Maatschappijwetenschappen Massamedia

Hoofdstuk 1: Communicatie en massamedia

§1.1 Communicatie

Communicatie bestaat uit twee processen: informatieoverdracht en beïnvloeden van de onderlinge relatie.

 

 

Informatie

Communicatie vindt plaats tussen een zender die een boodschap ‘verstuurt’ en een ontvanger die de boodschap ‘ontvangt’. Via de boodschap wordt er informatie overgedragen.

 

 

Relatie

Communicatie beïnvloed relatie tussen mensen. Vaak heeft communicatie een specifiek doel.

 

Communicatie: een proces waarbij een zender bedoeld of onbedoeld een bepaalde boodschap (informatie) overbrengt aan een ontvanger en waarbij mensen de relaties die zij met elkaar hebben vorm en inhoud geven.

Het communicatieproces

  • Zender (wie?)
  • Boodschap (wat?)
  • Middel/medium

(hoe?)

Encoderen: het omzetten van gedachten naar tekens of andere waarneembare uitingen.

 

  • Ontvanger

(tegen wie?) 

Decoderen: het uitpakken van de boodschap door de ontvanger, het terugvertalen van de boodschap naar de veronderstelde betekenis.

 

  • Effect. Feedback: reactie van de ontvanger naar de zender. 
  • Communicatiestoornissen. Bijvoorbeeld problemen met het encoderen en decoderen.

Het referentiekader (het geheel van je persoonlijke waarden, normen, standpunten, kennis en ervaringen)speelt hier een grote rol in.

Ruis: verstoring of misvorming van het communicatieproces.

 

§1.2 Soorten communicatie

  • Directe  indirecte communicatie. Direct is face-to-face. Indirect is via een (technisch) hulpmiddel (telefoon, brieven).
  • Eenzijdige  meerzijdige communicatie. Eenzijdig is eenrichtingsverkeer (tv, krant, films). Meerzijdig houdt in dat deelnemers van een gesprek afwisselend zender en ontvanger zijn.
  • Verbale  non-verbale communicatie. Verbaal is wanneer er wordt gesproken of geschreven. Non-verbaal houdt is zonder woorden (lichaamstaal, gebaren).
  • Interpersoonlijke  massacommunicatie. Interpersoonlijk is directe communicatie tussen personen waarbij vaak sprake is van directe (non)-verbale feedback.  Massacommunicatie is eenzijdig en gericht op een groot onbekend publiek. (zie kopje Massacommunicatie).

 

Massacommunicatie

Openbaarheid van de boodschap is belangrijk. In een interpersoonlijk gesprek is dit geen streven. De belangrijkste kenmerken van massacommunicatie zijn:

 

  • De informatie die de media overbrengen, is openbaar en voor iedereen toegankelijk.
  • Relatie tussen zender en ontvanger is onpersoonlijk.
  • Er is sprake van een heterogeen (verschillend) en relatief onbekend publiek.
  • Eenzijdige communicatie. Eventuele feedback is indirect en achteraf.
  • De zender weet niet of de boodschap is aangekomen en is begrepen.
  • De ontvanger bepaalt zelf hoe een medium gebruikt wordt.

 

Verschillen worden kleiner

Ontwikkelingen in de communicatietechnologie zorgen voor veranderingen in de massale communicatieprocessen. Door technologische ontwikkelingen is er vaker interactiviteit mogelijk bij traditionele media (je kan reageren via mail, sms, bellen enz.). Het internet vervaagd het onderscheid tussen zender en ontvanger. Er is sprake van interactieve communicatie (chatrooms, forums) en eenzijdige communicatie (simpelweg informatie).

 

 

Massamedia

Massamedia verwijst naar dragers van openbare boodschappen.

 

Soorten informatie

  • Amusement. (Stripboeken, films, muziek, showprogramma’s).
  • Nieuws. (Kranten, journaals).
  • Reclame. (2 doelen: mensen wijzen op nieuwe/goedkope producten en naamsbekendheid van een merk/bedrijf vergroten.)
  • Meningsvorming. (Talkshows, documentaires, discussiegroepen).
  • Kunst of cultuur. (Toneelstukken, opera, concerten).
  • Educatie en onderwijs. (Schooltelevisie).

Deze soorten lopen voortdurend door elkaar heen. Zo kan een oorlogsfilm je een mening laten vormen over de zin van oorlog en geweld.

Hoofdstuk 2: Het medialandschap

§2.1 Soorten massamedia

 

Hoofdindeling

Traditioneel is er onderscheid tussen gedrukte massamedia (kranten, tijdschriften) en audiovisuele massamedia (TV, radio). Door de komst van internet is het onderscheid minder sterk geworden. Nu is er ook sprake van digitale massamedia (internet).

 

 

Overeenkomsten en verschillen

Op internet is er meer mogelijkheid tot interactiviteit dan bij andere media en TV programma’s trekken een groter publiek dan radioprogramma’s.  Het grootste deel van de media kent een vrije ondernemingsgewijze productie. Deze ondernemingen zijn dus markt- en winstgericht. Kranten- en tijdschriftuitgevers

zijn hier voorbeelden van.

Bij radio en televisie zien we zowel commerciële zenders (RTL, SBS) als publieke omroepen. De omroepen mogen in principe geen winst nastreven.

Internet wordt gebruikt als commerciële media (webwinkels, reclamesites) en als niet-commerciële media.

 

§2.2 De pers

 

Dagbladen

Kranten hebben een hoge actualiteitswaarde. Tegenwoordig komen veel kranten met extra katernen (wetenschap, kunst, reizen) om te kunnen concurreren met andere media.

 

Regionale en landelijke kranten

De naam zegt het al, regionale kranten (Limburgs Dagblad) richten zich op regionaal nieuws en landelijke kranten (Telegraaf) richten zich op het hele land. De meeste regionale dagbladen zijn niet (meer) zelfstandig, maar onderdeel van een grote landelijke uitgeverij.

 

Ochtend- en avondkranten

De meeste regionale kranten zijn avondkranten en landelijke dagbladen zijn vaker ochtendkranten. Dagelijkse avondkranten hebben actueler nieuws dan de krant van die ochtend.

 

Gratis kranten en abonnementskranten

Zo’n 90% van de kranten gaat naar abonnees en daarom hoeven kranten niet zo veel met elkaar te concurreren. Gratis kranten halen hun inkomsten uit advertenties.

 

Algemene kranten en richtingskranten

Een algemene krant (Telegraaf) is niet gebonden aan een levensbeschouwelijke richting. Richtingskranten houden zich vast aan een bepaald levensbeschouwing, maar door de afname van kerkgangers kunnen de kranten met moeite het hoofd boven water houden.

 

Linkse en rechtse kranten

Linkse kranten (Volkskrant) hechten waarde aan maatschappelijke gelijkheid en steunen linkse organisaties (vakbonden, Amnesty International). Rechtse kranten (Telegraaf) zijn wat meer behoudend, steunen gezag en hechten waarde aan tradities (koningshuis).

 

Populaire kranten en kwaliteitskranten

Populaire of massakranten (AD, Telegraaf) richten zich op het grote publiek. Kwaliteitskranten of kaderkranten richten zich op het hoogopgeleide publiek (NRC Handelsblad).

 

De Telegraaf

Ochtendkrant

Rechts karakter

Populaire krant

NRC Handelsblad

Avondkrant

Progressief-Liberaal

Kwaliteitskrant

De Volkskrant

 

Links (oorsprong kath.)

Richtingskrant

Algemeen Dagblad

Ochtendkrant

Neutraal

Populaire krant

Reformatorisch db.

Avond. Za: Ochtend

Orthodox-reform.

