De NPO is bezig met een nieuwe interactieve videoserie voor scholieren, over persoonlijke dilemma's. Om de serie zo herkenbaar mogelijk te maken, hebben ze jouw hulp nodig. Ben je tussen de 15-18 jaar en wil jij meedenken? Vul de vragenlijst in (5 a 10 minuutjes) en maak kans op een Bol.com bon van 10 euro.

 


Meedoen


Hoofdstuk 1 Wat Zijn Massamedia

§ 1 Het communicatieproces

  • Communicatie
    • Het proces waarbij een zender bedoeld of onbedoeld een bepaalde boodschap overbrengt aan een ontvanger en waarbij mensen de relaties die zij met elkaar hebben vorm en inhoud geven.
  • Boodschap         : de inhoudelijke info die wordt overgebracht.
  • Zender                : start het communicatieproces door de boodschap te versturen.
  • Medium              : het technische middel waarmee de boodschap wordt overgedragen.
  • Ontvanger         : degene bij wie de boodschap, bedoeld of onbedoeld, aankomt.
  • Feedback           : de reactie die de ontvanger geeft op de boodschap
  • Referentiekader            
    •  verzameling van al jou persoonlijke waarden, normen, standpunten, kennis en ervaringen.
  • Communicatiestoornis / ruis
    • Verstoring of misvorming van het communicatieproces
  • Directe communicatie
    • Persoonlijk contact
  • Indirecte communicatie
    • Via een technisch hulpmiddel (medium)
    • (vaak over grotere afstand)
  • Eenzijdige communicatie
    • Eenrichtingsverkeer
    • (vaak tv, radio, kranten etc.)
  • Meerzijdige communicatie
    • Afwisselend zender en ontvanger
    • Interactie en feedback
  • Wederkerigheid van communicatie
    • Er is sprake van interactie en feedback
  • Verbale communicatie
    • Communicatie doormiddel van woorden
    • (praten of schrijven)
  • Non-verbale communicatie
    • Alle communicatie waarbij geen woorden gebruikt worden
    • (signalen)
  • Interpersoonlijke communicatie
    • Directe, meerzijdige communicatie tussen twee pers. of een kleine groep mensen.
  • Massacommunicatie
    • Meestal eenzijdige communicatie, gericht op een groot, vaak onbekend, publiek.

§ 2 Massacommunicatie en massamedia

  • Massacommunicatie
    • Gericht op breed, heterogeen en relatief onbekend publiek.
    • Informatie is openbaar.
    • Verzenden van info gaat vaak via omvangrijke organisaties.
    • Altijd gebruik gemaakt van technische hulpmiddelen. (de massamedia)
    • Meestal eenzijdig.
    • Ontvanger bepaalt zelf hoe hij of zij een medium gebruikt.
    • Niet controleerbaar of de boodschap bij alle ontvangers is aangekomen.
  • Massamedia
    • Alle middelen die massacommunicatie mogelijk maken.
  • Soorten media
    • Gedrukte media
    • Audiovisuele media
    • Digitale massamedia

§3 De functies van massamedia

  • Hoofdfuncties van de media voor het individu
    • Informatieve en educatieve functie
      • De media voorzien ons van nieuws en info
    • Opiniërende functie
      • De media geven, vaak kritisch, commentaar op nieuws en andere maatschappelijke onderwerpen.
    • Sociale functie
      • De media verbinden ons met andere mensen
    • Recreatieve functie
      • De media bieden ontspanning en tijdverdrijf
  • Functies van de media voor de samenleving
    • Informerende functie
    • Socialiserende functie
    • Amuserende functie
    • Bindende functie
  • Informerende functie
    • Binnen de informerende functie zijn er 5 politiek-informerende functies
      • De opiniërende functie
        • De media informeren burgers over maatschappelijke onderwerpen zodat zij een eigen mening kunnen vormen.
      • De spreekbuis functie
        • De media brengen meningen van individuen en belangengroepen onder de aandacht. Voor politici en bestuurders is dit een belangrijke bron van informatie.
      • Commentaarfunctie
        • De media geven zelf commentaar op actuele gebeurtenissen en bieden iedereen de mogelijkheid om zijn mening te geven, bijvoorbeeld via een ingezonden brief of een internetforum.
      • De controlefunctie of waakhond functie
        • De media controleren het functioneren van de overheid en andere publieke organisaties.
      • De agendafunctie
        • De media zorgen ervoor dat maatschappelijke problemen onder de publieke en politieke aandacht komen. Onderwerpen van de publieke agenda mogelijk naar de politieke agenda brengen.
  • Socialiserende functie
    • De media zorgt voor socialisatie
  • Amuserende functie
    • De media bied amusementsprogramma’s aan voor vrijetijdsbesteding
  • Bindende functie
    • De  media bevorderd de onderlinge verbondenheid tussen mensen binnen de samenleving. (sociale cohesie)
  • Sociale cohesie
    • De onderlinge verbondenheid tussen mensen binnen de samenleving.
  • Publieke opinie
    • De mening van de meeste burgers over een bepaalde kwestie
  • Infotainment
    • Programma’s die zowel een amuserende als een informerende functie hebben.
  • Entertainment-education
    • Programma’s met een amuserend en educatief karakter.
  • Socialisatie
    • Het proces waarbij iemand de waarden, normen en andere cultuurkenmerken van zijn samenleving of groep aanleert.

