maatschappijleer gaat over het gedrag en het handelen van mensen, het gaat ook over actuele maarschappelijke vraagstukken.



Wat is maatschappijleer?



• De Nederlandse samenleving:

Rechtstaat  Hoe ver mag de overheid van jou gaan om de rechtsorde te handhaven en de veiligheid te garanderen.

Parlementaire democratie  Op welke manier kan Nederland volgens jou het beste geregeerd worden?

Pluriforme samenleving  Hoe vind jij dat mensen met verschillende leefwijzen het beste met elkaar kunnen omgaan?

Verzorgingstaat  Wanneer moeten mensen volgens jou hun problemen zelf oplossen en wanneer moet de overheid helpen?





• Maatschappelijke Problemen:

Dit soort problemen vind je op alles vier de bovengenoemde terreinen. We spreken van een maatschappelijk probleem als:

1) Het probleem gevolgen heeft voor grote groepen in de samenleving.

2) Het probleem alleen gemeenschappelijk kan worden opgelost, waardoor de overheid zich moet bezighouden met de oplossing van het probleem.

3) Het probleem te maken heeft met tegenstellingen.



Gevolgen voor grote groepen:

Drugsproblematiek, fileprobleem, toenemende agressie, dit zijn zaken waarbij grote groepen mensen betrokken zijn. Soms merk je de gevolgen van bepaalde problemen niet meteen, hier gaan we ons op lange termijn zorgen over maken.

De Overheid bemoeit zich ermee:

Om een maatschappelijk probleem aan te pakken zijn vaak nieuwe regels en wetten nodig. Het kan ook voorkomen dat het meteen een politiek probleem wordt, omdat gekozen politici de taak hebben om oplossingen te bedenken.

Tegenstellingen:



Voor een oplossing (bij een maatschappelijk probleem), moeten er altijd tegengestelde belangen en normen en waarden tegen elkaar worden afgewogen.

• Politieke visies: bv.: om het fileprobleem op te lossen willen automobilisten graag meer en bredere snelwegen, maar milieuactivisten willen goedkoper openbaar vervoer.

• Geloofs- of levensovertuigingen: mensen die streng christelijk zijn, willen bijvoorbeeld dat abortus verboden wordt. Iemand die niet gelovig is heeft daar minder moeite mee.

• Sociaaleconomische posities: Een werkgever wil liever zo min mogelijk premies betalen, terwijl iemand zonder werk belang heeft bij een goede uitkering.



In veel gevallen maken ministers en 2de Kamerleden een afweging en kiezen voor een bepaalde oplossing, ook wel compromis genoemd.





2. De Kernbegrippen

- Normen & Waarden:

Waarde: is een uitgangspunt of principe dat mensen belangrijk en nastrevenswaardig vinden.( eerst een kind redden daarna een hond).

Sommige waarden vinden we bijna allemaal belangrijk, zoals eerlijkheid. Waarden leiden bijna altijd tot regels over het gedrag van mensen en zo’n regel noemen we een norm. Een Norm is een gevolg van een waarde. Als je veel waarde hecht aan eerlijkheid (waarde) volgt daaruit dat je niet steelt en dat je ook van anderen verwacht dat ze niet stelen (norm).

Normen: Opvattingen over hoe je op grond van een bepaalde waarde behoort te gedragen.

Een Norm is een Sociale Verplichting, een verplichting die je in bepaalde situaties wordt opgelegd door je omgeving.

Waarden die op een concreet niveau liggen en die je heel graag wilt verwezenlijken, noemen we ook wel idealen.



• Belangen:

Belang: is het voor- of nadeel dat iemand ergens bij heeft.

Een belang heeft vaak met financieel voor- of nadeel te maken, maar niet altijd. Scholieren hebben bv. Belang bij goed en inspirerend onderwijs, allemaal hebben we belang bij schone lucht en gezond voedsel.



• Macht:

Macht: is het vermogen om het gedrag van anderen te beïnvloeden.

(School  Docenten)

Gezag: is macht dat officieel is vastgelegd (formele macht).

Deze vormen van machtsuiting moeten worde geaccepteerd omdat ze in regels en wetten zijn vastgelegd.

Invloed: (informele macht) die bijvoorbeeld in een vriendengroep kan bestaan en dus niet in regels is vastgelegd.

Mensen kunnen alleen macht uitoefenen aan de hand van Machtsbronnen, zoals geld, functie, kennis, aanzien enz. deze machtsbronnen kunnen als machtsmiddelen worden gebruikt.

Machtsmiddelen: Middelen waarmee je het gedrag van een ander kunt beïnvloeden.



- Veranderingen:

• Plaats: voorbeeld, gastvrijheid is in oosterse culturen een belangrijkere waarden dan in Nederland.

