Eindexamen pilot

Beoordeling 8.2
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 6e klas vwo | 3428 woorden
  • 30 april 2018
  • 5 keer beoordeeld
  • Cijfer 8.2
  • 5 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Studententijd zomerspecial

Heb jij de Zomerspecial van Studententijd de podcast al geluisterd? Joes, Steie, Dienke en Pleun nemen je mee in hun zomer vol festivals, vakanties en liefde. En kijken ook alvast vooruit naar de introductietijd van het nieuwe collegejaar. Luister lekker mee vanaf je strandbedje, de camping of onderweg. 

Luister nu!

Samenvatting maw Q2             paars = kern/hoofdconcept , vet = ander begrip



Hoofdstuk 1: het hoofdconcept verandering



Het hoofdconcept veranderingis het belangrijkst in domein E:  ‘’de wording van de moderne westerse samenleving’’. Dit gaat over welke veranderingen er zijn en waarom, welk effect deze hebben en welke invloed dit heeft op de andere maatschappelijke vraagstukken.



Verandering verwijst naar de richting en het tempo van ontwikkelingen in de samenleving en de (on)mogelijkheden deze te beïnvloeden.



Hoofdstuk 2: De wording van de moderne westerse samenleving



Een moderne samenleving is een samenleving die is beïnvloed door ingrijpende veranderingen vanaf de verlichting. De verlichting betekende namelijk een omslag in het denken over de samenleving. De sociale wetenschappen komen ook in de veranderende tijd op en zien zichzelf als reflectie op de opkomst van de moderne samenleving. De sociale en politieke processen die de moderne samenleving hebben gevormd zijn: rationalisering, institutionalisering, individualisering, democratisering en pas recenter globalisering. Deze processen worden samengevat als modernisering. Waarden, opvattingen en culturele patronen bleken te kunnen veranderen.



Kenmerken van de moderne westerse samenleving:



Politiek




  • Macht van de overheid is legitiem, er is een democratiegebaseerd op volkssoevereiniteit

  • Klassieke grondrechten om burgers tegen de overheid te beschermen, de rechtstaat

  • Er worden sociale grondrechten gegarandeerd , de verzorgingsstaat



Economisch      



· Gemengde economie (elementen van socialisme én kapitalisme)



· Een gerationaliseerd en gedifferentieerd productieproces



· Geglobaliseerde wereldmarkt



· Toegenomen welvaart




  • Kenniseconomie (vernieuwing, complexe technologie, hoog opleidingsniveau)



Demografisch



· Migratie en urbanisatie: een heterogene bevolking die zich in de steden concentreert




  • Een andere cultuur




  • Seculier (steeds minder invloed religie)

  • Wetenschap en het recht spelen een grote rol in denken en handelen

  • Veel verschillende, maar minder hechte bindingen

  • Zelfontplooiing en persoonlijke autonomie belangrijk

  • Scheiding publieke en private sfeer



De ideologie van modernisering



Dit is het idee dat de veranderingsprocessen onvermijdelijk zijn en tot vooruitgangleiden. Dit geeft een idee over de gewenste samenleving en is daarom een ideologie. Een universalistisch vooruitgangsgeloof dat er vanuit gaat alle samenlevingen uiteindelijk een moderne samenleving naar westerse vorm worden. Cultuurrelativisten zeggen juist dat of moderniteit er ook echt komt afhankelijk van de begincondities van de plek en dat modernisering niet per definitie positief is omdat modernisering anders verloopt op verschillende plekken.

 



Hoofdstuk 3: de kernconcepten van verandering



Rationalisering



Rationalisering = het proces van het ordenen en systematiseren van de werkelijkheid met de bedoeling haar voorspelbaar en beheersbaar te maken en van het doelgericht inzitten van middelen om zo efficiënt en effectief mogelijke resultaten te bereiken



Korter: oude traditionele opvattingen en handelswijzen werden vervangen door weloverwogen doelgericht handelen. Mensen zijn in het tijdperk van de modernisering rationeler gaan handelen. Kennis en wetenschap zijn steeds belangrijker. Tradities, emotionele bindingen en bovennatuurlijke opvattingen (ook godsdienst) werden minder belangrijk -> onttovering van de wereld. Rationalisering is een lange termijn veranderingsproces kenmerkend voor de hele samenleving. Volgens Weber kun je dan ook het rationele kapitalistische systeem en de toenemende bureaucratie als gevolg ervan zien.



