Gezocht: vmbo-scholieren uit jaar 3 of 4! Vul deze vragenlijst over het mbo in, en maak kans op een cadeaubon van 25 euro.

Meedoen

Verzorgingsstaat

Beoordeling 6.9
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 3171 woorden
  • 16 juni 2010
  • 6 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.9
  • 6 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!

ML SAMENVATTING VERZORGINSSTAAT

§1: Waarom werken we?
We definiëren werk of arbeid als iedere menselijke bezigheid die verricht wordt:
- Binnen een maatschappelijk geregelde behoefte;
- Met het doel het leveren van een product of een dienst.
__________________________________________________________________________
Een verzorgingsstaat is een land waar de overheid zich verantwoordelijk stelt voor het welzijn van de burgers.
___________________________________________________________________________
De Amerikaanse psycholoog Maslow onderscheidt vijf basisbehoeften of prikkels die ten grondslag liggen aan het menselijke gedrag; de piramide van Maslow:

Pas als het onderste bereikt is, kan hetgeen erboven belangrijk worden; hoe lager, hoe belangrijker.
__________________________________________________________________________________
Het arbeidsethos, de waarde die mensen aan arbeid toekennen, wordt enerzijds bepaald door de sociaal-culturele omstandigheden (algemeen geldende normen en waarden) en anderzijds door de sociaaleconomische situatie.
Zo vonden vroeger de rijken lichamelijk arbeid iets voor armen en slaven. Onder invloed van het calvinisme veranderde dit, ze gingen het als een morele plicht beschouwen.
In de 19e eeuw kwamen het socialisme en liberalisme op. Tegenwoordig wordt behalve werken als maatschappelijke plicht ook de mogelijkheid tot zelfontplooiing benadrukt.
__________________________________________________________________________________
De maatschappelijke positie is de plaats die iemand heeft op de maatschappelijke ladder.
De waardering van de verschillende soorten werk verandert in de loop van de tijd.
__________________________________________________________________________________
De maatschappelijke posities van mensen leiden tot een gelaagdheid in de structuur van de samenleving die we aanduiden met de term sociale stratificatie: de verdeling van de samenleving in maatschappelijke klassen waartussen een verhouding van sociale ongelijkheid bestaat.
Sociale ongelijkheid betekent dat er een ongelijke verdeling van welvaart, macht en sociale privileges bestaat.
Tegenwoordig is er een grotere sociale mobiliteit, de mogelijkheid om te stijgen of dalen op de maatschappelijke ladder, dan voor de Tweede Wereldoorlog.
__________________________________________________________________________________
§2: De sociale partners
Werkgevers en werknemers zijn van elkaar afhankelijk. Zij hebben gedeeltelijk dezelfde belangen. We noemen werkgevers en werknemers dan ook wel de sociale partners.
In bedrijven met meer dan vijftig werknemers bestaat er een wettelijk vastgelegde vorm van medezeggenschap, namelijk de ondernemingsraad (or). Zij mogen over sommige kwesties meebeslissen.
De or heeft instemmingbevoegdheid bij personele aangelegenheden; ze mogen dus meebeslissen.
De or heeft alleen adviesbevoegdheid bij bedrijfseconomische beslissingen zoals fusie, overname en reorganisatie van het bedrijf.
__________________________________________________________________________________
Rond 1900 gingen de verschillende vakbonden samenwerken in landelijke vakcentrales. De belangrijkste is tegenwoordig de FNV (Federatie Nederlandse Vakbewegingen).
Het doel van de vakbeweging is de belangenbehartiging van werknemers. In dit kader zijn van belang
- Arbeidsvoorwaarden
- Arbeidsomstandigheden
- Arbeidsverhoudingen
- Rechtspositie
- Sociale zekerheid
- Werkgelegenheid
De leden kunnen individueel bij een vond aankloppen als ze problemen hebben in hun werksituatie. De vakbonden houden zich ook bezig met de collectieve belangen van groepen werknemers.
De vakbonden proberen altijd eerst te onderhandelen. Als dit niet werkt, hebben ze pressiemiddelen tot hun beschikking zoals het werk stopzetten, staken, of een gerechtelijke procedure starten.
__________________________________________________________________________________
Werkgeversorganisaties hebben als belangrijkste doelen:
- Het behartigen van de belangen van ondernemers
- Het bevorderen van een goed ondernemersklimaat door het bewerkstelligen van lage kosten en een gunstige concurrentiepositie ten opzichte van het buitenland
- Het bevorderen van onderlinge eenheid
- Onderlinge ondersteuning
Zij hebben ook middelen om hun doelstellingen te realiseren. Zo is hun belangrijkste troef de werkgelegenheid, die ze naar lagelonenlanden kunnen verplaatsen. Ook kunnen ze gerechtelijke procedures beginnen bij bijv. stakingen.
__________________________________________________________________________________
Op landelijk niveau overleggen de vakbonden en de werkgeversorganisaties in de Sociaal-Economische Raad (SER) en de Stichting van de Arbeid.
Als beide partijen het met elkaar eens zijn, wordt er een centraal akkoord gesloten dat als richtlijn dient voor verdere onderhandelingen op bedrijfstakniveau.
Een bedrijfstak is een groep gelijke bedrijven, zoals de metaalsector en de horeca.
Het belangrijkste doel van het overleg op bedrijfstakniveau is het afsluiten van een collectieve arbeidsovereenkomst.
Een collectieve arbeidsovereenkomst (cao) is een overeenkomst tussen werkgevers en werknemers over arbeidsvoorwaarden en alle andere zaken waarover men afspraken wil maken.
Iedere cao moet worden voorgelegd aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Als hij de cao algemeen verbindend verklaart, geldt deze voor alle werkgevers en werknemers in de bedrijfstak. Hij kan de cao ook onverbindend verklaren, dan moeten de sociale partners weer in overleg.
Een cao brengt in het algemeen arbeidsrust. Werknemers hebben de zekerheid van goede afspraken en werkgevers worden niet meer verrast door plotselinge eisen van hun werknemers. Deze arbeidsrust is betrekkelijk, doordat werkgevers vaak meer bieden dan de cao hen verplicht, zoals een hoger loon. Daarnaast verschillen bedrijven sterk in hun secundaire arbeidsvoorwaarden, zoals een auto van de zaak en extra pensioensvoorzieningen.
__________________________________________________________________________________
In een harmoniemodel willen partijen gezamenlijk oplossingen zoeken, uitgaande van hun wederzijdse afhankelijkheid.
In een conflictmodel worden juist de belangentegenstellingen tussen werkgevers en werknemers benadrukt.
De FNV heeft wat meer de neiging om het conflictmodel te hanteren, terwijl het CNV en de Unie MHP eerder voor het harmoniemodel gaan. .
In de jaren 50, tijdens de wederopbouw, werkten de vakbonden nauw samen met de overheid en de werkgevers om de lonen laag te houden. In de jaren 60 ging het economisch goed, dus konden de lonen flink stijgen. Dit veranderde in de jaren 70 toen de economie stagneerde. Daardoor kwamen werkgevers en werknemers steeds vaker tegenover elkaar te staan.
In de jaren 80 ontstond het poldermodel, waarin de sociale partners met de overheid verregaande afspraken maken, waarbij iedereen iets van zijn wensen terugvindt. In de jaren 90 ontstond er (hierdoor) weer een economische groei.
__________________________________________________________________________________
Al decennia lang verdwijnt er vooral laaggeschoolde werkgelegenheid richting lagelonenlanden, omdat het daar goedkoper is.
Een ander voorbeeld van een externe factor die vooral multinationale bedrijven betreft, is de toegenomen invloed van aandeelhouders en investeerders als derde partij naast werkgevers en werknemers. Zij denken primair in termen van rendement, en eisen van directies maximale groei, desnoods door fusies en door opsplitsing en doorverkoop van het bedrijf in onderdelen. Dit overkwam bijvoorbeeld de ABN AMRO bank.
§3 Van nachtwakersstaat tot verzorgingsstaat
In de gedachtegang van de liberalen moet de overheid zich altijd terughoudend opstellen.
In de visie van de sociaaldemocraten bemoeit de staat zich actief met het productieproces, maar blijft de vrije, ondernemingsgewijze productie gehandhaaft.
De confessionelen of christendemocraten nemen een tussenpositie in. Zij vinden dat werknemers en werkgevers in beginsel gezamenlijk, in harmonie, de economie moeten vormgeven. Pas als dit niet lukt moet de staat ingrijpen.
__________________________________________________________________________________
Aan de basis van de vrijemarkt-gedachte staan de ideeën van de econoom Adam Smith, die daarmee als grondlegger van het klassieke liberalisme wordt geschouwd. Volgens Smith werkte de wet van vraag en aanbod, via het prijsmechanisme. Het prijsmechanisme zorgt ervoor dat die goederen worden geproduceerd waar behoefte aan is, in precies de gewenste hoeveelheid, tegen de juiste prijs.
