SV massamedia maatschappijwetenschappen
1.1
Medium = middel en géén doel
De meeste communicatie = non-verbale communicatie (90%)
Communiceren = basis voor onze samenleving.
Paul Watzlawick, psycholoog+ communicatiedeskundige: onmogelijk om niet te communiceren. Bewust of onbewust vindt altijd comm. plaats en men beïnvloedt elkaar. Bij comm. gaat altijd om 2 processen, tegelijkertijd afgespeeld: informatieoverdracht + beïnvloeding v.d. onderlinge relatie.
Informatie
Comm. = tussen zender die boodschap verstuurt en ontvanger die boodschap ontvangt. Boodschap bestaat uit hoeveelheid info. zoals feiten, plannen, gedachten, gevoelens, of gedragingen. Reactie v.d. ontvanger op boodschap = feedback/terugkoppeling.
Relatie
Comm. beïnvloedt relatie tussen mensen. Vaak specifiek doel en comm. kan geslaagd worden genoemd als leidt tot onderlinge sociale verhoudingen.
Communicatie:
Proces waarbij een zender onbedoeld/bedoeld een bepaalde boodschap (info.) overbrengt aan een ontvanger en waarbij mensen de relaties die zij met elkaar hebben vorm en inhoud geven.
Communicatieproces
Comm.proces kent 5 basiselementen: zender (wie?), boodschap (wat?), kanaal of medium (hoe?), ontvanger (tegen wie?), mogelijke gevolgen (welk effect?)
Zender
Zender kan persoon of groep zijn, organisatie of bedrijf. Iets zeggen of alleen al aankijken tegen iemand maakt jou de zender.
Boodschap
Boodschap is meerledig en bestaat uit verschillende componenten die op elkaar zijn afgestemd.
Middel
Boodschap wordt altijd overgebracht via middel of medium. Je hand opsteken = non-verbaal, met lichaamstaal zonder woorden. Als de afstand tussen zender – ontvanger te groot is, wordt technisch hupmiddel zoals telefoon gebruikt. Boodschappen altijd door zender in code verpakt à encoderen:
Het omzetten van gedachten naar tekens of andere waarneembare uitingen.
Als zender kies je het middel dat je gaat gebruiken.
Ontvanger
Boodschap vrijwel nooit door ontvanger ongewijzigd en objectief overgenomen/begrepen. Ontvangers selecteren, verwerken, verdraaien en interpreteren boodschappen en koppelen ze aan indrukken of personen.
Decoderen:
Het uitpakken van de boodschap door de ontvanger, het terugvertalen v.d. boodschap naar de veronderstelde betekenis.
De ontvanger vertaalt+interpreteert de info. + reconstrueert de betekenis.
Effect
Bij de aangekomen boodschap eindigt het communicatieproces niet. De zender stuurt de boodschap met een bepaalde intentie. De ontvangen info. beïnvloedt het gedrag, ideeën, opvattingen v.d. ontvanger à communicatie-effect.
Feedback:
De reactie v.d. ontvanger op een boodschap v.d. zender: rollen worden omgedraaid, zender geeft feedback à ontvanger reageert.
Communicatiestoornissen
In comm. proces waarin zender boodschap verpakt en ontvanger boodschap uitpakt, is de manier afhankelijk van beiden referentiekader.
Referentiekader:
Je geheel van je persoonlijke waarden, normen, standpunten, kennis en ervaringen.
Tijdens comm. kunnen referentiekaders ruis veroorzaken.
Ruis:
Verstoring of misvorming v.h. comm.proces. als ontvanger een boodschap anders interpreteert dan zenders bedoeling à communicatiestoornis. Comm.stoornis kan in alle fasen v.h. comm.proces optreden.
1.2
Vormen van communicatie:
- Directe tegenover indirecte communicatie:
Bij directe comm. is er sprake van (persoonlijk) contact tussen mensen, bij indirecte comm. komt er altijd een technisch hulpmiddel te pas (telefoongesprek, briefwisseling etc.)
- Eenzijdige tegenover meerzijdige communicatie:
Eenzijdige comm. is een eenrichtingsverkeer (tv, radio, krant). Meerzijdige comm. zijn deelnemers tijdens een gesprek die afwisselend zender – ontvanger zijn.
- Verbale tegenover non-verbale communicatie:
Verbale comm. is gesproken of geschreven. Non-verbale comm.: alle comm. waar men niet spreekt, maar v.b. tekening, gebaren, lichamelijke taal. Non-verbale gebaren kunnen tot interetnische comm.misverstanden leiden.
- Interpersoonlijke tegenover massacommunicatie:
Interpersoonlijke comm.; directe comm, tussen mensen waarbij vaak sprake is van directe (non-)verbale feedback v.b. gesprek in café.
Massacommunicatie:
Unilaterale of eenzijdige comm. gericht op een groot en grotendeels onbekend publiek. Comm. is vaak eenzijdigà nauwelijks sprake van feedback.
Bij massacomm.: wordt de openbaarheid van de boodschap als bepalend kenmerk gezien. In geval van massacomm. is er altijd sprake van een streven naar openbaarheid, bij interpersoonlijke comm. is dit streven er meestal niet.
6 belangrijkste kenmerken van massacomm.:
- De info. die de media overbrengt, is openbaar+toegankelijk voor iedereen.
- Er is een onpersoonlijke relatie tussen zender - ontvanger.
- Er is sprake van een heterogeen en relatief onbekend publiek.
- De comm. is meestal eenzijdig, de ontvanger kan in de meeste gevallen alleen indirect+ achteraf reageren.
- De zender kan niet meteen controleren of de boodschap is aangekomen, laat staan begrepen. Er is geen directe feedback.
- De ontvanger bepaalt hoe hij welk medium gebruikt.
Door ontwikkeling in comm.technologieënà een verandering in massamediale comm. processen. Wederkerigheid in comm.stroom niet langer een exclusief kenmerk in de interpersoonlijke comm. door technologische ont. is er steeds vaker interactiviteit mogelijk bij v.b. krant, radio, tv. Internet heeft speciale rol: internetgebruik onderscheid is vervaagd tussen zender en ontvanger. Iedereen kan de info. downloaden.