Hoofdstuk 2 Het Medialandschap

§ 1 De pers

  • Doelgroep
    • De groep kijkers of lezers waarvoor het medium bedoeld is.
  • Identiteit
    • Het eigen gezicht of de kleur van een medium, gebaseerd op geloofsovertuiging, politieke voorkeur, intellectueel niveau en specifieke interessegebieden.
  • De pers
    • Verzamelnaam voor gedrukte massamedia
  • Dagbladen
    • Kranten met een dagelijkse frequentie
    • Worden gemaakt om direct gelezen te worden
    • Voornaamste functie = informeren over de actualiteit
    • Ondervinden veel concurrentie van online nieuwsbronnen die vaak gratis hun informatie aanbieden.
    • In te delen in
      • Regionale en landelijke kranten
        • Regionale kranten geven naast landelijke en mondiale informatie ook veel informatie over de eigen regio en zijn vaak onderdeel van een groter concern.
        • Landelijke kranten zijn gericht op het hele land en zijn ook door het hele land verkrijgbaar.
      • Ochtend en avondkranten
        • Ochtendkranten verschijnen rond twee uur in de ochtend en worden rond 7 uur bezorgd. Worden vaak beschouwd als meer “vers van de pers”.
        • Avondkranten verschijnen rond 4 uur middags.
      • Gratis kranten en abbonnementskranten
        • Bijna alle regionale en landelijke kranten zijn abonnementskranten en het abonnementsgeld is dan ook de belangrijkste inkomst.
        • Gratis kranten worden gefinancierd met reclame inkomsten.
      • Populaire kranten en kwaliteitskranten
        • Populaire kranten of massakranten richten zich op het grote publiek met veel sensationele koppen en korte artikelen.
        • Kwaliteitskranten  of kaderkranten worden door het hoogopgeleide deel van Nederland, het kader gelezen. Is vaak wat somberder van opmaak met langere artikelen.
      • Algemene kranten en richtingskranten
        • Algemene kranten zijn niet gebonden aan een levensbeschouwelijke richting, richtingskranten ijn dit wel.
  • Linkse en rechtse kranten
    • Linkse kranten vinden maatschappelijke vooruitgang en vernieuwing belangrijk en hechten waarde aan maatschappelijke gelijkheid. Ze besteden hier dan ook meer aandacht aan.
    • Rechtse kranten vinden individuele vrijheid belangrijk. Ze zijn tegen overmatige overheidsbemoeienis maar voor stevig optreden van gezagsdragers. Ze vinden traditie belangrijk en schuwen grote maatschappelijke veranderingen.
  • Tijdschriften
    • Verschijnen wekelijks, tweewekelijks, maandelijks of soms per kwartaal
    • Kleinere doelgroep
    • Richten zich op een specifieke interesse
    • Gericht op ontspanning
  • Opiniebladen
    • Bladen die dieper ingaan op het actuele nieuws door achtergrond info en commentaar te bieden. Hierdoor kan de lezer een eigen mening vormen. Opiniebladen hebben vaak een serieuzer karakter en staan inhoudelijk dicht bij dagbladen.

§2 Audiovisuele media : de omroepen

  • Audiovisuele massamedia
    • Alle publieke omroepen en commerciële zenders die tv en of radio maken.
  • Duaal omroepbestel    
    • Zowel publieke omroepen als commerciële zenders zijn actief.
  • Publieke Omroepen
    • Zendgemachtigden die mogen uitzenden op Nederland 1, 2 en 3 en op Radio 1, 2, 3FM, 4, 5 en 6.
    • Vallen onder de Nederlandse Publieke Omroep (NPO)
    • Voor een groot deel gefinancierd door het ministerie van onderwijs, cultuur en wetenschap (OCW)
    • Ze moeten voldoen aan de mediawet.
    • 2 soorten publieke omroepen
      • Ledengebonden omroepen
        • Omroepen die aan leden gebonden zijn en dus ook wel omroepverenigingen worden genoemd.

