Ontwikkelingssamenwerking H5 t/m H7

Beoordeling 0
Foto van Femke
  • Samenvatting door Femke
  • 6e klas vwo | 1898 woorden
  • 31 oktober 2015
  • nog niet beoordeeld
  • Cijfer
  • nog niet beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Studententijd zomerspecial

Heb jij de Zomerspecial van Studententijd de podcast al geluisterd? Joes, Steie, Dienke en Pleun nemen je mee in hun zomer vol festivals, vakanties en liefde. En kijken ook alvast vooruit naar de introductietijd van het nieuwe collegejaar. Luister lekker mee vanaf je strandbedje, de camping of onderweg. 

Luister nu!

H5



Niet-gouvermentele organisaties: organisaties die door particulieren zijn opgezet om te werken aan ontwikkelingssamenwerking. Ze krijgen deels geld van de overheid (medefinanciering). De belangrijkste medefinancieringsorganisaties zijn:



- Cordaid (katholiek);



- ICCO (protestants);



- Oxfam Novib (“algemeen”);



- Hivos;



- Plan Nederland;



- Terre des Hommes.



Kleinere organisaties die vaak gericht zijn op een thema krijgen thematische medefinanciering.



In Nederland is er één medefinancieringsstelsel (MFS). Hier kunnen organisaties één keer in de vier jaar subsidie aanvragen. De voordelen van particuliere organisaties zijn:



- Ze zijn deskundiger op een bepaald gebied/thema;



- Ze zitten dichter bij de mensen die de hulp ontvangen;



- Ze zijn niet gebonden aan het Nederlandse overheidsbeleid: ze kunnen in alle landen actief zijn.



Als organisaties subsidie aanvragen bekijkt een onafhankelijke commissie of ze aan de voorwaarden voldoen:



- bieden van kwaliteit en goede resultaten in vorige jaren;



- beleid past binnen de milleniumdoelen;



- kwart van de begroting zelf binnenhalen (toont dat mensen vertrouwen hebben in de organisatie door aan collectes etc te geven.)



Hierna besluit de minister hoeveel ze krijgen. Bij sommige organisaties stopt de overheid met financieren: ze geven steeds minder geld, om het langzaam af te bouwen.



Met ongeveer 30 landen werkt Nederland samen via bedrijfslevenprogramma’s. Hiermee willen ze werkgelegenheid in die landen stimuleren. Op dit moment zijn er twee programma’s:



- Programma Samenwerking Opkomende Markten (PSOM) geeft Nederlandse bedrijven die een investering doen in een bedrijf in een ontwikkelingsland een (gedeeltelijke) vergoeding van de kosten;



- Ontwikkelingsrelevante Export Transacties (ORET) werkt net andersom. Het ontwikkelingsland vraagt hierbij geld aan Nederland.



Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO) houdt in dat een bedrijf streeft naar evenwicht tussen people, planet en profit. Zorgen voor mens en omgeving met behoud van de winst.





Als inwoner van Nederland kun je ook helpen om de situatie in ontwikkelingslanden te verbeteren.



- Geld geven d.m.v. een jaarlijkse donatie, een lidmaatschap of een losse gift;



- Vrijwilligerswerk doen;



- Je eigen project starten (doe-het-zelvers);



- Je levensstijl aanpassen. Consuminderen! Een minder grote ecologische voetafdruk (milieugebruiksruimte) proberen te krijgen. Dit kan door fair trade-producten te kopen, of producten met een ander keurmerk. Maar je kunt ook eens vat vaker met de fiets gaan i.p.v. met de auto.





H6



Veel problemen in ontwikkelingslanden kunnen alleen internationaal opgelost worden. Daarom zijn er internationale organisaties opgericht. Een belangrijke hiervan is de VN (Verenigde Naties). Alle 192 landen doen mee in de Algemene Vergadering, die één keer per jaar plaatsvind. Als iemand zich niet aan de regels houdt, tikken ze die daar op de vingers. De AV is niet dwingend, dat kan alleen de Veiligheidsraad zijn. Deze is verantwoordelijk voor het handhaven van internationale vrede en veiligheid. De Veiligheidsraad telt 15 landen, waarvan 5 vaste met het veto-recht. Ieder jaar worden er 5 nieuwe landen voor 2 jaar gekozen. Dit is het dagelijkse bestuur van de VN. De VN wil de volgende dingen:



- voorkomen van oorlog;



- beschermen van mensenrechten;



- versterken van het internationaal recht;



- het stimuleren van betere levensomstandigheden in de wereld.



De VN heeft een aantal hulporganisaties:



- FAO (voedsel);



- WHO (gezondheid);



- ILO (arbeid);



- UNESCO (onderwijs en culturele identiteit);



- UNICEF (kinderrechten);



- UNEP (milieu);



- UNHCR (noodhulp).