Massamedia verwijst naar verschillende soorten dragers van openbare boodschappen (tv, radio, internet enz.)
Groepen boodschappen:
- Amusement: 50% v.d. tv-zenders is amusement (quiz) geven amusement-boodschappen.
- Nieuws: kranten, journaal, actualiteitenprogramma, radio, tv, internet.
- Reclame: 2 doelen: mensen wijzen op producten, naam van het merk van het bedrijf vergroten.
- Meningsvorming: talkshows, documentaire enz. hierdoor vormt men een eigen mening.
- Kunst of cultuur: toneelstukken, opera.
- Educatie en onderwijs: teleac, telex.
2.1
Traditioneel is er onderscheid tussen gedrukte massamedia (papier) en audiovisuele massa-media (geluid en/of bewegend beeld). Door gebruik internet vervaagt verschil tussen pers en tv en radio in verschijningsvormen. Internet = digitaal massamedium à info.= digitaal opgeslagen.
Alle massamedia hebben kenmerken massacommunicatie, maar ook verschillen: mogelijkheden interactiviteit op internet groter en trekken tv-programma’s meer publiek dan radioprogr. Ander verschil: wijze bedrijfsuitvoering. Grootste deel massamedia kent vrije ondernemingswijze productie:
De ondernemingen zijn marktgericht met als doel te kunnen blijven bestaan en winst te maken. Kranten- en tijdschriftenuitgevers bijvoorbeeld van vrije particuliere ondernemingen.
Naast vrije commerciële ondernemingen ook ideële ondernemingen. Zenders op ideële grondslag vallen binnen kader v.d. overheid à publieke bestel. Bij internet is mix nog groter. Merendeel is commercieel.
Overheid en belangengroepen en privépersonen gebruiken internet op niet-commerciële basis om een zo breed mogelijk publiek te bereiken.
2.2
Dagbladen
Kranten/dagbladen brengen nieuwsfeiten met achtergrondinfo. en verhalen. Vanwege hoge actualiteitswaarde van krant wordt deze direct gelezen.
Als reactie op concurrentie van tv+internet en door grotere behoeften aan meer advertentieruimte à ieder dagblad tegenwoordig diverse bijlage. Veel kranten met extra katernen op gebied van wetenschap, eco., onderwijs, media, life-style etc. kranten verschillen van elkaar. Zo kan identiteit van een krant gebaseerd zijn op geloof, politieke overtuiging etc.
Identiteit van krant te herkennen aan:
- Aandacht voor bepaald onderwerp;
- Manier waarop geschreven wordt;
- Redactionele commentaren.
Regionale en landelijke kranten
Regionale dagbladen bevatten naast landelijk en wereldnieuws veel info. over eigen regio, stad of dorp.
Voor landelijke en internationale berichtgeving werken redacties meestal samen in redactioneel samenwerkingsverband. De GDP is grootste (1936)
Bekendste landelijke kranten zijn De Telegraaf, Volkskrant, AD, NRC Next, Trouw, Parool.
Ochtend- en avondkranten
Alleen NRC Handelsblad is avondkrant.
Gratis krant en abonnementskranten
In NL vooral abonnementskranten à kranten hoeven niet iedere dag met elkaar te concurreren. Sp!ts, Metro, Pers à gratis landelijk ochtendkranten bij bus, - metro- en treinstations.
Algemene kranten en richtingskranten
Algemene krant zoals De Telegraaf is niet gebonden aan levensbeschouwelijke richting. Richtingskranten zijn wel levensbeschouwelijk: Trouw, Nederlands- en Reformatorisch Dagblad. Afname kerkganger à richtingskranten houden hoofd moeilijk boven water.
Links en rechtse kranten
Linkse kranten hechten waarde aan maatschappelijk gelijkheid etc. v.b. De Volkskrant. Rechtse kranten zijn behoudend, steunen gezag, hechten waarde aan tradities v.b. Telegraaf.
Populaire- en kwaliteitskranten
Populaire/massakranten vooral gericht op grote publiek v.b. Telegraaf+AD. Kwaliteitskranten/ kaderkanten à beter opgeleide deel van NL v.b. NRC
Populaire krant |
Kwaliteitskrant |
|
AD |
NRC |
|
Telegraaf |
Parool |
|
Trouw |
|
|
Volkskrant |
|
|
Nederlands- en Reformatorisch Dagblad |
2.3
NL heeft duaal omroepbestel: zowel publieke als commerciële zender zijn actief. Publieke omroepen gefinancierd door advertentie-inkomsten van Ster en overheidsbijdrage, soms ook inkomsten door lidmaatschapsgeld van leden en verkoop eigen programmablad.
Publiek omroepbestel is wettelijke basis in Mediawet en valt onder verantwoordelijkheid van minister OCW.
Omroepen zonder leden
- Op grond van Mediawet ontvangen volgende genootschappen op geestelijke grondslag zendtijd: Humanistische Omroep Stichting (HOS), Stichting Organisatie voor Hindoe Media (OHM), Boeddhistische Omroep Stichting (BOS), NL’se Moslim Omroep (NMO), Interkerkelijke Omroep NL (IKON), Humanistische Omroep (HUMAN), Rooms-katholieke kerkgenootschap (RKK).
- Educatieve omroep EDICOM bestaande uit Teleac/NOT, RVU en biedt educatief progr. De progr.’s Zijn onafhankelijk van levensbeschouwing, ideologieën, religies. RVU wilt verhelderen, emanciperen, wegwijs maken en cultuuroverdracht bevorderen.
Speciale zenders zonder leden
- NOS: verslag van (inter)nationale evenementen: dodenherdenking, Koninginnedag, Olympische Spelen.
- NPS: progr.’s Voor minderheden, cultuur en jeugd. Progr.’s Met achtergrondinfo. en beschouwingen over politieke en maatschappelijke ontwikkelingen (klokhuis, Groot Dictee)
- Ster: (Stichting Ether Reclame) exploitatie van Reclame. Vanwege strenge scheiding programma en reclame = Ster zelfstandige organisatie binnen omroep bestel.