Richtingskrant

Nederlands Dagblad

 

Orthodox-protestants

Richtingskrant

Trouw

 

Protestants-christelijk

Kwaliteitskrant

Het Parool

 

Links karakter

Regionaal dagblad

 

 

Tijdschriften

Categorieën

 

  • Jongerenbladen. Vanaf de vorige eeuw kregen kinderen en jongeren meer vrije tijd en hadden meer geld te besteden. Jongeren werden een nieuwe doelgroep. (Donald Duck, Tina)
  • Familieweekbladen.  ‘Damesbladen’ zoals Margriet en Libelle.
  • Lifestylebladen. Glossy magazines gericht op de moderne vrouw. (Marie Claire, Beau Monde)
  • Roddelbladen. (Privé, weekend, story)
  • Special-interestbladen. Bladen die specifiek over één onderwerp gaan. (Autoweek, Kampioen)
  • Vakbladen. Bedoeld voor een bepaalde beroepsgroep. (Psychologie magazine, Historisch nieuwsblad)
  • Omroepweekbladen. Met overzicht van televisie- en radioprogramma’s. (Troskompas, NCRV-gids)
  • Opiniebladen. Geven achtergrondinformatie en commentaar bij politieke, economische, culturele en sociaal-maatschappelijke kwesties.

De meest bekende opiniebladen zijn:

Elsevier

Vrij neutraal, ontwikkelde een maatschappelijk conservatieve politieke identiteit met economisch liberale trekken. Tegenwoordig veelzijdiger.

HP/De Tijd

Progressief, liberale signatuur. Veelzijdige artikelen.

De Groene Amsterdammer

Qua politiek uitgesproken links. Veelzijdige artikelen.

Vrij Nederland

Begon als verzetsblad in WO II, besteedde aandacht aan culturele revolutie van de jaren ’60. Veel diepgang, lange artikelen, onderzoeken en reportages.

 

 

§2.3 De omroepen

 

Nederland heeft een duaal stelsel (zowel commerciële zenders als publieke omroepen). De publieke omroepen worden gefinancierd door advertentie-inkomsten uit de Ster en bijdragen door de overheid. Sommige zenders hebben inkomsten van lidmaatschapsgeld of verkoop van een eigen programmablad. De publieke omroepen maken programma’s op de zenders Nederland 1, 2 en 3.

 

Wie zijn de publieke omroepen?

Het publieke omroepbestel heeft een wettelijke basis in de Mediawet en valt onder de verantwoordelijkheid van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

 

Omroepen met leden

AVRO

Algemene omroep, neutraal en bied programma’s voor een breed publiek. Zowel amusement als informatief. Politiek liberaal.

NCRV

Protestants-christelijk. Bekend opiniërend NCRV programma: rondom tien.

BNN

TV en radio voor een jong publiek. Willen de hele bevolking kennis laten maken met de belevingswereld van jonge mensen.

VARA

Sociaaldemocratisch en humanistisch. Socialistische omroep. Progressieve en kritische identiteit. Veel informatieve programma’s, tegenwoordig ook amusement.

EO

Evangelische omroep, uitgesproken christelijk karakter.

VPRO

Vrijzinnig protestants. Programma’s zijn anders, gewaagd en artistiek. Maatschappijkritisch.

KRO

Vroeger sterk katholiek. Doel is informeren en amuseren.

TROS

Grootste familie van Nederland. Gemakkelijk en licht amusement. Uitgesproken commerciële instelling.

 

 

Omroepen zonder leden

Kleine zendgemachtigden zonder leden:

 

  • Zendtijd vanwege geestelijke grondslag. Geloofsovertuiging zoals Organisatie voor Hindoe Media (OHM).
  • Zendtijd vanwege educatie. Educatieve omroep EDUCOM.

Speciale omroepen zonder leden

  • De NOS maakt programma’s met een algemeen dienstverlenend karakter die met vaste regelmaat te zien zijn (NOS journaal, Studio Sport, Den Haag Vandaag).  Ook doet de NOS verslag van (inter)nationale evenementen zoals dodenherdenking en de Olympische spelen en heeft het de verantwoordelijkheid over gebeurtenissen rondom de Koninklijke familie.
  • De NPS maakt programma’s over talloze minderheden, cultuur en voor de jeugd. (Klokhuis, Raymann is laat). Ook maken ze programma’s over politieke en maatschappelijke ontwikkelingen. 
  • De Ster (Stichting Ether Reclame) houdt zich bezig met reclame.

 

Wie zijn de commerciële zenders?

Voor commerciële zenders geldt: hoe meer kijkers, hoe hoger de reclametarieven. De programmering draait dus om kijkcijfers. Er zijn geen regels over een complete programmering. Er is alleen wel een verbod op sluikreclame en er is een maximale hoeveelheid zendtijd voor reclame.

 

RTL 4

Familiezender, een van de best bekeken zenders van Nederland.

RTL 5

Eerst vooral gericht op zakelijke programma’s en sport, tegenwoordig voor een breed publiek.

RTL 7

RTL Z eb sportuitzendingen. Zakelijk karakter.

SBS 6

Familiezender.

Veronica

Onderdeel van de SBS groep. Nederlandse programma’s, films en politieseries. Publiek in de leeftijd van 15 tot 35 jaar.

MTV

Eerst alleen videoclips, later ook andere programma’s.

NET 5

Richt zich vooral op jonge, hoger opgeleide vrouwen (20-34 jaar). Veel speelfilms, komedies en dramaseries.

 

 

 

 

 

Hoofdstuk 3: Functies van de massamedia

§3.1 Functies voor de individu

Informatieve functie

  • Informatie (Journaal; krantenberichten; achtergrond verhalen).
  • Educatie (Teleac; Schooltelevisie; voorlichting; documentaires).
  • Hulp bij meningsvorming (Commentaar- of achtergrond programma’s)/

Sociale functie

  • Kunnen meepraten (over bijv. spraakmakende tv-programma’s).
  • Eenzaamheid verdrijven (iets te doen hebben).
  • Gezelligheid (samen tv-kijken).

Recreatieve functie

  • Afleiding
  • Ontspanning    
  • Tijdverdrijf       
  • Zinvolle vrijetijdsbesteding
  • Nieuwe ideeën voor ontspanning (doe-het-zelf programma’s).
  • Beleven van spanning, sensatie en romantiek (films, roddelverhalen).

De functies zijn afhankelijk van de behoeften van een individu en de bedoeling waarmee deze persoon iets bekijkt of leest.

§3.2 Functies voor de samenleving

Massamedia hebben een maatschappelijke functie.

  • Informerende functie. Educatieve functie zoals bij schoolTV en bepaalde documentaires. Massamedia spelen ook een rol op politiek en maatschappelijk gebied. De media informeert de maatschappij over politieke en maatschappelijke kwesties.
  • Socialiserende functie. Ieder massamedium werkt als een socialiserend instituut. (Socialisatie: het proces waarbij iemand de waarden, normen en andere cultuurkenmerken van zijn samenleving of groep aanleert.) De media draagt, net als gezin en school, bij aan het overdragen van cultuurelementen.
  • Amuserende functie. Media is een deel van de vrijetijdsindustrie. Denk hierbij aan amusementsprogramma’s (soapseries, talentenjachten).
  • Bindende functie. De media helpt bij het tot stand komen van de sociale samenhang tussen mensen. De media draagt bij aan de sociale cohesie.

