Massamedia

Beoordeling 0
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 6e klas vwo | 7015 woorden
  • 19 oktober 2015
  • nog niet beoordeeld
  • Cijfer
  • nog niet beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
De Galaxy Chromebook maakt je (school)leven makkelijker!

Met de Galaxy Chromebook Go kun je de hele dag huiswerk maken, series bingen en online shoppen zonder dat 'ie leeg raakt. Ook kan deze laptop wel tegen een stootje. Dus geen paniek als jij je drinken omstoot, want deze laptop heeft een morsbestendig toetsenbord!

Ontdek de Chromebook!

Samenvatting Massa Media, Maatschappij Wetenschappen

Examenstof



Hoofdstuk 1: Communicatie en massamedia

Bedoeld of onbedoeld vindt er altijd een communicatie plaats tussen mensen (houding, gebaren, kleding, uiterlijk, kapsel). Communicatie: Een proces waarbij een zender bedoeld of onbedoeld een bepaalde boodschap (informatie) overbrengt aan een ontvanger en waarbij mensen de relaties die zij met elkaar hebben vorm en inhoud geven. Bij communicatie gaat het altijd om twee processen: informatieoverdracht en het beïnvloeden van de onderlinge relatie.

Zender - Ontvanger - Medium - Boodschap encoderen - Ruis - Ontvanger

Communicatieproces: Vijf basiselementen: boodschap, zender, medium, ontvanger en feedback. Hieronder staan deze elementen beschreven

Boodschap: inhoudelijke informatie die de zender overbrengt, kan verbaal en non-verbaal (feiten, beelden, gedachten, plannen, gevoelens)

Zender: Een persoon, groep, organisatie of bedrijf die het communicatie proces start door een boodschap te versturen. Als je iemand aankijkt of iets tegen iemand zegt ben je al een zender, bij een liedje van een CD (zanger), bij een reclamespotje (het bedrijf dat het heeft gemaakt)

Medium: Technische middel waarmee de boodschap wordt overgedragen (telefoon, internet). Een hand op steken (non-verbaal) of iets tegen iemand zeggen (je mond), als de afstand te groot is, maak je gebruik van een technisch hulpmiddel (telefoon).

Ontvanger: Degene bij wie de boodschap bedoeld of onbedoeld aankomt. Ontvangers koppelen de boodschap aan hun eigen referentiekader en vormen zo een mening over de boodschap, soms komt de boodschap dus totaal niet over.

Feedback: de reactie die de ontvanger geeft op de boodschapper. Rollen zender en ontvanger worden omgedraaid.

Effect: De boodschap kan het gedrag van de ontvanger beïnvloeden en opvattingen van de ontvanger veranderen.

Interpretatie

Doordat de zender en de ontvanger de inhoud verschillend interpreteren, is er bijna altijd sprake van vervorming omdat de boodschap vrijwel nooit of ongewijzigd wordt overgenomen of begrepen. De betekenis die aan een boodschap gegeven wordt, is namelijk afhankelijk van het referentiekader van de zender en de ontvanger. Referentiekader is de verzameling van al je persoonlijke waarden, normen, standpunten, kennis en ervaringen. Een boodschap kan voor verschillende mensen een andere betekenis hebben.  

Wanneer de ontvanger de boodschap anders interpreteert dan de zender bedoeld heeft spreken we van communicatiestoornis of ruis: verstoring of misvorming in het communicatieproces.

Dit kan in alle fasen van het communicatieproces optreden.



Encoderen: Het omzetten van gedachten naar tekens of andere waarneembare uitingen. Het verpakken van gedachten dus.

Decoderen: Het uitpakken van de boodschap door de ontvanger, het terugvertalen van de boodschap naar de veronderstelde betekenis.



Soorten communicatie

We onderscheiden een aantal vormen van communicatie:

Directe/indirecte communicatie:

Direct: Persoonlijk contant,

Indirect: technisch hulpmiddel (telefoon, computer)



Eenzijdige/ meerzijdige communicatie:

Eenzijdig: Eenrichtingsverkeer, zoals bij radio en tv. (geen boodschap terugsturen)

Meerzijdig: Deelnemers tijdens een gesprek zijn afwisselend zender en ontvanger (wederkerigheid in communicatie)

Verbale/non-verbale communicatie:

Verbaal: Er wordt gesproken of geschreven,

Non-verbaal: lichaamstaal, tekeningen, symboliek, gebaren. Kan tot misverstanden leiden, als in verschillende culturen, hetzelfde gebaar een verschillende betekenis heeft.

Inter-persoonlijke communicatie/massacommunicatie:

Inter-persoonlijk: Face-to-face communicatie, waarbij veel sprake is van feedback. Is directe, merzijdige, verbale en of non-verbale commnicatie tussen twee mensen of een kleine groep mensen.

Massacommunicatie: meestal eenzijdige communicatie, waarbij nauwelijks sprake is van een feedback.

1.2 Massacommunicatie en massamedia

Kenmerken van Massacommunicatie:

- De informatie is openbaar en voor iedereen toegankelijk;

- De relatie tussen zender en ontvanger is onpersoonlijk;

- Er is sprake van een heterogeen publiek;

- De communicatie is eenzijdig;

- Er is geen directe feedback;

- De ontvanger bepaalt voor een groot deel zelf of hij het medium gebruikt.

- Gaat meestal via omvangrijke organisaties waar veel mensen bij betrokken zijn

- Gebruik gemaakt van technische hulpmiddelen: de massamedia

- Uit de eenzijdigheid volgt dat de zender niet kan controleren of de boodschap bij alle ontvangers is aangekomen, laat staan door hen is begrepen

- Ontvanger bepaalt zelf hoe hij een medium gebruikt (krant weggooien, tv uitzetten

Interactiviteit: Door technologische ontwikkelingen is steeds vaker interactiviteit mogelijk. Lezers, luisteraars en kijkers kunnen d.m.v. sms, bellen en e-mail reageren en meedoen. Daarbij kan iedereen nu ook zelf informatie delen met een massapubliek.

assamedia: alle middelen die massacommunicatie mogelijk maken

Gedrukte media > pers

Audiovisuele media > radio en televisie

Digitale media > internet



1.3 De functies van de massamedia

Functies voor het individu

-informatieve en educatieve functie: wij blijven op de hoogte van actuele gebeurtenissen en nieuwe dingen leren, door nieuws en informatie.

-Opiniërende functie: media geeft vaak kritisch commentaar wat ons helpt om een eigen mening te vormen.

-Sociale functie: de media verbinden ons met andere mensen: kijken samen tv, contact met vrienden via sociale media etc.

- Recreatieve functie: bieden van ontspanning



Functies voor de samenleving

-informerende functie

-socialiserende functie

-amuserende functie

-bindende functie



Maatschappij:

Informerende functie

5 politiek-informerende functies:

1. Opiniërende functie: media zorgt dat burger geïnformeerd wordt over maatschappelijke en politieke onderwerpen waarop zij een eigen mening kunnen vormen. Media spelen dus een grote rol bij de vorming van de publieke opinie: de mening van de meeste burgers over een bepaalde kwestie.