Zuilen
Katholiek Protestants
EO VPRO
KRO NCRV
TROS TROS
Sociaal (/Humanistisch) Liberaal (/humanistisch)
VARA AVRO
TROS TROS
Verzuiling:
Mensen gaan zich organiseren rondom hun geloof of levensbeschouwing.
Vertrossing:
Van duidelijke zuil naar brede doelgroep.
Commerciële zenders
Hoe meer kijkers, hoe hoger de reclame tarieven. Het gaat om de kijkcijfers. Commerc. Zenders zijn niet gebonden aan verplichtingen van complete programmering. Wel (Eu’se) regels tegen sluikreclame.
Concerns onderscheiden:
- RTL Nederland: eigenaar van RTL 4, 5, 7, 8. Commercieel, Nederlandstalig, vanuit Luxemburg uitgezonden.
- SBS-group: SBS6, Net5, Veronica. SBS= Scandinavian Broadcasting System.
- MTV Network: eigenaar MTV, Nickelodeon, Comedy Central.
3.1
Media gebruiken met verschillende doelen. Geïnteresseerd in nieuws, mening vormen, ontspannen.
Informatieve functie
- Informatie (journaal, kranten, website);
- Educatie (teleac, schooltv, documentaires);
- Hulp meningvorming (netwerk, nova, commentaren in de krant, nieuwsgroepen op internet).
Sociale functie
Individuen (gaan) door sociale functie:
- Met andere kunnen meepraten (spraakmakend tv-programma);
- Hun eenzaamheid verdrijven (tv-kijken, internetten, krant lezen);
- Gezelligheid hebben (samen tv-kijken).
Recreatieve functie
- Afleiding (escape, wegdromen uit dagelijkse zorgen);
- Ontspanning (na dag hard werken);
- Tijdverdrijf (uit verveling kijken);
- Zinvolle vrijetijdsbesteding (educatief programma volgen of krant lezen);
- Nieuwe ideeën voor ontspanning (spelletjes, uitgaanstips, doe-het-zelf- en tuinierprogramma’s);
- Beleven van spanning, sensatie, romantiek (film, roddelverhalen over BN’ers).
Niet altijd direct verband tussen inhoud programma en functie programma voor vervulling individu. Functie is mede afhankelijk van behoefte van het individu en bedoeling naar kijken programma.
3.2
Massamedia hebben naast functie voor individu ook maatschappelijke functie:
De media zijn ook van belang voor de samenleving als geheel.
Voor samenleving hebben media:
- Informerende functie;
- Socialiserende functie;
- Amuserende functie;
- Bindende functie.
Informatieve functie
Binnen deze functie onderscheid in aantal deelterreinen, zoals educatieve functie, schooltv, teleac. Daarnaast spelen media informatieve rol op politiek en maatschappelijk gebied. Voor politieke besluitvormingsproces is van belang: dat burgers goed geïnformeerd zijn over samenleving en verschillende visies op belangrijke maatschappelijke problemen ß politiek-informatieve functie.
Socialiserende functie
Socialisatie:
Het proces waarbij iemand de waarden, normen en andere cultuurkenmerken van zijn samenleving op groep aanleert. Dit proces begint al bij de geboorte. Ouders, vrienden, school, verenigingen, werk en media spelen belangrijke rol ß socialiserende instituties.Belangrijk voor cultuuroverdracht is voorbeeldwerking in mediaß vooral voor tv en filmproducties. Veel tv-progr.’s Tonen (on)bewust algemene gedragsregels, rolverwachting, stereotypen en vooroordelen.
Amuserende functie
Sinds jaren ’50 hebben NL’ers meer vrije tijd. Spreken zelf van vrijetijdsindustrieàbedrijfstak die zich bezighoudt met recreatie en ontspanning.
Bindende functie
Sociale samenhang tussen mensen komt mede door media tot stand ß bindende functie van massamedia of aanbrengen van sociale cohesie. Voorbeeld sociale cohesie is ontstaan van sterke identificatie van mediagebruikers met bepaalde progr. Zenders en BN’ers.
Politiek -informatieve functie
Kern van deze functie: iedereen kan meepraten over politiek beleid v.d. regering en evt. problemen in samenleving. Burgers en belangenorganisaties zijn politieke actoren en spelen belangrijke rol in proces politieke besluitvorming. Binnen politiek- informatieve functie onderscheidt in:
- Spreekbuisfunctie;
- Agenda of agenderingsfunctie;
- Opiniërende functie;
- Commentaarfunctie;
- Controle- of waakhondfunctie.
Spreekbuisfunctie
Deze functie heet zo, omdat media een platform zijn voor standpunten van belangengroepen, deskundigen en anderen. Laatste jaren worden media ook bewust gebruikt door politici zelf.
Agendafunctie
Journalisten op onderzoek, kunnen misstanden signaleren of problemen herkennen. Het onderwerp komt dan op de politieke agenda, zodra politicus info. overbrengt naar parlement, gemeenteraad of kabinet.
Opiniërende functie
Media grote rol bij vormen politieke opinie:
De mening van de meeste burgers over een bepaalde kwestie.
Als nog geen publieke opinie over iets is, hebben media de taak bevorderen opinies uitwisselen.
Commentaarfunctie
Binnen democratische staatsvorm is recht op informatie en vrijheid van meningsuiting fundamenteel. Kranten geven dagelijks redactioneel commentaar van hoofdredactie, columns en ingezonden brieven. Ook op tv+internet zijn columnisten en weblogs.
Controle- of waakhondfunctie
In goed functionerende democratie heeft parlement taak ministers te controleren. Ook media doen dit en oefenen hiermee een waakhondfunctie uit. Vooral kwaliteitskranten bekritiseren handelwijze minister sterk.
Functies van media
Functies voor individu maatschappelijke functie
- Informatieve functie 1.Socialiserende functie
- Sociale functie 2.Amuserende functie
- Recreatieve functie. 3.Bindende functie
4. Informatieve functie*
*Informatieve functie bestaat uit: algemeen informatie- en educatieve functie, en uit de politieke functie.