Hij noemt een aantal voordelen van rationalisering:




  • Verdere ontwikkeling van de wetenschap, rationele en efficiënte vormgeving van arbeid

  • Formalisering van het recht wat voor gelijke behandeling zorgt

  • De focus op winst/opbrengsten en het idee dat je nu een baan hebt omdat je het kan en leuk vindt. Iedereen zit op de goede plek.                                                                                                     



Als nadelen van rationalisering noemt hij:




  • Het menselijk leven wordt steeds meer gecontroleerd en middelen gaan het doel overheersen.

  • Differentiatie op de arbeidsmarkt zorgt voor zo’n grote specialisatie dat er vervreemding ontstaat en voor machtsverschillen zorgt in een bedrijf.

  • Een onpersoonlijkere opstelling van mensen tegenover elkaar.

  • Daarnaast liggen de eisen voor werknemers hoger, dit zorgt voor uitsluiting van bepaalde groepen en stress/ burn-out achtige problemen.

  • bureaucratische bedrijven steeds machtiger.



De paradigma’s reageren ook verschillend op rationalisering.




  • Het functionalisme paradigma gaat vooral uit van de voordelen van rationalisme. Het wordt gezien als de motor voor de materiele welvaart. Zelfde mening als Durkheim die een onderscheidt maakte tussen mechanische en organische solidariteit waarbij dat laatste een gedifferentieerde moderne arbeidsmarkt is en de andere de traditionele.

  • Het conflict-paradigma Focust op het ontstaan van ongelijkheid door rationalisering, omdat rationalisering kapitalisme en dus winstgerichtheid en de waarde van bezit verergert. Vervreemding gaat over het isolement van de mens wiens macht is afgepakt.

  • Het rationele-actor paradigma benadrukt dat actoren door rationalisering steeds meer het proces beheersen om eigen doelen te bereiken. Het doel van het handelen is steeds belangrijker.









Individualisering



Individualisering: het proces waarbij individuen in toenemende mate hun zelfstandigheid op verschillende gebieden vergroten.



De mens wordt dus zelfstandiger en moet steeds meer zijn eigen leven inrichten. Dit brengt met zich mee dat mensen steeds minder afhankelijker zijn van kerk, het huwelijk, sociale klasse etc.



Deze sociale instituties veranderen dus en zijn minder vanzelfsprekend. Het zorgt er ook voor dat mensen steeds meer verantwoordelijk gehouden voor hun eigen handelen en sociale leven. Iemand krijgt niet meer zomaar door z’n afkomst een positie. Bij opgroeien kunnen jongeren niet terugvallen op de instituties daaromheen bestonden en voor hen wordt daarin ook zelfstandigheid verwacht.



Positief want: Werkt emanciperend en vergroot de vrijheid. Je kan eerder los komen van je herkomst qua plek en omstandigheden en jezelf opwerken  -> sociale en geografische mobiliteit hoger.



Negatief proces: Individualisering wordt ook in verband gebracht met een slechtere maatschappelijke integratie en de toename van egoïsme. Oftewel een losgeslagen zelfstandigheid die ervoor zorgt dat alle bindingen met anderen verdwijnen en voor eenzaamheid zorgt. 



Een kanttekening die bij individualisering gemaakt moet worden is dat de verschillen tussen landen en groepen etc. groot zijn. Er is geen universeel bewijs voor individualisme.



Opvattingen over individualisme



Confessionalisme: Vindt individualisme iets negatiefs dat de verbinding tussen mensen sloopt en voor onbehagen zorgt. Vooral de inmenging van andere culturen zorgen ervoor dat gemeenschapsgevoel verdwijnt.



Liberalisme: Zij willen mensen de ruimte geven hun eigen leven zo groot en succesvol te maken als ze dat zelf willen en willen zo min mogelijk afhankelijkheid. Vrijheid is het belangrijkste, sociale banden blijven bestaan maar zijn ook een eigen keuze.



