleving.
Bij de toedeling van zaken als inkomen veiligheid zorg en onderwijs draait het om de vraag: wie krijgt wat. Waar, wanneer en in welke vorm?
Bij materiele zaken staat de verdeling van schaarse middelen centraal. Zoals geld, woningen, gezondheidszorg en energie.
bij immateriele zaken gaat het om de toedeling van waarden. Bijv: vrijheid, gelijkwaardigheid.
De zinsnede“gezaghebbende toedeling” zegt iets over het proces van politiek, dat wil zeggen de manier waarop de besluitvorming tot stand komt. Politieke besluiten kunnen alleen worden uitgevoerd als er vold. Steun is voor die besluiten, of als het verzet tegen die besluiten niet sterk genoeg is om ze tegen te houden.Die steun kan op legitieme, democratische manier ontstaan, maar in dictatoriele landen wordt die steun afgedwongen met geweld. Door vervolging en marteling van politieke tegenstanders.
Kortom: aan de hand van de beschrijving van Easton kun je een verfijndere definitie van politiek vaststellen: politiek is het besluitvormingsproces over de vraag hoe schaarse middelen verdeeld moeten worden, waarbij de manier van besluiten nemen en de inhoud ervan gezag moeten hebben en daarmee steun krijgen van een meerderheid van de bevolking.
Blz 7 lezen over niccolo ,otto , winston, michael. ( ik weet niet of je dit moet leren)

1.2 de overheid
onder het begrip overheid verstaan we de regering (staatshoofd en ministers) die met behulp van het ambtelijk apparaat nederland besturen.
overheidsbeleid: kiezen van een bepaalde oplossing voor een maatschappelijk probleem en het inzetten van (financiele) middelen om het beoogde politieke doel op een vastgesteld moment te bereiken.
Collectieve belangen
Collectieve goederen: goederen waar de meeste mensen belang bij hebben omdat ze er gebruik van maken of kunnen maken. Bij: huisvuil dat wordt opgehaald.
Taken van de overheid
Een groot aantal andere collectieve belangen wordt nog steeds door de overheid behartigd. We noemen ze de kerntaken van de Nederlandse overheid:
- het garanderen van de openbare orde en veiligheid, zoals het zorgen voor vold, agenten rechters, maar ook celruimte
- het onderhouden van goede buitenlandse betrekkingen, binnen bestaande samenwerkingsverbanden als de Europese Unie en de NAVO, maar ook daarbuiten met een land als china.
- het scheppen van werkgelegenheid sociale zekerheid goede arbeidsomstandigheden,infrastructuur en een voorspoedig economisch klimaat.
- het zorgen voor welzijn,onderwijs,volksgezondheid, kunst en andere goederen op sociaal-cultureel gebied.
Taken verschuiven
-Welke collectieve belangen door de overheid behartigd moeten worden ligt niet vast. Maar verandert met de samenleving mee. In de 19 eeuw was de rol van de overheid beperkt.
-Er ontwikkelde een verzorgingstaat doordat de overheid moest niet alleen zorgen voor zaken als het verdedigen van de landsgrenzen het aanleggen van wegen en dijken goede gezondheidszorg en onpartijdige rechtsspraak maar ook voor de financiele mogelijkheid om te studeren.
- geleidelijk groeide het besef dat de overheid moest terugtreden en meer aan de eigen verantwoordelijkheid van mensen moest overlaten. Omdat in 1994 evenveel mensen waren met een uitkering en een betaalde baan.

Hoofdstuk 2 : RECHTSTAAT EN DEMOCRATIE

2.1 macht en gezag
Sinds de oprichting van de Republiek der Zeven vereringde Nederlanden in 1588 kunnen we pas spreken van een Nederlandse staat: dat wil zeggen:
-de overheid over soevereine macht beschikt
- er sprake is van een bevolking, waarover geregeerd wordt
-het grondgebied internationaal erkend is
- de overheid beschikt over het geweldsmonopolie
Soevereiniteit betekent de hoogste macht en geeft een overheid het recht het land zelf te besturen, zonder inmenging van andere staten. Macht kunnen we definieren als het vermogen om je wil aan andere op te leggen, eventueel tegen de zin in. Om anderen je wil te kunnen opleggen moet je beschikken over machtsbronnen, zoals wetten bevoegdheden,morele steun, kennis, geld,aantal en de mogelijkheid om geweld te gebruiken.
Macht is niet hetzelfde als gezag. Het begrip gezag wordt meestal gebruikt voor situaties waarin mensen de zeggenschap van anderen als legitiem accepteren. Vaak is gezag ook wettelijk vastgelegd, zoals het ouderlijk gezag.
Politieke macht
In een dictatuur is de macht in handen van een persoon of een kleine groep mensen. Zo een situatie leidt makkelijk tot machtsmisbruik.
Doordat de burgers in een democratie hun beslissingsrecht aan politieke bestuurders overdragen, beschikken ook deze bestuurders over veel politieke macht, dit wil zeggen dat zij het vermogen hebben om direct invloed en controle uit te oefenen op politieke besluiten.

2.2 nederland is een rechtstaat
Toch zien we over de hele wereld een geleidelijke ontwikkeling in de richting van de democratische rechtstaat. Niet alleen het aantal democratieen neemt toe ook worden er steeds meer landen omgevormd tot rechtstaat. Denk bijvoorbeeld aan de Oost-Europese landen. Een rechtstaat definieren we als: een staat waarin de rechten en plichten van zowel de inwoners als van de overheid zijn vastgelegd zodat burgers beschermd worden tegen machtmisbruik door de overheid.
Een democratische rechtstaat heeft de volgende kenmerken:
-grondrechten worden geeerbiedigd
-er is sprake van een grondwettelijke scheiding van de politieke macht
- het legaliteitsbeginsel: het bestuur van het land en alle bevoegdheden van personen en instellingen zijn vastgelegd in de grondwet.
- de mogelijkheden voor burgers om politiek te participeren zijn wettelijk vastgelegd
- er is openbaarheid van bestuur
we werken deze kenmerken uit!
grondrechten
de belangrijkste rechten van de burgers zijn opgenomen in de grondwet. Naast klassieke grondrechten kent onze grondwet ook sociale grondrechten.
Klassieke grondrechten
Zijn de rechten die de vrijheid en gelijkheid van burgers moeten garanderen. Voorbeelden zijn het recht op gelijke behandeling, het kiesrecht,de vrijheid van drukpers,radio, televisie en film het recht van vereninging vergadering en betoging, de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging de vrijheid van onderwijs het recht op een eerlijk proces het recht van onaantastbaarheid van het lichaam en eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
sociale grondrechten
Zijn in ons land geleidelijk ontwikkeld en vooral bedoeld om de zwakkeren in de samenleving te beschermen
sociale grondrechten hebben betrekking op de verplichting van de overheid om te zorgen voor vold. Werkgelegenheid, sociale zekerheid, een schone en veilige leefomgeving, goede volksgezondheid, voldoende woonruimte, maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor iedereen toegankelijk en goed onderwijs.
Het verschil tussen klassieke en sociale grondrechten zit in de mate waarin de overheid verplicht is de rechten te waarborgen. De overheid is verplicht om de klassieke grondrechten te garanderen, in de sociale grondrechten moet de overheid naar vermogen voorzien.
Scheiding der machten
De fransman Montesquie het idee ontwikkeld van de trias politica de scheiding der machten. Het idee was om de politieke macht op te splitsen in 3 onderdelen die elkaar aanvullen en controleren.
-de wetgevende macht
- de uitvoerende macht
- de rechterlijke macht
de wetgevende macht stelt wetten vast waaraan de burgers zich moeten houden, zoals leerplicht. In nederland is de wetgevende macht in handen van de regering. (staatshoofd en ministers) en het parlement ( eerste en tweede kamer) samen. Zowel regering als parlement hebben het recht om wetsvoorstellen in te dienen. Toch zijn het meestal de ministers die nieuwe wetten voorstellen: zij hebben op hun ministerie duizenden ambtenaren voor zich werken die een wetsvoorstel goed kunnen voorbereiden. Het parlement beslist daarna of het voorstel daadwerkelijk een wet wordt. Uiteindelijk wordt de wet door de regering met een handtekening bekrachtigd.
uitvoerende macht zorgt ervoor dat eenmaal goedgekeurde wetten ook worden uitgevoerd. Hiervoor zijn in ons land de ministers verantwoordelijk. Zij geven richtlijnen aan hun ambtenaren of aan speciale instanties zoals de kinderbescherming, de belastingdienst en banken. De belastingdienst krijgt bijvoorbeeld richtlijnen om de zorg en huurtoeslag te verrekenen met de belastingaangifte. Banken krijgen de opdracht om het paspoort te vragen van iemand die grote bedragen op zijn bankrekening stort. Het parlement controleert of de uitvoerende macht haar werk goed doet. Gaat er iets niet goed, dan kan uiteindelijk de verantwoordelijke minister ter verantwoording worden geroepen.
Rechtelijke macht beoordeelt of wetten goed worden nageleefd. Deze macht is in handen van onafhankelijke rechters. Zij kijken of iemand een wet overtreedt en kunnen een overtreder bestraffen. Iemand die bijvoorbeeld illegaal asbest dumpt, kan een geldboete of gevangenis straf krijgen. Ook beoordelen zij in situaties waarin burgers onderling conflicten hebben.
Formeel is de scheiding tussen wetgevende en uitvoerende macht in ons land niet strikt doorgevoerd: ministers hebben zowel wetgevende als uitvoerende macht. De wetgevende macht delen ze met het parlement maar het zijn vooral de ministers die de meeste wetsvoorstellen ontwerpen, waar het parlement vervolgens over stemt. De uitvoerende macht betekent dat ministers bovendien de lijn bepalen van de meeste uitvoerende besluiten die dagelijks worden genomen.
Achterliggend idee bij de trias politica is dat de 3 machten elkaar controleren en daarmee in balans houden. Wij noemen dit ook wel checks and balance
( staat een v bij dus dan is het toch voor vwo blz 17 met de groene streep ernaast!)
Legaliteitsbeginsel
legaliteitsbeginsel betekent dat je pas kan worden veroordeeld voor iets als dat in de wet strafbaar is gesteld.
op dezelfde manier bestaat het legaliteitsbeginsel ook als we het over onze democratische rechtstaat hebben. Het betekent dat er geen enkele bestuurlijke bevoegdheden bestaat zonder grondwettelijke grondslag.Hoe ons land wordt bestuurd is nauwkeurig vastgelegd in wetten, met name de grondwet. Dit wettelijke kader noemen we het legaliteitsbeginsel. Enkele voorbeelden van grondwettelijke politieke spelregels zijn:
- het recht van de Tweede Kamer om een parlementair onderzoek in te stellen
- de bevoegdheid van de burgemeester om de gemeenteraad voor te zitten
- de plicht van bewindslieden zoals ministers en wethouders om zich te verantwoorden.
- de wijze waarop een wet tot stand komt
- de plicht van het staatshoofd om op de derde dinsdag van september de beleidsplannen van de regering voor te lezen.
Politieke participatie!
de artikelen 4 tot en met 9 van de grondwet vormen de juridische basis voor onze politieke participatie. de grondrechten die hierin worden gegarandeerd zijn het kiesrecht, petitierecht, de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, de vrijheid van meningsuiting, het recht op betoging, en de vrijheid van vergadering. Gebruik makend van deze politieke grondrechten kan iedere Nederlander zijn eisen en wensen kenbaar maken. Daarmee heeft de burger de mogelijkheid het politieke systeem te beinvloeden. In het hoofdstuk over politieke actoren komen we hier op terug.
Wet openbaarheid bestuur
Om het bestuur te kunnen controleren is er sprake van openbaarheid van bestuur. Deze is wettelijk geregeld in de wet openbaarheid bestuur (wob). Met deze wet in de hand kunnen volksvertegenwoordigers maar ook journalisten afdwingen dat bestuurders hun stukken openbaar maken. Zo nodig kunnen we hiervoor naar de rechter stappen.
Blz 20 en 21 doorlezen