Politieke functie bestaat uit:
- Informatiefunctie.
- Spreekbuisfunctie.
- Agendafunctie.
- Opiniërende functie.
- Commentaarfunctie.
- Waakhondfunctie.
3.3
Door toename radio- en tv-zenders, internet, toename tijdschriften à meer mogelijkheden om in behoeften van info., educatie en ontspanning te voorzien. Tegelijkertijd is er kritiek op maatschappelijk functioneren media.
Verschraling
Amusement een v.d. grootste publiekstrekkers op tv.
Verschraling/vertrossing:
Het proces waarbij amusement de andere functies verdringt.
Minder kwaliteit
Ander gevolg van marktgerichtheid is media die te veel richt op grootste doelgroep. Progr.’s Voor kleine doelgroep verdwijnen, zoals progr. Achtergrondinfo. wetenschap etc.
Integratie informatie en amusement
Vermening amusement+info. àinfotainmentà voorbeeld ER, soaps. Politici in spelprogr.
Entertainment-educatie:
Het geven van informatie d.m.v. amusementsprogramma’s.
Hypes en frames
Door grote onderlinge concurrentie in mediaà journalisten duiken soms allemaal op hetzelfde nieuws en mediahype ontstaat.
Mediahype:
Nieuws dat zichzelf versterkt zonder dat zich nieuwe feiten voordoen.
Mediahype ontstaat door uitspraken of bekentenissen van bekende politici, opinieleiders of onverwachte gebeurtenissen. Uit angst om bepaald nieuws niet te coveren, nemen redacties elkaars nieuws over i.p.v. eigen keuzes makenß papegaaiencircuit. Naast mediahypes toename ook toename mediaframes.
Mediaframes:
Berichtgeving over een onderwerp die steeds vanuit hetzelfde perspectief plaatsvindt.
4.1
Maatschappelijke context
Technologische ont.+ uitvindingen staan nooit op zichzelf, maar vinden altijd plaats in maat-schappelijke context. Voorbeeld krant: industriële drukpers maakt mogelijk kranten te produceren voor massapubliek. Ander voorbeeld: tv, door toename van de welvaart na WOI
Drie ont. rondom digitaliseren op zelfde manier van krant en tv toen, nu bij ons internet, en de digitalisering is in samenhang met maatschappelijke ont.. onderscheid in drie ontwikkelingen:
- 1. Technologische mogelijkheden, vooral door komst van de digitale techniek;
- 2. economische groei+internationalisering;
- 3. groeiende behoefte aan informatie.
↑
← Deze drie ontwikkelingen versterken elkaar. Proces in onderstaand schema:
Internationalisering v.d. economie →→→→ meer behoefte aan informatie↓
↑↓
↑↓
↑←←←Technologische ontwikkeling op gebied van communicatie←←←
4.2
Door ont. digitale technologie à nieuwe comm.media gekomen. Je spreekt van nieuwe media als aan 3 kenmerken wordt voldaan:
- informatie wordt digitaal opgeslagen;
- er zijn interactieve mogelijkheden;
- er zijn netwerken om de informatie te verplaatsen.
Digitalisering
Door de toename v.d. capaciteit in geheugenchips kan een grote hoeveelheid info. worden opgeslagen. Digitalisering vergroot ook de keuzevrijheid v.d. ontvanger.
Interactieve mogelijkheden
Sinds de digitalisering, verdwijnt geleidelijk het onderscheid tussen nieuwe en oude media, traditionele media maken ook gebruik van nieuwe media. Digitalie tv+kranten bieden meer interactieve mogelijkheden dan analoge tv en krant.
Netwerken
Als je goed wilt communiceren, moet je dezelfde taal spreken. Inmiddels is er een wereldwijd netwerk ontstaan waar je draadloos, via telefoondraad of televisiekabel, kunt rondsurfenß digitale snelweg.
Convergentie
Internet wordt ook wel content-platform genoemd:
Een plaats waar je gebruik kunt maken van verschillende soorten media-inhoud: literatuur, films, nieuwsberichten discussies, muziek etc. Terry Flew, Britse comm. wetenschapper definieert nieuwe media als convergeren:
Het samengaan van massamedia (content/inhoud), communicatiewerken en computer-technologie. Beste voorbeeld; internet: uiteenlopende media-uitingen (boeken, films) zijn toegankelijk omdat communicatienetwerken iedereen verbinden en de digitale technol. Zorgt dat alles met 1 apparaat voor handen is.
4.3
Globalisering
Sinds jaren ’60 is er een herverdeling v.d. arbeid ß hang samen met globalisering. Door internationalisering v.d. arbeidsmarkt is wereldhandel toegenomen.
Aarde is plat
Globalisering v.d. wereldeconomie is nog lang niet voltooid. Amerikaanse journalist Thomas L. Friedman geeft in z’n boek ‘De aarde is plat’ voorbeelden over Amerikaanse activiteiten, de aanleg van breedbandnetwerken rond 2000, computers die goedkoper worden, software dat beschikbaar is, outsourcing: het uitbesteden van de werkzaamheden,à nu makkelijker. Eindpunt van verplatting is nog lang niet bereikt en wordt gestuurd door de drievoudige convergentie.
4.4
Laatste decennia komt indistriële sam. Ten einde en ontstaat de informatiemaatschappij:
Een samenleving waar communicatie en informatieoverdracht de basis van de meeste economische activiteiten vormen. De informatiesector is belangrijke motor in de economie. Deze sector is bezig met het produceren van apparaten, technische mogelijkheden en diensten die zich richten op het overbrengen van informatie.
Kenmerken
Volgens socioloog Bovens is info. maat. te onderscheiden in volgende kenmerken:
- info. maat. valt op door grote, constante stroom van informatie. Behalve hoeveelheid ook snelheid v.d. boodschap toegenomen.
- Info. maat. is niet gebonden aan één bepaalde plaats. Info. is niet gebonden aan archief, maar overal digitaal te bereiken.
- Info. maat. is steeds in verandering. Door verandering in organisaties, bedrijven en samenleving veroudert kennis.