• Tijd: voorbeeld, tegenwoordig hebben mensen geen belang meer bij het krijgen van kinderen, vroeger was dat wel belangrijk, omdat ze dan voor je konden zorgen als je oud was.

• Groep: voorbeeld, Rechts-radicale jongeren zetten zich af tegen de multi0etnische samenleving en komen in hun ogen op voor het eigen volk.

Als veel mensen rekening houden met wat andere vinden en de manier waarop ze leven, ontstaat er meer Sociale Cohesie.(het gevoel hebben bij elkaar te horen).



Het Analyse schema

Kernbegrippen Maatschappelijk probleem – Belangen – Waarden & Normen – Macht & Machtsmiddelen – Overheid – Oplossingen – Mening – Bronnen.





3. Wat is waar & Wat is niet waar?

Betrouwbaarheid:

- Wordt er bij cijfers en andere gegevens een bronvermelding genoemd?

- Is er duidelijk onderscheid tussen feiten & meningen?

- Wortdt iets van verschillende kanten bekeken?

Bronvermelding  cijfermateriaal  Het Centraal Bureau voor Statistiek.

Feiten & Meningen: feiten  objectief, omdat ze iets zeggen over de werkelijkheied.

Meningen  Subjectief, omdat ze vooral iets zeggen over degene die de mening geeft.



Zender & Ontvanger: wat kan er mis gaan?

- De ontvanger ontvangt de informatie verkeerd.

- De zender zendt de informatie verkeerd uit

- Door informatieoverdracht ontstaan vooroordelen.



Selectieve Waarneming  Elke informatie wordt zodanig vervormd dat deze zo veel mogelijk past in ons referentiekader. (vb: als iemand verongelukt door een dronken automobilist die je niet kent is het nieuws minder waard voor jou maar zodra je hoort dat het een familielid/vriend is dan ben je eerder geneigd om de automobilist de schuld te geven). Referentiekader  Alles wat je bezit aan kennis, ervaringen, normen, waarden en gewoonten. Als je je bewust bent van je referentiekader kun je zo objectief mogelijk kijken.



Manipulatie en Indoctrinatie:

Aan de kant van de zender kan informatie worden verdraaid, in dit geval worden feiten opzettelijk weggelaten of verdraaid zonder dat de ontvanger dit merkt.

Propagana  Doelbewust eenzijdige informatie wordt gegeven met als doel de mening van mensen te beïnvloeden. (reclame, niet opbjectief).

Indoctrinatie  langdurig, systematisch en heel dwingend eenzijdige opvattingen en meningen worden opgedwongen aan het publiek. (dicatatuur).



Discriminatie:

Stereotypering  Je hebt een vastaand beeld van een hele groep mensen. (dikke duitsers, domme blondjes).

Vooroordeel  over iets of iemand oordelen zonder dat je die persoon of die zaak hebt leren kennen.

Discriminatie  Waarbij mensen een bepaalde groep anders behandelt op grond van kenmerken die in de gegeven situatie niet van belang zijn. Discriminatie begint met vooroordelen.



Kenmerken:

- Huidskleur of ras (rascisme).

- Leeftijd.

- Seksualiteit (homo, hetero, biseksueel).

- Sekse (man of vrouw  Seksisme)

- Geloof

- Uiterlijk ( rood haar).





Rechtstaat~



Wat zijn rechtsregels? Wat hebben rechtsregels te maken met rechtvaardigheid? Hoe is het rechtssysteem ingedeeld?



Soorten regels:

Maatschappelijke normen: komen voort uit geloof, tradities en gewoonten. Regels die niet opgeschreven staan in de grondrechten maar wel van belang zijn, zoals iemand een hand geven.

Rechtsnormer: gedragsregels die door de overheid wettelijk zijn vastgelegd.



Normenbesef: Wat is rechtvaardig?

Maatschappelijke normen zijn soms rechtsregels.



Rechtsgebieden: Publiekrecht



Privaat recht.

Rechten: Datgene waar je recht op hebt

Plichten: Datgene wat je moet doen.



Publiekrecht:

- Staatsrecht, regels voor de inrichting van de Nederlandse staat staan hier in vastgesteld.

- Bestuursrecht: Verhouding tussen burger en overheid staat hier centraal.

- Strafrecht: bestaat uit alle wettelijke strafbepalingen.



Privaatrecht: (burgerlijkrecht)

Regelt de betrekkingen tussen byrgers onderling.

- Het Personen- en Familierecht. (huwelijk, geboorte)

- Het ondernemingsrecht. (rechtspersonen). Oprichten van Stichting, vereniging of BV.

- Het vermogensrecht. (vermogen en in geld ). (koop- huur overeenkomst sluiten).



Rechten & Plichten.

Belastingplicht  geldt voor iedereen met een inkomen.

Leerplicht: iedereen tussen 15 & 17 jaar moet naar school.

Identificatieplicht

DNA plicht  voor mensen die veroordeeld zijn.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.