2.3 constitutionele monarchie met parlementair stelsel.
In nederland wordt het staatshoofd niet gekozen maar door erfopvolging aangewezen. De positie van het koningshuis is vastgelegd in de grondwet, ook wel constitutie genoemd. We zeggen daarom dat Nederland een constitutionele monarchie met een parlementair stelsel is. De belangrijkste taken van de koning(in) zijn:
- het plaatsen van een handtekening onder alle wetten
- het voorlezen van de troonrede op prinsjesdag
- het benoemen van ministers en (in) formateurs bij de vorming van een nieuw kabinet
- het regelmatig voeren van overleg met de minister-president over het kabinetsbeleid
Ook al maakt de koning(in) als ons staatshoofd deel uit van de regering. In feite draait het vooral om een ceremoniele functie. de troonrede die de majesteit op prinsjesdag voorleest bevat niet zinn of haar eigen opvattingen en plannen, maar de opvattingen en beleidsvoornemens van het kabinet. De ministers zijn verantwoordelijk ook voor de uitspraken van het staatshoofd. Het staatshoofd is onschendbaar.
Hoewel er sprake is van onschendbaarheid is geeft de koninig(in) natuurlijk wel eens adviezen maar deze zijn geheim. Soms lekt zo”n geheim uit. Maar dan zal de minister alles op zich nemen want het geheim van huis den bosch mag niet worden geschonden.
Parlementaire democratie
Wij als Nederlanders stemmen niet zelf maar kiezen een parlement dat namens ons stemt. Bij ons mogen alle volwassenen stemmen vanaf 18+
kenmerken van onze parlementaire democratie zijn:
-het volk wordt vertegenwoordigd door een parlement dat door vrije en geheime verkiezingen wordt gekozen. We noemen dit een indirecte of representatiedemocratie
-alle burgers zijn gelijkwaardig voor de wet en hebben gelijke invloed op de samenstelling van het parlement
- ministers zijn verantwoording schuldig aan de gekozen volksvertegenwoordigers
- de macht van de overheid wordt gelegitimeerd door de vrije en geheime verkiezingen, die uiterlijk iedere vier jaar plaatsvinden
-het kabinet voert beleid op basis van het vertrouwen van de meerderheid van de volksvertegenwoordiging
- besluitvorming door regering en parlement vindt plaats bij meederheid van stemmen
-het parlement is geen dictatuut van de meerderheid maar houdt rekening met de rechten en belangen van minderheden.
- er is sprake van een tweekamerstelsel, waarbij het politiek primaat bij de direct gekozen tweede kamer ligt. De indirect gekozen eerste kamer of senaat vervult de rol van laatste controle en wordt daarom ook wel kamer van reflectie genoemd

2.4 visies over politieke macht
klassieke democratietheorie
bestaat er een algemeen belang dat praktisch samenvalt met de wil van het volk
deze theorie gaat uit van een systeem van politieke besluitvorming dat het algemeen belang realiseert doordat de inwoners van een land via verkiezingen mensen kiezen die vervolgens hun wil uitvoeren. Het primaat ligt dus bij het volk en de politici doen simpelweg wat het volk wil.

Hoofdstuk 3 : VERKIEZINGEN EN KIESSTELSELS

3.1
Censuskiesrecht: Mannen die bepaald bedrag aan belasting betaalde.
1917 Algemeen kiesrecht (mannen)
1919 aangenomen tot Algemeen kiesrecht.(iedereen)
1922 Vastgelegd in grondwet.
Tegenwoordig heeft iedereen boven de 18 kiesrecht.
- Actief kiesrecht(recht om te kiezen)
- Passief kiesrecht(recht om gekozen te worden)
Er zijn vier niveaus van besluitvorming(zie aantekeningen)
- Europees
- Landelijk
- Provinciaal
- Gemeentelijk
Uitgesloten van kiesrecht:
- Mensen die door rechterlijke uitspraak ontzet uit het kiesrecht.
- Mensen die door de rechter onbekwaam zijn verklaard om rechtshandelingen te verrichten.
De overheid wil uitsluiten dat er mensen zich aanstellen voor de grap, hierdoor moeten de partijen die mee willen doen aan de tweede kamer verkiezingen aan een aantal voorwaarden voldoen:
- Ingeschreven bij elk kiesdistrict waar zij stemmen pogen te krijgen(19kiesdisricten)
- Elk district 25 handtekeningen van sympathisanten inleveren.
- Per kiesdistrict 450euro borg,dit krijg je terug als je 75% van de stemmen krijgt.
Evenredig kiesstelsel: alle uitgebrachte stemmen worden verdeeld door het beschikbare aantal zetels(3%stemmen-3%zetels)
Kiesdeler: Hoeveelheid stemmen die je nodig hebt voor een zetel.
Voordeel: Iedere stem telt even zwaar
Nadeel: Kleine partijen met 1 zetel waardoor onoverzichtelijk wordt.
Kiesdrempel: Elke partij moet een bepaald aantal stemmen halen om mee te doen aan deling van de zetels.
Districtenstelsel: Land wordt verdeeld in aantal districten, de kandidaat die in een bepaald gebied de meeste stemmen haalt, wordt afgevaardigd naar landelijk bestuur.
Meerderheidsstelsel: (frankrijk) Kandidaat moet absolute meerderheid halen dus 50% of meer.
Voordeel: Kandidaten zijn bekend bij kiezers.
Generalisten: Van alles op de hoogte moeten zijn.
Nadeel: Partij met meeste stemmen kan uiteindelijk minder zetels krijgen.
Districten- en meerderheidsstelsel Stelsel evenredige vertegenwoordiging
Nauwe relatie kiezer en gekozene komt op voor de belangen van de burgers in district. Grotere afstand kiezer en gekozene; gekozenne komt op voor algemeen belang.
‘The winner takes it all’ grotere kans op meerderheid van een partij in parlement-snelle regeringsvorming. Zetels naar rato; kleine kans op meerderheid voor een partij – trage regeringsvorm.
Kleine partijen hebben weinig kans; ze gaan samen of verdwijnen. Iedere stem weegt even zwaar, ook kleine partijen komen in het parlement.

3.2
Representatie:Vertegenwoordiging.
Representativiteit: Er is sprake van echte vertegenwoordiging als de standpunten van de vertegenwoordigers overeenkomen met wat de meeste kiezers willen.
Ostrogorski-paradox(blz 35)
Knelpunten
- Mensen stemmen op een bepaalde partij maar zijn het nooit met alle standpunten eens.
- Niet stemmers kunnen het de leidende partij erg moeilijk maken door tegen gas te geven aan bepaalde standpunten.
- Grote groep kiezers wordt gevormd door mensen met een modaal inkomen waardoor de jonge mensen denken van ach ik stem wel niet.
- In onze democratie worden altijd compromissen gesloten(geen absolute meerderheid van 1 partij)

3.3
Presidentiële stelsel: Meer sprake van een strikte scheiding der machten vergeleken ons parlementaire stelsel. Deze president mag zijn ministers samenstellen die alleen verantwoording schuldig zijn en niet, zoals bij ons, aan het parlement.
Het Congres, Huis van Afgevaardigden, en de Senaat zullen de president zo goed mogelijk dwars te liggen door wetsvoorstellen vast te houden, of tegen te houden.
Ontbindingsrecht: Enigszins om zijn macht te beperken, hij mag dan het congres ontbinden en nieuwe verkiezingen uitroepen. Hij moet zijn plannen altijd aan het congres voorleggen.