- In info. maat., directeuren/leidinggevenden steeds meer afhankelijk van mensen etm juite informatiekanalen. Informatienetwerken nemen steeds meer plaats in van hiërar-chische niveaus.
- In info. maat. is product ‘informatie’ niet meer gebonden aan een fysieke drager bijvoorbeeld papier. Info. is moeilijker te controleren/traceren. Iemand met goede maat. positie krijgt status niet door bezit, maar door goede toegang tot info.
5.1
Aan basis van bemoeienis v.d. overheid met massam. Zijn 3 uitgangspunten:
- Vrijheid van meningsuiting
- Democratie
- Pluriformiteit
Vrijheid van meningsuiting
In NL.’s grondwet artikel 7 à drukpersvrijheid en vrijheid van meningsuiting. Censuur is verboden.
Door ondertekening Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens in 1950, vrijheid in NL. dubbel gewaarborgd.
Beperkingen
In dictaturen geen vrijheid van men. Uiting, maar censuur:
De overheid oefent controle uit op de informatievoorzieningen.
Vrijheid van meningsuiting geldt alleen voor relatie tussen overheid en burger. In maatschappelijke relaties hoeft vrijheid van men. Uiting niet altijd te gelden.
Democratie
Naast vrijheid van men. Uiting ook in ons land, recht op informatieverstrekking door over groot belang. Sinds 1980 is Wet openbaarheid van bestuur (WOB) van kracht ß verplicht overheid info. te geven, behalve koningshuisaffaires, straatveiligheid of bedrijfsgeheimen. WOB geeft journalisten mogelijkheid info. op te vragen bij overheid, wat belangrijk is voor waakhond-functie en opiniërende functie.
Pluriformiteit
Pluriformiteit van de massamedia:
De verscheidenheid aan kranten, tijdschriften, omroepen en websites.
In democratie is pluriformiteit belangrijk, omdat publiek hierdoor info. van verschillende media met elkaar kan vergelijken. NL.’s overheid ziet streng op toe dat geen al te m8s-concentratie bij massam. Ontstaat. Samenwerkingsverband: ß wettelijk verboden.
Overname of fusie waardoor een concern het monopolie verwerft.
Overheid daarom grens gesteld: 1 bepaald nieuwsmedium meer dan 30% v.d. bevolking van nieuws voorziet; sprake van monopolievorming.
Principe van de vrije markt
Iedereen mag volgens overheid eigen krant, website of tv-zender beginnen. Principe vrije markt ook nadelig effect: niet iedereen heeft gelijke toegang tot media. Mensen met hoger inkomen in staat meer info. te vergaren voor kosten kranten-abbo., kabelinternetà psrake van sociale ongelijkheid m.b.t. info.voorzieningen.
5.2
Publieke en commerciële omroepen
In 1930 voorwaarden voor verkrijgen zendmachtiging vastgelegd in Omroepwet. In 1988, Omroepwet vervangen door Mediawet.
Netprofilering
Toen kijkers aantal daalde van NL. 1,2,3 naar comm. zenders, besloot Mediaraad(houdt toezicht op publieke omroep) profilering v.d. 3 zenders. Streven achter netprofilering: kwalitatief aanbod en concurrentie aangaan met comm. zenders.
Mediawet
Doel Mediawet: garanderen van kwalitatief hoogstaande progr.’s Mte voldoende pluriformiteit. NOS coördineert programmering+zendtijd publieke zenders.
Belangrijke bepalingen uit Mediawet:
- Publieke omroep moet vorm hebben van vereniging of stichting en maatschappelijke of geestelijke stroming vertegenwoordigen. Omroep moet vanuit eigen identiteit richten op breed publiek en specifieke bevolking- en leeftijdsgroepen.
- Beginnende publieke omroepen moet 50k betalende leden hebben. volledige uitzendvergunning of concessie pas verleend als publieke omroep ten minste 300k leden heeft.
- Erkende omroepen recht op financiële bijdrage overheid. Verdiensten door Ster over omroepen verdeeld.
- Totale tv-zendtijd van publieke zenders moet volledig programma bevatten.
- Niet meer dan 6,5% van zendtijd aan reclames besten van publ. Omroepen. Max. 12 min reclame in een uur.
- Comm, zenders hebben minder strenge voorwaarden. Max. 15% van zendtij besteden aan reclame+onderbreking, maar sluikreclame is verboden.
- Sponsoring voor comm. –en publieke omroepen toegestaan, maar verboden als progr. Bestaat uit nieuws, actualiteiten of voor -12 jaar.
Commissariaat voor de media
↑← Zelfstandig bestuursorgaan en bevind zich tussen overheid, publieke omr. En comm. zenders vanuit NL. uitgezonden. Commissariaat kijkt of omr.+ zender voorschriften Media opvolgen; toezicht houden op naleven reclame- en sponsorregels. Als Mediawet wordt overschredenà boete.
De pers
1974; Bedrijfsfonds voor de Pers ingesteld vanwege bedreiging pluriforme pers. Doel fonds: bestaande verscheidenheid v.d. pers in stand houden. Critici vinden dat steun door fond het vrijemarktprincipe bij gedrukte media aantas en tot concurrentie vervalsing leidt.
Nieuwe media
Overheid wil dat digitale snelweg voor iedereen bereikbaar is. hiervoor maatregelen van overheid om burger te helpen:
- Basis- en middelbare scholen krijgen geld om pc’s te kopen.
- Informatiekunde is verplicht schoolvak.
- Ambtenaren krijgen bijscholingscursus voor digitaal rijbewijs.
- Werknemers kunnen via bedrijf pc’s aanschaffen.
- Kennisnet geïntroduceerd.
5.3
Liberalen zijn tegen subsidiëring media. Voorstander van duaal mediabestel van publieke- en comm. omroepen, maar subsidiëring mag minder.
Socialisten willen dat overhheid dat aan kwaliteitscontrole en bewaking pluriformiteit in de mediawereld. Socialisten voor ont. pc-technologie, maar toegang gelijk en voor iedereen. PvdA voor voortzetting duaal omroepbestel.