 

Politiek-informatieve functie

  • Spreekbuisfunctie. De media zijn een platform voor allerlei standpunten van belangengroepen en deskundigen. De media geeft de politici informatie over kwesties, meningen en standpunten die leven onder de bevolking. Politici zelf maken er andersom ook gebruik van.
  •  Agendafunctie. Journalisten signaleren of herkennen misstanden of problemen en zodra een politicus deze informatie overbrengt naar hogere kringen, komt het onderwerp op de politieke agenda.
  • Opiniërende functie. Publieke opinie: de mening van de meeste burgers over een bepaalde kwestie. Media kunnen deze mening op de kaart zetten. Ook kan de media uitwisseling van meningen bevorderen door bijvoorbeeld voor- en tegenstanders te laten praten.
  • Commentaarfunctie. Overal in de media vind je commentaar en meningen. (Denk aan columns, ingezonden brieven, redactioneel commentaar, weblogs). Deze zijn afgezonderd van de nieuwsfeiten en worden duidelijk als mening bestempeld.
  • Controle- of waakhondfunctie. De media letten op het doen en laten van ministers, bedrijven en maatschappelijke organisaties. Vooral kwaliteitskranten houden zich bezig met deze functie.

§3.3 Kanttekeningen bij het functioneren van de media

 

Verschraling

Amusement is een van de grootste publiektrekkers op televisie. Doordat amusement de plaats van andere functies inneemt, is er sprake van verschraling van het aanbod.

 

 

Minder kwaliteit

De media richten zich teveel op de grootste doelgroep. Daardoor verdwijnen de programma’s voor kleinere doelgroepen. (Bijv. Programma’s over wetenschap, milieu). Ook programma’s door en voor etnische subculturen verdwijnen of worden op onaantrekkelijke tijden uitgezonden.

 

 

Integratie informatie en amusement

De vermenging van informatie en amusement wordt infotainment genoemd. Denk hierbij aan politici in de verkiezingstijd meedoen aan spelletjesprogramma’s. Het geven van informatie door middel van amusementsprogramma’s wordt ook wel entertainment-education genoemd (Bijv. het Nationaal Dictee). 

 

 

Hypes en frames

Mediahype: nieuws dat zichzelf versterkt zonder dat er zich nieuwe feiten voordoen. Er is sprake van één bijzondere gebeurtenis en media kopiëren

elkaars verhalen (papegaaiencircuit).

Mediaframes: berichtgeving over een onderwerp die steeds vanuit hetzelfde perspectief plaatsvindt. Wanneer journalisten bepaalde onderwerpen altijd vanuit dezelfde invalshoek interpreteren, ontstaat er een beeld van een nieuwsitem dat zichzelf steeds opnieuw bevestigt.

 

 

Medialogica

Medialogica: de situatie waarin de manier van politiek bedrijven gestuurd word door de media. De media kan de grenzen van het publieke en politieke debat bepalen en zijn steeds meer de ‘decorbouwers’ in het publieke en politieke landschap. Bij medialogica gaat het ook meer om emoties, schandalen en personalisering

dan om inhoud, achtergrond en feiten.

Personalisatie: gebeurtenissen worden toegeschreven aan persoonlijke fouten en verantwoordelijkheden van een politicus en minder verbonden aan het ambt dat iemand bekleed.

 

Knelpunten die een rol spelen in de medialogica zijn: nieuwsfeiten moeten een hoge entertainment waarde hebben, mediahypes scoren hoog en mediaframes bieden de consument een beperkt, maar overzichtelijk beeld van de werkelijkheid.

 

Vragen over de politiek-informatieve functie van de media:

  • Kunnen de politici de media nog serieus nemen als agendazetters, terwijl de media de nadruk legt op schandalen en persoonlijke achtergronden?
  • Hoe betrouwbaar zijn de media als bron voor opinievorming?
  • Wanneer vervullen de media een controle- of waakhondfunctie en wanneer schieten ze daarin door?

Hoofdstuk 4: Massamedia en technologische ontwikkelingen

§4.1 Technologische ontwikkelingen

 

De maatschappelijke context

Technologische ontwikkelingen en uitvindingen staan nooit op zichzelf, maar vinden altijd plaats in een maatschappelijke context. (Voorbeeld televisie: Na Tweede Wereldoorlog kwam er weer meer welvaart en vrije tijd. Behoefte aan amusement werd groter en door welvaart konden mensen een tv kopen. Producenten verkochten zoveel, dat ze kleurentelevisie konden ontwikkelen enzovoort.)

 

De drie ontwikkelingen rondom digitalisering

  • Technologische ontwikkelingen op het gebied van communicatie.
  • Internationalisering van de economie.
  • Meer behoefte aan informatie.

Deze drie ontwikkelingen versterken elkaar. (Zo kunnen bedrijven werk besteden aan afdelingen in het buitenland, omdat deze landen steeds meer kennis krijgen en zo kan het buitenland gebruik maken van nieuwe technologische mogelijkheden.)

§4.2 Opkomst digitale techniek en nieuwe media

Wat zijn de nieuwe media?

  • Digitalisering. Door de ontwikkeling van geheugenopslag kan nu een enorme hoeveelheid aan informatie opgeslagen worden. Er komt hierdoor meer informatie beschikbaar en mensen maken er meer gebruik van. Digitalisering vergroot de keuzevrijheid van de ontvanger. Deze kan zelf bepalen wanneer hij wat wilt bekijken of lezen.
  • Interactieve mogelijkheden. Media zijn interactief wanneer de ontvanger kan reageren. Sinds de digitalisering verdwijnt geleidelijk het onderscheid tussen nieuwe en oude media. Tegenwoordig kan je reageren op en tijdens programma’s doormiddel van emails, smsen of bellen. Digitale tv en kranten bieden meer interactieve mogelijkheden dan analoge tv en papieren versies (bij het digitale gedeelte kan je deelnemen of informatie bekijken).
  • Netwerken. Er is een wereldwijd netwerk ontstaan waar je draadloos of via een kabel kan rondsurfen. We noemen dit netwerk de digitale snelweg. (Internet)

 

Convergentie

Een ander woord voor internet is content-platform: een plaats waar je gebruik kunt maken van verschillende soorten media-inhoud: literatuur, films, nieuwsberichten, discussies, muziek enzovoort.

 

Convergeren: het samengaan van massamedia, communicatienetwerken en computertechnologie.

 

§4.3 Economische groei en internationalisering

 

Economische groei

Vanaf de jaren ’60 is er sprake van een relatieve economische groei. We leven in een consumptiemaatschappij en de vrijetijdsindustrie is explosief toegenomen. Ook worden er steeds meer nieuwe media-apparaten gekocht. (Tv, mobiele telefoon)

 

 

Globalisering

Veel industriële bedrijven verplaatsen zich naar lagelonenlanden, maar de commerciële dienstverlening en ontwikkeling van hoogwaardige technologie verplaatst zich vooral naar Noordwest-Europa, Noord-Amerika en het Verre Oosten. De wereldhandel is toegenomen en het westen kent een flinke economische groei.

 

 

De aarde is plat

De aanleg van een breedbandnetwerk rondom de wereld, goedkoper worden van computers en de beschikbaarheid van software, verplaatsten bedrijven zich over de hele wereld.

Digitale outsourcing: uitbesteden van werkzaamheden.

 

§4.4 Groeiende behoefte aan informatie

Informatiemaatschappij: een samenleving waar communicatie en informatieoverdracht de basis van de meeste economische activiteiten vormen.  

Door deze nieuwe maatschappij houden tegenwoordig steeds meer mensen zich beroepsmatig bezig met (digitale) communicatie en informatieontwikkelingen. Hierdoor is de informatiesector een belangrijke motor van de economie geworden. Deze sector richt zich globaal gezegd op het overbrengen van informatie. Informatie is een product geworden.

 

Kenmerken

  • In een informatiemaatschappij vind je een enorme, constante stroom van informatie. De hoeveelheid en de snelheid nemen steeds meer toe.
  • De informatiemaatschappij is niet gebonden aan een bepaalde plaats. Via digitale/internet verbinding kan er altijd en overal gewerkt worden.
  • De informatiemaatschappij is zelf steeds in verandering. Nieuwe technieken en toepassingen volgen elkaar op.
  • Informatienetwerken nemen steeds meer de plaats in van hiërarchische organisatievormen. Leidinggevenden worden afhankelijk van mensen met de juiste informatiekanalen.
  • In de informatiemaatschappij is het product ‘informatie’ niet meer gebonden aan een fysieke drager. Je kunt alles online vinden en hoeft geen fysieke producten meer te hebben. Het bezit van informatie is dan ook niet interessant, maar de toegang ertoe.