3.4
De meeste partijen hebben een verkiezingsprogramma hierin staan de belangrijkste belangen en opvattingen van de partij.
Lijsttrekkers brengen de belangrijkste punten naar voren in een interview.
Lijsttrekkersdebat:, hierbij willen de lijsttrekkers de zwevende kiezers naar zich toe halen en zien te overtuigen van hun punten.
Een regering moet kunnen rekenen op meerderheid van de tweede kamer hier wordt immers gestemd over de wetsvoorstellen.
De tot stand komende regering moet altijd een coalitie vormen omdat zij een meerderheid moeten bereiken, dit moet omdat er nooit een partij komt met 50% van de stemmen/Zetels.
Informateur: Iemand die uitzoekt welke partijen gezamenlijk een beleid zouden kunnen voeren dat op voldoende steun kan reken in de Tweede Kamer.
In het regeerakkoord staan dus voor elk ministerie de hoofdlijnen van het beleid dat de partijen willen voeren. Meestal is dit een compromis elke partij krijgt een beetje zijn zin maar moet ook op bepaalde punten toegeven.
Troonrede: hierin worden de hoofdlijnen van het regeren aangegeven.
Miljoenennota: hierin wordt exact aangegeven welke voornemens er zijn op elk beleidsterrein en hoeveel geld daarvoor beschikbaar is.
De Formateur: Degene die daadwerkelijk een kabinet gaat vormen.(Minister-President)
- het verdelen van ministers en zoeken naar mensen die geschikt zijn voor minister- of staatssecretarisposten.
De minister president komt meestal uit de partij met de meeste zetels en de vice president uit een van de coalitie partijen.
Een minister kan al dan niet vrijwillig ontslag aanvragen bij de koning(in),deze hoeft het verzoek niet in te willigen, maar doet dit doorgaands wel. Omdat het om een persoon gaat en niet om een heel kabinet dus wordt er alleen een nieuwe minister president aangewezen.
Kabinetscrisis: Conflict of vertrouwen wordt op gezegd:
- Nieuwe (in)Formateur aangesteld.
- Nieuwe verkiezingen.

Hoofdstuk 4 : HET LANDBESTUUR

* Koninkrijk der Nederlanden:
Nederland, Aruba en de Antillen
* De 3 bestuurslagen:
- Landelijk niveau
- Provinciaal niveau
- Gemeentelijk niveau
* Gedecentraliseerde eenheidsstaat:
De staat van Nederland met een relatieve zelfstandigheid v/d lagere overheden.
4.1 Regering
* De regering (dagelijks bestuur van Nederland) bestaat uit
- Staatshoofd
- Ministers
* Verantwoordelijkheden minister:
- een bepaald beleidsterrein, bijv:
- Binnenlandse Zaken
- Onderwijs
- Beleidsvoornemens worden besproken in:
- gezamenlijke vergadering van de ministers > ministerraad
- voorzitter ministerraad > minister president
* Staatssecretaris:
- Houdt zich bezig met een bepaald onderdeel van het takenpakket van een minister
- Zitten niet in de ministerraad.
* Kabinet gevormd door:
- Ministers en staatssecretaressen
* Nederland is een constitutionele monarchie:
- De positie van de koning(in) is vastgelegd in de constitutie > de grondwet
- Sinds 1848 staat in de grondwet dat de koning onschendbaar is.
- De politieke rol van het staatshoofd ligt vooral bij het ondertekenen van wetten en de bijdrage aan kabinetsformatie
- De koning(in) is voorzitter van de Raad van State en spreekt jaarlijks de troonrede uit.
Ministeries
* Minister en staatssecretarissen hebben vaak een eigen ministerie waar veel ambtenaren voor hen werken.
* Uitzonderingen:
- Minister van Ontwikkelingssamenwerking valt onder Buitenlandse Zaken >
Hij wordt minister zonder portefeuille genoemd, want hij heeft geen eigen begroting.
- Programmaministers, zoals voor Wonen, Werken en Integratie > hebben wel een eigen begroting
Taken en bevoegdheden
* Drie hoofdtaken regering:
- medewetgeving
- voorbereiding van overheidsbeleid
- uitvoering van overheidsbeleid
* De drie taken leiden tot een takenpakket:
• Ministers nemen besluiten over ‘dagelijkse zaken’
• Ze nemen ook besluiten over meer uitzonderlijke zaken die zonder wetgeving en goedkeuring van het parlement kunnen worden genomen.
• Ministers dienen wetsvoorstellen in.
• Ministers nemen Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) om eerder aangenomen raamwetten nader in te vullen. Een AMvB heeft geen parlementaire goedkeuring nodig, maar wordt bij Koninklijk Besluit geregeld.
• De regering maakt jaarlijks haar beleidsplannen bekend in de troonrede.

4.2 Parlement
De Staten-Generaal
- Op landelijk niveau wordt de volksvertegenwoordiging gevormd door de Staten-Generaal.
- Deze bestaat uit de Tweede Kamer en Eerste kamer, samen het parlement
De Tweede Kamer
* 150 leden
* 2 Hoofdtaken Tweede Kamer:
• De medewetgevende taak: indienen van wetsvoorstellen
• De controlerende taak: activiteiten van de regering volgen
* Tot de formele middelen (rechten) van de Tweede Kamer behoren:
• Het stemmen over wetsvoorstellen
• Het recht van amendement, oftewel het recht om een deel van een wetsvoorstel te wijzigen
• Het recht van initiatief, oftewel het recht om zelf wetsvoorstellen in te dienen
• Het budgetrecht, oftewel het recht om de jaarlijkse begroting aan te nemen of te verwerpen
Controlerende taak
* De Tweede kamer let erop of zij het eens is met de beleidsdoelen van de regering. En ook of deze effectief en efficiënt zijn.
* Bij de controlerende taak heeft de Tweede Kamer beschikking over een aantal rechten:
• Het vragenrecht: het stellen van vragen aan de bewindslieden.
• Het recht van interpellatie: het ter verantwoording roepen van bewindspersonen over het (voorgenomen) regeringsbeleid. Voor een verzoek om een interpellatie of spoeddebat is de steun van min. 30 Kamerleden nodig
• Het recht van motie: de mogelijkheid van de Tweede Kamer een schriftelijke uitspraak te doen over het beleid van een minister. Bij een motie van afkeuring wordt het beleid van een minister afgekeurd.
• Het recht van enquête, waarmee de Tweede Kamer de mogelijkheid heeft zelfstandig een onderzoek in te stellen als zij naar haar mening niet voldoende informatie krijgt.
*Informele middelen
• Lobbyen bij ministers, bv. Een brief van de fractievoorzitter waarin hij een minister vraagt begrip te tonen voor een bepaalde belangengroep.
• Overleg plegen met ambtenaren en pressiegroepen voor het verwerven van steun, zoals bij een grootschalig project als uitbreiding van Schiphol.
• Gebruikmaken van massamedia, bv. Door interviews in kranten en opiniebladen waarin een Kamerlid zijn of haar visie naar buiten brengt en soms opzettelijk nieuws laat ‘lekken’.
De Eerste Kamer
* Ook wel Senaat genoemd
* 75 leden
* De taak van de Eerste Kamer is beperkter dan die van de Tweede Kamer
* Vergadering één dag per week
* Vervult de rol van de ‘laatste controle’
* Geen recht van amendement, kan geen veranderingen in een wetsvoorstel aanbrengen.
* Geen recht van initiatief, kan geen wetsvoorstel indienen.
* Wel het recht om schriftelijk vragen te stellen en enquête instellen.
* Primaat
In het politieke besluitvormingsproces behoort het primaat bij de Tweede Kamer te liggen. D.w.z. de politieke afweging die de Tweede Kamer maakt, hoort zwaarder te wegen dan die van de Eerste Kamer