Christendemocraten voor regulerende overheid, maar omr.+kranten zelf verantwoordelijk. CDA voorstander duaal omr.bestel, maar verder tussenpositie tussen VVD en PvdA.
Belangengroepen
Naast overheid en politieke partijen ook direct betrokkenen visies op inrichting omr.bestel.
- Publieke omroepen voor behoud pluriformiteit. Commercialisering leidt tot oppervlakkigheid.
- Commerciële zenders: mensen volwassen genoeg zelf te weten waar naar te kijken. Kijk bepaald kwaliteit progr.
- Bedrijfsleven benadrukt commercialisering v.d. media tot vergroting van keuzemogelijkheden van consumenten leidt.
- Mediaconsumenten willen minder reclame.
- Overheid wil omroepbestel laten bijdragen aan ont. van samenleving.
6.1
Kranten verdienen aan abonnees, vrije koop, advertentie-inkomsten. Meer bijlage à meer lezer + advertenties.
Botsende belangen schrijvers/journalisten ß à directies. Redacties streven naar onafhankelijke berichtgeving, directies streven naar winst. Om belangenconflicten te voorkomen: kranten hebben redactiestatuut à taken en bevoegdheden redactie + directie regelen. Onafhankelijkheid wordt gewaarborgd.
Publieke omroepen inkomsten uit: commerciële omroepen inkomsten uit:
Omroepgelden; reclame;
Lidmaatschapsgelden; sponsorgeld;
Programmablad; programmablad.
Sponsoring;
Merchandising.
6.2
Meer concurrentie in totaal media-aanbod. Pluriformiteit strijd om aandacht consument. Ook meer concurrentie binnen één mediumsoort, op advertentiemarkt à totale aanbod reclame en advertentie zoveel gestegen à aanbod > vraag.
Neerwaartse oplagespiraal leidt tot faillissementen kranten en tijdschriften: dalende oplage à verlies deel advertentieopbrengsten à gevaar mensen ontslaan à minder kwaliteit à oplage daalt verder.
Toegenomen concurrentie in medialandschap leidt tot aantal ontwikkelingen.
- Grotere commercialisering
Alle massamedia vercommercialiseerd. Hoofddoel meer lezers, kijkers, adverteerders à kwaliteit minder belangrijk geworden. Commercialisering à minder aandacht kleine doel-groepen, tenzij aantrekkelijke doelgroep voor adverteerders.
- Persconcentratie
Aantal zelfstandige hoofdredacties gedaald. Persconcentratie brengt gevaar van monopolie –vorming met zich mee: à concern op bepaalde markt heeft (bijna) heel aanbod à kwaliteit neemt af, pluriformiteit minder à consument minder keuze.
- Marktsegmentering bij de tijdschriften
Tijdschriftenwereld sprake van marktsegmentering. Deze markt niet één grote, maar veel kleine markten. (economische-, juridische,-en/of mode-info. Etc.)à verfijningà aantal tijdschriften gegroeid. Sommige uitgevers houden per blad eigen redactie, maar capaciteit kan ook bundelen à één redactie werkt voor meer bladen (Sanoma).
- Doelgroepenmedia en netprofilering
Voor langdurige band commerciële omroep en adverteerders, comm. omroep stemt zenders af op specifieke doelgroepen à meer pluriformiteit. Publieke omr. deels inkomens Ster. Publieke omr. gedraagt meer commerciëler, + netprofilering zorgt voor doelgroep per net.
- Mediaconcentratie
Mediaconcentratie:
de samensmelting van verschillende vormen van massamedia.
Concentraties blijven niet binnen land. Internationale multimediabedrijven kopen kleinere bedrijven op à mediagiganten bezitten uitgeverijen, maatschappijen (film, kabel) etc. mediaconcentratie leidt o.a. tot eenzijdige berichtgeving over wereldnieuws. Berichtgeving groot deel can CNN, Reuters, Associated Press. NOS + RTL (bijv.) krijgen beelden van CNN, Reuters, Associated Press à beeld van de wereld westers gekleurd en info. is minder betrouwbaar.
7.1
Normen:
Specifieke regels in een groep of samenleving waarmee mensen hun eigen gedrag en het gedrag van anderen beoordelen.
Waarden:
Principes die mensen belangrijk vinden om na te streven.
Cultuur:
De leefwijze van een groep met alle waarden, normen en andere aangeleerde kenmerken die de leden van een groep of samenleving met elkaar gemeen hebben en die zij min of meer als vanzelfsprekend beschouwen.
Cultuur à relatief begrip en kan verschillen.
Cultuur als contact tussen mensen staat tegenover natuur, het aangeborenen. Lang vraag of karakter is aangeleerd of aangeboren à nature-nurturedebat. Nature à nadruk op biologische of erfelijke factoren. Nurture zegt dat sociale milieu verschilt tussen karakter bepaalt. Nu à combi. van beide.
Dominante cultuur:
De cultuurkenmerken worden door een roep gedragen die binnen een samenleving overheersend is en vaak de meeste invloed heeft op het economische en politieke leven.
Subcultuur:
Een groep heeft normen, waarden en andere cultuurkenmerken die deels afwijken van de dominante cultuur.
Voorbeelden subculturen:
- Religieuze subculturen, jehova’s, strenggereformeerden;
- Jongerencultuur, punkers, alto’s;
- Bedrijfsculturen, Ikea à iedereen met ‘je’ / ‘jij’ aanspreken à lijkt een grote familie;
- Entnische subculturen, NL.’se Surinamers, Marokkanen, en Amerikanen. Sommige subculturen verdwijnen door assimilatie in dominante cultuur;
- Tegencultuur, antiglobalisten, milieuactivisten, feministen.
7.3
Elke cultuur kent collectieve gedragspatronen. Bijv. tijdens Koninginnedag en Bevrijdingsdag. Cultuurkenmerken aan elkaar overdragen à onderdeel van socialisatie.
Socialiserende instituties:
Instellingen en organisaties waarmee de cultuuroverdracht in een samenleving plaatsvindt.
Onderscheid in zes socialiserende instituties:
- Gezin. Ouders hebben invloed op gedrag kind à gezinsleven vormt referentiekader tijdens eerste levensjaren.