2. Spreekbuisfunctie: de media brengen opvatting van individuen en belangengroepen onder de aandacht en zijn daarmee een platform voor het publieke debat. Media pikken zelf onderwerpen uit.

3. Commentaar functie: Media geven zelf commentaar op actuele gebeurtenissen.

4. Controle en waakhondfunctie: de media controleren het functioneren van de overheid en andere publieke organisaties.

5. De agendafunctie: de media zorgen ervoor dat maatschappelijke problemen onder de publieke aandacht komen. Uiteindelijk komen dingen zo van de publieke agenda naar de politieke agenda.

Socialiserende functie

Socialisatie: het proces waarbij iemand de waarden, normen en andere cultuurkenmerken van zijn samenleving of groep aanleert. Dat proces vindt al plaats vanaf de geboorte, normen en waarden worden aangeleerd door ouders en vrienden, school, verenigingen, werk en media.



Media dragen belangrijke cultuurelementen over. (algemene gedragsregels, specifieke rolverwachtingen, stereotypen en vooroordelen, die bij elkaar genomen een socialiserend effect hebben)

Amuserende functie

Recreatie en ontspanning, belangrijke taak in de vrijetijdsbesteding. Infotainment: programma’s die zowel een amuserende als een informerende functie hebben (voornamelijk publieke omroepen).

Entertainment-education: programmering met een amuserend en educatief karakter.

Bindende functie

De bindende functie van de media betekent dat ze de sociale cohesie, de onderlinge verbondenheid tussen mensen binnen de samenleving. (voetbalwedstrijden Nederlands elftal/kroning koning en koningin).

educatieve



Bij massamedia kunnen we uitgaan van de volgende groepen boodschappen:

- Amusement (TV kijken, muziek luisteren);

- Nieuws (TV, radio, krant (voornamelijk), internet);

- Reclame (2 doelen: Mensen wijzen op nieuwe of goedkope producten, naamsbekendheid van een merk of bedrijf vergroten);

- Meningsvorming (talkshows, documentaires, discussiegroepen op internet, aan de hand hiervan vormen we onze eigen mening);

- Kunst of cultuur (toneelstukken, opera’s, popconcerten);

- Educatie en onderwijs (Teleac en de schooltelevisie: NOT).Maatschappijleer: Massamedia

 



2. Het medialandschap



Inhoudelijke verschillen van media die informatie op hun eigen manier brengen, zijn te verklaren uit:

-de doelgroep: de groep kijkers of lezers waarvoor het medium bedoeld is.

-de identiteit: het eigen gezicht of de kleur van een medium, gebaseerd op geloofovertuiging, politike voorkeur, intellectueel niveau en specifieke interessegebieden.



Computers, cd-rom’s en internet zijn zowel gedrukte als audiovisuele media, maar ze zijn ook nieuw omdat het onderscheid tussen zender en ontvanger vervaagt.

Gedrukte media:

- kranten

- tijdschriften

- huis-aan-huisbladen

- boeken

Dagbladen.

Dagbladen zijn kranten die met een dagelijkse frequentie verschijnen (Telegraaf, NRC etc). Functie is het informeren over de actualiteit, om actuele politieke en maatschappelijke ontwikkelingen, maar ook over bijvoorbeeld cultuur en sport. Ook bevat het vaak een tv gids, weersbericht, sportuitslagen etc.

Dagbladen ondervinden veel concurrentie van online nieuwsbronnen die meestal gratis hun informatie aanbieden, dus om te blijven bestaan zijn ze op zoek naar manieren om hun lezerspubliek te behouden. Bijvoorbeeld: gratis mobiele apps, inhoud (bijlages, nadruk op duiding van het nieuws), verkoop van andere producten (wijn, fietsen, dvd’s).



Dagbladen zijn in te delen in:

- regionale en landelijke kranten

-ochtend- en avondkranten

-gratis kranten en abonnementskranten

-populaire kranten en kwaliteitskranten

-algemene kranten en richtingskranten

-linkse en rechtse kranten



Regionale en landelijke kranten

Landelijk en regionaal nieuws, meeste zijn niet meer zelfstandig maar deel van een grote landelijke krantenuitgever zoals Wegener of het Telegraafconern.

Bekendste Nederlandse kranten zijn: De telegraaf, De volkskrant, het AD, NRC Handelsblad, Financieel dagblad, Trouw.

Parool en AD nemen een tussenpositie in.



Ochtend- en avondkranten

Ochtendbladen verschijnen rond twee uur in de morgen en liggen rond 7 uur op de deurmat

Avondkranten verschijnen rond vier uur smiddags.

Van de landelijke kranten verschijnen alleen NRC Handelsblad en Het Parool in de middag.



Gratis kranten en abonnementskranten

Bijna allemaal abonnementskranten, thuis ontvangen of kopen in de kiosk -> belangrijkste inkomstenbron

Gratis landelijke kranten: Sp!ts en Metro, gefinancierd uit de advertentie-inkomsten.



Populaire kranten en kwaliteitskranten

Populaire kranten of massakranten richting zich op het grote publiek > Telegraaf, AD > veel foto’s

Kwaliteitskranten of kaderkranten is voor de hogeropgeleiden > NRC Handelsblad > soberder, zakelijk



Algemene kranten en richtingskranten

Algemene krant zoals de Telegraaf is niet gebonden aan een levensbeschouwelijke richting. Richtingskranten zijn bijvoorbeeld Trouw, Nederlands Dagblad en Reformatorisch Dagblad.



Linkse en rechtse kranten

Linkse kranten: maatschappelijke vooruitgang en vernieuwing belangrijk, hechten waarde aan maatschappelijke gelijkheid. Meer aandacht aan organisaties die hiervoor opkomen zoals vakbonden, vrouwenorganisaties en organisaties als Greenpeace. VB: Trouw, Volkskrant.

Rechtse kranten: individuele vrijheid is belangrijkste, tegen overmatige overheidsbemoeienis, voorstander stevig optreden gezagsdragers, hechten waarde aan tradities en schuwen grote maatschappelijke veranderingen. VB: Telegraaf, AD



In Nederland zijn er zo’n veertig dagbladen. Je hebt landelijke en regionale dagbladen.

Landelijke dagbladen verschillen van elkaar. Dit heeft te maken met de identiteit en politieke kleur van de krant:

- Algemene kranten en richtingskranten; algemeen is niet gebonden aan een levensbeschouwelijke of politieke richting.

- Progressieve kranten en conservatieve kranten; progressieve hechten waarde aan maatschappelijke verandering, zijn vernieuwingsgezind en worden ook wel links genoemd. Conservatieve hechten waarde aan tradities en zijn behoudend.

- Populaire kranten en kwaliteitskranten; populaire kranten of massakranten richten zich vooral op het grote publiek (Telegraaf en AD). Kwaliteitskranten worden ook wel kaderkranten genoemd; het beter opgeleide personeel leest deze kranten (NRC Handelsblad).