 

  • Niet-ledengebonden omroepen
    • Omroepen zonder leden. Het zijn omroepen die opgericht zijn vanuit verbondenheid met speciale kerkgenootschappen of andere kleine genootschappen met geestelijke grondslag en uit de taakomroepen NOS, NRT en de Ster. Deze zenders hebben niks te maken met een politieke kleur of een bepaalde levensbeschouwelijke opvatting maar vervullen een algemene taak binnen het omroepbestel.
  • Taakomroepen
    • Zenders zonder politieke kleur of bepaalde geloofsovertuiging, en die een bepaalde vastomlijnde, algemene functie binnen het omroepbestel hebben.
  • Mediawet
    • Zie paragraaf 3.2
  • Commerciële zenders
    • Bedrijven gericht op het maken van winst. Dit doen ze doormiddel van reclame inkomsten.
    • Alles draait om kijkcijfers, hoe meer kijkers hoe hoger de prijs van de reclame.
    • De commerciële zenders zijn in handen van een aantal grote mediaconcerns.
      • RTL Nederland
        • RTL 4, RTL 5, RTL 7, RTL 8
        • Zend uit via Luxemburg
        • Officieel niet Nederlands om regels met betrekking tot reclame en sponsoring te ontwijken.
      • De SBS-groep
        • SBS 6, Net5 en Veronica
        • In handen van mediabedrijven Sanoma en Talpa
        • Opereert ook vanuit Luxemburg
      • MTV Networks
        • Nederlandse marktleider op het gebied van muziek- en jongerenzenders.
        • MTV, Kindernet, Comedy Central en Nicelodeon
      • Discovery Channel Europe
        • Discovery Channel, Animal Planet en TLC

§3 Digitale Massamedia

  • Het internet
    • Wereldwijd communicatie-infrastructuur van computernetwerken waarmee informatie verstuurd kan worden.
  • Bied veel verschillende functies zoals
    • E-mail
    • VoIP (telefonie)
    • Usenet (nieuwsgroepen)
  • In het kader van massamedia zijn de belangrijkste functies
    • Het World Wide Web
      • Het WWW maakt het mogelijk om honderden miljoenen sites te bekijken en te gebruiken.
      • Ze voorzien ons van nieuws, amusement en informatie
      • Bied diensten die helpen bij praktische zaken bijv. internetbankieren.
    • Mobiele applicaties
      • Computerprogramma’s waarmee je eenvoudig en snel extra functies aan je Smart Phone of tablet kunt toevoegen.
      • Vaak web apps die je meteen de informatie geeft die je zoekt (nu.nl)
    • Crossmediale toepassingen
      • Mediavormen zijn niet meer afhankelijk van 1 apparaat, bijv. de tv, maar kunnen op alle apparaten met internettoegang worden gebruikt.
  • Sociale Media
    • Een verzameling van online platforms waarbij de inhoud bestaan uit info die mensen zelf kunnen uploaden en delen.
    • Onder te verdelen in 5 typen
      • Weblog
        • Een soort online dagboek waar iemand op zijn persoonlijke pagina regelmatig berichten schrijft over uiteenlopende onderwerpen en daar met lezers over in discussie gaat.
        • Soms zijn meerdere schrijvers actief. Dit heet een multi-author-blog. Vaak worden dan schrijvers ingehuurd door commerciële bedrijven.
      • Sociale Netwerksites
        • Gebruikers kunnen een persoonlijke profielpagina opbouwen. Vaak korte en simpele berichtgeving.
      • Content Communicaties
        • Gericht op het verzamelen en delen van user-generated content. (bijv. Youtube). Deze kanalen stellen materiaal van gebruikers beschikbaar waardoor een oneindige info bron ontstaat.
      • Wiki’s
        • Informatieve sites die door gedeelde kennis tot stand komen. De gebruikers leveren in samenwerkingsverband de teksten. Het idee is dat er zo snel en efficiënt informatie wordt verzameld.
      • Virtuele Werelden
        • Driedimensionale fantasiewerelden waarin mensen rondlopen en contact maken met andere gebruikers doormiddel van een zelfgekozen avatar.

Hoofdstuk 3, De Rol Van De Overheid

§1 Uitgangspunten van het mediabeleid

  • Drie algemene uitgangspunten vormen de basis van de overheidsbemoeienis met de massamedia, namelijk :
    • Vrijheid van meningsuiting
      • In de grondwet van Nederland wordt in artikel 7 tegelijkertijd de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van drukpers geregeld. Je mag niet vervolgd worden vanwege je mening en je mag je mening verspreiden. Ook is censuur verboden. Ook heeft Nederland het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens getekend waardoor de vrijheid van meningsuiting dubbel gewaarborgd is. (EVRM)
      • In dictaturen is er Censuur, de overheid oefent controle uit op de informatievoorziening. Dit hebben we in Nederland niet maar er zijn wel grenzen. Zo mag je niet discrimineren en mag je ook niet mensen aanzetten tot het plegen van strafbare feiten. In speciale gevallen mag de rechter een publicatieverbod opleggen, bijvoorbeeld als het om militaire geheimen gaat.
    • Democratie
      • Publieke informatievoorziening is erg belangrijk in een democratie om mensen een eigen mening te laten vormen en zo betrokkener te maken met de politiek. Om dit te garanderen heeft de Overheid een deel van de media gereguleerd. (Publieke Omroep)
    • Pluriformiteit (verscheidenheid)
      • Goede informatievoorziening is beter gegarandeerd als er een verscheidenheid is aan kranten, tijdschriften , omroepen en websites.
  • Externe pluriformiteit
    • Allerlei maatschappelijke, religieuze en politieke stromingen zijn herkenbaar aanwezig in de media.
  • Interne pluriformiteit
    • Een massamedium biedt ruimte aan verschillende opinies en opvattingen.
  • Sociale ongelijkheid
    • Niet iedereen heeft gelijke kansen om informatie te vergaren omdat bijvoorbeeld mensen met een hoger inkomen beter een abonnement op een krant kunnen betalen dan mensen met een laag inkomen.