§4.5 Gevolgen voor de media

Digitalisering, internationalisering van de economie en ontstaan van de informatiemaatschappij, hebben voor bepaalde gevolgen gezorgd voor de massacommunicatie en de massamedia.

 

Sociaal-culturele gevolgen

De belangrijkste sociaal-culturele gevolgen van technologische ontwikkelingen:

 

  • Diversificatie van het media-aanbod. De consument kan kiezen uit een groot aantal verschillende media. (Tv, radio, boeken, internet, tijdschriften)
  • Informalisering van de samenleving. Verhoudingen tussen mensen lopen minder formeel. Er is steeds meer sprake van indirecte communicatie (via telefoon enz.)Verhoudingen veranderen (zakelijk en privé –zakelijke mail checken in vrije tijd).
  • De grens tussen massacommunicatie en (inter)persoonlijke communicatie vervaagt. Door toegenomen interactiviteit wordt massamedia persoonlijk, waardoor het onderscheid tussen bekend en onbekend publiek verdwijnt. (Sommige sites gebruiken je zoekinformatie om je gerichte reclame te sturen.)
  • Intensivering van de beleving en ervaringen met media. Mensen verlangen naar spectaculaire programma’s en emotie-tv. (Spoorloos, een dubbeltje op zijn kant.) Vooral commerciële zenders voldoen hier aan.
  • Internationalisering van het media-aanbod. We komen door alle media steeds makkelijker in aanraking met andere culturen. De negatieve kant hiervan is dat door de veramerikanisering overal ter wereld de Amerikaanse TV dominant is. (Dit is een soort cultuurimperialisme: het geleidelijk opdringen van de eigen cultuur aan andere landen of volken.)
  • Ontstaan van een globale cultuur. Internationale contacten zijn steeds gewoner en iedereen kan met elkaar in contact komen en dingen van elkaar zien (YouTube). Hierdoor ontstaat er een nieuwe internationale of globale cultuur.

Sociaaleconomische gevolgen

  • Internationale concurrentie zorgt voor het verdwijnen van een staatmonopolie (bijvoorbeeld telefoonproviders. KPN kreeg concurrentie van Vodafone, T-Mobile). Internationalisering van de massamedia kan er voor zorgen dat een aantal oligopolistische (weinige) bedrijven of monopolistische (één) bedrijven ontstaan.
  • Veel bedrijven zijn uitgegroeid tot multinationals, kleinere bedrijven worden weggeconcurreerd.

Monopolies zijn gevaarlijk voor de vrijheid van informatievoorziening. Sommige internationals bezitten zowel televisiezenders als platenmaatschappijen. Hierdoor krijg je de vraag of de zender objectief kan oordelen over bijvoorbeeld een concert.

 

  • Ook is er sprake van een tweedeling in de samenleving. Sommige mensen hebben geen probleem met de nieuwe ontwikkelingen, maar andere mensen kunnen de nieuwe technische middelen niet meer bijbenen. Vooral oude mensen hebben hier moeite mee en hebben dus geen toegang tot de nieuwe technieken. Dit kan een probleem opleveren wanneer bankieren bijvoorbeeld alleen nog maar via internet kan.

Politiek-juridische gevolgen

  • Burgers hebben meer informatiemogelijkheden. Ze kunnen via de nieuwe media informatie winnen over het overheidsbeleid of standpunten van politieke partijen. Vooral in de verkiezingstijd zijn politici actief op het internet.
  • De informatiemaatschappij heeft gevolgen voor de privacy van mensen. Gevoelige informatie kan in verkeerde handen vallen.
  • Overtreders zijn bijna ongrijpbaar op het internet. Dit komt doordat de meeste informatie vrij toegankelijk is en omdat informatie anoniem kan worden geplaatst.
  • Alle media (behalve de publieke omroepen) krijgen geen financiële steun van de overheid. Sommige sites zijn wel initiatief van de overheid (Kennisnet.nl) en de overheid ondersteunt de aanleg van glasvezelkabels.

Hoofdstuk 5: Wat doet de overheid?

§5.1 Uitgangspunten van het mediabeleid

 

Vrijheid van meningsuiting

De vrijheid van meningsuiting en vrijheid van drukpers in Nederland is in artikel 7 van de grondwet omschreven. Je mag je mening openbaar maken en je mag een mening verspreiden. Artikel 7, lid 3

verbied alle vormen van censuur.

Door het ondertekenen van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is de vrijheid van meningsuiting in Nederland dubbel gewaarborgd. Het EVRM gaat nog een stapje verder, doordat het vergaren van informatie ook als een recht wordt vastgelegd.

 

 

Beperkingen

In dictaturen is er geen sprake van vrijheid van meningsuiting, er is censuur. Censuur: de overheid oefent controle uit op de informatievoorziening.

In Nederland is er geen censuur, maar er mag geen sprake van discriminatie of het aanzetten tot haat.

Als bijvoorbeeld een krant iemand openlijk beledigt of beschuldigt kun je voor de rechter worden gedaagd.

De vrijheid van meningsuiting geld alleen voor de relatie tussen overheid en burger. Het hoeft niet te gelden in maatschappelijke situaties (zo mag bij sommige winkelketens het personeel geen informatie over het bedrijf naar buiten brengen in interviews).

 

 

Democratie

In onze democratische rechtsstaat is het recht op informatieverstrekking belangrijk. De wet Wet openbaarheid van bestuur (WOB) verplicht de overheid informatie te geven, tenzij het gaat over persoonlijke affaires binnen het koninklijk huis, staatsveiligheid of bedrijfsgeheimen.

 

De WOB geeft journalisten de mogelijkheid om informatie op te vragen bij de overheid. Dit recht draagt bij aan de controlefunctie en de opiniërende functie.

 

Pluriformiteit

De verscheidenheid aan kranten, tijdschriften, omroepen en websites noemen we de pluriformiteit van de massamedia. Er mogen geen al te grote machtsconcentraties bij de massamedia ontstaan, omdat het publiek informatie van verschillende media met elkaar kunnen vergelijken. Als één bepaald nieuwsmedium meer dan 30% van de bevolking van nieuws voorziet, is er sprake van monopolievorming.

 

 

Principe van de vrije markt

Het principe van de vrije markt, betekent dat de overheid mediabedrijven als een bedrijf zien en dus mag iedereen een krant, tijdschrift, tv-zender of webpagina beginnen. Toch zijn er specifieke regels waaraan omroepen en zenders moeten voldoen om een uitzendvergunning te krijgen.

 

Het nadeel van deze vrije markt is dat niet iedereen gelijke toegang heeft tot de media. Mensen met een hoger inkomen kunnen meer informatie vergaren doordat ze de kosten van abonnementen, tv- en internetprovider gemakkelijk kunnen betalen. Er is dus sprake van sociale ongelijkheid met betrekking tot de informatievoorziening.

 

§5.2 Overheidsbemoeienis met de media

 

Publieke en commerciële omroepen

Radiozender en tv-omroepen moeten een zendmachtiging krijgen, die vastgelegd is in de Omroepwet (sinds 1930). In 1988 werd deze wet vervangen door de Mediawet. Vanaf toen kregen ook commerciële zenders geleidelijk toestemming om uit te zenden.

 

 

Netprofilering

Tegenwoordig werken de publieke omroepen samen op verschillende netten. De Mediaraad heeft gesloten tot profilering van de drie publieke zenders. Dit betekent dat de publieke omroepen geen vaste zender hebben. Het streven achter de netprofilering is een kwalitatief aanbod, maar het is ook bedoeld om de concurrentie met commerciële zenders aan te gaan.