De grootste en bekendste Nederlandse dagbladen zijn:

- De Telegraaf: conservatief, massakrant, sensationeel, maar goede buitenlandredactie en uitgebreid financieel nieuws. Politiek gezien is deze krant rechts; wat blijkt uit de grote aandacht voor criminaliteit en veiligheid. Hardwerkende Nederlander.



- Het Algemeen Dagblad: algemeen, gematigd rechts, conservatief, massakrant, is gespecialiseerd in het duidelijk brengen van ingewikkelde zaken door veel gebruik te maken van verhelderende tekeningen, grafieken en overzichtelijke tabellen.



- Volkskrant: algemeen, links, kaderkrant, licht katholieke krant, die zich richt op de arbeiders. Nu meer progressief en intellectueel karakter. Redactie besteedt veel aandacht aan onderwijs en gezondheidszorg.



- NRC Handelsblad: (links-liberaal), algemeen, progressief, kaderkrant krant die bekend staat om gedegen economische, politieke en culturele beschouwingen. Enige landelijke avondkrant.



- Trouw: gematigd links, conservatief, kaderkrant, protestants-christelijke krant met veel aandacht voor onderwijs, bezinning en derdewereldproblemen.



- Metro en Sp!ts: gratis op grote stations. Plaatsen korte persberichten en hebben weinig eigen journalisten. Sp!ts is eigendom van de Telegraaf.



-Reformatorisch dagblad: christelijk-gereformeerd, rechts, conservatief, kaderkrant



-Financieele Dagblad: algemeen, midden, kaderkrant, veel dagelijkse nieuws in economisch perspectief



-Parool: algemeen, gematigd links, progressief, massakrant



- NRC.NEXT: algemeen, politiek midden, progressief, kaderkrant



Tijdschriften

Tijdschriften zijn bedoeld voor een kleinere / bepaalde doelgroep. We maken bij tijdschriften een onderscheid tussen:

- Jongerenbladen

- Familiebladen

- Roddelbladen

- Special-interest bladen

- Vakbladen

- Opiniebladen

- Omroepgidsen



Opiniebladen

Gaan dieper in op het actuele nieuws, ze bieden achtergrondinformatie, zijn kritisch en hebben een serieus karakter. Doel: publiek eigen opinie vormen op basis van de informatie > opiniërende functie.

VB: Elsevier, De Groene Amsterdammer, HP/De Tijd, Vrij Nederland.



2.2 Audiovisuele media: de omroepen

Onder audiovisuele media verstaan we alle publieke omroepen en commerciele zenders die televisie of radio maken.

Audiovisuele media communiceren via geluid en bewegende beelden met de massa. Communicatie is meestal eenzijdig, omdat er minder makkelijk feedback mogelijk is.

Vier soorten televisie- en radiozenders:

- landelijke publieke omroepen

- regionale en lokale publieke omroepen

- landelijke commerciële omroepen

- buitenlandse omroepen



Landelijke publieke omroepen zenden uit op Nederland 1,2 en 3. Meeste zijn opgericht in de jaren ’20. Zo ontstonden er:

- KRO (katholiek)

- NCRV (protestants-christelijk)

- VPRO (hervormd)

- VARA (socialistisch)

- AVRO (algemeen)



In de Mediawet is vastgelegd dat publieke omroepen een deel van hun zendtijd moeten besteden aan culturele of informatieve programma’s. Publieke omroepen zijn ideële instellingen en zijn niet bedoeld om winst te maken. Ze worden gefinancierd door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Je hebt ledengebonden oproepen en niet-ledengebonden omroepen.

Taakomroepen: NOS en NTR, niet gekenmerkt door politieke kleur of geloofsovertuiging.



Commerciële omroepen zijn vrije ondernemingen die sterk marktgericht zijn. Hun enige inkomstenbron bestaat uit de opbrengst van reclameboodschappen. Alles draait om de kijkcijfers. De identiteit wordt gekenmerkt door de doelgroep waar zij zich op richten. Ze zenden populaire programma’s uit zodat er veel mensen kijken, en adverteerders veel geld voor een spotje betalen.

VB: RTL Nederland, SBS groep, MTV Networks, Discovery Channel Europe



2.3 Digitale Massamedia

Het internet is een wereldwijde communicatie-infrastructuur van computernetwerken waarmee content of informatie verspreidt kan worden.

Er zijn nieuwe massamedia als cd-rom, dvd, het world-wide-web, e-mail en sms. Het belangrijkste verschil met de andere media zijn de mogelijkheden tot interactiviteit. Het onderscheid tussen zender en ontvanger dat nog bestaat bij kranten, radio en tv, wordt vervangen door zenders die ook ontvangen en ontvangers die ook zenders zijn.

In 1993 werd het world wide web geïntroduceerd en ontstonden er gebruiksvriendelijke browsers. WWW maakt het mogelijk om honderden miljoenen websites te bekijken en te gebruiken.

De laatste tijd groeit het aantal eZines, de digitale tijdschriften die via e-mail verzonden worden. Internet kent ook nieuwsgroepen, plaatsen op het net waar mensen samen praten over onderwerpen.

WAP (Wireless Application Protocol) biedt de mogelijkheid om met een (mobiele) telefoon verbinding te maken met een beperkte versie van internet.

Mobiele applicaties die ervoor zorgen dat je op je smartphone met een druk op de knop de informatie krijgt die je wilt. Het komt overeen met de website, maar biedt vaak extra functies (camera, locatievoorzieningen etc).

Crossmediale toepassingen, de nieuwe vorm van mediagebruik waardoor verschillende mediavormen niet meer afhankelijk zijn van een enkel apparaat, mogelijk gemaakt door digitalisering. VB: digitale TV



Sociale media

Een verzameling onlineplatforms waarvan de inhoud bestaat uit ‘user-generated content’: informatie die individuele gebruikers zelf kunnen uploaden en delen. Ze kunnen op elkaar reageren>meerzijdige massacommunicatie.



Soorten sociale media

-Weblog: online dagboek

-Sociale-netwerksites: Persoonlijke profielpagina en via dat een sociaal netwerk opbouwen (Facebook)

-Content cummunities: verzamelen en delen van specifieke vormen van ‘user-generated content’. (Youtube- communiceren met filmpjes, Instagram met fotos, Icloud met muziek)

-Wiki’s: informatieve sites die door gedeelde kennis tot stand komen (wikipedia)

-Virtuele werelden: driedimensionale fantasiewerelden. Je loopt er in rond en maakt contact met andere gebruikers.



Door de concurrentiestrijd tussen mediabedrijven zijn commerciële ondernemingen voor een groot deel van hun inkomsten afhankelijk van advertenties en reclame. We zien de laatste jaren bij de massamedia een aantal ontwikkelingen, zoals:

- persconcentratie bij dagbladen

- marktsegmentering bij tijdschriften

- commercialisering bij tv

- ontstaan van multinationale mediabedrijven



Het aantal zelfstandige kranten, evenals het aantal uitgevers, is de laatste jaren sterk teruggelopen. Alle landelijke dagbladen, met uitzondering van De Telegraaf, zijn in handen van één bedrijf: PCM. Dit heet persconcentratie. Dit brengt het gevaar van monopolyvorming met zich mee; als een uitgeverij (bijna) het volledige aanbod in handen heeft.