Sociaaldemocratie: Waarderen toegenomen mogelijkheden voor mensen, maar door verschillende culturen staat tolerantie onder druk. Er moet respect blijven voor iedereen. Daarnaast moet individualisering niet leiden tot grotere sociale ongelijkheid, overheid moet zwakkeren blijven helpen.



Institutionalisering



Institutionalisering = het proces waarbij een complex van waarden en min of minder geformaliseerde regels vastgelegd wordt in standaard gedragspatronen, die het gedrag van mensen en hun onderlinge relaties reguleren



Deze waarden en normen krijgen dus een bepaalde geldigheid en ze worden als nuttig gezien, je hoeft er niet elke dag over te onderhandelen. Het worden onbewuste gedragspatronen. Het geeft zekerheid en dus de kans om je met andere dingen bezig te houden omdat dit vastligt. Het zorgt ook voor zingeving (waarom je dingen doet is vaak ook geïnstitutionaliseerd) en structuur in de werkelijkheid, het bepaald deels het beeld van de werkelijkheid. Organisaties (KPN, WNF, alle soorten) richten zich ook op de standaardpatronen die gevormd worden.









Staatsvorming



Staatsvorming = de institutionalisering van politieke macht tot een staat                                                          Hier komen drie processen bij kijken:




  • Depersonalisering: macht is gekoppeld aan de functie en niet de persoon, dus niet alleen macht omdat je uit een bepaalde familie komt

  • Formalisering: rechten en plichten komen in wetten en contracten te staan en worden gehandhaafd door de overheid. Hierdoor wordt de politieke macht ingeperkt door de wet maar zorgt het er tegelijk voor dat alleen de politiek wetten kan maken.

  • Integratie: Bij de vorming van een staat komen de drie maatschappelijke sferen steeds meer met elkaar in aanraking. Bijvoorbeeld door belastingheffing maar ook erkenning van particulier initiatief van burgers en bedrijven.



Staatsvorming kwam in de middeleeuwen op gang als gevolg van urbanisatie, opkomst (koloniale) handel en groei bevolking in de steden. Ze kwamen in de positie macht te eisen bij de adel. De nieuwe politieke machtshebbers wilden steun burgers en belasting heffen en daarom gaven zij vrije handel, veiligheid, eenheid van wetten en munt. Bij onderlinge conflicten kon de staat ook optreden. In het westen kwamen er ook modernere wapens om niet verslagen te worden door andere staten. De vergadering tussen vorsten en de adel en burgerij zijn de eerste politieke instituties en organisaties, en de eerste vorm van representatie .   



 à verdwijning feodalisme en ontstaan van postmoderne staten



Een staat heeft een interne soevereine macht die: 



· Regeert over een groep mensen                                                                                              



· Een begrensd grondgebied heeft        



· Het geweldsmonopolie en belastingmonopolie heeft



Externe soevereiniteit betekent dat de staat internationaal evenveel gezag heeft als andere staten



Democratisering



Democratisering = het proces van verandering van de machts- en gezagsverhoudingen door een grotere inspraak van degenen met minder macht



Politiek gezien houdt democratisering het bouwen van een politiek systeem in waarbij burgers meedoen met de politieke besluitvorming. In bredere zin gaat het om de participatie van burgers,  hun verantwoordelijkheden en hun rechten uit te breiden. Democratisering was een lang proces waarbij weer vrijheid, politieke en sociale rechten zijn bevochten. Het past bij de individualistische ideologie waar gelijkheid en vrijheid ten opzichte van de staat en andere burgers belangrijk is.



De eerste belangrijke ontwikkeling bij democratisering was de uitbreiding van de rechtstaat en daarmee het rechten geven aan steeds meer burgers. De tweede belangrijke ontwikkeling is de komst van volksvertegenwoordiging.



Er kunnen een aantal kanttekeningen geplaatst worden bij democratisering:



· Mogelijkheid macht te controleren is kleiner door de macht van internationale organisaties




  • Besluitvorming duurt langer,  is minder daadkrachtiger en compromis is vaak nodig.