 

De Mediawet

Het doel van de mediawet is kwalitatief hoogstaande programma’s te garanderen met voldoende pluriformiteit. De meeste regels in de mediawet zijn bedoeld voor de publieke omroepen, maar er zijn ook voorschriften voor commerciële zenders. Belangrijke bepalingen uit de mediawet zijn:

 

  • Een publieke omroep moet een stichting of vereniging zijn met een eigen identiteit die een maatschappelijke of geestelijke stroming vertegenwoordigt en gericht is op zowel een breed publiek als op een specifiek publiek.
  • Een beginnende omroep heeft minimaal 50.000 betalende leden. Als een publieke omroep 300.000 leden heeft, wordt er pas een volledige uitzendvergunning of concessie verleend.
  • Erkende omroepen hebben recht op financiële bijdrage van de overheid.
  • De totale televisiezendtijd moet een volledig programma bevatten. Er moet een evenwichtige mix van kunst en cultuur, informatie inclusief nieuws, educatie en amusement zijn.
  • Publieke omroepen mogen gemiddeld niet meer dan 6,5% van hun zendtijd besteden aan reclame. (Ook maximaal 12 minuten per uur).
  • Commerciële zenders hoeven zich aan minder strenge voorwaarden te houden. Reclame mag maximaal 15% van de zendtijd zijn. Reclame blokken mogen onderbreken, maar sluipreclame is verboden.
  • Sponsoring is toegestaan, indien het geen nieuws-, actualiteiten- of politieke programma’s zijn en de sponsornamen alleen aan het begin en het eind worden vermeld. Sponsoring mag alleen bij programma’s met een publiek boven de 12 jaar.

Commissariaat voor de Media

Het Commissariaat voor de Media is een zelfstandig bestuursorgaan dat zich tussen de overheid en de publieke omroepen en commerciële zenders bevindt. Het commissariaat let erop dat de zenders zich aan de Mediawet houdt. Bij commerciële draait het vooral om naleving van de sponsor e reclame regels en bij de publieke omroepen om naleving van de programmavoorschriften. Als de wet wordt overtreden, volgt er een boete.

 

 

De pers

Nederland kent, afgezien van de gegarandeerde persvrijheid, nauwelijks wetten die zijn toegespitst op de media. In 1974 werd het Bedrijfsfonds voor de Pers opgericht en in 1988 werd het een zelfstandig bestuursorgaan. Het fonds heeft als doel de bestaande verscheidenheid van de pers in stand te houden. Wanneer een krant of tijdschrift bijdraagt aan de pluriformiteit door een duidelijke politieke of kerkelijke kleur te hebben, kunnen ze in geval van nood een beroep doen op financiële steun van het fonds. Het geld komt vanuit de STER-reclames.

 

 

Nieuwe media

De overheid strijdt naar gelijke publieke toegankelijkheid van de nieuwe media. Het is vanuit het sociale en democratische oogpunt wenselijk dat de digitale snelweg voor iedereen bereikbaar is. De overheid heeft enkele maatregelen genomen om burgers hierbij te helpen:

 

  • Basis- en middelbare scholen krijgen geld voor het aanschaffen van computers.
  • Informatiekunde is een verplicht schoolvak geworden.
  • Ambtenaren, politieagenten en leraren krijgen bijscholingscursussen en moeten een digitaal rijbewijs halen.
  • Het kennisnet werd geïntroduceerd. Dit onderdeel van het internet is gericht op onderwijs en scholen door heel Nederland maken hier gebruik van.

§5.3 Discussies over het omroepbestel

Wie vóór overheidsbemoeienis in de media is, wilt een overheid die als bewaker de kwaliteit en pluriformiteit van de media

dient.

Wie tegen overheidsbemoeienis in de media is, wilt een terughoudende overheid en een zelfregulerende mediamarkt waar burgers zelf kunnen beslissen uit een breed aanbod van vrije media.

 

 

Standpunten politieke partijen

Liberalen zijn voorstanders van het vrijemarktdenken. De overheid geeft ruimte voor nieuwe initiatieven, met minimale financiële overheidssteun.  De VVD zegt dat vrije concurrentie garant staat voor een goed product wat de kijkers en luisteraars willen. De digitale revolutie is goed en er worden veel mogelijkheden voor het bedrijfsleven gezien. De VVD is voorstander van het duaal mediabestel maar de subsidie voor publieke omroepen mag minder.

 

Socialisten willen een regulerend optreden van de overheid (kwaliteitscontrole, bewaking pluriformiteit) in de media. Anders komen de minderheidsstandpunten amper aan bod en krijgt de commercialisering te veel vrij spel. Vooruitgang is goed, zolang de overheid kan zorgen dat iedereen in gelijke mate toegang heeft. De PvdA wil het duale mediabestel voortzetten met en nadrukkelijke rol voor de publieke omroepen (en deze mogen ruime subsidie ontvangen om niet afhankelijk te zijn van reclame).

Christendemocratenzijn voor een regulerende overheid, maar vinden dat de kranten en omroepen ook hun verantwoordelijkheid moeten nemen. Het CDA let vooral op de socialiserende functie (gevaren van mediabeïnvloeding voor de jeugd). Het CDA is voorstander van een duaal omroepbestel met een sterke publieke omroep en zit tussen de PvdA en de VVD in.

 

Belangengroepen

Naast de overheid en politieke partijen hebben ook andere direct betrokkenen visies op het inrichten van het omroepbestel.

 

  • De publieke omroepen pleiten voor behoud van de pluriformiteit en vinden de informatieve en educatieve functies belangrijk.
  • De commerciële zenders vinden dat mensen zelf kunnen kiezen en de kwaliteit bepaalt. Hoe meer kijkers, hoe meer adverteerders en zo ontstaan de beste programma’s. Als kijkers het niet leuk vinden, kunnen ze uitwijken naar andere media.
  • Het bedrijfsleven ziet dat commercialisering leidt tot vergroting van de keuzemogelijkheden bij de consument. Bedrijven sponseren of zijn nauw betrokken bij programma’s en vragen extra aandacht voor hun producten.
  • De mediaconsumenten vormen ook een belangengroep. Onderzoek toont aan dat de gemiddelde kijker minder reclame wil.
  • De overheid wil dat het omroepbestel bijdraagt aan de ontwikkeling van onze samenleving. Er moet een evenwichtige maatschappelijke communicatie zijn in onze democratische en pluriforme samenleving.

Nog meer argumenten (voor en tegen het huidige omroepstelsel)

  • Sinds de individualisering en ontzuiling vanaf de jaren ’60 hebben publieke omroepen geen duidelijke achterban meer. Financiering zou dus achterhaald zijn.
  • De overheid treedt terug en er is sprake van liberalisering van de economie.
  • Publieke omroepen richten zich steeds meer op het grote publiek. Hierdoor verdwijnen de kwalitatief goede programma’s voor kleine doelgroepen.
  • Door dubbele financiering (overheidssubsidie en reclamegeld) is er sprake van oneerlijke concurrentie.
  • Er is onder het publiek sprake van groeiend consumentisme. Kijkers willen amusement en daardoor nemen educatieve en informatieve programma’s af.
  • Er is tegenwoordig een bijna onbegrensd media-aanbod. Pluriformiteit is er dus voldoende.
  • Door vergaande samenwerking tussen omroepen verdwijnen de verschillende identiteiten die de pluriformiteit van het omroepstelsel zouden moeten waarborgen.
  • Burgers maken zich zorgen om de maatschappelijke functies van de omroepen. Er is sprake van verschraling door meer vraag naar amusement en de omroepen doen hier aan mee. Daardoor verdwijnen de andere functies.