4.3 Provincie en gemeente
* Subsidiariteitsbeginsel:
- Decentraal wat kan, centraal wat moet
- De rijksoverheid stelt de grote lijnen van het beleid vast, de gedetailleerde invulling wordt aan lagere overheden overgelaten.
* De gedachte achter het overdragen van bevoegdheden naar lagere overheden is dat de lagere overheden:
• Beter op de hoogte zijn van de regionale en lokale situaties en dus ook beter kunnen beoordelen wat er nodig is;
• Dichter bij de burgers staan zodat ze ook makkelijker door burgers kunnen worden aangesproken.
De provincie
* Belangrijkste taken provincie > ruimtelijke ordening en milieu
* Stelt streekplannen op, waarbij ze rekening moeten houden met het rijksbeleid.
* Het Rijk geeft soms aanwijzingen bij streekplannen.
* Een keer in de 4 jaar > provinciale verkiezingen
* Gekozen vertegenwoordigers in de Provinciale Staten
* De leden hiervan onderhandelen over een verbond van twee of meer volken die het dagelijkse bestuur vormt: de Gedeputeerde Staten
* De Commissaris van de Koningin = de voorzitter van zowel Gedeputeerde Staten als Provinciale Staten
- Deze wordt niet gekozen, maar benoemd door het staatshoofd ( in praktijk door de minister van Binnenlandse Zaken )
De gemeente
* De gemeente staat het dichtst bij de burger, qua bestuur.
* Verantwoordelijk voor een ordelijk verloop van het openbare leven in een gemeente.
Voorbeeld verantwoordelijkheden:
- huwelijken, geboorten, sterfgevallen in het bevolkingsregister
- politie, brandweer, ophalen vuilnis, groenvoorziening, bouwvergunningen
* Naast deze uitvoerende taken zijn er de laatste jaren steeds meer beleidstaken vanuit Den Haag naar de gemeenten gedecentraliseerd, zoals bijstandsgerechtigden, onderwijsbeleid, voorzieningen voor gehandicapten en opvang van asielzoekers
* Gedachte: Een lagere overheid kan beter maatwerk leveren, omdat deze dichter bij het volk staat.
* Bestuur van de gemeente wordt gevormd door de gemeenteraad
* De raadsleden hiervan worden ook eens in de vier jaar gekozen.
* Het dagelijkse bestuur van de gemeente is in handen van het College van Burgemeester en Wethouders, afgekort B&W
* Burgemeester wordt voor zes jaar benoemd, door de minister van Binnenlandse Zaken

Hoofdstuk 5 : POLITIEKE BESLUITSVORMING

Maatschappelijk probleem:
- Wat wordt als probleem ervaren door de burgers?
- Wie bepaalt vervolgens welk probleem de meeste aandacht verdient en op de politieke agenda moet?
Wie spelen een rol bij het aanpakken van het probleem?
- politieke partijen
- burgers
- pressiegroepen (belangenorganisaties)
- ambtenaren
Hoe wordt het probleem opgelost?
- Door wetten, maar niet altijd
- Het politieke proces van besluitvorming eindigt pas op het moment dat we in feedback kunnen constateren dat het oorspronkelijke probleem is opgelost.
5.1 Politiek systeem
Politiek systeem = het geheel van betrekkingen waardoor opvattingen, verlangens en eisen van individuen, groepen en instellingen in bindende beslissingen worden omgezet.
Het politiek systeem ziet er zo uit:
• Invoerfase
Burgers, pressiegroepen en massamedia uiten een maatschappelijk probleem. Op het einde van deze fase verschijnt het probleem op de politieke agenda.
• Omzettingsfase
In deze fase wordt er gezocht naar de oplossingen. Er wordt gediscussieerd met gekozen politici, zoals leden van de Tweede Kamer. Vervolgens mondt dit uit in een beleidsmaatregel die meerderhelft v/d volksvertegenwoordigers goedkeurt.
• Uitvoerfase
Met name de ambtenaren zorgen ervoor dat de genomen besluiten worden gerealiseerd.
• Terugkoppeling, feedback
Hier wordt gekeken of de genomen maatregelen wel het gewenste effect hebben.
Wetgeving
De (7) stappen die komen kijken bij het maken van een wet:
1. Ontstaan van maatschappelijk probleem. Omgevingsfactoren spelen een rol, zoals een verslechterde internationale economie.
2. Na het signaleren en erkennen van het probleem worden ze omgezet in politieke eisen.
3. Er komen ideeën naar boven die leiden tot politieke standpuntbepaling van de partijen.
4. Onderwerp bespreken in de ministerraad, commissievergaderingen, de Tweede Kamer en door ambtenaren.
5. Commentaar leveren door voor- en tegenstanders op de voorgestelde plannen.
6. De verantwoordelijke minister of staatssecretaris dient het wetsvoorstel in bij de Tweede Kamer. Na goedkeuring van beide Kamers wordt het gepubliceerd in het Staatsblad en gemaakt tot de status van een wet.
7. Een minister moet de wet gaan uitvoeren en in stand houden en de uitvoerende ambtenaren worden aan het werk gezet.
Wetsvoorstellen, kunnen ingediend worden door:
- Regering, ministers
Hierin worden ze bijgestaan door deskundige ambtenaren.
- Tweede Kamer
Die worden niet bijgestaan, bovendien is het tijdrovend.
Omgevingsfactoren en politieke actoren
…die komen kijken bij politieke besluitvorming:
• Er zijn allerlei omgevingsfactoren die de reikwijdte van de politieke mogelijkheden bepalen. Dus kijken of het mogelijk is een probleem op te lossen.
• Door beperkte capaciteit en de vraag wie in de samenleving over voldoende macht en invloed beschikt om de politieke agenda te beïnvloeden.
• Een tal van politieke actoren beoefenen invloed uit op de besluitvorming, zoals:
- openbaar bestuur
- individuele burgers
- belangengroepen
- politieke partijen
- volksvertegenwoordiging
- media
- etc.

5.2 Omgevingsfactoren
• Interne omgevingsfactoren, zoals: Nederlandse cultuur of economie
• Externe omgevingsfactoren, zoals: Internationale omstandigheden
Interne factoren
• Economische factoren
Bv: Economie beïnvloeden de eisen die op politiek afkomen en ook de mogelijkheden om daaraan te voldoen. Als het economisch tegenzit kan de overheid minder doen, dan wanneer het goed gaat.
• Culturele factoren
Bv: De gewoonten en tradities in ons land bepalen sterk de eisen binnen de samenleving en dus ook de politieke speelruimte.
• Geografische factoren
Bv: De uitbreiding van Schiphol krijgt ook voorrang op de politieke agenda, omdat dit belangrijk is voor onze maatschappij.
• Technologische factoren
Bv: De grootste technologische ontwikkeling van de ze tijd is de digitalisering van informatie.
• Sociale omstandigheden
Bv: Bij het sociale zekerheidsstelsel zoekt de overheid naar een balans tussen de overheidsinbreng en de eigen verantwoordelijkheid van de burger zelf.
• Demografische factoren
Bv: Door de samenstelling van de bevolkingsopbouw was het aantal jongeren sinds eind jaren zestig van de twintigste eeuw erg groot. Daarom zal de politiek maatregelen moeten nemen op het gebied van gezondheidszorg, huisvesting, AOW, etc.
Externe factoren
• Internationale organisaties
Bv: Nederland is lid van verschillende organisaties en een samenwerking binnen de EU. Deze samenwerkingen scheppen verplichtingen zoals bijdrage aan oorlogen in Irak en Afghanistan.
• Internationale verdragen
Bv: Door het tekenen van verdragen verplicht Nederland zich de CO2-uitstoot terug te dringen en geld te geven aan arme landen. Nederland heeft haar handtekening gezet onder o.a.:
- de Europese Verklaring van de Rechten van de Mens
- Millenniumdoelstellingen
• Internationale ontwikkelingen
Bv: Ontwikkelingen waarop Nederland geen invloed heeft, kunnen wel invloed hebben op onze politieke speelruimte. Zoals klimaatverandering en de wereldeconomie.

5.3 Het systeemmodel van Easton
De fases (invoer – omzetting – uitvoer - terugkoppeling) kunnen wat gedetailleerder bekeken worden.
Invoer
* In de invoer zie je van verschillende kanten hun eisen of wensen.
* Invoer wordt gevormd door de mate van steun voor het huidige politieke beleid en functioneren van de politici.
Het verschil tussen actieve en passieve steun?
> Actieve steun > Zelf stemmen, lid worden van een partij, stukken schrijven in de krant etc.
> Passieve steun > Besluiten van overheid accepteren en opvolgen
Benadrukking van Easton:
Het grootste deel van de wensen in de samenleving worden niet omgezet tot eisen. Dit omdat veel mensen niet voor die eisen de straat op gaan. Iets wordt pas een politieke eis als opinieleiders, actiegroepen en politieke partijen hetzelfde gaan vinden zodat het probleem in beweging komt.
In het proces om eisen op de politieke agenda te krijgen spelen “poortwachters” een dringende rol.
Poortwachters
> Hiermee worden bedoeld de burgers, belangengroepen, politieke partijen, massamedia, individuele politici die in staat zijn wensen en eisen op de publieke en politieke agenda te plaatsen.
> Voorbeeld:
Eind 2006 maakten onderzoeksjournalisten een reportage op tv over het vrouwenbeeld in muziekclips en hiermee lokten zij een discussie uit in de samenleving én Tweede Kamer.
Eisen in een dictatuur of in een democratie:
Dictatuur > De invoer van eisen wordt door de politieke instellingen beheerst en gecontroleerd. Heel de media staat onder censuur.
Democratie > De stroom van eisen moet gereguleerd worden. Niet alle eisen worden doorgelaten, anders wordt de politiek erdoor overstroomd.
Omzetting
- De omzetting van wensen en eisen in het overheidsbeleid is het werk van politici en ambtenaren.
- Beleid = het doelgericht handelen in een bepaald maatschappelijk probleem op basis van (liefst wetenschappelijke) kennis of onderzoek.
- De subfasen van omzetting:
1. Tijdens de politieke agendavorming krijgen beleidsmakers de bereidheid om een probleem uit de samenleving aan te pakken. Dit criteria daarvoor zijn dat:
• De maatschappelijke kwestie door een grote groep mensen als ongewenst wordt ervaren;
• De negatief beoordeelde kwestie vaak voorkomt en/of sterke emoties oproept;
• Er een kans is dat dit probleem kan worden opgelost;
• De poortwachters het probleem erkennen als belangrijk;
• Er voldoende ruimte is op de politieke agenda om dit probleem te behandelen en op te lossen.
2. Tijdens de beleidsvoorbereiding wordt er door de beleidsmakers naar de oorzaken gekeken en hoe ze het probleem kunnen oplossen. Daarnaast worden ambtenaren aan het werk gezet om wetsvoorstellen te formuleren. Alles wordt goed gecontroleerd om eventuele fouten en tekortkomingen uit het verleden te vermijden.
3. De beleidsbepaling omvat de goedkeuring door de volksvertegenwoordiging van de wetsvoorstellen. Politieke partijen moeten hier afwegen of ze het er mee eens zijn.
Uitvoer
De uitvoering van beleidsbeslissingen is in handen van ambtenaren.
Terugkoppeling
Het gaat hier om:
• De wijze waarop de bevolking reageert op besluiten met steun, met protest enz.
• De manier en mate waarin poortwachters die reacties weer doorlaten (als bijv. nieuwe eis of wens).