- School.Disciplineoverdracht, conflicten aangaan.
- Werk. Beroepsmatige capaciteiten ontwikkelen à gevormd door kennis en ervaring.
- Maatschappelijke groeperingen. Bijv. sportclub. Groeperingen beïnvloeden mensen met normen en waardenß geïntegreerd in eigen leven.
- Overheid.Gedrag regelen d.m.v. wetgeving, participatie in de samenleving.
- Media. Pluriformiteit beïnvloedt menselijk gedrag.
HOE KLEINER DE SOCIALISERENDE INSTITUTIE, HOE GROTER DE INVLOED.
Sociale controle:
De wijze waarop mensen andere mensen stimuleren of dwingen zich aan de geldende normen te houden.
Formele sociale controle is gebaseerd op geschreven regels (wetten).
Informele sociale controle heeft betrekking op ongeschreven regels (beleefdheidsnormen).
Sociale controle vindt vaak plaats in vorm van sancties; belonen/straffen.
Internalisatie:
Mensen hebben zich de culturele normen en waarden eigen gemaakt.
Je gedrag past automatisch binnen een groep of samenleving.
Je persoonlijke identiteit à mede gevormd door sociale ervaring.
7.4
Stereotype:
Een sterk gegeneraliseerd, versimpeld en vertekend beeld van het gedrag en de mentaliteit van en specifieke groep.
Vooroordeel:
Een mening of houding die niet of onvoldoende op feiten of ervaringen is gebaseerd.
Vooroordeel vloeit voort uit stereotype.
Vooroordelen en stereotypen worden gebruikt om af te zetten tegen bepaalde mensen/culturen en kunnen leiden tot discriminatie:
Mensen van een bepaalde groep anders behandelen op grond van kenmerken die in de gegeven situatie niet van belang zijn.
Sommige vooroordelen/stereotypen door media versterkt à Marokkaanse jongeren koppelen aan criminaliteit.
Cultuur niet statisch, maar dynamisch à constant in beweging. In loop van tijd veranderen normen, waarden gewoontes etc. (bijv. euthanasie)
Lange tijd NL.’se cultuur gekenmerkt door maatschappelijke zuilen: katholiek, protestants, liberaal, en sociaal. Katholieken à KRO, Volkskrant ; Protestants-christelijk: NCRV, Trouw ; socialisten: VARA, Het parool. Democratiseringsgolf in jaren 1960 geeft aanzet tot individualisering.
Individualisering leidde tot minder sociale structuren en zet zuilingsmaatschappij onder druk. Ontzuiling begon. Men ging buiten zuil treden en liet andere stromingen toe.
NL. is multiculturele/pluriforme samenleving:
Mensen met verschillende culturele achtergronden wonen naast elkaar.
Mensen moeten naast elkaar zien te leven in een Multi. Sam. bij subculturen en NL.’ers staan diepgewortelde normen/waarden tegenover elkaar. In NL. wonende etnische minderheden voelen zich vaak nog onvoldoende vertegenwoordigd in media.
8.1
Ontvangers van mediaboodschappen krijgen altijd geïnterpreteerd beeld van werkelijkheid.
Bericht heeft nieuwswaarde als de inhoud:
- Actueel is;
- Opvallend, onverw8, verrassend, schokkend is;
- Cultureel/geografisch dichtbij is;
- Gaat over belangrijke/bekende personen;
- Gerelateerd is aan menselijke aspecten: drama, emotie, conflicten;
- Afwijkend is;
- Begrijpelijk is;
- Samen is met beeldmateriaal;
- Interessant is voor de doelgroep van het medium;
- Gerelateerd is aan politieke, sociaaleconomische, financiële en/of culturele ontwikkelingen+kwesties;
- Past binnen identiteit v.h. medium.
Weg van gebeurtenis tot nieuwsbericht is lang.
Begint bij aanbieders van berichten à beoordelen als 1e of gebeurtenis boeiend genoeg is voor melding à selectieve waarneming/selectieve perceptie.
Belangrijkste bronnen van informatie:
- Personen of instellingen:
Instellingen, personen, bedrijven, groeperingen sturen persberichten op eigen initiatief.
- Overheid:
Overheid heeft actieve informatieplicht ßmoeten op eigen initiatief belangrijke info. bekendmaken.
- Correspondenten:
Krant heeft meestal correspondenten in binnen-/buitenland. Als iets gebeurt, bellen correspondenten naar redactie.
- Freelance journalist:
Schrijven over gespecialiseerde onderwerpen bijv. onderwijs, klimaat, economie, religie.
- Persbureaus:
NL.’se dagbladen zijn voor nieuws uit buitenland afhankelijk van persbureaus en persdiensten.
- In NL. ANP: Algemeen Nederlands Persbureau. Berichten worden verwerkt, vertaald en verspreid over NL. Naast ANP ook Geassocieerde Pers Diensten (GPD) voor (inter)nationale berichtgeving, en Haagse Persbureau voor verslag rondom Binnenhof.
- Internationale persbureaus (Associated Press, Reuters, Agence France Press, Deutsche Presse Agentur). Belangrijkste selectiecriterium à verkoopbaarheid v.d. info.
- Persdiensten:
Krant kan tegen betaling gebruitmaken van persdiensten van buitenlandse kranten bijv. Volkskrant maakt gebruik van New York Times.
- Beeldmateriaal:
Bij presentatie van een nieuwsfeit is recent en goed beeldmateriaal nodig.
8.2
Massamedia presenteren zelfde nieuwsfeit verschillend. Verschillen gevolg van bewuste en onbewuste kleuring door redacties.
Bewuste kleuring:
- Invloed v.d. identiteit v.h. medium;
- Manipulaties en indoctrinatie.
Onbewuste kleuring:
- Onmogelijkheid van objectiviteit;
- ‘framing’.