 

Commercieel, duaal of staatsomroep

Commercieel bestel: overheid bemoeit zich nauwelijks met de media (alleen bij het toekennen van zenderfrequenties).

Staatsomroep: de overheid bekostigd alles (dit gebeurt van in dictaturen, er is ook sprake van censuur).

Duaal bestel: commerciële zenders en publieke omroepen.

 

Hoofdstuk 6: Massamedia en commercie

§6.1 Hoe komen de media aan hun geld?

 

Financiële middelen van de pers

Kranten verdienen aan abonnementen, vrije verkoop en aan advertentie-inkomsten.

 

 

Botsende belangen

Veel lezers betekent veel inkomsten en waardering voor het journalistieke werk. Aan de ene kant moet een krant kwaliteit garanderen, maar aan de andere kant kunnen grote verhalen veel winst opleveren.

Voorbeeld: een journalist ontdekt een schandaal over een bank die regelmatig groot in zijn krant adverteert.

Om belangenconflicten te voorkomen hebben de kranten een redactiestatuut. Hier worden de taken en bevoegdheden van de redactie en directie geregeld. Maar een journalist moet wel rekening houden met de identiteit van het blad, de redactionele formule en de algemeen geldende fatsoensnormen in onze samenleving.

 

 

Financiële middelen radio en televisie

Publieke omroepen hebben inkomsten uit:

 

  • Omroepgelden, de overheidsbijdrage uit de algemene middelen en een deel van de Ater-gelden.
  • Lidmaatschapsgelden en abonnees op programmablad.
  • Inkomsten van programmablad (losse verkoop en advertenties).
  • Sponsoring van de programma’s.
  • Merchandising, bijv. verkoop van Dvd’s.

Commerciële zenders  verdienen door reclame inkomsten en sponsorgelden.

§6.2 Commerciële ontwikkelingen

 

Meer concurrentie

Televisiezenders, tijdschriften en internetsites strijden met elkaar om de aandacht van de consument. Er is dus concurrentie in het totale media-aanbod.

 

Er is ook toenemende concurrentie binnen een mediumsoort. Kranten bevechten elkaar door er mooier uit te zien en door een digitale versie op te bouwen.  Televisiezenders kopen voor veel geld populaire presentatoren weg bij andere zenders.

Er is ook sprake van concurrentie op de advertentiemarkt. Het aanbod van advertenties is tegenwoordig groter dan de vraag ernaar.

 

 

Gevolgen van toegenomen concurrentie

Alle media bedrijven jagen op een deel van de winstgevende informatiemarkt.

 

  • Grotere commercialisering
  • Stijging van het aantal producten
  • Persconcentratie bij de dagbladen
  • Marktsegmentering bij de tijdschriften
  • Doelgroepenmedia en netprofilering bij tv-zenders
  • Mediaconcentratie door ontstaan van mediagiganten.

 

Grotere commercialisering

Alle massamedia zijn sterk vercommercialiseerd. Om te kunnen blijven bestaan is een zo groot mogelijk aantal lezers, kijkers en adverteerders nodig. Winst wordt belangrijker dan kwaliteit.

 

 

Persconcentratie

Het aantal van de kleinere hoofdredacties en uitgevers van kranten is sterk

verminderd. Grote uitgeverijen hebben tegenwoordig meer kranten in hun bezit.

Persconcentratie brengt het gevaar van monopolievorming met zich mee. De kwaliteit neemt af en de pluriformiteit wordt minder.

 

Soorten

persconcentratie

1. Redactionele concentratie. De

redacties van kranten schrijven voor verschillende kranten.

2. Publieksconcentratie. Het publiek verdeelt zich steeds eenzijdiger over de dagbladen. (Bijv. wanneer de

Volkskrant uitsluitend gelezen zou worden door PvdA’ers.)

3. Aanbiedersconcentratie. Dit is wanneer de uitgever van dagbladen met kranten uitgeeft.

 

 

Marktsegmentering bij de tijdschriften

Uitgevers doen er alles aan om een bepaald segment (doelgroep) te beheersen. In de tijdschriftenwereld zie je niet een grote markt, maar heel veel kleine markten voor gespecialiseerde informatie. Door deze verfijning is het aantal tijdschriften sterk gegroeid.

 

 

Doelgroepenmedia en netprofilering

De commerciële omroepen stellen hun programma’s samen met het oog op de adverteerders. Programma’s met veel kijkers zijn aantrekkelijk voor adverteerders. Deze zenders stemmen hun programma’s af op specifieke doelgroepen. Er komen zenders die zich richten op een

bepaalde doelgroep (muziekzenders, kinderzenders).

Door de netprofilering van de publieke omroepen heeft voor een duidelijke doelgroep per televisienet gezorgd, wat ook overzichtelijk is voor adverteerders.

 

 

Mediaconcentratie

Mediaconcentratie: de samensmelting van verschillende vormen van massamedia. De mediagiganten bezitten wereldwijd filmmaatschappijen, satellietkanalen, kabelmaatschappijen,

opnamestudio’s en uitgeverijen.

De mediaconcentratie leidt o.a. tot een meer eenzijdige berichtgeving over het wereldnieuws (CCN). Ons beeld van gebeurtenissen is vaak westers gekleurd en de informatie wordt minder betrouwbaar.

 

 

Mededingingswet

Mediaconcentratie noemen we ook wel diagonale

concentratie, omdat de concentratie verschillende producten omvat.

Daarnaast bestaat er ook horizontale concentratie, namelijk van hetzelfde product (wanneer een bedrijf

verschillende kranten uitgeeft).

Ook is er verticale concentratie, als een bedrijf een gehele bedrijfskolom bezit. (een filmmaatschappij met acteurs, schrijvers, filmstudio’s en bioscopen bezit)

 

Pers- en mediaconcentraties zijn slecht voor de concurrentie en uiteindelijk slecht voor de consument. De Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) houdt toezicht op de naleving van de Mededingingswet.

 

Hoe zit het met de kwaliteit?

Volgens pessimisten is de sterke invloed van de commercie op de media een groot gevaar voor de pluriformiteit en de kwaliteit van de media. (Er is veel reclame, er is vervlakking en het nieuws is minder betrouwbaar).

Optimisten beweren dat de concurrentie goed is omdat bedrijven hierdoor betere programma’s, kranten en websites gaan maken. Het grotere aanbod is beter afgestemd op de behoeften van het publiek.

 

Hoofdstuk 7: Massamedia en cultuur

§7.1 Cultuur

Ieder mens maakt deel uit van een cultuur met talloze normen

en waarden.

Normen: specifieke regels in een groep of samenleving waarmee mensen hun eigen

gedrag en het gedrag ban anderen beoordelen.

Normen komen voort uit waarden: principes die mensen belangrijk vinden om na te streven.

Cultuur: de leefwijze van een groep met alle waarden, normen en andere aangeleerde kenmerken die de leden van een groep of samenleving met elkaar gemeen hebben en die zij min of meer als vanzelfsprekend ervaren.

Cultuur is een relatief begrip en kan van groep tot groep en van plaats tot plaats verschillen.

 

 

Nature of nurture

Er zijn verschillende meningen over hoe of het menselijk gedrag en karakter door aangeboren of door aangeleerde factoren wordt bepaald. Nature-aanhangers leggen de nadruk op biologische of erfelijke factoren. Nurture-aanhangers leggen de nadruk op het sociale milieu.

Tegenwoordig gaan wetenschappers uit van een mix tussen beide theorieën.

 

 

Dominante cultuur

Een dominante cultuur is de overheersende cultuur in een samenleving en heeft vaak de meeste invloed op het economische en politieke leven.

Nederlandse democratische politieke cultuur: vrijheid van meningsuiting en bereidheid tot compromissen.

Nederlandse economische cultuur: waardering voor ondernemerschap.