5.5 Barrièremodel
- Het barrièremodel vertegenwoordigt een visie die in de jaren zestig en zeventig veel invloed kreeg.
- Kenmerkend voor dit model > politiek wordt vooral bepaald door conflicten en hindernissen.
- Een groep burgers die hun wensen willen realiseren moeten dus steeds vier barrières overwinnen.
1e fase Het herkennen en erkennen van een probleem
Hierbij betrokken zijn particulieren, pressiegroepen, massamedia, politieke partijen
2e fase Het vergelijken en afwegen van behoeften, wensen en problemen in de politiek
3e fase Besluiten moeten gevormd worden
Dit is de taak van de ambtenaren.
4e fase Uitvoering van regels en wetten
Conclusie: Het barrièremodel geeft dus aan waar in het politieke besluitvormingsproces problemen kunnen ontstaan.

Hoofdstuk 6 : POLITIEKE FACTOREN

6.1
voor dat een wetsvoorstel word voor gelegd aan de tweede kamer moet eerst een grondig analyse van het probleem gemaakt worden, vervolgens word gezocht naar het meest effectieve/efficiëntie manier om het aan te pakken.
publieke sector: overheid en publiekrechtelijke organisaties; het deel van de economie dat door de overheid wordt bekostigd, zoals leraren, defensie personeel, politie.
zbo: werkt op het niveau van de centrale overheid, word er door gefinancierd,maar is niet ondergeschikt aan een minister--> beleidsvoorbereiding en uitvoering.
ministers voeren vaak maar 4 jaar hun functie uit ambtenaren daar in tegen veel langer waardoor zij over meer specifieke ervaring en kennis beschikken.
ambtenaren worden ook wel de 4e macht genoemd omdat ze zoveel invloed hebben.
ambtenaren vormen samen de overheidsbureaucratie: een hiërarchische geordend apparaat waarbinnen ambtenaren volgens vaste regels en procedures besluiten voorbereiden en uitvoeren onder verantwoordelijkheid van de politieke ambtsdrager.
Aan het hoofd van elk ministerie staat een secretaris generaal--> de manager.
Ambtenaren dienen loyaal(eerlijk, te vertrouwen) te zijn aan hun minister ongeacht hun politieke voorkeur.
Verkokering: elk departement voert zijn eigen beleid en er word te weinig samengewerkt met andere ministeries, zodat de coördinatie en eenheid in het beleid ontbreekt.
Inadequaat: niet passend.
Adviesorganen:
raad van state:hoogste rechtscollege in Nederland, word officieel voorgezeten door het staatshoofd, maar word voornamelijk door de vice-voorzitter gedaan. De leden van de raad van state worden benoemd door de regering. Ze geven advies over wetsvoorstellen en voorstellen tot goedkeuring van verdragen.
Sociaal economische raad(SER):adviseert de overheid over belangrijke maatregelen op economisch en sociaal gebied. Het telt 33 leden.
Kroonleden:onafhankelijke deskundige die door de regering benoemd zijn.
Wetenschappelijke raad voor het regerings beleid(WRR): taak om wetenschappelijk gefundeerde informatie te verschaffen over ontwikkelingen die op langere termijn de samenleving kunnen beïnvloeden en daarbij tijdig te wijzen op tegenstrijdigheden en te verwachten knelpunten, probleemstellingen te formuleren te aanzien van de grote beleidsvraagstukken en beleidsalternatieve aan te geven”.--> werkgelegenheid, het minderhedenbeleid en het ruimtelijkeordeningsbeleid. Leden worden benoemt door de regering.
Onderwijsraad: geven over het onderwijs advies aan de regering.
College voor zorgverzekeringen(CVZ): zelfstandig bestuursorgaan op het terrein van de sociale ziektekostenverzekering.
Planbureaus: wetenschappelijke instellingen die op basis van feiten en studies proberen aan te geven wat de gevolgen zullen zijn van beleidsvormingen, alternatieve begrotingen of bezuinigingen doorrekenen.
Centraal Planbureau: voorspellingen van sociaaleconomische ontwikkelingen.
Sociaal en Cultureel Planbureau: onderzoek op sociaal cultureel gebeid, gezondheidszorg,onderwijs, media.

6.2
burgers: als burgers vinden dat er te weinig aan hun wensen word voldaan word er contact met politici gelegd d.m.v. Protestacties, demonstraties, petities, media.
Het burgerinititatief: voorstel met concrete plannen om een kwestie op te lossen, als het voldoende medestanders(40.000 handtekeningen met naam adres en geboortedatum) heeft moet de tweede kamer het voorstel op de agenda zetten en er een standpunt over innemen. Je kan het indienen als je Nederlands burgerschap heb en ouder bent dan 18. het moet voldoen aan :
1.voorstel moet nieuw zijn, laatste 2 jaar niet in de kamer.
2.voorstel gaat over onderwerp waarover de tweede kamer beslist, geen privekwestie.
3.mag niet in conflict zijn met de Nederlandse normen en waarden.
4.voorstel gaat niet over de grondwet,belastingen of de begrotingswetten.
Word behandeld door de commissie voor verzoekschriften en de burger initiatieven.
Pressiegroepen:belangen en actie groepen, groepen die trachten invloed uit te oefenen op de politieke besluitvorming. Doel: politiek te beïnvloeden op 1 speciale kwestie of op te komen voor de belangen van een bepaalde groep.
Actiegroepen: zette zich voor korte tijd in voor 1 duidelijke kwestie.
Actieorganisaties: stoppen niet na geslaagde of mislukte actie maar richtte zich verder op dat onderwerp(amnesty international--> mensenrechten).
Behoren ze wel of niet tot de gevestigde orde?: kraakbeweging niet, consumentenbond wel.
De meeste belangenvereniging en actieorganisaties zijn goed georganiseerd waardoor ze beter in staat zijn over leg te plegen met politici.
Pressiegroepen hebben meer kans op succes als: er eensgezindheid is en veel macht dat word uitgeoefend door de grote.
Burgerlijke ongehoorzaamheid: burgers overtreden bewust de wet om een maatschappelijk vraagstuk aan de orde te stellen. Het geeft vooral minderheden in een democratie de kans zich te verzetten tegen besluitsvormingen. Gericht op algemeen belang,vind openbaar plaats, geweldloos, kiezen voor dit middel als legale manieren naar hun mening te kort schieten.

6.3 politieke partijen
probeert op basis van een samenhangend geheel van ideeën, mensen te mobiliseren om zich te bemoeien met de inrichting van het bestuur van de samenleving als geheel.
Articulatiefunctie: zetten wensen en eisen op de politieke agenda.
Communicatieve functie: nemen een standpunt in ten aanzien van verschillende kwesties en informeren daardoor de kiezers ook over het overheidsbeleid.
Aggregatiefunctie:het samenbrengen van ideeën tot 1 partijprogramma.
Participatiefunctie: door informatie en meningsvorming proberen partijen burgers over te halen politiek passief of actief te worden in hun partij(lidmaatschap).
Recruterings- en selectiefunctie: politieke partijen dragen voor functies in de politieke kandidaten voor. Zonder politieke partij is het voor iemand veel moeilijker om gekozen te worden