Bij tijdschriften heeft het concern Sanoma al ruim de helft in handen. Steeds meer tijschriften proberen één bepaalde doelgroep te bereiken, zodat bedrijven heel gericht kunnen adverteren. Daarom is er een forse toename van bijv sportbladen, hobbybladen en roddelbladen. Bij de jeugdbladen is een ‘life-line’ van bladen ontwikkeld.

Bij tv-zenders is met name tijdens prime time de concurrentie hoog en probeert men de ijkers bij andere zenders weg te trekken. De zenders trachten ook grote publiekstrekkers bij elkaar weg te kopen. De marktgerichtheid van de commerciële zendorganisaties leidde eveneens tot de ontwikkeling van doelgroepenmedia.



Homo zijn kun je leren! Van bear tot buttplug. Van rimmen tot Hepatitis B. Regisseur Sanne Vogel maakte drie pikante interviewfilms met jonge homo’s. Lees meer...

De laatste jaren ontstaan er samenwerkingsverbanden van kabelnetwerkexploitanten en informatieaanbieders zoals uitgeverijen, filmmaatschappijen en softwareontwikkelaars.

Samensmelting van verschillende vormen van massamedia noem je mediaconcentratie. Publieke en commerciële omroepen vermengen oude en nieuwe media om via meerdere communicatiekanalen voor hun publiek bereikbaar te zijn en de mogelijkheden van interactiviteit te vergroten.

Wereldwijd is er een tendens dat de massamedia beheerst worden door steeds minder mediaconcerns. Andere landen zijn voor Amerikaanse producten steeds belangrijker geworden.



3. De rol van de overheid



3.1 Uitgangspunten van het mediabeleid

Basis overheidsbemoeienis met massamedia:

-vrijheid van meningsuiting

-democratie

-pluriformiteit



Vrijheid van meningsuiting

Terughoudende opstelling overheid, de burgers krijgen de kans te zeggen wat ze willen. De overheid mag zich niet bemoeien met de inhoud van de publieke berichtgeving in kranten, op radio en televisie en op internet.

In 1950 heeft Nederland de vrijheid van meningsuiting ‘dubbel’ gewaarborgd, door het ondertekenen van het EVRM het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Hierin is vastgelegd dat burgers de vrijheid hebben om informatie te vergaren en door te geven.



beperkingen

In dictaturen ontbreekt de vrijheid van meningsuiting en is er meestal sprake van censuur: de overheid oefent controle uit op de informatievoorziening.

Geen kritiek op het overheidsbeleid niet getolereerd.

In Nederland zijn er wel grenzen aan de vrijheid van meningsuiting. Het houdt in dat de vrijheid van meningsuiting ophoudt wanneer publieke uitingen in strijd zijn met andere grondrechten of wetten (discriminatie, aanzetten tot haat, aanzetten tot strafbare feiten etc).



De vrijheid van meningsuiting krijgt vooral gestalte in de relatie tussen overheid en burger.



Democratie

Burgers moeten recht hebben op goede publieke informatievoorziening. Hierdoor kunnen burgers zelf beter een opinie vormen en zijn ze eerder geneigd aan politiek deel te nemen.

Om een goede informatievoorziening te garanderen, heeft de Nederlandse overheid ervoor gekozen om een deel van de media te reguleren > publieke omroep bijv.



Pluriformiteit

Goede informatievoorziening is beter gegarandeerd als er voldoende verscheidenheid is aan kranten, tijdschriften, omroepen en websites.

Het doel is dat allerlei maatschappelijke, religieuze en politieke stromingen herkenbaar aanwezig zijn in de media. Dit streven, dat externe pluriformiteit wordt genoemd, zorgt ervoor dat mensen media kunnen vergelijken en kunnen kiezen welk medium het beste bij hen past.

Een samenwerkingsverband, overname of fusie waardoor een mediaconcern een monopolie verwerft, is daarom wettelijk verboden.

Interne pluriformiteit: een massamedium zoals een krant of tijdschrift ruimte biedt aan verschillende opinies en opvattingen.



Principe van vrije markt

In beginsel mag iedereen een krant, tijdschrift, tv-zender of webpagina beginnen.

De overheid laat niet alles aan de vrije markt over, zenders en omroepen moeten aan een aantal voorwaarden voldoen.

Het principe van de vrije markt heeft als nadeel dat niet iedereen gelijke toegang heeft tot de media. Denk aan inkomen. Er is sprake van sociale ongelijkheid met betrekking tot informatievoorziening.



3.2 Het mediabeleid

Publieke en commerciële omroepen

Al in 1930 werden de voorwaarden voor het verkrijgen van een zendmachtiging, de bevoegdheid voor het uitzenden radio-en televisieprogramma’s, vastgelegd in de Omroepwet, nu vervangen door de Mediawet.



Netprofilering

Toen het aantal kijkers van Nederland 1,2 en 3 door de komst van commerciële zenders sterk daalde, besloot de Mediaraad, die toezicht houdt op de publieke omroep, tot profilering van de zenders. NL 1 breed toegankelijk, 2 verdiepend, 3 jongere kijkers. Het streven achter de netprofilering is een kwalitatief aanbod, maar het is ook bedoeld om de concurrentie met de commerciële zenders aan te gaan.



Mediawet

Doel: kwalitatief hoogstaande programma’s te garanderen met voldoende pluriformiteit.

In de Mediawet staan enkele belangrijke bepalingen:

- Moet een maatschappelijke of geestelijke stroming vertegenwoordigen. De omroep moet vanuit een eigen identiteit gericht zijn op zowel een breed publiek als op specifieke bevolkings- en leeftijdsgroepen.

- Onderdeel van de Mediawet is de Concessiewet: hierin staan bepalingen zoals: startende publieke omroep moet minimaal 50.000 leden hebben om te mogen beginnen met uitzenden, volledige erkenning binnen het publieke bestel pas bij 300.000 leden.

- Erkende omroepen hebben het recht op een financiële bijdrage van de overheid. Daarnaast worden de gelden die verdiend worden met reclame door de Ster over de omroepen verdeeld.

- De totale televisiezendtijd van de publieke zenders moet een compleet aanbod aan programma’s bevatten (mix cultuur, informatie inclusief nieuws, educatie en amusement).

- Gemiddeld mogen de publieke omroepen niet meer dan 6,5% van hun zendtijd besteden aan reclame ( max van 12 min in 1 uur + alleen tussen programma’s door ).

- Commerciële zenders hoeven zich aan minder strenge voorwaarden te houden (max 15% van zendtijd, mogen programmaonderbrekend zijn, sluikreclame wél verboden)

- Sponsoring is toegestaan voor zowel publieke omroepen als voor commerciële zenders.