Nederlandse sociaal-culturele: relatief veel tolerantie en gelijkwaardigheid.

 

Subculturen

  • Religieuze subculturen. (Streng-gereformeerden, Jehova’s)
  • Jongerenculturen.(Punkers, gothics, hipsters)
  • Bedrijfsculturen.(Ikea is als een grote familie, bank is heel formeel.)
  • Etnische subculturen.(Nederlandse Surinamers, Marokkanen)
  • Tegenculturen.(Milieuactivisten, deze culturen verzetten zich tegen de dominante cultuur).

§7.2 Functies van cultuur

De drie functies van cultuur voor de samenleving:

1. Cultuur geeft betekenis aan ons gedrag. (Zo is een boer laten na het eten in China een teken van waardering,

terwijl het hier onbeschoft is.) Ook is humor cultuurgebonden.

2. Cultuur bepaalt welk gedrag wel of niet aanvaardbaar is. (Zo is liegen een voorbeeld van afwijkend gedrag. In sommige landen is liegen in de politiek zelfs enigszins gewoon en geaccepteerd.)

3. Cultuur biedt de mogelijkheid tot identificatie. (Mensen zien zichzelf vaak als deel van een groep.)

 

 

Drie demensies

Binnen een cultuur uiten mensen en groepen zich op talloze manieren. Hierin zijn drie dimensies te onderscheiden: de ideële dimensie, de normerende dimensie en de materiële dimensie.

 

Ideële dimensie

Binnen een cultuur wisselen mensen ideeën en opvattingen met elkaar uit:

 

  • Ideeën die te maken hebben met een visie op de mens en de samenleving (politieke stromingen, filosofie, humanisme, milieuactivisten).
  • Religieuze ideeën (gebaseerd op een godsdienstige of spirituele stroming).
  • Maatschappelijke waarden (zoals eerlijkheid, hulpvaardigheid en tolerantie).

Normerende dimensie

Hiertoe behoren alle regels, zowel de ongeschreven als ook wetten, straffen en gewoontes die voortvloeien uit verschillende waarden.  Normen geven altijd aan wanneer iets goed of slecht is.

 

Materiële dimensie

Hier komen de waarden en normen van een cultuur tot uiting in allerlei materiële vormen. (Huizen, kantoren, kleding, kunst, reclame, vormgeving van producten en gebouwen, inrichting van een stad).

 

§7.3 Socialisatie

Elke cultuur kent collectieve gedragspatronen. Deze gedragspatronen zie je bijna overal in terug (3 keer per dag een maaltijd eten, meedoen aan verkiezingen, ‘u’ zeggen tegen vreemden). Het overdragen van cultuurelementen maakt onderdeel uit van het proces van socialisatie.

 

Socialiserende instituties

Instellingen en organisaties waarmee cultuuroverdracht in een samenleving plaats vindt.

 

  • Gezin. Het gezin (vooral ouders) vormen voor een groot deel het allesbepalende referentiekader van een kind.
  • School. Hier vindt de overdracht van o.a. discipline, aanvaarden van gezag en verrichten van taken plaats. Ook kunnen hier bepaalde conflicten (met leraren/leeftijdsgenoten) plaatsvinden.
  • Werk. In deze fase ontwikkel je je als volwassen individu.
  • Maatschappelijke groeperingen. Verenigingen zoals sportclubs of geloofsrichtingen. Mensen worden beïnvloed door de normen en waarden van deze groeperingen.
  • Overheid. Wetgeving is bepalend voor het gedrag van mensen. Ook stimuleert de overheid de participatie van burgers aan de samenleving.
  • Media. De media hebben ook een grote invloed op het gedrag van mensen.

 

Sociale controle

Sociale controle: de wijze waarop mensen andere mensen stimuleren of dwingen zich aan de geldende normen te houden. Hierdoor

verloopt het socialisatieproces correct in de ogen van de meerderheid.

Formele sociale controle is gebaseerd op geschreven regels (wetten en regelementen).

Informele sociale controle is gebaseerd op ongeschreven regels

(beleefdheidsvormen).

Sancties kunnen positief zijn (belonen) en negatief (straffen).

 

 

Internalisatie

Internalisatie: mensen maken zich bepaalde culturele waarden en normen eigen. Dit gebeurt bijvoorbeeld wanneer kinderen her gedrag van hun ouders nabootsen.

 

Je persoonlijke identiteit wordt mede gevormd door sociale ervaringen. Deze identiteit is dus voor een groot deel product van het socialisatieproces.

§7.4 Cultuur in de massamedia

 

Voordelen en stereotypen

Stereotype: een sterk gegeneraliseerd, versimpel en vertekend

beeld van get gedrag en de mentaliteit van een specifieke groep.

Vooroordeel: een mening of houding die niet of onvoldoende op feiten of ervaringen is gebaseerd.

Discriminatie: mensen van een bepaalde groep worden anders behandeld op grond van kenmerken die in de gegeven situatie niet van belang zijn.

 

 

Rol van de media

De media is vaak niet in staat op bepaalde stereotypen of vooroordelen te veranderen. Soms worden vooroordelen door bepaalde beeldvorming alleen nog maar versterkt.

 

 

Subculturen in de media

Sommige subculturen maken gebruik van de media. (Eigen tijdschrift of radiozender.)

 

 

 

Ontzuiling en individualisering

Een cultuur is dynamisch en dus constant in beweging. Zo was er vroeger sprake van een sterk maatschappelijk verzuilde cultuur in Nederland en veranderde dit rond de jaren ‘60 door de individualisering. De ontzuiling kwam op en mensen konden op basis van hun eigen voorkeur een keuze maken uit het media-aanbod.

 

 

Multiculturalisering

Nederland is tegenwoordig een multiculturele of pluriforme samenleving. Om als subcultuur te integreren in de dominante cultuur kan erg lastig zijn.

 

Multiculturalisering en de media

Etnische minderheden zijn vaak ondervertegenwoordigd in de Nederlandse massamedia, daarom richten zij zich vooral op het buitenland. De NPS heeft de taak om programma’s over etnische groepen en culturen te maken.

 

Hoofdstuk 8: Nieuws en beeldvorming

In elke mediaboodschap speelt het referentiekader van de maker mee. Het beeld is dus door de zender geïnterpreteerd.

§8.1 Selectieproces van het nieuws.

 

Nieuwscriteria

Criteria voor nieuwswaarde, het nieuws is:

 

  • Actualiteit.
  • Verrassend nieuws. (iets wat niet elke dag/ elk jaar gebeurt).
  • Cultureel/geografisch dichtbij.
  • Afwijkend. (Vaak negatief.)
  • Gepaard met beeldmateriaal.
  • Interessant voor doelgroep.
  • Gerelateerd aan lopende kwesties.
  • Past binnen identiteit van medium.

 

Informatiebronnen

Aanbieders van berichten zijn informatiebronnen. Selectieve perceptie is selectieve waarneming. Wat is interessant om te melden?

 

Personen of instellingen

Instellingen, personen, bedrijven of groeperingen kunnen op eigen initiatief persberichten sturen.

 

 

Overheid

Voorlichters van politici, ministeries en andere overheidsorganen geven informatie door aan journalisten. Door de actieve informatieplicht die de overheid heeft, moet belangrijke informatie op eigen initiatief bekend gemaakt worden.

 

 

Correspondenten

Correspondenten zitten zowel in binnen- en buitenland hoeven niet perse in vaste dienst werken. Wanneer er iets belangrijks gebeurt geven de correspondenten dit door en de redactie geeft opdracht om er wel of niet iets mee te doen.

 

Freelande journalisten

Deze journalisten schrijven over gespecialiseerde onderwerp (onderwijs, bio-industrie).

 

Persbureaus

  • Het Algemeen Nederlands Persbureau (ANP). ANP-redacteuren maken een selectie uit de buitenlandse berichten die zij van internationale persbureaus binnen krijgen.