Hoofdstuk 7

7.2 Knelpunten in de politiek
Een Democratisch systeem heeft beperkingen, die nodig zijn om de rechten van de minderheden te waarborgen, om een soepele besluitvorming te garanderen of om internationale afwegingen te kunnen maken.
De regering wordt niet gekozen
• In Nederland kiezen we de kandidaten die ons vertegenwoordigen in onder meer de gemeenteraad en de Tweede Kamer. De regering kiezen we niet.
• In een directe democratie kunnen de burgers ook direct stemmen over belangrijke besluiten en hebben hierdoor veel rechtstreekse invloed op het beleid. Ook in de presidentiële stelsels hebben de kiezers meer invloed op het beleid, omdat ze de president als hoofd van de regering kiezen die vervolgens zijn of haar kabinet vormt.
• De minister-president komt meestal voort uit de grootste partij van de regeringscoalitie, maar het is goed mogelijk dat de grootste partij geen deel uitmaakt van het kabinet. Ministers worden aan het eind van de kabinetsformatie benoemd en zijn vaak mensen die in het bedrijfsleven of bij de overheid hun sporen hebben bijverdiend als bestuurder, waardoor ze bij het grote publiek vaak onbekend zijn.
Dictatuur van het regeerakkoord
Het regeerakkoord vertroebelt de rolverdeling tussen parlement en regering. Hoe gedetailleerder het regeerakkoord, hoe moeilijker het voor de Kamerleden wordt om hun eigen rol te spelen. Het dualisme wordt dan aangetast.
Ongelijke toegang
Vormen van ongelijke toegang tot de politiek:
- Volksvertegenwoordigers zorgen ervoor dat problemen en ideeën vanuit het hele land verhoord worden en ze zorgen ervoor dat provincies met elkaar verbonden blijven. Binnen de politiek zien we dat vooral de mensen die zich goed kunnen manifesteren carriere maken. Zij vormen het partijkader waaruit de kandidatenlijsten bij verkziezingen worden samengesteld.
- De politieke cultuur en de manier van debatteren houden veel mensen buiten de politiek. Politici gebruiken te veel moeilijke woorden jargon.
- De toegang tot politiek is voor nieuwe onervaren politici moeilijker.
Afnemende invloed parlement
De machtsverhouding tussen het parlement en de regering is ongelijk. De regering heeft meer macht en dat komt doordat het regeerakkoord ervoor zorgt dat Kamerleden van de regeringsfracties hun eigen afweging niet meer mogen maken. Het verschil in informatie tussen regering en parlementariërs is groot. Een minister heeft namelijk veel ambtenaren achter zich staan, terwijl een Kamerlid alleen één of twee medewerkers achter zich heeft. Vooral bij kleinere partijen moeten de kamerleden zich in meerdere onderwerpen verdiepen dit maakt het makkelijker voor ministers om lastige vragen van Kamerleden te ontwijken het wordt moeilijker voor het parlement om de regering te controleren.

7.3 Beperkte politieke participatie
1970 Mensen hadden niet alleen het recht om te stemmen, maar ze waren ook verplicht om van dat recht gebruik te maken. Die opkomstplicht werd afgeschaft, daardoor is het opkomstpercentage gedaald.
Het opkomstpercentage verschilt sterk per bestuurslaag. BV: Bij de verkiezingen van de tweede kamer kwamen er meer mensen stemmen, dan bij de verkiezingen van de provincie.
De opkomst van stemgerechtigden voor de gemeenteraad verschilt sterk per gemeente.BV: In Utrecht was het percentage stemmers lager dan in Amsterdam.
Absoluut dieptepunt vormen de verkiezingen voor het Europees Parlement: In 2004 nam slechts 39.1 % van de kiezers de moeite om zijn stem uit te brengen.
Een lage opkomst is om een aantal redenen ongwenst:
• Een lage opkomst geeft geen goede afspiegeling van de in de bevolking levende opvattingen. De mensen die stemmen, krijgen een onevenredig grote invloed.
• Dit brengt de representativiteit van het gekozen bestuur in gevaar. Dat houdt in dat de standpunten en het voorgenomen beleid van de gekozen vertegenwoordigers een afspiegeling vormen van wat de burgers willen.
• Een bestuur dat niet representatief is, dreigt zijn legitimiteit te verliezen. De burgers aanvaarden het bestuur niet langer als gerechtigd om beslissingen te nemen waar zij zich aan moeten houden.
Voor lage opkomstpercentages worden altijd veel verschillende verklaringen gegeven.
Politiek actief of passief?
Burgers zijn het niet altijd eens met de beslissingen van “hun” politici en kunnen op twee manieren daarop reageren:
- Het kan ertoe leiden dat burgers politiek passief worden:
VB: “Politici luisteren toch niet naar ons”. Zo’n passieve houding wordt versterk als je de spelregels van de politiek te weinig kent.
Politiek desinteresse onstaat ook als het onduidelijk is wat de politiek direct betekent voor je leven. Sommige mensen wijzen politiek af, omdat ze al lange tijd ontevreden zijn over het beleid van de regering en cynisch zijn geworden. Omgekeerde: Als mensen tevreden zijn, dan zullen ze ook niet snel politiek actief worden.
- De tweede manier om te laten zien dat je het niet eens bent met beslissingen is politiek actief te worden. Politieke participatie: Als mensen uithing geven aan hun betrokkenheid bij de oplossing van maatschappelijke vraagstukken. Je komt op voor je eigen belangen en laat niet alles klakkeloos door beroepspolitici bepalen. Sommige zien politiek ook als een middel om zich verder te ontplooien.
Politieke participatie
In Nederland beschikken we over een aantal mogelijkheden voor politieke participatie:
• electorale participatie, bijvoorbeeld door:
- bij verkiezingen stemmen
- lid te worden van een politieke partij en in die partij actief worden
- deel te nemen aan de campagne van een politieke partij of politicus
• niet-electorale participatie, bijvoorbeeld door:
- je aansluiten bij een belangengroep
- actievoeren voor concrete knelpunten door protestacties, demonstraties, petities, staken, bedrijfbezetting of een boycot
- je mengen in het publieke debat door het schrijven van artikelen voor de opiniepagina’s van kranten
- contact leggen met ambtenaren, wethouders, Tweede Kamerleden, partijen, belangenorganisaties of de massamedia
Als je wilt onderzoeken wie wel en wie niet doet aan politieke participatie, kun je kijken naar de volgende factoren:
- leeftijd
- sekse
- milieu
- opleidingsniveau en beroep
- levensovertuiging en godsdienst
- politieke kennis en interesse
- waardenoriëntaties
- de mate van vertrouwen in het politieke systeem en vertrouwen dat je als burger invloed hebt op besluitvorming
Politicologen ontdekten de volgende verschijnselen:
- hoger opgeleiden en mannen uiten vaker hun politieke betrokkenheid dan lager opgeleiden en vrouwen
- ouderen en mensen die zich onderdeel voelen van een kerkelijke groepering gaan vaker stemmen dan jongeren en niet-kerkelijken
Het belang van participatie
Politieke participatie is belangrijk voor het goed functioneren van een democratie. Electorale participatie heeft invloed op de verdeling van de macht en op de vorming van de regering. Een hoge opkomst zorgt voor een hoge mate van representativiteit en legitimiteit van het bestuur. Dat maakt de kans groter dat het beleid geaccepteerd wordt.
Niet-electorale paticipatie is erg belangrijk voor de politieke agenda. Als politici alleen bespreken wat zij belangrijk vinden, staan ze los van de samenleving. Dat geeft de burgers het gevoel dat ze niet worden gehoord de afstand tussen burgers en politiek groeit. Oplossing? Mondige burgers die van zich laten horen.

7.4 politieke vernieuwing
Om de kloof tussen burgers en politiek te verkleinen en de participatie van burgers te verhogen, worden er door politici en politicologen plannen bedacht, zoals het referendum, de gekozen premier en/of burgermeester en de invoering van het districtenstelsel.
Referendum
Kiezers kunnen één keer per vier jaar hun stem uitbrengen. Op wat er in de tussentijd gebeurd, hebben ze geen directe invloed. De betrokkenheid van de kiezers zou vergroot worden als zij over belangrijke kwesties hun mening tussentijds kenbaar kunnen maken Referendum. Nadelen van een referendum:
Het is niet gemakkelijk om ingewikkelde kwesties terug te brengen tot een vraag die je met ja of nee kunt beantwoorden. Bovendien lenen lang niet alle problemen voor een volksraadpleging.
Gekozen premier
Door de premier rechtstreeks te kiezen krijgen burgers meer invloed op de samenstelling van de regering dan nu het geval is. Nadelen van een gekozen premier:
Op staatsrechtelijk gebied: Met ons huidige staatsstelsel kan het parlement het vertrouwen opzeggen in de premier, want de premier is niet door het volk gekozen. Maar wie krijgt als er bij een conflict tussen het parlement en de premier gelijk, als ook de premier door de burgers gekozen is?
De verhoogde politieke betrokkenheid is niet gegarandeerd. Het opkomstpercentage in Nederland is hoger dan in andere landen waar een gekozen president is. Het risico bestaat dat de functionarissen die gekozen worden, afhankelijk raken van hun sponsors, achterban enz. Een ander risico is dat verkiezingen bepaald gaan worden door het charisma van de kandidaten i.p.v door hun standpunten.
Gekozen burgemeester
In Nederland worden burgemeesters door de Kroon (regering) benoemd, na voordracht door de gemeenteraad. De argumenten voor of tegen een benoemde burgemeester zijn deels gelijk aan die van de gekozen premier. Een ander argument voor de benoemde, niet gekozen burgemeester is dat hij/zij, als voorzitter van de gemeenteraad en het college, boven de partijen moet staan. Voor een gekozen burgemeester is dit veel moeilijker, want die moet verkiezingsbeloften maken.
Gekozen formateur
De gekozen formateur lijkt op de gekozen minister-president, maar toch net anders. De formateur wordt na de verkiezing aangewezen door de koningin. De formateur is de lijsttrekker van de grootste partij en wordt de nieuwe premier. In een representatieve democratie zou het logischer zijn dat de formateur gekozen wordt, bijvoorbeeld door de net gekozen volksvertegenwoordigers in de Tweede Kamer. Daarmee zouden de kiezers indirect meer invloed krijgen op de coalitievorming. Een ander voordeel: burgers hoeven niet meer op één van de twee grootste partijen te stemmen. Nu de grootste partij meestal de minister-president levert, laten kiezers hun stem ook leiden door hun voorkeur voor de premier.
De afschaffing van de eerste kamer
De Eerste en Tweede Kamer beoordeelt alle wetsvoorstellen op kwaliteit en uitvoerbaarheid. Critici stellen dat Eerste Kamerleden lang niet altijd de nodige deskundigheid bezitten om hun taken uit te voeren, omdat ze de juridische kennis missen. Kamerleden stemmen bijna altijd hetzelfde als hun partijgenoten in de Tweede Kamer. Daarmee wordt de meerwaarde van de Eerste Kamer, ookwel kamer van reflectie, uitgehold. Maar de kans dat de Eerste kamer wordt opgeheven is klein, dat komt doordat de Kamerleden hier zelf mee in moeten stemmen.
De invoering van een kiesdrempel
Kiesdrempel: een partij krijgt pas Kamerzetels, bij een vastgesteld minimum percentage stemmen. In België is de kiesdrempel 5%. Een kiesdrempel zorgt ervoor dat er minder partijen in het parlement vertegenwoordigd zijn, waardoor debatten veel korter zijn. Tegenstanders van een kiesdrempel vinden het voor de representativiteit belangrijk dat alle stemmen worden gehoord.
Uitbreiding parlementaire bevoegdheden
In een democratie ligt het primaat bij de wetgevende macht, het parlement en de regering. Zij bepalen welke wetten tot stand komen. In de praktijk heeft de uitvoerende macht, de regering, meer macht. Om meer macht aan het parlement te geven, zou je macht bij de regering moeten weghalen of de kamer meer bevoegdheden geven. Ontnemen van de bevoegdheid geeft het parlement meer macht. In de praktijk zijn het vooral ministers die voorstellen indienen, geholpen door ambtenaren van hun departement. Kamerleden hebben slechts één assistant. Deze ambtelijke fractieondersteuning zou je kunnen uitbreiden, waardoor Kamerleden beter in staat zijn tot het indienen van wetsvoorstellen.
Invoering meerderheids- of districtenstelstel
Nederland kent een evenredig kiesstelsel, waarbij alle uitgebrachte stemmen worden verdeeld over het beschikbare aantal zetels. Omdat de meeste stemmers voor hun gevoel op een partij stemmen en niet op een persoon, hebben de gekozen vertegenwoordigers vaak weinig binding met de burgers. Een districten- en of meerderheidsstelsel beoogt een veel sterkere band tussen kiezer en gekozene, omdat de volksvertegenwoordiger direct door het eigen district is gekozen.
Voordelen van een districten- of meerderheidsstelsel zijn:
Minder politieke partijen in het parlement en daardoor minder moeizame onderhandelingen bij de formatie van een nieuw kabinet. Een nadeel: als er geen compromissen nodig zijn, kan het beleid per regering sterk veranderen. Daarnaast heeft het districten- of meerderheidsstelsel als nadeel dat de stemmen op de verliezers in het district verloren gaan. Hierdoor dreigen kleinere partijen uit het parlement te verdwijnen, wat slecht is voor de representativiteit. Een ander bezwaar: het gevaar van een té grote aandacht voor de belangen van het district, waardoor het landsbelang in het nauw kan komen.