Er zijn verschillende problemen binnen de VN:



- complexiteit: de problemen die landen hebben zijn vaak erg complex en kunnen niet zomaar opgelost worden;



- bureaucratie: de VN is een grote organisatie, daarom duurt het lang tot een besliste zaak wordt uitgevoerd (door veto-recht);



- geldgebrek: landen betalen niet op tijd, en daardoor liggen de projecten stil;



- versnippering: de VN verdeelt de taken en daardoor is de hulp oncompleet;



- onderlinge verdeeldheid: alle landen hebben andere ideeën en belangen, waardoor problemen niet worden opgelost (ook veto-recht);



- er is geen daadkracht!



De Wereldbank en IMF zijn twee gespecialiseerde, onafhankelijke organisaties van de VN.



- De Wereldbank is een ‘ontwikkelingsbank’. Ze helpt ontwikkelingslanden bij het bestrijden tegen armoede door middel van leningen, giften en technische ondersteuning.  Het is de grootste en belangrijkste ontwikkelingsorganisatie. Ontwikkelingslanden beschrijven hoe hun economische en sociale situatie eruitziet en wat er moet gebeuren om die te verbeteren. Aan de hand daarvan bepaalt de Wereldbank of ze bijspringen.



- IMF’s belangrijkste doel is het verzekeren van de stabiliteit van het internationaal monetair systeem. Dit is van belang om duurzame economische groei en een hogere levenstandaard te creëren. Het IMF is geen ontwikkelingsorganisatie, maar ze helpt wel ontwikkelingslanden als die schulden hebben. In ruil hiervoor eist het IMF economische hervormingen: verhogingen van belastingen, verlagen van overheidsuitgaven en het privatiseren van staatbedrijven.



Kritiek



Door de eis van economische hervormingen is er veel kritiek op de Wereldbank en de IMF. Ze leggen te veel de nadruk op een openmarkeconomie, zodat Westerse landen gaan investeren in ontwikkelingslanden. Maar de ontwikkelingslanden hebben te weinig ruimte om hun eigen economie te beschermen tegen deze landen en bedrijven. Ze mogen geen subsidies heffen, en daardoor wordt het voor de arme mensen alleen nog maar moeilijker.



Een ander punt is dat alle landen hetzelfde advies kregen: richt je op export van grondstoffen en mijnbouwproducten. Gevolg: door het grote aanbod daalden de prijzen van grondstoffen sterk en moesten de landen steeds meer exporteren om hun inkomsten te houden.



Tot slot vinden ze dat de organisaties teveel tekening houden met de financiële en politiek belangen van de VS. Er wordt heel veel gelet op de economische eisen, maar bijna niet op de mensenrechten, milieuwetgeving en arbeidssituaties in die landen.



Doordat de ontwikkelingslanden hebben geleend, hebben ze alleen nog maar hogere schulden. Bijna alle inkomsten gingen terug naar de schuldeisers (IMF, Wereldbank, etc). In 2005 is besloten de schulden kwijt te schelden.



De EU is na de Wereldbank de grootste donor van ontwikkelingsgelden ter wereld. Het doel van de Europese Unie op het gebied van ontwikkelingssamenwerking is:



- duurzame economische en sociale ontwikkeling, met name van de armste landen;



- de integratie van ontwikkelingslanden in de wereldeconomie;



- armoedebestrijding;



- het waarborgen van democratie, rechtsstaat, mensenrechten en fundamentele vrijheden.



De EU heeft drie uitgangspunten:



- Het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF): bedoeld om handel tussen de EU en voormalige koloniën te stimuleren en te beschermen. Een groep van 78 ontwikkelingslanden kan onder gunstige omstandigheden producten verkopen op de EU-markt. Dit is ook gunstig voor ons, want wij zijn zeker van de aanvoer van grondstoffen;



- Instrument voor Ontwikkeling: voor steun op gebied van onderwijs, gezondheidszorg, milieu en voedselzekerheid.



- New Neighbourhood Policy: voor humanitaire hulp, stabiliteit en mensenrechten.



Er is ook kritiek op de EU:



- bureaucratische regels: vertraagde hulp;



- Europees landbouwbeleid: teveel bescherming van de eigen EU-lidstaten -> moeilijk voor andere boeren om in Europa af te zetten.





H7



Globalisering: mensen staan wereldwijd steeds meet in verbinding met elkaar. Problemen krijgen hierdoor vaker een internationaal karakter (broeikaseffect, migratie).



Politieke gevolgen



- Er ontstaan nieuwe conflicten. Landen zijn afhankelijk geworden en moeten op eigen benen staan. Er moet saamhorigheid gaan ontstaan met een gemeenschappelijke identiteit. Dit proces van ‘nation building’ wordt moeilijker gemaakt door etnische en politieke verschillen.



- Nieuwe conflicten verplaatsen zich gemakkelijk naar buurlanden en globaliseren heel snel. Wapens worden bv. gekocht op de internationale markt. Ondertussen zijn er veel mensen die invloed uitoefenen door vrede te willen sluiten in het land.