§2 Het Mediabeleid

  • Zendmachtigingen
    • De bevoegdheid voor het uitzenden van radio- en tv programma’s.
  • Mediaraad
    • Toezichthouder van de publieke omroep
  • Netprofilering
    • Samenwerking tussen verschillende zenders
      • Nederland 1     : breed toegankelijke programma’s
      • Nederland 2     : verdiepend karakter
      • Nederland 3     : gericht op jonge kijkers
  • Mediawet
    • Doel : kwalitatief hoogstaande programma’s garanderen met voldoende pluriformiteit.
    • De Nederlandse Omroep Stichting (NOS) coördineert programmering en zendtijd.
      • Een publieke omroep moet de vorm hebben van een stichting of een vereniging en moet een maatschappelijke of geestelijke stroming vertegenwoordigen. Vanuit een eigen identiteit moeten de omroepen zich richten op zowel een breed publiek als op een specifieke bevolking/leeftijdsgroep.
      • Consessiewet
        • Minimaal 50 000 leden
        • Bij 300 000 leden volledig erkend als publieke omroep
      • Erkende omroepen hebben het recht op een financiële bijdrage van de overheid.
      • De totale tv tijd van een omroep moet een compleet aanbod aan programma’s bevatten.
      • Gemiddeld niet meer dan 6.5 % van de zendtijd besteden aan reclame met een maximum van 12 minuten per uur. Commerciële zenders mogen maximaal 15 % van de zendtijd aan reclame besteden, ook tussen de programma’s door. Sponsoring is toegestaan.
  • Commissariaat voor de media
    • Een onafhankelijk bestuursorgaan dat tussen de omroepen en de overheid in staat.
    • Houd zich onder andere bezig met      
      • Het uitgeven en controleren van zendmachtigingen
      • Naleving van reclame- en sponsorregels
      • Naleving van programmavoorschriften van de publieke omroep.
  • Stimuleringsfonds voor de pers
    • Een door de overheid ingesteld bestuursorgaan dat de pluriformiteit van de persmedia moet beschermen.
    • Als een krant in geldnood komt kunnen ze hier tijdelijke financiële steun krijgen.
  • Bij het internet zorgt de overheid voor toegankelijkheid en bestrijd het cybercriminaliteit.

§3 Discussies over het omroepbestel

  • Zelfregulerende markt
    • Bewuste en zelfbeslissende burgers kiezen uit een breed en vrij aanbod van media.
  • Liberalen
    • Tegen subsidiëring van de media
    • De overheid moet ruimte geven aan nieuwe initiatieven, met minimale subsidie
    • Zelfregulerende markt
  • Sociaal democraten
    • Pleiten voor regulerend optreden van de overheid door middel van kwaliteitscontrole en bewaking van pluriformiteit in de media.
    • Ruime subsidie noodzakelijk om publieke omroepen onafhankelijk van reclame te maken.
    • Overheid moet zorgen voor toegankelijkheid voor iedereen in Nederland.
  • Christendemocraten
    • Voor een regulerende overheid maar met eigen verantwoordelijkheid voor de omroepen.
    • Voor een duaal omroepbestel en neemt verder een tussenpositie ten opzichte van de VVD en de PVDA.
  • Belangengroepen
    • Publieke omroepen
      • Ze pleiten voor behoud van de pluriformiteit
      • Pleiten voor handhaven van opvoedende, informerende en educatieve taken van de media.
    • Commerciële zenders
      • Mensen kunnen zelf besluiten waar ze naar kijken. Ze bepalen zelf de kwaliteit en moet uit een zo groot mogelijk aanbod kunnen kiezen. Voor andere meningen kunnen ze uitwijken naar kranten, tijdschriften of boeken.
    • Bedrijfsleven
      • Zijn voor commercialisering van de media omdat dit zou leiden tot een vergroting van keuzemogelijkheden van de consument.
    • Mediaconsumenten
      • Kijkers willen minder reclame.
    • De overheid
      • Wil dat het omroepenbestel bijdraagt aan de ontwikkeling van de samenleving.