Hoofdstuk 8 : STROMINGEN EN PARTIJEN

Toen in Nederland het kiesrecht werd ingevoerd, bestonden er nog geen duidelijke politieke stromingen en partijen. De vertegenwoordigers waren meestal burgers die zich wilden inzetten voor het algemeen belang.
1879 Abraham Kuyper richtte de Anti Revolutionaire Partij op. De partij nam stelling tegen de ontkenning van de politieke rol van religie tijdens de Franse Revolutie. Kuyper maakt zich hard voor bijzonder onderwijs en de uitbreiding van het algemeen kiesrecht. Al snel volgen de socialistische, liberale en andere conservatief-christelijke partijen, elk met hun eigen specifieke politieke opvattingen.
Ontstaan van ideologieën
Politieke opvattingen bestaan uit ideeën over maatschappelijke kwesties in de samenleving. In Nederland hebben we beroepspolitici, zoals de Tweede Kamerleden, ministers en wethouders die in dit soort kwesties de belangen tegen elkaar afwegen en keuzes maken.
De rol van de overheid was tot ruim honderd jaar geleden zeer beperkt: er was nog nauwelijks bemoeienis met het onderwijs of met de gezondheidszorg, de inkomensverschillen waren erg groot, er was op grote schaal armoede en en arbeiders werden uitgebuit. Er was nog geen algemeen kiesrecht en kinderarbeid kwam nog steeds voor. Veel kinderen gingen daardoor niet naar school. Er waren nog helemaal geen sociale voorzieningen of verzekeringen. Als er iets met je gebeurde, dan was je afhankelijk van je kinderen, familie of liefdadigheid van de kerk.
De voornaamste overheidsuitgaven in de nachtwakersstaat betroffen vooral het leger en de politie. Verandering er onstond industrie, de bevolking nam toe en trok naar de steden, en de eerste spoorwegen werden aangelegd.
Drie belangrijke politieke hoofdstromingen: Het Liberalisme, de ideeën van de verschillende christelijke partijen en het socialisme. Die stromingen ontstonden vooral in Europa, in het ene land wat sneller dan in het andere land, afhankelijk van het tempo van de industrialisatie, verstedelijking en uitbreidingen van het kiesrecht.
Verschillende uitgangspunten
Aan elke politieke visie ligt een visie op de wereld ten grondslag (ideologie)= het geheel van ideeën over de mens, menselijke relaties en de inrichting van de samenleving.
Ideologieën hebben duidelijke standpunten over:
• normen en waarden
• de gewenste sociaaleconomische structuur van de samenleving.
• De gewenste machtsverdeling in de samenleving, waarbij het om de vraag gaat in welke mate en op welke manier mensen politieke rechten moeten hebben.
Zie blz. 117!
Een ideologie vervult belangrijke functies voor mensen:
- Het biedt intellectueel houvast.
- Het biedt interpretatiekader; je kunt er allerlei maatschappelijke verschijnselen mee verklaren.
- Het biedt oriëntatiepunten, doelen waar je naar kunt streven.
- Het versterkt groepsgevoelens en zorgt voor een groepsidentiteit door zich af te zetten tegen andere indeologieën.

8.2 Ideologische stromingen
Liberalisme
Dit is een stroming, waarbij ieder individu zich zo optimaal kan ontplooien: wat goed is voor het individu, is goed voor de maatschappij. Mensen zijn wel gelijkwaardig maar niet gelijk. Ze moeten elkaars opvattingen respecteren. Individuele vrijheid en individuele rechten zijn sleutelbegrippen in de liberale traditie.
Belangrijkste kenmerken van het liberalisme:
• Economische vrijheid.
• Politieke vrijheid.
• Het principe van de rechtsstaat.
• Het rationalistische individualisme.
Zie blz. 119!
Socialisme
Het socialisme constateert dat de mogelijkheden voor elk individu om zich te ontplooien ongelijk verdeeld zijn. Een belangrijke oorzaak voor het verschil in mogelijkheden ligt in de ongelijke verdeling van bezit: rijke ouders kunnen hun kinderen meer bieden dan arme ouders. De begrippen vrijheid en gelijkwaardigheid krijgen in hun visie pas betekenis als mensen ook gelijke kansen hebben. Bezittingen daarom eerlijker verdeeld worden. Het socialisme streeft naar economische gelijkheid en kritiek op de vrijemarkteconomie.
Het socialisme was een stroming die zich het lot van de arbeiders aantrok.
In 1848 publiceerde Karl Marx samen met zijn vriend het Communistische Manifest. zij riepen de arbeiders op tot omwerping van de maatschappelijke orde. Om een einde te maken aan de kapitalistische uitbuiting van de arbeiders moesten alle fabrieken in hande komen van de staat. Dan zou iedereen kunnen werken en had iedereen genoeg om te kunnen leven. Op basis van de ideeën van Marx onstonden twee bewegingen:
De communisten en de sociaaldemocraten.
Kenmerkend voor de verzorgingsstaat is de door de socialisten gewenste actieve rol van de overheid. Door in te grijpen op sociaaleconomisch terrein, bijvoorbeeld om inkomensverschillen te verkleinen, kan de positie van zwakke groepen in de samenleving worden verbeterd.
Confessionalisme
In het confessionalisme baseren mensen hun politieke opvattingen op hun geloofsovertuiging. In Nederland is het vooral het christelijke geloof. Gemeenschappelijk zijn christelijke waarden als naastenliefde en de nadruk op harmonieuze samenwerking.
In het confessionalisme is een duidelijke organische staatsopvatting zichtbaar.
Gespreide verantwoordelijkheid:
Mensen moeten voor elkaar verantwoordelijkheid en zorg op zich nemen en de overheid moet mensen niet te veel uit handen nemen.
Subsidiariteitsbeginsel:
Geen staatsonderwijs, geen strak raamwerk van sociale wetten, met hooguit een aanvullende rol voor de overheid.
Overige ideologieën
Wat wil het Fascisme: een machtige staat, met een sterke mannelijke leider. Er is een grote rol voor de leider. Er is geen plaats voor democratische verhoudingen. Een parlement zou de kracht van de staat verzwakken. In plaats daarvan werd in fascistische landen vaak een corporatiefstelsel ingevoerd--> niet alleen werkgevers en werknemers hadden zitting in de corpus, maar ook afgevaardigden van de fascistische partij. Zo is er sprake van een grote overheidsinterventie die de weg opent voor een totalitaire staat.
Burgers moeten de leider gehoorzamen. Een burger moet zijn belangen opofferen aan de staat. Het individu telt niet. Fascisten dulden geen tegenspraak. Voor hen geldt het recht van de sterkste. Fascisten hebben een voorkeur voor uiterlijk vertoon. Ze willen andere imponeren en maken veel gebruik van uniformen en symbolen.
De belangrijkste taak van de man is in het leger. Terwijl de vrouw kinderen moet krijgen voor het vaderland. Fascisten zijn zeer nationalistisch--> het eigen land is voor hen het belangrijkste en beste.
Het ecologisme benadrukt de wederzijdse afhankelijkheid van mensen en de natuurlijke omgeving. Volgens de ecologen moet de overheid een grote rol spelen omdat alleen zij de belangen van het milieu kan waarborgen.
Het feminisme streeft naar totale gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen.