Er is de laatste jaren maar aandacht gekomen voor samenhang tussen veiligheid en ontwikkeling. (Als het niet veilig is, kunnen kinderen niet naar school, etc). Er wordt meer aandacht besteed aan herstellen en wederopbouw. Dit noemen we de 3D-aanpak: Defence, Diplomacy and Development. Het betekent dat in een politieke conflictsituatie waarbij ook humanitaire hulp nodig is, de inspanningen van militairen, diplomaten en ontwikkelingswerkers op elkaar moeten aansluiten. Het eerste doel is om de orde te herstellen.



Economische gevolgen



Globalisering heeft bijgedragen aan de totale mondiale welvaart. Bedrijven kunnen namelijk makkelijker investeren in regio’s waar ze denken dat ze de meeste winst kunnen halen (goedkope arbeid, etc). Ook is het steeds makkelijker om internationaal te kopen en verkopen. Sommige ontwikkelingslanden profiteren van deze positieve gevolgen. Met de opbrengsten van de industrie, kan er veel verbeterd worden in het land. Maar sommige landen hebben ook last van negatieve gevolgen, vooral in Afrika. Bedrijven willen hier liever niet investeren vanwege slechte infrastuctuur, corruptie, instabiliteit en gebrek aan geschoold personeel. Wel verkopen de bedrijven massaal hun producten op de markten in Afrika. Hierdoor worden de eigen producten verdrongen, en raken de eigen bedrijven en ondernemers veel omzet kwijt. We spreken hier van oneerlijke concurrentie. Dit kan je weren door protectionisme (invoerbelasting) toe te passen.



De Wereldhandelsorganisatie(WTO) wil hier wat aan doen met deze doelstellingen:



- het bevorderen van internationale handel;



- het tegengaan van protectionisme (en subsidiëring);



- Het bestrijden van het dumpen van producten zoals landbouwoverschotten;



- Het oplossen van handelsconflicten tussen landen.



Ze willen vrije wereldhandel creëren.



Kritiek



Doordat landen geen invoerbelasting mogen hebben, kan de markt overspoeld worden door goedkopere, buitenlandse producten waardoor plaatselijke producenten failliet gaan. Bijvoorbeeld de katoenproductie: het katoen uit Afrika is veel goedkoper, maar Westerse landen geven de boeren zoveel subsidie, dat ze het nóg goedkoper kunnen maken.



Volgens veel mensen zou ontwikkelingshulp overbodig zijn als er eerlijke handel was:  ‘Trade, not Aid’. Over dit soort zaken wordt veel onderhandeld in de WTO. Het is moeilijk om tot een akkoord te komen tussen alle landen, binnen de Doha-ronde.



Er zijn veel protesten -door antiglobalisten- tegen de oneerlijke internationale verhoudingen, vrijhandel en de grote vrijheid die internationale bedrijven tegenwoordig hebben om overal actief te zijn. Zij pleiten voor het stimuleren van regionale handel. Tegen globalisering dus.



Culturele gevolgen



- Door verbetering van transportmogelijkheden en de opkomst van modernere massamedia en nieuwe technologieën wordt de communicatieafstand tussen mensen in de hele wereld kleiner en ontstaat er een ‘global village’. Dit heeft nadelen voor -met name- Afrikaanse landen. Zij hebben beperkte toegang tot de moderne massamedia en dus minder informatie (wat een steeds belangrijker product is). De informatiekloof tussen arm en rijk wordt hierdoor erg groot;



- De Westerse cultuur gaat domineren;



- De Westerse invloed leidt in sommige landen tot een tegenreactie, waarbij men de eigen culturele identiteit heel erg benadrukt. Vooral ouderen hechten vaak meer aan hun eigen traditionele waarden. Jongeren gaan juist voor het Westen.



Bij ontwikkelingssamenwerking staan mensen vaak voor de vraag in hoeverre ze de cultuur moeten behouden. (Vanuit welk culturele perspectief?) Moet men bij verbeteren van de gezondheid op traditionele genezers, kruidengeneeskunde en acupunctuur uitgaan of nieuwe Westerse manieren introduceren?  De vraag welk perspectief het beste is, hang samen met de vraag hoe je culturen beoordeeld.



Cultuurrelativisme: een cultuur kan alleen uit zichzelf beoordeeld worden en er bestaat geen absolute maatstaaf voor een vergelijkende beoordeling in termen van beter of slecht.



Cultuuruniversalisme: er bestaan absolute waarden die voor iedereen in de wereld gelden en waarmee je culturen kunt toetsen. Je kunt ze dus vergelijken en beoordelen.



Volgens de VN moet iedereen zich houden aan een pasispakket van normen en waarden die afgeleid zijn van:



- de universele mensenrechten (vooral om vrouwen en kinderen te beschermen);



- het principe van een democratische rechtstaat;



- de bescherming van de minderheden;



- de erkenning van culturele verscheidenheid.



Landen kunnen volgens de VN dus gene beroep op hun eigen cultuur doen als zij daarmee de mensenrechten negeren.




REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Ook geschreven door Femke