Hoofdstuk 4, Ontwikkelingen Rondom Massamedia

  • Maatschappelijke context
    • Technologische innovaties, economische ontwikkelingen en politieke en culturele factoren kunnen veranderingen in de media bevorderen of tegenwerken.
  • Toenemende democratisering
    • Steeds meer mensen wilden weten wat er in de politiek gebeurde
  • Door de uitvinding van de industriële drukpers konden kranten goedkoper gemaakt worden voor een veel grotere groep. Door de toenemende democratisering steeg de vraag naar kranten enorm. De krant veranderde van een duur elite product naar een betaalbaar massaproduct. Wel werd duidelijk dat veel mensen niet konden lezen. Analfabetisme moest worden bestreden en daarom werd in 1901 de leerplicht ingevoerd.
  • Na de 2e wereldoorlog groeide de welvaart en hadden mensen meer vrije tijd. Er kwam een grotere vraag naar amusement en de welvaart zorgde ervoor dat mensen een tv konden kopen. Door de massale tv verkoop was het voor producenten de moeite waard om de zwart wit tv, de kleuren tv en later de video en dvd-spelers te ontwikkelen.
  • De drie belangrijkste trends die invloed hebben op de ontwikkeling van moderne massamedia zijn :
    • Technologische innovatie
    • Economische groei en internationalisering
    • De uitbreiding van de informatiemaatschappij

§1 Technologische innovatie

  • Informatietechnologie (IT) / informatie- en communicatie technologie (ICT)
    • Het vakgebied waarbinnen computersystemen en digitale communicatietoepassingen worden ontworpen en gebouwd.
    • Vanaf de afgelopen 25 jaar een digitale revolutie
  • Digitalisering
    • Niet digitale- of analoge informatie wordt omgezet daar digitale data
  • Digitale dienstverlening
    • Ov-Chipkaart / internetbankieren
  • Informatietechnologie en massamedia
    • Door technologische ontwikkelingen zijn er nieuwe soorten media bij gekomen
  • Convergentie
    • De samenkomst van verschillende mediatypen op een apparaat of op een gedeeld kanaal.

§2 Economische groei en internationalisering

  • Economische groei
    • Door economische groei houden we naast onze basisbehoeften ook geld over voor luxe goederen.
    • Toename van onze vrije tijd heeft geleid tot een toename van het mediagebruik en ook de vrije tijdsindustrie is explosief gegroeid.
  • Outsourcing
    • Het uitbesteden van werk dat bedrijven elders in de wereld goedkoper kunnen doen.
  • Geglobaliseerd media aanbod
    • Tv programma’s en films komen van overal over de wereld
  • Mediaconglomeraten
    • Grote, internationale, overkoepelende multinationals die meerdere mediabedrijven, bijv. kabelmaatschappijen en opnamestudio’s in handen hebben. (Time Warner, The Walt Disney Company etc. )
  • Marktwerking
    • Kleine mediabedrijven worden overgenomen door grotere organisaties waardoor de productie efficiënter wordt en het marktaandeel toeneemt.
  • Oligopolie
    • Een markteconomische positie waarbij er slechts een klein aantal aanbieders van een bepaalde dienst of product is.
  • Monopolie
    • Een markteconomische positie met slechts een aanbieder van een bepaalde dienst of product.

§3 De informatiemaatschappij

  • Informatiemaatschappij
    • Een technologische, hoogontwikkelde samenleving waarbij communicatie en informatieoverdracht de basis van de meeste economische activiteiten vormen.
    • Kenmerken
      • Constante informatiestroom
      • Niet gebonden aan een plaats
      • Vervaging van nationale grenzen
      • Snelle verandering van de informatiemaatschappij zelf

Hoofdstuk 5, Massamedia en Commercie

§1 Hoe komen de media aan hun geld

  • Financiële middelen van de pers
    • De kranten verdienen aan abonnementsgeld en reclame inkomsten
    • Extra bijlagen in het weekend moeten zorgen voor meer lezers en advertenties.
    • Kranten en tijdschriften die in financiële nood zitten kunnen een beroep doen op het stimuleringsfonds voor de pers.
  • Redactiestatuut
    • Hierin worden de taken en bevoegdheden van de redactie en directie geregeld.
    • De onafhankelijkheid van de redactie ten opzichte van de directie wordt hiermee zo veel mogelijk gewaarborgd.
  • Financiële middelen van de radio en tv
    • Publieke omroepen
      • Omroepgelden, bestaand uit een overheidsbijdrage en Ster inkomsten.
      • Lidmaatschap- en abonnementsgeld
      • Sponsoring van programma’s door bedrijven
      • Overige inkomsten
    • Commerciële zenders
      • Reclame inkomsten
      • Sponsorgeld
      • Een beetje aan eigen programmabladen