Commissariaat voor de Media

Een zelfstandig bestuursorgaan dat tussen de overheid en omroepen in staat. Richt zich op eerlijke toegang tot het omroepbestel te garanderen, de onafhankelijkheid en diversiteit van omroepen te bewaken en om erop toe te zien dat de Mediawet wordt nageleefd.

> het uitgeven en controleren van zendmachtigingen aan zowel publieke als commerciële omroepen

> de naleving van reclame- en sponsorregels

> de naleving van programmavoorschriften voor de publieke omroep

Mag boetes opleggen!



De pers

Stimuleringsfonds voor de Pers: een door de overheid ingesteld bestuursorgaan dat de pluriformiteit van de persmedia moet beschermen.

Kranten en tijdschriften die bijdragen aan de pluriformiteit doordat ze een herkenbaar eigen gezicht of een duidelijk politieke of religieuze kleur hebben, kunnen in geval van nood een beroep doen op tijdelijke financiële steun van dit fonds (afkomstig van Ster reclames).

Critici menen dat de steun door het Stimuleringsfonds het vrijemarktprincipe bij de gedrukte media aantast en tot concurrentievervalsing kan leiden.



Internet

Rol van de overheid met betrekking tot digitale massamedia is relatief klein:

is van vrije ondernemers, moeilijk te overzien en te controleren, afkomstig uit buitenland, anonimiteit van het web bemoeilijkt de aansprakelijkstelling en traceerbaarheid van internetgebruikers die de wet overtreden.

Overheid doet wel:

het internet toegankelijker maken (gratis wifi, bijscholingscursussen)

tegengaan van cybercriminaliteit



3.3 Discussies over het omroepsbestel



5. MASSAMEDIA EN COMMERCIE

5.1 Hoe komen media aan hun geld?

Financiële middelen van de pers

Kranten verdienen aan abonnementen, de vrije verkoop en advertenties. Kranten en tijdschriften die in financiële nood verkeren kunnen een beroep doen op het Stimuleringsfonds voor de Pers.



Botsende belangen

Kranten en tijdschriften worden gemaakt door journalisten die gelezen willen worden, en ze willen graag winst maken. Dus: ze willen zoveel mogelijk betalende lezers trekken.

Soms botsen de belangen. Redacties hechten waarde aan onafhankelijke berichtgeving vanuit de identiteit van hun krant of tijdschrift. Voor directies en aandeelhouders is vooral het vergroten van het marktaandeel en van de efficiëntie belangrijk. Om belangenconflicten te voorkomen is er een redactiestatuut: hierin worden de taken en bevoegdheden van de redactie en directie geregeld. Onafhankelijkheid van de redactie wordt zo veel mogelijk gewaarborgd, maar journalisten mogen niet alles schrijven wat ze willen en moeten rekening houden met de identiteit van het blad.



Financiële middelen van radio en televisie

Publieke omroepen:

-omroepgelden, overheid en ster reclames

-lidmaatschaps- en abonnementsgelden

-sponsoring van programma’s door bedrijven

-overige inkomstenbronnen, verkoop merchandise



Commerciële zenders

-reclame inkomsten

-sponsorgelden

-verkoop programmabladen



5.2 Commerciele ontwikkelingen

Concurrentie

Groeiende concurrentie is er op twee niveaus:

-in het totale media aanbod

-binnen één mediumsoort



Op televisiegebied staan populaire tv presentatoren garant voor hoge kijkcijfers. Op advertentiemarkt: totale aanbod van reclamezendtijd, advertentieruimte in kranten en tijdschriften en advertentiemogelijkheden op internet is zodanig gestegen dat het aanbod groter is dan de vraag.



Gevolgen van toegenomen concurrentie

Sommige mediabedrijven doen te weinig om hun marktpositie te versterken en komen in een neerwaartse spiraal: Dalende oplage verliezen advertentieopbrengsten omdat ze minder gelezen worden > ontslag personeel > ten koste van kwaliteit > minder lezers > oplage daalt verder etc.



Het heeft wel tot een aantal ontwikkelingen geleid:

-marktgerichtheid en commercialisering

-marktsegmentering en stijging van het aantal producten bij de tijdschriften

-doelgroepenmedia en netprofilering bij tv zenders

-persconcentratie bij de dagbladen

-mediaconcentratie door het ontstaan van media-giganten



Marktgerichtheid en commercialisering

De doelstelling om zoveel mogelijk lezers, kijkers en adverteerders binnen te zien halen wordt soms belangrijker dan het streven naar kwaliteit.

Populaire programma’s op tv worden uitgemolken en vaak ‘s avonds uitgezonden wanneer er meer mensen kijken. Kleine doelgroepen worden vaak genegeerd.

Kijkcijfers worden onderzocht door de Stichting Kijkonderzoek (SKO) die per programma het aantal kijkers, het soort kijkers en waardering door de kijkers registreert.



Marktsegmentering en stijging van het aantal producten

Uitgevers doen er alles aan om een bepaald segment of doelgroep te beheersen. De markt van dichtbij: niet een markt maar heel veel kleine markten voor specifieke informatie. Door deze verfijning is het aantal tijdschriften sterk gegroeid.

Door actief te zijn in meer marktsegmenten spreidt de uitgever zijn economisch risico. Het ene kan worden gecompenseerd met het rendement van de ander.



Doelgroepenmedia en netprofilering

Om een langdurige band op te bouwen met een groep adverteerders stemmen de commerciele omroepen hun zenders en programma’s af op specifieke doelgroepen.

De meer commerciele gerichtheid van publieke oproepen blijkt uit de netprofilering van de tv-netten 1,2 en 3, die zorgt voor een duidelijke doelgroep per televisienet wat overzichtelijker is voor adverteerders.



Mediaconcentratie en persconcentratie

Eenzijdige berichtgeving: media in handen van een (wereldwijde) mediagigant. De kritiek is dat ons beeld van de gebeurtenissen in de wereld hierdoor westers gekleurd wordt.

VB:

-Wegener, grootste uitgever van regionale dagbladen, in bezin van populaire websites zoals autotrack.nl

-Telegraaf Media Groep, uitgever telegraaf, spits en metro, alle regionale dagbladen in noord-holland, tijdschriften zoals Prive en Autovisie, eigenaar publieke omroep WNL.

-Persgroep: Radiozender Q-music, Nationale vacaturebank, Volkskrant, Trouw, Parool, AD

-Sanoma: tijdschriftenuitgever van 150 bladen, net 5 veronica en SBS6



Persconcentratie brengt het gevaar van monopolievorming met zich mee, waardoor de kwaliteit afneemt en de pluriformiteit minder wordt: consumenten hebben minder kranten waar ze uit kunnen kiezen.



Soorten persconcentratie

1. Redactionele concentratie: uitgever bundelt redachtiecapaciteit zodat redacteuren voor verschillende kranten of tijdschriften tegelijk schrijven.