Pluriformiteit streeft naar herkenbaar ID. identiteit v.h. massamedium is herkenbaar aan:
- Keuze van onderwerpen door journalisten en redactie;
- Volgorde van berichten;
- Presentatie. Lay-out, koppen, foto’s (krant) en montage van beelden;
- Eigen commentaar. Redactie kan commentaar geven. Journaal liever neutraal blijven, geeft geen commentaar;
- Woordgebruik.Woord toevoegen/weglaten à bericht kleuren;
- Gastschrijvers gebruiken. Kranten maken gebruik van columnisten.
als streven van volledigheid en betrouwbaarheid in nieuwsvoorziening wordt losgelaten à publiek krijgt vertekend beeld realiteit. à gevaar voor manipulatie en indoctrinatie.
Manipulatie:
Het opzettelijk weglaten of verdraaien van feiten.
Indoctrinatie:
Het systematisch opdringen van opvattingen door meningen als feiten te presenteren.
Manipulatie en indoctrinatie vinden meestal plaats in dicaturen.
Aangeven waarom een bericht niet helemaal objectief is:
- Bij perceptie, beschrijving, beoordeling zijn meer mensen betrokken bij gebeurtenis, ieder met z’n eigen referentiekader.
- Soms vergeet journalist ’t principe van hoor en wederhoor à niet alle partijen komen aan bod, feit niet bekeken van andere kanten.
- Een journalist kan gekleurde en eenzijdige info. raadplegen.
- Soms maakt bericht/reportage te weinig onderscheid tussen feiten en meningen. Populaire kranten of tv-rubrieken vermengen feiten en meningen soms.
- Journalisten bekijken onderwerp soms vanuit één perspectief à mediaframe ontstaat.
Ander voorbeeld mediaframe zijn oorzaak-gevolgframe, machteloosheidsframe, human-impactframe, moraliteitsframe (goed vs. slecht)
9.1
Idee dat media veel macht hadden, ontstond in 1e helft v.d. 20e eeuw. Tijdens Wereldoorlog I veel propaganda gevoerd. In Sovjet-Unie werd gebruik gemaakt van manipulatie en indoctrinatie.
Injectienaaldtheorie:
De theorie die ervan uitgaat dat ontvangers informatie klakkeloos overnemen.
Werd geen onderscheid tussen mensen gemaakt: alle publieksleden reageren direct en precies zoals zender/medium wil. Idee van druppelsgewijze beïnvloeding nog steeds toegepast door reclamemakers en overheid. Reclame herhalen à effectief adverteren.
1960: boek ‘The effects of mass communication’ verschijnt. Auteur Klapper à ‘rol v.d. massamedia is beperkt’. In boek aantal intermediërende factoren beschreven. Hieronder aantal factoren/mechanismen.
- Selectieve aandacht.
Factoren als leeftijd, opleiding, werk, hobby’s en lifestyle spelen rol. Alleen datgene willen lezen wat past bij opvatting + belangstelling.
- Selectieve perceptie en interpretatie.
Bij waarnemen, hoort+ziet men dingen die niet vrijwillig zinvol voor je zijn ß selectieve perceptie. Info. zoveel mogelijk laten aansluiten bij ref. kader. Info. nooit objectief waargenomen.
- Selectief geheugen.
Klein deel onthouden van alle informatie. Als de info. niet past bij het ref. kaderà info. vergeten.
- Selectief geloven.
Afhankelijk van karakter van een medium, zal gebruiker meer of minder geloof hechten aan berichtgeving. Consument kent aan de berichtgeving betrouwbaarheidsgradaties toe.
9.2
Aan ene kant gaan theorieën uit van relatief veel media-invloed, (theorie van de zwijgspiraal en de cultivatietheorie). Aan andere kant zijn theorieën die macht van de ontvangers van info. benadrukken: use and gratifications-theorie en media-afhankelijkheidstheorie. De middenpositie wordt ingenomen door theorieën die wel m8 aan de media toeschrijven, maar steeds in relatie tot een actief publiek, de ontvangers: agendasettingstheorie en framingtheorie.
Cultivatietheorie
Noord-Amerikaanse communicatieonderzoeker George Gebner komt begin jaren ’60 met nieuwe ged8egoed over culturele en socialiserende betekenis v.d. tv. Volgens Gebner: tv is verhalenteller v.d. moderne tijd, ook mensen die veel naar dezelfde fictieve programma’s kijken, kunnen normen en waarden van programma’s overnemen. Volgens Gebner gaat ’t beeld v.d. werkelijkheid en televisiewerkelijkheid elkaar overlopen.
Kanttekening cultivatietheorie
Volgens NL.’se onderzoek, maar weinig verband tussen tv-werkelijkheid en denkbeeld v.d. kijker. Ander kritiekpunt op cultie.theorie: niet onderzocht waarom men naar geweld op tv kijkt.
Agendasettingstheorie
Aanhangers van deze theorie gaan ervan uit dat media weinig invloed hebben op denken+gedrag v.d. consument, maar wel onderwerpen bepalen die consumenten bezighouden. Naast invloed op publieke agenda, bepalen media ook deels politieke agenda. 1e onderzoekers die deze werken v.d. media bekend maakten à McCombs en Shaw à onderzochten: wat mensen belangrijk vinden ß komt overeen met berichtgeving in media.
Kanttekening Agendasettingstheorie
Kritiek: wetenschappers tonen niet goed aan dat de media het zijn die de publieke + politieke agenda bepalen.
Framingtheorie
McCombs ontwikkelt met Bell framingtheorie. Bij framing: niet alleen ’t onderwerp aan orde stellen, maar ook manier van presentatie v.h. onderwerp is belangrijk.
Mediaframe:
Wijze waarop een onderwerp wordt gepresenteerd en geïnterpreteerd in de media.
Framebuilding:
Proces waarin een mediaframe tot stand komt.
Keuze v.d. journalist heeft invloed op beeld ‘t van de kijker op een nieuwsonderwerp. Journalisten worden bij framebuilding zelf ook beïnvloed.
Framesetting:
proces waarbij het mediaframe het denken van mensen beïnvloedt.
Kanttekening frametheorie.
Kritiek: ontbreken van andere factoren die beïnvloedingsproces kunnen verklaren. Ook demografische verschillen bij framingsproces niet onderzocht.
REACTIES
1 seconde geleden