§2 Commerciële ontwikkelingen

  • Groeiende concurrentie is er op twee niveaus
    • In het totale media aanbod
      • Er zijn steeds meer tv zenders, tijdschriften en sites die met elkaar strijden om de aandacht van de concurrent.
    • Binnen een medium soort
      • Bijv. kranten beconcurreren elkaar met extra oplages, nieuwe vormen van abonnementen en bijzondere extra’s.
  • Neerwaartse oplagespiraal
    • Minder lezers zorgt voor minder reclame inkomsten. Doordat er minder geld is moeten er mensen ontslagen worden wat voor een lagere kwaliteit zorgt. Hierdoor komen er weer minder lezers etc.
  • De toegenomen concurrentie heeft geleid tot een aantal ontwikkelingen
    • Marktgerichtheid en commercialisering
      • Het binnenhalen van kijkers wordt belangrijker dan kwaliteit.
      • De pers probeert dit met aanbiedingen en bijlagen.
      • Bij de omroepen word er meer reclame uitgezonden en komen er meer amusement programma’s omdat hiernaar meer vraag is bij adverteerders.
      • Er wordt minder aandacht besteed aan kleine doelgroepen tenzij deze doelgroep aantrekkelijk is voor adverteerders.
      • De stichting kijkonderzoek registreert per programma het aantal en het soort kijkers dat het programma trekt.
    • Marktsegmentering en stijging van het aantal producten bij tijdschriften
      • Tijdschriften proberen een bepaalde doelgroep te beheersen door zich daar volledig op te richten
      • Door actief te zijn in meerdere doelgroepen wordt het risico verspreid.
      • Hierdoor is het aantal tijdschriften sterk gestegen.
    • Doelgroepenmedia en netprofilering bij tv zenders
      • Commerciële omroepen stemmen hun zenders en programma’s af op specifieke doelgroepen om adverteerders aan zich te binden.
      • Bijv. RTL 5 richt zich op jongeren, RTL 4 op gezinnen.
      • Ook de publieke omroepen doen dit door netprofilering van NED1, NED2 en NED3. Door een duidelijke doelgroep per zender is het overzichtelijk voor adverteerders.
    • Persconcentratie bij dagbladen / Mediaconcentratie  door mediagiganten
      • Door mediaconcentratie wordt berichtgeving eenzijdiger.
      • Meerdere dagbladen / tijdschriften in handen van 1 bedrijf.
      • Persconcentratie zorgt voor het gevaar dat de kwaliteit afneemt en de pluriformiteit minder wordt.

§3 Functioneren en de kwaliteit van de media

  • Verschraling / vertrossing
    • Het proces waarbij amusement andere functies van de media verdringt.
  • Mediahype
    • Als nieuws dat zichzelf versterkt zonder dat zich nieuwe feiten voordoen.
  • Mediaframe
    • Berichtgeving over een onderwerp die steeds vanuit hetzelfde perspectief plaatsvindt.

Hoofdstuk 6, Nieuws en Beeldvorming

§1 Selectieproces van het nieuws

  • Nieuwswaarde
    • Hoe belangrijk is het nieuwsfeit
  • Volgens onderzoeken heeft een bericht nieuwswaarde als het voldoet aan deze criteria
    • het is actueel
    • het is opvallend, onverwacht, verrassend en / of schokkend.
    • Het is cultureel of geografisch dichtbij
    • Er is een human-interest aspect (drama, emotie, conflict)
    • Het is ondubbelzinnig en begrijpelijk
    • Het is afwijkend (vooral in negatieve zin)
    • Er is beeldmateriaal van beschikbaar
    • Het is interessant voor de doelgroep van het medium
    • Het is gerelateerd aan politieke, sociaal economische, financiële en of culturele ontwikkelingen en kwesties
    • Het past binnen de identeit van het medium
  • Hoe meer criteria er voor het bericht opgaan, hoe hoger de nieuwswaarde.
  • Selectieve perceptie van de nieuwsmaker / selectieve waarneming
    • De nieuwskeuze en de berichtgeving worden gestuurd door het persoonlijke referentiekader van de redacteur of verslaggever.
  • Belangrijke nieuwsbronnen
    • Personen of instellingen
      • Personen of bedrijven sturen op eigen initiatief nieuwsberichten in, met de hoop dat ze het nieuws halen.
    • De overheid
      • De overheid heeft actieve informatieplicht, dit betekend dat ze op eigen initiatief informatie naar buiten moeten brengen. Voorlichters en politici zelf geven info door aan de pers door middel van persconferenties en rapporten.
    • Correspondenten
      • Kranten, journaals en actualiteitenprogramma’s beschikken over een aantal correspondenten in binnen en buitenland. Als er iets belangrijks gebeurd melden zij dit aan de redactie.
    • Freelance journalisten
      • Freelance journalisten schijven over gespecialiseerde onderwerpen, soms op aanvraag, soms op eigen initiatief. Ze schijven ook wel voor meerdere kranten tegelijkertijd.
  • Persbureaus
    • Nederland heeft 3 of 4 persbureaus die al het nieuws publiceren
      • Het Algemeen Nederlands Persbureau (ANP)
        • Nationaal persbureau van Nederland
        • Krijgt nieuwsberichten van persbureaus in het buitenland die ze vertalen en aanpassen en vervolgens verspreiden in Nederland.
        • Mogen niet hun eigen mening laten blijken
        • Sturen nationale berichten over de hele wereld
      • Geassocieerde Pers Diensten (GPD)
        •  Verzorgt nationale en internationale berichtgeving voor enkele regionale dagbladen. Het Haagse persbureau is gespecialiseerd is in juridische en politieke verslaggeving rondom het binnenhof.
      • Grote internationale persbureaus
        • Grote persbureaus hebben in heel veel landen over de hele wereld journalisten zitten. Ze filteren nieuws vooral op verkoopbaarheid.
  • Persdiensten
    • Kranten kunnen tegen betaling gebruik maken van persdiensten van andere grote internationale kranten die veel internationale correspondenten hebben.
  • Beeldmateriaal
    • Grote Amerikaanse en Europese nieuws instellingen hebben in veel landen cameraploegen waardoor ze over beeldmateriaal bij nieuws beschikken. Geabonneerde landen kunnen deze beelden tegen betaling gebruiken.
  • Nieuws uit de 3e wereld
    • Westerse nieuwsorganisaties hebben vaak weinig personeel in de derde wereld. Hierdoor krijgen we het nieuws uit die regio met een westerse kijk binnen. Ook nieuwsorganisaties uit de 3e wereld zelf gebruiken deze info waardoor de bewoners zelf ook een westerse kijk op eigen land krijgen.