2. Publieksconcentratie: het publiek verdeelt zich steeds eenzijdiger over de dagbladen (als alle PvdA’ers de Volkskrant kiezen)

3. Aanbiedersconcentratie: de dagbladuitgever geeft meer kranten uit.



Mededingingswet

Diagonale concentratie: de concentratie omvat verschillende producten

Horizontale concentratie: het zelfde product, dus als een bedrijf verschillende kranten uitgeeft

Verticale concentratie: als een bedrijf een gehele bedrijfskolom bezit



Omdat pers-en mediaconcentraties minder goed voor de concurrentie zijn en vaak leiden tot kwaliteitsverlies en prijsopdrijving, probeert de overheid de consument te beschermen door de concurrentie te stimuleren. De mededingingswet heeft de Nederlandse Mededingingsautoriteit aangenomen die toezicht houdt op de naleving van deze wet. Het is bedoeld om ongewenste kartelvorming en prijsafspraken tegen te gaan. > alle economische sectoren.



5.3 Functioneren en kwaliteit van de media

Verschraling en kwaliteitsverlies

Het proces waarbij amusement andere maatschappelijke functies van de media verdringt, noemen we verschraling van het aanbod.



Hypes en frames

Mediahype: nieuws dat zichzelf verstrekt zonder dat zich nieuwe feiten voordoen

Papegaaiencircuit: wanneer redacties elkaars nieuws overnemen in plaats van een eigen keuze te maken wanneer er angst ontstaat om bepaald nieuws niet te behandelen.

Mediaframe: berichtgeving over een onderwerp die steeds vanuit hetzelfde perspectief plaatsvindt.

Medialogica: waarin de manier van politiek bedrijven gestuurd wordt door de media. Het gaat minder om inhoud maar meer om emoties, schandalen en personaliseren.



Tevens zijn bij medialogica enkele van de politiek-informatieve functies in het geding:

-Hoe serieus kunnen politici de media nog als agendazetters nemen, wanneer diezelfde media meer en meer de nadruk leggen op schandalen en persoonlijke achtergronden?

-Hoe betrouwbaar zijn de media nog als bron voor opinievorming in het licht van de opkomende medialogica?

-Wanneer vervullen de media een controle-of waakhondfunctie en wanneer schieten ze daarin door?



6. Nieuws en beeldvorming



6.1 Selectieproces van het nieuws

Het belangrijkste selectiecriterium is de inschatting van de nieuwswaarde: hoe belangrijk is het nieuwsfeit?



Nieuwscriteria

Het heeft nieuwswaarde als…

- Het is actueel

- Het is opvallend, onverwacht, verrassend/schokkend

- Het is cultureel of geografisch dichtbij

- Er is een ‘human-interest aspect’: drama, emotie, conflict

- Het is afwijkend en dan vooral in negatieve zin

- Het is ondubbelzinnig en begrijpelijk

- Er is beeldmateriaal beschikbaar

- Het is interessant voor de doelgroep

- Het is gerelateerd aan politieke, sociaaleconomische, financiele en of culturele ontwikkelingen en   kwesties

- Het past binnen de identiteit van het medium



Nieuwsbronnen

Selectieve perceptie van de nieuwsmaker: de nieuwskeuzen en de berichtgeving worden gestuurd door het persoonlijke referentiekader van de redacteur of verslaggever. Tijdens het hele traject van nieuwsproductie speelt het referentiekader van der makers op de achtergrond mee.



De belangrijkste nieuwsbronnen:

Personen of instellingen> sturen op eigen initiatief persberichten in de hoop dat ze het nieuws halen.

Overheid > voorlichters van politici, ministeries en andere overheidsorganen geven informatie door aan journalisten. De Wet openbaarheid van bestuur maakt dat de overheid een actieve informatieplicht heeft.

Correspondenten > Kranten en het journaal etc beschikken over correspondenten in binnen en buitenland, wanneer er iets gebeurt melden zij dat aan de redactie.

Freelance journalisten > schrijven over gespecialiseerde onderwerpen, ze bieden artikelen zelf aan of krijgen een verzoek van de redactie.

Persbureaus > publiceren alles onmiddellijk wat naar nieuws ruikt

- Algemeen Nederlands Persbureau: levert binnen-en buitenlands nieuws (vertalen ook). Sturen berichten uit eigen land naar de belangrijkste media in de rest van de wereld.

- Geassocieerde Pers Diensten: nationale en internationale berichtgeving voor enkele regionale dagbladen, en het Haagse Persbureau

-De internationale persbureaus: de verkoopbaarheid van de informatie, kantoren over de hele wereld.

Persdiensten > kranten kunnen tegen betaling ook gebruikmaken van de persdiensten van belangrijke buitenlandse kranten (bijv. New York Times)

Beeldmateriaal > Kan van andere grote persbureaus gekocht worden, of zelf beschikken.



Nieuws uit de derde wereld

De westerse media gebruiken vrijwel alleen berichten van westerse persbureaus. Deze hebben weinig steunpunten in de derde wereld en daardoor is veel nieuws over ontwikkelingslanden gemaakt vanuit een westerse optiek. Ook in ontwikkelingslanden zelf krijgen ze een westers beeld van de situatie in het eigen land.



6.2 Kleuring en Beeldvorming

Het is de taak van de journalisten om nieuws objectief en waarheidsgetrouw in beeld te brengen.



Journalistieke normen

Ze moeten zich aan 5 journalistieke normen houden:

-Het scheiden van feiten en meningen

-Hoor en wederhoor toepassen (alle betrokkenen ondervragen)

-Controleren van feiten

-Meerdere informatiebronnen raadplegen

-Een juiste weergave van feiten



We spreken van onbewuste kleuring, omdat journalisten altijd vanuit hun eigen referentiekader en selectieve perceptie werken, of ze dat nu willen of niet. Ontvangers van mediaboodschappen krijgen dus altijd een door de zender geïnterpreteerd beeld van de werkelijkheid.



Invloed van de identiteit

Bewuste kleuring: standpunten en opvattingen bewust doorschemeren om hun identiteit kenbaar te maken.

Om zich te onderscheiden biedt het redactiestatuur hiervoor het raamwerk. Kleur of eigen zicht van media komt door geloof, politieke voorkeur, levensovertuiging of specifieke interessegebieden.



Bij nieuwsberichtgeving bepalen een aantal factoren de identiteit van een massamedium:

-De keuze van de onderwerpen door journalisten en de redactie.

-De volgorde van de berichten.

-Het eigen commentaar.

-De presentatie.

-Het woordgebruik.

-Het gebruik van deskundige gastschrijvers (freelancespecialisten)



Manipulatie en indoctrinatie

Manipulatie: het vervormen van nieuws door het opzettelijk weglaten of verdraaien van feiten.

Indoctrinatie: het systematisch opdringen van opvattingen door meningen als feiten te presenteren.

In dictaturen vindt dit vaak plaats. Geweld wordt onder de tafel geschoven.



Framing

Journalisten bekijken sommige onderwerpen steeds vanuit een bepaald perspectief, waardoor een mediaframe ontstaat.

VB:

-conflictframe: nadruk ligt op conflicten tussen partijen of individuen

-human-impactframe: nadruk ligt op menselijke kant van een verhaal, emotioneel

-economische-gevolgenframe: nadruk ligt op economische consequenties van een gebeurtenis

-machteloosheidsframe: nadruk ligt op onmacht en onveranderlijkheid van de situatie

-moraliteitsframe: nadruk ligt op scheiding ‘goed’ versus ‘slecht’



CONVERGENTIE



7. Massamedia en cultuur



7.1 Cultuur

Cultuur: alle waarden, normen en andere aangeleerde kenmerken die de leden van een groep of samenleving met elkaar gemeen hebben en die zij min of meer als vanzelfsprekend beschouwen.

Normen: specifieke regels in een groep of samenleving waarmee mensen hun eigen gedrag en het gedrage van anderen beoordelen.

Normen komen voort uit waarden: principes die mensen belangrijk vinden om na te streven.

Cultuur is een relatief begrip: culturen veranderen continu. (door oa politieke, economische of technologische ontwikkelingen, denk aan seksuele vrijheid-homohuwelijk)



Nature of nurture?

Nature aanhangers: menselijk gedrag wordt bepaald door biologische en erfelijke factoren. Karakter staat bij geboorte vast

Nurture aanhangers: menselijk handelen wordt gevormd door de omgeving en andere externe factoren. Gedragingen, emoties, gevoelens  geleerd door omgeving en cultuur.



Dominante cultuur

Dominante cultuur: de cultuurkenmerken binnen een samenleving gedragen worden door de groep die overheersend is en veel invloed heeft op het economische en politieke leven.

In Nederland, is er op economisch gebied waardering voor ondernemerschap typisch voor de dominante cultuur. Op sociaal-cultureel gebied zien we relatief veel tolerantie en gelijkwaardigheid.



Subculturen

Subcultuur: een groep waarden, normen en andere cultuurkenmerken heeft die deels afwijken van de dominante cultuur.

VB: jongerenculturen (hipsters, gothics), bedrijfsculturen (gedragsregels en kleding), etnische subculturen, tegenculturen (antiglobalisten, milieuactivisten).



Drie dimensies

1. Ideële dimensie

visie op mens en samenleving

religieuze ideeën

maatschappelijke waarden



2. Normerende dimensie

Alle regels, ongeschreven regels, wetten, straffen, gewoontes die voortvloeien uit de hiervor genoemde waarden. Wat is juist en wat niet: goed/slecht



3. Materiele dimensie

Waarden en normen komen naar voren in huis en kantoorbouw, vormgeving van producten, kleding, inrichting van de stad etc. Hieraan kun je zien wat mensen belangrijk, onaanvaardbaar of esthetisch vinden.



Functies van cultuur

Cultuur biedt een gedragsregulerend kader: het geeft richting aan het denken en doen van mensen. Aan de ene kant geeft cultuur mogelijkheden, anderzijds legt cultuur ook beperkingen op.

1. Cultuur geeft betekenis aan ons gedrag (handgebaren, boeren laten, humor)

2. Cultuur bepaalt welk gedrag wel of niet aanvaardbaar is. (liegen)

3. Cultuur biedt de mogelijkheid tot identificatie (deel van een groep uitmaken).



7.2 Het socialisatieproces



Socialisatie en internalisatie

Culturen worden gekenmerkt door collectieve gedragspatronen: gedragingen die door iedereen binnen de cultuur op een vergelijkbare manier worden aangenomen.

Socialisatieproces: door middel van beïnvloeding en aanpassing waarden en normen van een cultuur overgedragen aan een individu (leren praten, gedrag ouders nabootsen, houden aan verkeersregels).

Deze toe-eigening noemen we ook wel de internalisatie van een cultuur.



Socialiserende instituties

: instellingen en organisaties waarmee de cultuuroverdracht in een samenleving plaatsvindt.

-gezin: allesbepalende referentiekader wordt gevormd.

-school: overdracht van discipline, op tijd komen, aanvaarden van gezag.

-werk: leveren van prestaties, leefritme, tegenslagen incasseren, ontwikkelen beroepsmatige capaciteiten.

-Maatschappelijke groeperingen: sportclubs, geloofsrichtingen

-Overheid: handhaving wet en strafvervolging, simuleren de participatie van burgers aan de samenleving (zoveel mogelijk aan het werk, zorgen voor elkaar)

-Media: televisie, kranten, internet, films, affiches, boeken beïnvloeden menselijk gedrag.



Identificatie

Datgene wat je als je eigen ‘ik’ ofwel je persoonlijke identiteit beschouwt, wordt mede gevormd door de sociale ervaringen die je in de loop van je leven opdoet. Je identiteit is dus voor een aanzienlijk deel het product van het socialisatieproces.



Sociale controle

Socialisatie gaat niet altijd vrijwillig: ieder mens heeft te maken met sociale controle. Sociale controle: de wijze waarop mensen andere mensen stimuleren of dwingen zich aan de geldende normen te houden.

Formele sociale controle is gebaseerd op geschreven regels zoals wetten en reglementen, informele sociale controle heeft betrekking op ongeschreven regels, zoals beleefdheidsvormen.

Sociale controle gaat vaak gepaard met sancties: belonen of straffen.



7.3 Cultuur en massamedia

Media heeft een socialiserende functie en draagt dus bij aan cultuuroverdracht. De media vormen een afspiegeling van de samenleving.



Vooroordelen en stereotypen

Stereotype: een sterk gegeneraliseerd, versimpeld en vertekend beeld van het gedrag en de mentaliteit van een specifieke groep.

Vooroordeel: mening of houding die niet of onvoldoende op feiten of ervaringen is gebaseerd. (vaak negatief)

Deze kunnen leiden tot discriminatie: mensen van een bepaalde groep anders behandelt op grond van kenmerken die in de gegeven situatie niet van belang zijn.



Subculturen in de media

De media hebben een rol bij het vormen van een gemeenschappelijke, dominantie cultuur, maar kunnen ook bijdragen aan de eigen identiteit van groepen en individuen. Daarom is het belangrijk dat zij een evenwichtig beeld geven van de verscheidenheid aan culturen in Nederland > eigen omroep, krant, tijdschrift etc.



Ontzuiling en individualisering

Lange tijd werd de Nederlandse cultuur gekenmerkt door duidelijke maatschappelijke zuilen: katholieken, protestanten, socialisten en liberalen > eigen omroep, eigen krant, eigen verenigingen. De democratiseringsgolf in de jaren zestig gaf de aanzet tot individualisering > meer vrijheid eigen standpunten.

Individualisering leidde tot minder strakke sociale structuren en zette de zuilenmaatschappij onder druk. De oude scheidslijnen vielen langzaam weg: een proces van ontzuiling begon.

Daarnaast kwamen er nieuwe omroepen die helemaal geen verzuilde achterban hadden.



Multiculturalisering

Nederland is een multiculturele of pluriforme samenleving geworden: waar mensen met verschillende culturele achtergronden naast en met elkaar wonen. Ook door de komst van ongeveer twee miljoen nieuwkomers naar ons land.

Dit proces van multiculturalisering verloopt moeizaam. Zowel bij de etnische Nederlanders staan diepgewortelde waarden en normen tegenover elkaar.



Multiculturalisering en de media

Toch voelen de in Nederland wonende etnische  minderheidsgroepen zich vaak nog onvoldoende vertegenwoordigd in de Nederlandse massamedia, waardoor ze zich eerder richten op buitenlandse tv-zenders, kranten en websites.



8. Macht van de media

8.1 Klassieke theorieën

Idee dat media te veel macht had ontstond in de Eerste Wereldoorlog, door het gebruik van propaganda (ook voor manipulatie en indoctrinatie).



Injectienaaldtheorie

Ontvangers nemen informatie klakkeloos over en beschouwt het als waarheid (reclame industrie). Kijkers en luisteraars kunnen met ideeën en overtuigingen worden ingespoten. Geen onderscheid tussen verschillende mensen: volgens theoretici reageert iedereen hetzelfde op mediaboodschappen.



Tegenwoordig wordt de langzame druppelsgewijze beïnvloeding nog altijd toegepast door reclamemakers met hun regelmatig herhaalde boodschappen. Ook overheid beïnvloed via media: oproepen tot veilig vrijen, minder alcohol gebruiken of niet met vuurwerk stunten.

Selectieve perceptie van het publiek

(Joseph Klapper)De invloed van de massamedia is beperkt doordat het publiek een veel actievere rol speelt dan tot dan toe werd aangenomen. Een aantal dingen werken als filters of selectiemechanismen waardoor een boodschap niet of vervormd bij de mediagebruiker aankomt:

-Selectieve keuze: ieder mens heeft de neiging alleen datgene te lezen of te bekijken wat past bij zijn of haar referentiekader, dat bestaat uit iemands waarden, normen en persoonlijke interesses wat afhankelijk is van een aantal factoren.

-Selectieve waarneming of selectieve perceptie: we zijn geneigd informatie zo te vervormen dat het klopt met wat we al dachten en nemen dus nooit objectief waar.

-Selectief geheugen: we zijn selectief bij het onthouden van mediaboodschappen, informatie die niet bij ons referentiekader aansluit vergeten we sneller.

-Selectief geloven: het karakter van een medium bepaalt hoeveel geloof we hechten aan de berichtgeving. Nieuws van de NOS geloven we eerder dan dat van sbs6. De consument kent dus, al dan niet terecht, aan berichtgeving gradaties van betrouwbaarheid toe.



8.2 Moderne beïnvloedingstheorieën

Er zijn theorieën die uitgaan van relatief veel media invloed (cultivatietheorie en de theorie van de zwijgspiraal).

Er zijn ook theorieën die juist de macht van de ontvangers van informatie benadrukken (users- and gratificationtstheorie en de media-afhankelijkheidstheorie).



Cultivatietheorie

- George Gerbner

- theorie over de culturele en socialiserende betekenis van televisie

- Televisie is de verhalenverteller van de moderne tijd, normen en waarden worden overgenomen.

- veel tv: beeld werkelijkheid en televisiewerkelijkheid door elkaar.



Kritiek/ Kanttekening: voor mensen beginnen met kijken(geweld) kan hun beeld al zijn aangepast, waarom kijken mensen naar geweld op tv? Er is een gering verband tussen de televisiewerkelijkheid en de denkbeelden van de kijkers.





Agendasettingtheorie

- McCombs and Shaw

- weinig invloed op gedrag, bepalen wel de gespreksonderwerpen

- onderwerp op agenda als media hier veel over spreekt(publieke agenda)

- media bepaald deels de politieke agenda

- mensen vinden iets belangrijk als de media erover bericht, beïnvloed niet per se denkbeeld

- hetgeen wat mensen belangrijk vinden komt vrijwel volledig overeen met de onderwerpen waarover de media berichten.



Kritiek/ Kanttekening: wetenschappers kunnen niet aantonen dat de media publieke+politieke agenda bepalen. Er is een sterk verband, maar het kan ook zo zijn dat de werkelijkheid de media bepaald.



Framingtheorie

- McCombs en Bell

- mediaframe, wijze waarop onderwerp wordt geïnterpreteerd en gepresenteerd in de media

- proces waarin mediaframe tot stand komt = framebuilding

- mediaframe dat het denken van mensen beïnvloedt = framesetting (een mediaframe bepaalt vervolgens vanuit welk perspectief mensen een nieuwsitem interpreteren)



kritiek: ontbreken van overige factoren die kunnen beïnvloeden. Er is niet bekend wie gevoelig zijn voor frames en of er demografische verschillen zijn.



Theorie van de zwijgspiraal

- Elisabeth Noelle Neumann

- mensen willen een standpunt innemen maar zijn bang dat hun standpunt anders is dan de massa

- men zal zich conformeren over de heersende opvatting (vaak te zien in media)

- mensen met een andere mening dan overheersend zullen snel zwijgen

- weinig gehoor afwijkende mening - steeds meer overheersende mening



Kritiek: men gaat er vanuit dat men geen afwijkende mening wil, niet bewezen (mensen zijn irrationele wezens die bang zijn om hun mening te laten horen). Ook gaat ze er vanuit dat gebruikers weinig mogelijkheid hebben tot zelf selecteren van media.



‘Uses and gratifications’-benadering (nut en beloning)

- Berelson

- krant voorziet in informatie en andere behoeftes(rust, dagelijks ritueel, sociale prestige)

> mensen willen bepaalde behoeftes bevredigen en gaan op die basis met media om

- mens is actieve, doelgerichte consument



Kritiek: worden de mensen echt wel beloond? Te weinig onderzoek hiernaar. Veel mensen passiever dan wordt gesuggereerd (’s avonds zonder zich ervan bewust te zijn tv kijken).



Media-afhankelijkheidstheorie

- Ball-Rokeach en DeFleur – ‘media system dependency’

- mensen hebben informatie nodig om hun algemene doelen te bereiken: begrip van de wereld om hen heen, praktische kennis zoals het weerbericht, ontspanning en wegcluchten in en fantasiewereld, zich conformeren aan de sociale normen van hun omgeving zoals trends en popmuziekcultuur.

- alle vormen van informatie-uitwisseling heeft macht over informatiehulpbronnen

- media heeft controle over informatiehulpbronnen: mediasysteem verzamelt en creeert informatie, verwerkt en bewerkt informatie en verspreidt informatie.

- Media hebben behoefte aan economische hulpbronnen (papier, elektronica, goedkeuring, aandacht van publiek, reclame-inkomsten)

- wederzijdse afhankelijkheidsrelatie met het mediasysteem: politieke en economische systeem hebben elkaar nodig.



Kritiek: afhankelijkheid suggereert passiviteit (in tegendeel is het geval) want ontvangers hebben ook een zekere macht. Men maakt niet altijd doelbewuste en verstandige keuzes in praktijk.


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.