8.3 politieke partijen
Mensen laten zich bij hun politieke keuze steeds minder leiden door een ideologie. Mensen laten zich nu ook leiden door gewoonte, door losse, populaire uitspraken of door het charisma van een politicus.
Om politieke partijen te typeren worden vaak de volgende begrippen gebruikt:
- conservatief en progressief
- links en rechts
- ideologisch en pragmatisch
Progressief en conservatief
Progressief heeft in de politiek de betekenis van vooruitstrevend. De progressieve politici benadrukken de gebrekken in de samenleving en pleiten voor grondige veranderingen en hebben daarom vaak contacten met actiegroepen. Ze denken dat de samenleving maakbaar is en dat de problemen door de politiek kunnen worden opgelost.
Conservatief betekent behoudend. Conservatieve politici geloven maar beperkt in de maakbaarheid van de samenleving en benadrukken daarom datgene wat al is bereikt. Ze vinden traditionele waarden als gehoorzaamheiden trouw zeer belangrijk en hebben affiniteit met traditionele organisaties als kerkgenootschappen, het koningshuis en het leger.ze vinden dat te grote persoonlijke vrijheid kan leiden tot excessen, uitwassen en ongezond individualisme. Conservatieve partijen vinden dat de overheid duidelijke normen moet stellen en moet zorgen dat die ook worden nageleefd.
Reactionair soms proberen conservatieven om oude regels, die vervangen zijn door nieuwe modernere regels, te herstellen.
Links en rechts
Oorspronkelijk komen de begrippen uit de Franse politiek op het eind van de 18e eeuw. In het Franse parlement zaten rechts van de koning de eerste en tweede stand: de geestelijke en adel. Links zaten de leden van de derde stand: het volk. Omdat de geestelijken en adel er conservatieve denkbeelden op nahielden en onder het volk progressieve ideeën leefden over vrijheid en democratie, werden de begrippen links en rechts synoniemen voor progressief en conservatief.
Politiek links gaat ervan uit dat de overheid actief moet optreden, vooral om de zwakkeren in de samenleving te beschermen. Linkse partijen: PvdA, SP, GroenLinks.
Politiek rechts pleit voor een passieve overheid op sociaaleconomisch gebied. Burgers en bedrijfsleven moeten zo veel mogelijk hun eigen zaakjes regelen. De ongelijkheid in inkomens geeft prikkel om te concurreren en zelf intiatief te nemen. Als beschermer van individuele rechten en als beheerder van orde en rust heeft de overheid volgens rechts wel een belangrijke taak. Rechtse partijen: VVD, PVV.
Politiek midden hoort bij de christendemocratische partijen, die voor de overheid een aanvullende rol zien weggelegd. Burgers moeten verantwoording voor zichzelf nemen en voor elkaar. Het politiek midden benadrukt de gezamelijke verantwoordelijkheid van burgers en overheid. Partij die in het midden hoort: CDA.
Polarisatie felle discussies voeren en debatten houden.
Zie blz. 126!
Ideologische en pragmatische partijen
pragmatische partijen hebben geen vaste uitgangspunten of principes.
Populistische partijen keren zich eveneens tegen ‘het politieke establishment’. Ze zijn van mening dat ideologische beginselen en traditionele haags-parlementaire omgangsregels een krachtdadig beleid in de weg staan. De populistische partij benadrukt dat ze de stem van het volk laten horen.

Hoofdstuk 9

Internationale betrekkingen:
Door de globalisering werken landen op steeds meer terreinen samen, met als gevolg een groeiende internationale interdependentie : daarin komen ze op voor de belangen van de Nederlandse burgers.
Globalisering: de politieke besluitvorming is in Nederland op bijna elk maatschappelijk terrein afhankelijk van wat er internationaal gebeurt. Economische markten zijn steeds meer verbonden met de beurs in New York, Shanghai, Amsterdam.
Belemmeringen: wat vroeger door nationale overheden werd besloten word tegenwoordig door internationale instellingen bepaald.
Verschillende factoren belemmeren de Europese internationale samenwerking:
emotionele weerstanden: tegen het opgeven van de eigen nationale soevereiniteit(exclusieve bevoegdheid tot uitoefening van publiekrechtelijk gezag). Zien het als verlies van eigen identiteit.
Gebrek aan vertrouwen tussen landen, dat is een vereiste voor een goede samenwerking. vb. het drugsbeleid in nederland is soepeler dan in de omringende landen en dus zijn er drugs toeristen te verwachten. Frankrijk was het daar niet mee eens/
De tegenstelling tussen individuele belangen en collectieve belangen, voor het realiseren van gemeenschappelijke doelen. Er is alleen geen rechtstreeks verband tussen de grootte van de offers en de mate waarin een land daarvan profiteert. Een land dat weinig of niets meebetaalt profiteert ook gewoon mee(prisoner's dilemma). Daarom geven staten ook voorkeur aan individuele belangen op kort termijn.

9. De Europese Unie.
1992: Verdrag van Maastricht op gesteld en zo kwam de europese Unie tot stand (12 lidstaten, EEG+Denemarken, Ierland, GB., Griekenland, Portugal, Spanje). Sindsdien hebben de burgers van de Europese Unie niet alleen te maken met het gezag van hun regering maar ook met europese maatregelen. De Europese Economische Gemeenschap(EEG) werd opgericht in 1957, die bestond uit 6 landen: Benelux, Frankrijk, west-Duitsland en italie. Hun taak was het instellen van een gemeenschappelijke markt en een geleidelijke harmonisering van het economisch beleid van de lidstaten. Bij de Eu kwamen ook nog de taken: gemeenschappelijk buitenlands, justitieel en veiligheidsbeleid te gaan voeren. 1Economische en monetaire(betalingsverkeer) unie gaan vormen.
Toelating voor nieuwe lidstaten:
democratische instelling hebben, een rechtstaat zijn, meerpartijensysteem hebben, de mensenrechten eerbiedigen, minderheden beschermen.
Met Europees burgerschap mag men:
in elke lidstaat reizen, werken, wonen.
meedoen verkiezingen Europees parlement.
makkelijker toegang sociale zekerheid andere lidstaten.
diplomatieke bescherming buiten de EU.
klagen bij de Europese Ombudsman.
Bestuur van de EU:
het politieke systeem van de Europese Unie kan je vergelijken met de besturing van een land.
De Europese Commissie neemt initiatief tot regelgeving en voert uit, is het dagelijks bestuur van de EU, operen onafhankelijk van de nationale regeringen, elk lidstaat heeft 1 commissaris. Belangrijkste bevoegdheid, het nemen van initiatief op het terrein van Europese Wetgeving, het uitvoerende orgaan van de gemeenschap.
De raad van de Europese Unie bestuurt en is de hoogste besluitvormende macht, heeft de wetgevende bevoegdheid.
Het Europees Parlement controleert, beslist mee over wetgeving, heeft het laatste woord bij het goedkeuren van de begroting en toetreding van nieuwe lidstaten. Op het terrein van buitenlands beleid en justitiele samenwerking moeten besluiten unaniem genomen worden, zo niet dan geen Europees beleid(intergouvernementele samenwerking). Op economisch gebied kan dat wel(supranationaal)
Het Europees Hof van Justitie vormt de onafhankelijke rechterlijkemacht. De Europese Raad bestaat uit de regeringsleiders van de lidstaten.
Knelpunten en problemen:
burgers moeite met het verlies van nationale soevereiniteit, beslissingen worden vanuit brussel genomen en niet meer vanuit de lidstaat, EU bemoeit zich overal mee.
Sprake van democratisch tekort: ontstaat doordat het Europese Parlement geen gelijkwaardige tegenmacht vormt voor de Europese Commissie. En doordat de leden van de EC worden benoemt door de regeringen, niet door verkiezingen.
Beheersbaarheid van de financiën: lidstaten dragen 1,045% af aan de EU burgers zijn wantrouwend over waar dat geld heen gaat.
Omslachtige besluitvorming, en het veiligheidsbeleid(NAVO, VN).

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Renée

Renée

Wauw echt top! Super bedankt :)

4 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

A.

A.

helemaal goud deze samenvatting

5 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

B.

B.

Niet te veel zeuren mensen, het is een goede samenvatting en als je wat mist zoek het dan gewoon zelf op en geef het aan in plaats van te haten;)

Bedankt voor het delen 22-5-2013 maw examen laat cijfer wel weten:D

6 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

Aphrodite

Aphrodite

delen*

6 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

Aphrodite

Aphrodite

Goede samenvatting! Bedankt voor het dleen

6 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

M.

M.

Goede samenvatting! Ik hoop dat ik nu eindelijk een keer een voldoende haal!:)

6 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

P.

P.

hahaha oke na goed doorlezen snapte ik hem toch wel bedankt!

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

P.

P.

de samenvatting mocht wat duidelijker

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

A.

A.

Het hele boek gaat tot en met hoofstuk 9? Maar verder wel goede samenvatting!

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

G.

G.

GOEDE SAMENVATTING

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast