Ontwikkelingssamenwerking: Hoofdstuk 1 t/m Hoofdstuk 4

Beoordeling 1
Foto van Femke
  • Samenvatting door Femke
  • 4e klas vwo | 2178 woorden
  • 31 oktober 2015
  • 1 keer beoordeeld
  • Cijfer 1
  • 1 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak















H1






  Ontwikkelingssamenwerking is het duurzaam bestrijden van armoede.





Popsterren, burgers en particuliere organisaties zetten zich actief in voor het weghalen van de enorme kloof tussen arm en rijk. Er zijn veel redenen waarom mensen dit doen. Het is een wereldwijde uitdaging.



De acht Millennium Ontwikkelingsdoelen die landen 189 landen in de Millennium Verklaring getekend hebben:



De extreme armoedegrens ligt op minder dan 1 dollar per dag. Kindersterfte is sterfte voor het vijfde levensjaar.


















H2






 Ontwikkelingslanden zijn ‘in ontwikkeling’, op weg naar een hogere welvaart en een hoger welzijn voor de inwoners, maar ondertussen leeft een groot deel van de bevolking in armoede.





Ontwikkelingslanden zijn niet allemaal hetzelfde, daarom onderscheiden we ze met dimensies:



- Economisch (productie van goederen)



- Sociaal (onderwijs, gezondheidszorg, etc.)



- Politiek



- Cultureel



- Ecologisch (rekening houden met het milieu)



Tussen ontwikkelingslanden zijn in deze dimensies veel verschillen te ontdekken.





Ontwikkelingslanden hebben ook gemeenschappelijke kenmerken:



- Veel armoede



Internationaal worden twee armoedegrenzen gebruikt. 1 dollar per dag en 2 dollar per dag, uitgedrukt in koopkracht.



- Eenzijdige economische structuur



In veel ontwikkelingslanden is landbouw erg belangrijk. Hierdoor hebben de landen een beperking in wat zij kunnen exporteren: een eenzijdig exportpakket. De landen zijn sterk afhankelijk van wat er op de wereldmarkt gebeurt.



- Ongelijke inkomensverdeling



De inkomensverdeling wordt uitgedrukt in de Gini-coëfficiënt van een land. Dit is een getal tussen de 0 en 1. 0 staat voor volledige gelijkheid en 1 staat voor een situatie waarin 1 persoon alles verdient.



- Veel sociale problemen



Dit kun je vaak zien aan het geboorte- en sterftecijfer. Het geboortecijfer is in ontwikkelingslanden vaak erg hoog, net als het sterftecijfer. Dit geeft aan dat het met de gezondheid in het land niet helemaal goed zit.



- Bestuurlijke problemen



De overheid in ontwikkelingslanden wordt vaak de ‘zachte staat’ genoemd: strenge regels, maar zwakke handhaving. Er is veel sprake van corruptie (mensen maken misbruik van hun macht). Mensen die dit doen heten kleptocraten. Zij steken het overheidsgeld lekker in eigen zak. De politici spelen handig in op de etnische tegenstellingen en komen hierdoor aan de macht of blijven langen aan de macht.



- Bedreiging van de lokale cultuur



Door de bemoeienis van het Westen vervagen de culturen in ontwikkelingslanden. Er is sprake van een cultureel imperialisme. Tijdens de tijd van de koloniën werden Westerse normen een waarden overgedragen aan de plaatselijke bevolking.



- Aantasting van het milieu



In veel ontwikkelingslanden ontbreken de wetgeving en het geld voor het beschermen van het milieu. Sommige Westerse landen vestigen zelfs hun fabrieken in deze landen vanwege de strenge Westerse milieunormen.





De ontwikkeling van deze landen kun je meten met het Human Development Index (HDI). Hierin zijn drie factoren met elkaar gecombineerd:



- Het BNP (in koopkracht)



- De levensverwachting



- De graad van scholing



Het HDI is een getal tussen 0 en 1. Hoe dichter het getal bij 1 ligt, hoe ontwikkelder een land is. De uitkomsten verschijnen in het Human Development Report. Alle zaken zijn natuurlijk niet opgenomen in het HDI, maar het geeft wel een breed beeld van de ontwikkeling van aan land.





Er zijn verschillende mensen die een theorie hebben bedacht voor het ontwikkelen van ontwikkelingslanden.



Walt Rostow ging uit van een evolutionair proces dat plaatsvindt in vijf stadia:



                - Traditionele samenleving (onderontwikkelde economie)



- Voorwaarden voor ‘take-off’ (hoger investeringsniveau, hoger opleidingsniveau, opkomst private sector etc.)



                - Take-off (groeispurt voor de economie)



                - Verbreding en modernisering (volwassen economie)



                - Massaproductie en -consumptie (eindstadium)



 Kapitaal, geschoolde mensen en interne factoren (politieke & sociale structuur) zijn belangrijk voor de ontwikkeling van een land. Dit is een voorbeeld van moderniseringstheorie.  De ontwikkeling moet vooral door veranderingen in de arme landen zelf komen. Dit leidt tot een ontwikkelingsstrategie waarin internationale handel en vrije markt een grote rol spelen.



Er zijn ook veel kritische theorieën over ontwikkeling. Een belangrijke stroming binnen deze theorieën zijn de afhankelijkheidstheorieën. Dezen zeggen dat ontwikkelingslanden in een wurggreep zitten waaruit zijn nauwelijks kunnen ontsnappen, omdat de Westerse wereld ze tegenhoudt. Onderontwikkeling zou het gevolg zijn van de ontwikkeling van de Westerse wereld. Aan deze ontwikkeling zit dus de onderontwikkeling vast. De oplossing zou volgens hun een andere machtsverhouding zijn.



Een tweede stroming gaat uit van ongelijke ontwikkeling. Het ene land ontwikkelt zich nou eerder dan het andere, en wie het eerst komt, wie het eerst maalt.



Er bestaan op basis van deze theorieën ook verschillende oplossingen voo onderontwikkelde landen.


















H3






                Ontwikkelingshulp is iets anders dan ontwikkelingssamenwerking. Er zijn verschillende motieven achter ontwikkelingshulp en er zijn ook verschillende strategieën die ontwikkelingslanden kunnen volgen om  hun situatie te verbeteren. 





Ontwikkelingssamenwerking: het geheel van activiteiten waarbij je probeert ontwikkelingslanden tot grotere welvaart te brengen. (De hengel)



Ontwikkelingshulp: het geven van geld, goederen of diensten aan ontwikkelingslanden om de welvaart te bevorderen. (De vis)



Je mag alleen hulp geven aan ontwikkelingslanden, mar hier is geen algemeen aanvaarde definitie voor. Naast de officiële ontwikkelingshulp is er nog particuliere ontwikkelingshulp, dit komt vanuit de burgers van welvarende landen zelf.





Er zijn verschillende motieven waarom je ontwikkelingshulp kunt geven:



- politieke en strategische motieven:



Bv. het Marhallplan met als strategisch doel: democratie behouden. Ook terrorismebestrijding staat hoog op de lijst bij veel landen.



- economische en commerciële motieven:



Er wordt veel hulp gegeven in de vorm van goederen of diensten, maar dit draait eigenlijk meer om het belang van het Westerse bedrijfsleven.  Bijvoorbeeld voor het bevorderen van de export, of om bedrijven een steuntje in de rug te geven. Hulp uit commerciële motieven noem je ook wel gebonden hulp: een ontwikkelingsland krijgt geld dat het aan producten uit het donorland moet besteden. Vaak is dit duurder dan op de wereldmarkt.



- ethisch-humanitaire motieven:



Veel mensen geven hulp uit religieuze overwegingen. Ook kunnen mensen hulp geven uit solidariteit met mensen die het slechter af zijn dan wij. Het motief wordt veel onderbouwd vanuit mensenrechten.



- motieven die te maken hebben met cultuur, milieu en migratie:



Het milieuprobleem is een wereldwijd ding en houdt niet op bij de grenzen van je eigen land. Daarom hebben landen er belang bij het beter worden van het milieu in ontwikkelingslanden. Ook illegale migratie is een probleem voor de rijke landen. Als de situatie in het ontwikkelingsland beter wordt, is er minder migratie. En tot slot de culturele motieven. Landen willen graag hun cultuur (taal, literatuur en film) verbreiden en daardoor geven zij geld waarmee de ontwikkelingssamenwerking bijvoorbeeld les kunnen geven in de taal van het rijke land.



De motieven-driehoek geeft aan hoe zwaar verschillende motieven wegen in een donorland. Het belangrijkste is de landenkeuze. Is de hulp vooral gericht op de armste landen? Dan zullen de humanitaire motieven een grote rol spelen. Als ‘opkomende markten’ veel hulp krijgen, is waarschijnlijk een commercieel motief doorslaggevend.



Je kunt ontwikkelingsstrategieën opdelen in twee hoofdstromen: de kapitalistische en de socialistische strategieën. Verder zijn er nog wat kleine strategieën.





- Kapitalistische strategieën.



Het vrijemarktmechanisme speelt hierin een grote rol. De rol van de overheid blijft beperkt tot het opstellen van regels en het letten op de naleving hiervan.



Een kapitalistische strategie kan ook de nadruk leggen op het produceren van een nieuw product. Deze strategie wordt wel de groene revolutie genoemd. Het accent kan ook worden gelegd op industrialisatie. Het land gaat nu zelf de producten maken die het voorheen importeerde: importsubstitutie. De eigen markt moet hierbij worden afgeschermd door hoge importtarieven te heffen. Ook kan de regering bedrijven stimuleren om extra te gaan produceren voor de wereldmarkt: exportgeleide groei.



- Socialistische strategieën.



Hierin heeft de overheid een veel grotere rol en regelt alles wat met de productie van goederen te maken heeft.



- ‘Basisbehoeften’.



Het land investeert in basisbehoeften waardoor werkgelegenheid wordt gecreëerd. Het is geen populaire strategie.



- Herverdeling.



Het bestrijden van armoede staat voorop. Een land geeft aan hoe het de armoede wil bestrijden en de donorlanden letten er verder op of het land goed bestuurd wordt en of er corruptie bestreden wordt.





De ontwikkelingsstrategieën kunnen het ontwikkelingsland helpen, maar maken het ook makkelijker voor de donorlanden om hulp te geven. Landen kunnen hun eigen strategie kiezen, behalve als zij grote schulden hebben en met de schuldeisers overhoop liggen.


















H4






                In Nederland is veel aandacht voor ontwikkelingshulp. Er zijn verschillende soorten ontwikkelingshulp en verschillende kanalen waar dit langs kan gaan.              





Het streefdoel van de donorlanden is om 0,8% van het bnp uit te geven aan ontwikkelingshulp. Helaas houden niet alle landen zich hieraan.



Voor Nederland is het humanitaire motief het belangrijkst. Daarom vormt duurzame armoedebestrijding het hoofddoel. Nederland had ook nog kunnen kiezen om te gaan voor politieke stabiliteit, economische verzelfstandiging, exportbevordering of het verbeteren van de mensenrechtensituatie.



Nederland staat ook achter de Millenniumdoelen. De drie belangrijkste doelen voor Nederland zijn:



- 2: onderwijs voor elk kind,



- 6: bestrijding hiv/aids, malaria en andere dodelijke ziektes,



- 7: bescherming van het milieu, iedereen schoon drinkwater.



Nederland probeert de burgers te betrekken bij de ontwikkelingssamenwerking. Hiervoor hebben ze het ‘Akkoord van Schokland’ opgezet. Allerlei maatschappelijke partners en bedrijven ondertekenden een serie akkoorden waarin zij hun inzet voor de Millenniumdoelen toonden.





Soorten ontwikkelingshulp:



- Structurele hulp:



Gericht op het in gang zetten van langdurige positieve ontwikkelingen in een land. Sleutelwoord:  ‘ownership’. Dit houdt in dat het ontvangende land de beleidskaders, de prioriteiten en plannen van aanpak bepaalt. De hulpvormen die hierbij horen zijn projecthulp (projecten zoals de bouw van het ziekenhuis, etc.) en programmahulp (economisch herstelprogramma, bv het betalen van essentiële importen. Een tweede vorm hiervan is sectorhulp waarbij een hulpontvangend land een programma opstelt voor een bepaalde sector.)



- Humanitaire hulp(/noodhulp):



Hulp bij noodsituaties.  Bedoeld om mensen in levensbedreigende nood zo goed mogelijk te helpen en te zorgen dat ze overleven.
























Soort hulp



Doel van de hulp



Hulpvormen



Structurele hulp.



Bewerkstelligen van economische en sociale verandering.



Projecthulp en programmahulp.



Humanitaire hulp.



Leningen van directe nood.



Noodhulp en vluchtelingenhulp.






Er zijn drie soorten kanalen waarlangs ene geld naar ontwikkelingslanden gaat:



- Het multilaterale kanaal:



Ontwikkelingshulp door internationale organisaties. Ze krijgen het geld van donorlanden en besteden dat in een bepaald aantal ontwikkelingslanden. Een deel hiervan is verplichte contributie.



- Het bilaterale kanaal:



Hulp van overheid tot overheid. Het donorland kiest een land waaraan het geld geeft. Zo’n land waaraan je het geld geeft heet je partnerland. Hiervoor zijn er criteria opgesteld:



                               - Het land moet tot de allerarmste landen behoren.



- Het land moet een enigszins goed bestuur hebben en werken aan het verbeteren van het bestuur.



- Het sociaaleconomische beleid in het partnerland moet zodanig zijn dat de hulp ten goede kan komen aan een zo groot mogelijk deel van de bevolking.



Er is in 2007 nog een speciale categorie ‘fragiele staten’ ingevoerd. Dit zijn landen die net uit de oorlog zijn gekomen of waar nog veel geweld is. Hulp is vooral gericht op wederopbouw en vredeshandhaving.



- Het particuliere kanaal:



Hier komt de hulp vanuit particuliere organisaties die de ontwikkelingslanden willen steunen.





Veel mensen vragen zich af of de hulp wel zin heeft.



Argumenten voor:



                - De hulp helpt: Zuid-Korea, Taiwan, Thailand, Indonesië.



                - Een menswaardig bestaan is voor veel landen nog niet bereikt



                - Ontwikkelingshulp is een steuntje in de rug voor de ontwikkelingslanden



Argumenten tegen:



                - Gemengde resultaten



                - Landen zullen nooit zelfstandig worden



- Maar een klein deel van het geld komt ook daadwerkelijk terecht bij de mensen die het nodig hebben.





De effectiviteit van ontwikkelingshulp wordt ook verminderd door omgevingsfactoren. Daarnaast is het ontwikkelingsbeleid het resultaat van een politiek besluit proces, waarbij allerlei actoren en belangen een rol spelen. Tot slot is het ontwikkelingsbeleid afhankelijk van internationale omstandigheden.




REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Ook geschreven door Femke