  • Burgerparticipatie is niet representatief, dit zijn over het algemeen bepaalde groepen







Globalisering



Globalisering = het proces waarin geografisch van elkaar gescheiden individuen en groepen vaker en intensiever met elkaar in contact komen en afhankelijk van elkaar worden



Dit op het gebied van handel, vooral de macht van multinationals speelt hierin een rol. Maar ook op  het gebied internationale politiek, migratie en culturele uitwisseling, moderne communicatie en zelfs ecologisch.



Door voorstanders van globalisering, hyperglobalisten, wordt er gewezen op het groeiperspectief. Bijvoorbeeld voor economische ontwikkeling, technische ontwikkeling om ecologische problemen aan te pakken. Ook zien ze dat mondiale cultuurstromen lokale culturen nieuw leven in blazen. Er zijn internationale organisaties om groei te bevorderen politiek, juridisch, economisch. De tegenstanders van globalisering, andersglobalisten, vinden dat globalisering voor teveel overproductie en overconsumptie heeft gezorgd.



Groeidenken zorgt voor uitputting grondstoffen,  milieuvervuiling en verspilling. De economische crises brachten afhankelijkheid naar voren. Cultureel gezien is er steeds meer een homogene populaire cultuur (cultureel imperialisme uit de VS). Mondiale commerciële media zorgt voor weinig differentiatie en marginalisering politiek en maatschappelijk nieuws.  Digitale ontwikkeling maakt het te makkelijk kanalen te starten en ook politiek heeft het grote invloed.



Verschillen hyper en andersglobalisten op een rij:



· Korte termijn vs. Lange termijn.  




  • Duurzaamheid tegenover de mogelijkheid en wenselijkheid van economische groei.

  • Verschil in idee over de aard en het vermogen van wetenschap en technologie.

  • Ongelijke verhoudingen door ecologische problemen. Grensoverschrijdend maar niet gelijk.



Het functionalisme paradigma kijkt naar waar en hoe globalisering tot afhankelijkheid leidt. Komt er één wereldsysteem of losse systemen met regionale netwerken van staten?



Het conflict paradigma focust zich erop of globalisering tot nieuwe ongelijkheid en machtsverhoudingen leidt. Er is een theorie dat de verspreiding van het kapitalisme heeft gezorgd voor de verschillend tussen de periferie, semi-periferie en het centrum.



Het sociaal constructivisme paradigma stelt de mening over globalisering centraal. Bedreiging of een mondialer wereldbeeld en het idee uit te maken van de wereldgemeenschap.



opvattingen over globalisering politieke stromingen



Welke gevolgen heeft globalisering op de sociale cohesie?. Thema’s zijn nationale soevereiniteit, bedreiging culturen door dominante westerse, gevolgen voor de economie en ecologie.



Confessionalisme Voor hen zijn lokale gemeenschappen belangrijk en die hoeven niet te verdwijnen met een internationale blik. Vanuit het idee van rentmeesterschap voelen zijn zich ook verantwoordelijk de aarde op de lange termijn te beschermen.



Liberalisme Zij vinden vooral vrijhandel tussen staten belangrijk. Eu belangrijk voor vrijheid, welvaart en veiligheid. Willen negatieve effecten globalisering niet met regels bestrijden, geloven in de markt. Technologie en wetenschap zijn belangrijk en zorgen dat economische groei en duurzaamheid samengaan



Sociaaldemocratie Zij willen vooral dat de internationale gemeenschap zich verzet tegen onrecht. Er moeten morele grenzen gesteld worden aan een sterke economie en er moeten regels komen.  Zij staan voor een eerlijke verdeling en duurzaam gebruik van ruimte en grondstoffen, ook milieuregels.



Hoofdstuk 4 - Verandering in de vorming van mensen



De band tussen de collectieve en persoonlijke identiteit is veel kleiner. Familiebanden en de dominante rol van bijvoorbeeld de kerk is veel kleiner onderdeel van de identiteit. In Nederland is de samenleving ontzuild.