De Geassocieerde Pers Diensten (GPD), die (inter)nationale berichtgeving verzorgt voor

enkele regionale dagbladen.

Het Haags persbureau specialiseert zich in juridische en politieke verslaggeving rond het hof.

 

  • Internationale persbureaus hebben verslaggevers over de hele wereld in dienst. Belangrijkste criterium is verkoopbaarheid van informatie.

 

Persdiensten

Kranten kunnen tegen betaling gebruikmaken van berichten van belangrijke buitenlandse kranten.

 

 

Beeldmateriaal

Foto’s worden gekocht van de grote persbureaus en voor filmmateriaal kunnen redacties terecht bij grote televisiemaatschappijen (CNN).

 

 

Nieuws uit de derde wereld

Westerse media gebruik vooral berichten van westerse persbureaus. Het nieuws is vanuit een westers opzicht gemaakt.

 

§8.2 Beeldvorming

Bewuste

kleuring:

- invloed van de identiteit van het medium.

- manipulatie en indoctrinatie.

 

Onbewuste

kleuring:

- de onmogelijkheid van objectiviteit.

- ‘framing’.

 

 

Invloed van de identiteit

De identiteit van een massamedium is bij de nieuwsberichtgeving herkenbaar aan: onderwerpkeuze, presentatie (lay-out, foto’s), volgorde van berichten, eigen commentaar, woordgebruik en gastschrijvers.

 

 

Manipulatie

Manipulatie: het

vervormen van nieuws door het opzettelijk weglaten of verdraaien van feiten.

Indoctrinatie: het systematisch opdringen van opvattingen door meningen als feiten te presenteren.

 

Objectiviteit

  • Er is altijd sprake van een subjectief referentiekader.
  • Soms vergeet een journalist het principe van hoor en wederhoor toe te passen. Hierdoor komen niet alle partijen aan het woord.
  • Een journalist kan gekleurde en eenzijdige bronnen geraadpleegd hebben.
  • Soms worden meningen en feiten vermengd.
  • Door een feit steeds vanaf dezelfde kant te belichten ontstaat er een mediaframe.

Hoofdstuk 9: Macht van de media

§9.1 Injectienaaldtheorie en selectieve perceptie

 

Injectienaaldtheorie

De media heeft veel macht, dat zag je aan het begin van de 20e eeuw toen propaganda jongens moest werven voor het leger. Ook in de Sovjet-Unie werd gebruik

gemaakt van manipulatie en indoctrinatie

De injectienaaldtheorie gaat ervan uit dat de ontvangers de informatie klakkeloos aannemen. De media is een injectienaald die informatie in het publiek kan ‘spuiten’. 

Tegenwoordig zijn nog weinig wetenschappers overtuigd van deze theorie. Het idee van druppelsgewijze beïnvloeding wordt nog wel steeds toegepast. Het herhalen van reclameboodschappen is een voorbeeld.

 

 

Theorie van de selectieve perceptie

Volgens deze theorie is de invloed van de massamedia beperkt. Klapper beschreef in zijn boek ‘The effects of mass communication’ de filterende factoren die de vrije doorgang van zender naar ontvanger belemmeren. Zo komt de boodschap niet of vervormd aan bij de ontvanger. Enkele van deze filters-mechanismen zijn:

 

  • Selectieve aandacht. Je kijkt of leest wat past bij jouw opvattingen en belangstelling.
  • Selectieve perceptie e interpretatie. Ons referentiekader zorgt ervoor dat we informatie nooit objectief waarnemen.
  • Selectief geheugen. We onthouden maar een klein deel van elle informatie die we binnen krijgen. Informatie dat niet bij ons referentiekader aansluit, vergeten we sneller.
  • Selectief geloven. Het karakter van een bepaald medium zorgt voor hoeverre de gebruiker geloof hecht aan de berichtgeving. (SBS wordt als minder betrouwbaar gezien dan NOS).

§9.2 Recente beïnvloedingstheorieën

 

Cultivatietheorie (George Gebner)

Tegenwoordig is de televisie de verhalenverteller. Mensen die veel naar dezelfde fictieve programma’s kijken, nemen de normen en waarden van deze programma’s over. Het beeld van de werkelijkheid en de ‘televisiewerkelijkheid’ lopen meer in elkaar over. Deze vermenging geld vooral voor ‘zware’ kijkers en jonge kinderen. Vooral jonge kinderen zijn nog niet in staat om onderscheid te maken tussen fictie en werkelijkheid.

Kanttekening

Een onderzoek wees uit dat er maar een gering verband was tussen de televisiewerkelijkheid en denkbeelden van kijkers.

 

 

Agendasettingtheorie (McCombs&Shaw)

Deze theorie gaat ervan uit dat de media weinig invloed hebben op het denken en gedrag van consumenten. Wel bepalen ze de onderwerpen die de consumenten bezig houden. Ze bepalen de publieke en tegenwoordig ook steeds meer de politieke agenda.

Kanttekening

Wetenschappers kunnen niet goed aantonen dat het de media zijn die de agenda’s beïnvloeden.

 

 

Framingtheorie (McCobs&Bell)

De manier waarop een onderwerp wordt gepresenteerd is belangrijk. Zo kan er sprake zijn van een mediaframe. Journalisten worden bij framebuilding zelf ook beïnvloed, door hun eigen referentiekader. Het proces waarbij het mediaframe het denken van mensen beïnvloed, wordt ‘framesetting’ genoemd.

 

Kanttekening

Andere factoren die het beïnvloedingsproces kunnen verklaren ontbreken.

 

 

Theorie van de zwijgspiraal (Neumann)

Om een mening te vormen over een bepaald actueel onderwerp te vormen, hebben mensen informatie nodig. Dat kan door eigen observatie of gebruik van de massamedia. Via de media zien mensen hoe de meerderheid over een onderwerp denkt en uit angst om sociaal geïsoleerd te raken zullen mensen zich conformeren (aanpassen) aan de heersende opvattingen. Deze theorie heet de theorie van de zwijgspiraal omdat mensen met een andere mening hun mening verzwijgen. Dit versterkt weer het beeld van de heersende opvatting, omdat er geen tegengeluid wordt getoond.

Kanttekening

Deze theorie gaat ervan uit dat mensen irrationele wezens zijn die bang zijn om hun eigen mening te laten horen. Deze aanname is verder niet onderbouwd.

 

 

‘Uses and gratifications’-benadering (Berelson)

Nut en beloningen.

De media bevredigt de behoeftes van de mediagebruiker. De media is niet alleen een bron van informatie, maar voorziet ook in andere behoeftes. De mensen worden gezien als actieve, doelgerichte consumenten.

Kanttekening

Zijn er wel gratifications (beloningen)? Worden mensen beloond vanwege hun behoefte aan ontspanning? Ook zijn mensen passiever en kijken ze tv zonder zich bewust te zijn van welke behoeftes dan ook.

 

 

Media-afhankelijkheidstheorie (Ball-Rokeach&DeFleur)

Mensen hebben informatie nodig om bepaalde algemene doelen in hun leven te bereiken. Ze willen de wereld om zich heen begrijpen, ze hebben allerlei praktische kennis (weerbericht) nodig, ze willen zich ontspannen en ze willen zich aanpassen aan de sociale normen van hun omgeving (trends). Het mediasysteem heeft veel macht omdat ze de controle heeft over informatiehulpbronnen.  Maar de media zijn ook afhankelijk van bepaalde factoren (goedkeuring van politiek, reclame-inkomsten). Beide partijen zijn dus afhankelijk van elkaar.

Kanttekening

Het lijkt alsof de ontvangers een passieve slachtofferrol aannemen, maar in feite hebben de ontvangers juist macht doordat de media weer afhankelijk zijn van een publiek.

 

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.