§2 Kleuring en beeldvorming

  • Journalisten moeten zich aan 5 journalistieke normen houden
    • Het scheiden van feiten en meningen
    • Hoor en wederhoor
    • Controleren van feiten
    • Meerdere informatiebronnen raadplegen
    • Een juiste weergave van feiten
  • Onbewuste kleuring
    • Journalisten werken altijd vanuit hun eigen referentiekader en selectieve perceptie
  • Bewuste kleuring
    • Veel media laten hun opvattingen bewust doorschemeren om hun identiteit kenbaar te maken.
  • Factoren om de identiteit van het medium te herkennen
    • De keuze van de onderwerpen
    • De volgorde van berichten
    • De presentatie
    • Het eigen commentaar
    • Het woordgebruik
    • Het gebruik van (deskundige) gastschrijvers
  • Manipulatie
    • Het vervormen van nieuws door het opzettelijk weglaten of verdraaien van feiten
  • Indoctrinatie
    • Het systematisch opdringen van opvattingen door meningen als feiten te presenteren.
  • Verschillende soorten mediaframes
    • Het conflictframe
      • Nadruk op conflicten tussen partijen of individuen
    • Het human-impactframe
      • Nadruk op de menselijke kant (emotie)
    • Het economische-gevolgenframe
      • Nadruk op de economische gevolgen
    • Het machteloosheidframe
      • Nadruk op onmacht en onveranderlijkheid
    • Het moraliteitsframe
      • Nadruk op de scheiding tussen goed en slecht

Hoofdstuk 7, Massamedia en Cultuur

§1 Cultuur

  • Cultuur
    • Alle waarden, normen, en andere aangeleerde kenmerken die de leden van een groep of samenleving met elkaar gemeen hebben en die ze min of meer als vanzelfsprekend beschouwen.
  • Normen
    • Specifieke regels in een groep of samenleving waarmee mensen hun eigen gedrag en dat van anderen beoordelen.
  • Waarden
    • Principes die mensen belangrijk vinden om na te leven
  • Nature-nurturedebat
    • De vraag of het menselijk karakter en gedrag meer door aangeboren of aangeleerde factoren worden bepaald.
  • Nature aanhangers
    • Voornamelijk door biologische en erfelijke factoren.
    • Sociale gedragingen en karakter staan al grotendeels bij de geboorte vast
  • Nurture aanhangers
    • Menselijk handelen wordt gevormd door de omgeving.
  • Dominante cultuur
    • De cultuurkenmerken binnen een samenleving worden gedragen door een groep die overheersend is en veel invloed heeft op het economische en politieke leven.
  • Subcultuur
    • Een groep waarden, normen en andere cultuurkenmerken heeft die deels afwijken van de dominante cultuur.
    • Bijvoorbeeld
      • Jongerenculturen
      • Bedrijfsculturen
      • Etnische culturen
      • Tegenculturen

§2 Het socialisatieproces

  • Collectieve gedragspatronen
    • Gedragingen die door iedereen binnen de cultuur  op vergelijkbare  manier worden aangenomen.
  • Socialisatieproces / internalisatie
    • Door middel van beïnvloeding en aanpassing waarden en normen van een cultuur overdragen aan een individu.
  • 6 socialiserende instituties
    • Instellingen en organisaties waarmee de cultuuroverdracht in een samenleving plaatsvind.
      • Gezin
      • School
      • Werk
      • Maatschappelijke groeperingen
      • Overheid
      • Media
  • Persoonlijke identiteit
    • Hetgeen wat je als je eigen beschouwd
  • Sociale controle
    • De wijze waarop mensen andere mensen stimuleren of dwingen zich aan de geldende normen te houden.