Ook andere collectieve identiteiten zoals de nationale of de klasse waarbij je behoort vervaagden ook. Je persoonlijke identiteit is steeds meer een eigen keuze tussen verschillende groepen en levenswijzen. De diversiteit aan manieren van leven en identiteiten neemt door de globalisering alleen maar toe en hier kies je er een uit. Er bestaan nog steeds sociale bindingen maar deze zijn zelf gekozen en veel meer gebaseerd op specifieke en tijdelijke behoeften. De sociale banden zijn ook flexibeler geworden. Over het algemeen krijgen we bijvoorbeeld later kinderen en scheiden we meer.



Vrijheid is niet onbeperkt: bij socialisatie vooral door anonieme controlemechanismen word ons ‘’normaal’’ te zijn. Dit civilisatieproces zorgt voor de schuldcultuur. Daarnaast zorgt de prestatiegerichte individualistische samenleving sowieso voor doelrationeel handelen.



Kanttekeningen bij de vorming van identiteit in de moderne samenleving:



· De vrijheid haalt niet weg dat we nog steeds een afhankelijke en passieve houding hebben




  • De flexibele identiteit is minder solide en stabiel. Maakt een gespleten en instabiele identiteit

  • Minder afhankelijkheid van de natuur maakt ons afhankelijker van techniek

  • De gevraagde zelfsturing is niet voor iedereen haalbaar



Hoofstuk 5 - Veranderingen in de verhouding van mensen



Door de grotere omvang van de markt is de arbeidsverdeling (specialisatie) de afgelopen eeuwen flink toegenomen. Voor bepaalde goederen of diensten ben je steeds afhankelijker van degene die gespecialiseerd zijn. De inzet van kennis en technologie zorgt ook voor meer arbeidsverdeling.



Dit heeft gevolgen voor de sociale ongelijkheid. In een traditionele samenleving met weinig arbeidsverdeling zijn de sociale lagen sterk van elkaar gescheiden. De sociale mobiliteit is laag, je afkomst bepaald grotendeels je toekomst en je kunt jezelf moeilijk hogerop krijgen. In de vroege industriële samenleving was dit ook zo, maar dan gebaseerd op economische klasse. Met de opkomt van wetenschap en technologie en daarmee de arbeidsverdeling wordt opleidingsniveau een steeds belangrijke factor en dus de sociale mobiliteit hoger. Dit in combinatie met de arbeidersbeweging en de verzorgingsstaat zorgde voor een afname van de ongelijkheid. Ongelijkheid lag steeds gevoeliger en sociale grondrechten werden belangrijker De verhoudingen tussen werknemer en werkgever werden in Nederland geïnstitutionaliseerd en een overlegeconomie ontstond. 



De sociale mobiliteit werd dus groter, maar de stratificatie bleef. Nu meer gebaseerd op cultureel kapitaal: vooral opleidingsniveau en levensstijl. Vanaf de 20e eeuw werden de inkomensverschillen weer groter, vermogen is nog ongelijker.



Negatieve aspecten prestatiesamenleving:



· Onderschatten van bijvoorbeeld etniciteit en geslacht als factor voor iemands kansen, omdat we ervan uit gaan dat alles door individuele capaciteiten eerlijk wordt bepaald.



· Toename sociale ongelijkheid door economische globalisering en verzwakking positie werknemer. 



Positieve aspecten prestatiesamenleving:



· Het enorme aanbod jezelf te ontwikkelen, talenten te benutten en je kansen te vergroten.



· Zelfstandig kunnen kiezen van je levensinrichting zorgt voor geen verplichtingen daarin.





Hoofdstuk 6 - Verandering in de binding van mensen



Binding en sociale integratie



De onderlinge verbondenheid is versterkt door integratiemechanismen van de staat. Dit zijn bijvoorbeeld politieke en sociale rechten waardoor alle groepen bij de samenleving worden betrokken en er een nationale cultuur en identiteit ontstaat. Verschillen worden kleiner door bijvoorbeeld sociale zekerheid. Zie weer de geïnstitutionaliseerde arbeidsverhoudingen die met de overlegcultuur hier ook aan bijdroegen. Afname sociale ongelijkheid zorgt voor informalisering relaties en gelijkere aanspraak. Er komt wel steeds meer formaliteit om afspraken vast te leggen.