§3 Cultuur en Massamedia

  • Stereotype
    • Een sterk gegeneraliseerd, versimpeld en vertekend beeld van het gedrag en de mentaliteit van een bepaalde groep.
  • Vooroordeel
    • Mening of houding die niet voldoende op feiten is gebaseerd
    • Veelal negatief.
  • Discriminatie
    • Een bepaalde groep anders behandelen op grond van kenmerken die in de gegeven situatie niet van belang zijn.
  • Maatschappelijke zuilen
    • Katholieken, protestanten, socialisten en liberalen
    • Elke zuil had eigen voorzieningen zoals kranten en omroepen
      • Katholieken    
        • KRO en Volkskrant
      • Protestants-christelijken          
        • NCRV en Trouw
      • Socialisten
        • VARA en Het Parool
  • Individualisering
    • Iedereen voelde meer vrijheid om zelf tot een eigen standpunt te komen.
  • De opkomst van de tv droeg bij aan de ontzuiling omdat mensen ook naar andere omroepen konden kijken dan alleen hun eigen.
  • Multiculturele of pluriforme samenleving
    • Mensen met verschillende culturele achtergronden wonen naast en met elkaar.

Hoofdstuk 8, Macht van de Media

§1 Klassieke theorieën

  • Injectienaald theorie
    • De theorie die er vanuit gaat dat ontvangers informatie klakkeloos overnemen.
    • Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen verschillende mensen, iedereen zou hetzelfde reageren op mediaboodschappen.
  • Druppelsgewijze beïnvloeding
    • Herhaaldelijk dezelfde boodschap verzenden waardoor mensen langzaam de boodschap beginnen te geloven.
  • Selectieve perceptie
    • Intermediërende factoren
      • Factoren die werken als filters en als ware tussen de zender en de ontvanger instaat.
      • 4 van deze mechanismen
        • Selectieve keuze          
          • Mensen hebben de neiging alleen naar dingen te kijken die binnen zijn / haar referentiekader vallen.
        • Selectieve waarneming / selectieve perceptie
          • We zijn geneigd informatie zo te vervormen dat het klopt met wat we al dachten.
        • Selectief geheugen
          • We zijn  selectief bij het onthouden van mediaboodschappen. Informatie die niet bij ons referentiekader aansluit vergeten we sneller.
        • Selectief geloven
          • Het karakter van het medium bepaalt hoeveel geloof we hechten aan de berichtgeving.

§1 Klassieke theorieën

  • Injectienaald theorie
    • De theorie die er vanuit gaat dat ontvangers informatie klakkeloos overnemen.
    • Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen verschillende mensen, iedereen zou hetzelfde reageren op mediaboodschappen.
  • Druppelsgewijze beïnvloeding
    • Herhaaldelijk dezelfde boodschap verzenden waardoor mensen langzaam de boodschap beginnen te geloven.
  • Selectieve perceptie
    • Intermediërende factoren
      • Factoren die werken als filters en als ware tussen de zender en de ontvanger instaat.
      • 4 van deze mechanismen
        • Selectieve keuze          
          • Mensen hebben de neiging alleen naar dingen te kijken die binnen zijn / haar referentiekader vallen.
        • Selectieve waarneming / selectieve perceptie
          • We zijn geneigd informatie zo te vervormen dat het klopt met wat we al dachten.
        • Selectief geheugen
          • We zijn  selectief bij het onthouden van mediaboodschappen. Informatie die niet bij ons referentiekader aansluit vergeten we sneller.
        • Selectief geloven
          • Het karakter van het medium bepaalt hoeveel geloof we hechten aan de berichtgeving.

§2 Moderne beïnvloeding theorieën

  • Cultivatietheorie
    • Mensen gaan geloven in de “televisiewerkelijkheid” naarmate de televisie een grotere rol speelt in hun leven. Hoe meer tv de mensen kijken, hoe meer ze de werkelijkheid van deze fictieve programma’s gaan geloven.
  • Agendasettingtheorie
    • De media bepalen niet zozeer wat we denken over bepaalde onderwerpen maar ze hebben wel invloed op waarover we denken en praten. Ze hebben dus invloed op de publieke agenda en hierdoor ook op de politieke agenda.
  • Framingtheorie
    • De media zorgen ervoor dat we over dingen gaan nadenken maar ze zorgen er ook voor dat we gaan nadenken over de dingen vanuit het frame waaruit we de boodschap krijgen. Als bijvoorbeeld bij een reportage de nadruk wordt gelegd op de oorzaak van het conflict gaan we zelf ook sneller in oorzaken denken.
  • Framebuilding
    • Het proces waarin een mediaframe tot stand komt
  • Mediaframe
    • Manier waarop een onderwerp wordt geïnterpreteerd en gepresenteerd.
  • Framesetting
    • Een mediaframe beïnvloed de manier van denken van mensen.

 

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.