Binding en maatschappelijk middenveld



Door het dominante wetenschappelijke wereldbeeld is er geen dominante religie meer. Er zijn veel verschillende religies en levensbeschouwingen. De ontzuiling en ontkerkelijking in Nederland lijkt voor een meer individueel getinte affiniteit plaatsgemaakt te hebben. Onder moslims is de verbondenheid sterker.



Het verenigingsleven wordt ook gekenmerkt door minder loyaliteit en meer indirecte en via media lopende betrokkenheid. Ze slagen er wel in de interne samenhang te behouden. Ze zorgen voor sociale cohesie omdat ze als eigen organisatie nadenken over hun bijdrage aan de hele samenleving.



Binding en sociale netwerken



Door de arbeidsverdeling en het grote aantal levensstijlen zijn de verschillen voor groter. We zijn van steeds meer mensen steeds minder afhankelijk. De directe geografische omgeving is minder belangrijkrijk voor menselijk contact en technologische ontwikkeling, vooral informatisering (ICT gebruik op grote schaal), wordt steeds belangrijker. De contacten binnen die grotere digitale netwerken zijn losser, veranderlijker en grootschaliger. De solidariteit is minder sterk en de hechtheid van de bindingen ook. In de pluriforme leefwereld is het wel makkelijker gelijkgestemden te vinden en hier banden mee op te bouwen -> subculturen. De traditionele bindingen staan op losse schroeven, maar zelfgekozen bindingen zijn belangrijker geworden.



Kanttekeningen bij sociale cohesie in de moderne samenleving:



· De cohesie nam toe door de toenemende gelijkheid door de sociale voorzieningen, maar terwijl de individualisering er een groter beroep op doet staat de calculerende mentaliteit van burger er steeds negatiever tegenover. Minder solidariteit.




  • Etnische diversiteit zorgt voor een lagere sociale cohesie. Dit kan komen door schildpadgedrag: percultuur kruipen mensen in hun schulp, of door hun achterstandspositie.

  • Globalisering zorgt voor verlies nationale soevereiniteit en daarmee nationale cohesie. Dit komt ook door migratie, massatoerisme en wereldwijde media. Dit heeft juist ook weer een nationalistische tegenbeweging opgeroepen.

  • De uitbreidende sociale netwerken door techniek zijn niet meer te overzien en reguleren.



Hoofdstuk 7 – paradoxen van modernisering



Verzelfstandiging versus Verafhankelijking



De gespecialiseerde eenheden in de westerse samenleving zijn totaal vrij eigen keuzes te maken maar zijn ook afhankelijk van andere gespecialiseerde eenheden. Hoe zelfstandiger, hoe afhankelijker dus.  Op individueel niveau zijn we minder afhankelijk van natuurlijke omgeving , lichaam (door techniek &wetenschap) en traditionele bindingen van de directe sociale omgeving,  maar ook afhankelijker van de mogelijkheden om de natuurlijke en lichamelijke barrières op te heffen. Daarnaast is de moderne mens veel afhankelijker van bureaucratische/manipulerende systemen en structuren. De afhankelijkheden zijn anoniemer.



Generalisering versus pluralisering



Dit is de schijnbare tegenstelling tussen generalisering van de cultuur, het steeds dominanter worden van een universele cultuur met algemenere ideeën. Dit is versterkt door globalisering. De massa (media) cultuur mondiaal leidt echter ook tot behoefte aan een nieuwe, eigen cultuur: pluralisering.



Rationeel versus emotioneel



Dit is de schijnbare tegenstelling tussen het rationele mensbeeld en het beeld van de mens als irrationeel en emotioneel wezen. De moderne samenleving wordt gekenmerkt door doelgericht rationeel handelen. Voor succes is zelfbeheersing en behoeften uitstellen belangrijk maar aan de andere kant zorgt de welvaart en daarmee komende vrije tijd ervoor dat we meer ons gevoel kunnen uiten op verschillende media. Ook kunnen we al onze behoeften in de consumptiecultuur meteen bevredigen.


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.