Een economie die gebaseerd is op een ongehinderde werking van dit prijsmechanisme noemen we een vrijemarkteconomie.
In de opvatting van de aanhangers van de vrijemarkteconomie was de rol van de overheid beperkt. De staat was een nachtwakersstaat waarin de overheid vooral moest zorgen voor veiligheid en het beschermen van de bezittingen van de burgers.
__________________________________________________________________________________
Vanuit een aantal overwegingen ontstond in de loop van de negentiende eeuw het inzicht dat de staat moest ingrijpen in de vrije markt:
- De christendemocraten wilden de zwakkeren een betere bescherming bieden
- De socialisten streefden naar betere leefomstandigheden en een sterkere rechtspositie van de arbeiders
- De liberalen hadden belang bij een vermindering van de criminaliteit, die een onvermijdelijk gevolg was van de grote armoede
Als gevolg van deze opvattingen werd er een aantal sociale wetten aangenomen, zoals de Armenwet uit 1954 en het verbieden van kinderarbeid (1874).
Begin 19e eeuw ontstond er behoefte aan voorzieningen die de vrije markt niet uit zichzelf produceerde zoals wegen en scholen. Daarmee kwam er een economie waarbij niet alles aan het marktmechanisme werd overgelaten, maar waarin de overheid een voorwaardenscheppende en producerende rol vervult. We noemen dit een gemengde markteconomie.
__________________________________________________________________________________
Na 1945 leerden verschillende partijen om samen te werken (verzet) en was wederopbouw en een rechtvaardige samenleving noodzakelijk. Er bestond dus een groeiende noodzaak en de bereidheid om samen te werken.
Na de oorlog was het noodzakelijk dat de lonen laag waren, want er was weinig geld. Daarom werd een geleide loonpolitiek gevoerd: niet de werkgevers, maar de regering besliste hoe hoog de lonen mochten zijn.
Na de oorlog bestond de regering vooral uit de katholieke KVP en de sociaaldemocratische PvdA. De confessionele inbreng zien we vooral terug in de oprichting van talloze adviesorganen zoals de Stichting van de Arbeid en de SER. De sociaaldemocratische inbreng zie je terug aan het geleidelijk aannemen van sociale wetten.
__________________________________________________________________________________
Als eerste naoorlogse sociale voorziening voerde de legendarische minister Willem Drees (PvdA) in 1956 de Algemene Ouderdomswet (AOW) in, die kostwinners na hun 65e jaar van een blijvend inkomen voorzag.
Niet alleen werd gezorgd voor een gegarandeerd inkomen, er werden ook maatregelen getroffen om het welzijn van mensen te vergroten. Zo werd de kinderbijslag ingevoerd, net zoals het ziekenfonds en studiebeurzen.
Mensen waren nu bij ziekte, ouderdom of arbeidsongeschiktheid verzekerd van een inkomen: het socialezekerheidsstelsel als ‘ruggengraat’ van de verzorgingsstaat.
__________________________________________________________________________________

§4: Sociaaleconomische doelstellingen
Al in 1951 formuleerde de SER vijf belangrijke doelstellingen voor het sociaaleconomisch beleid van de overheid die nog steeds de basis vormen van het overheidsbeleid:
- Een evenwichtige economische groei
- Een rechtvaardige inkomensverdeling
- Een evenwichtige betalingsbalans
- Een stabiel prijsniveau
- Een evenwichtige arbeidsmarkt
__________________________________________________________________________________
Een evenwichtige economische groei betekent dat de economische bedrijvigheid evenwichtig over het hele land is gespreid en niet ten koste mag gaan van andere behoeften zoals een leefbaar milieu.
Doordat de meeste werkgelegenheid zich in de Randstad bevindt, is de welvaart daar hoger. De overheid kan dit compenseren door bijvoorbeeld in andere gebieden de bedrijfsbelasting te verlagen.
__________________________________________________________________________________
Met een rechtvaardige inkomensverdeling wordt bedoeld dat de verschillen tussen inkomens niet al te groot zijn. De Nederlandse overheid probeert dit te bereiken door:
- Een progressief belastingstelsel: mensen die veel verdienen betalen relatief meer inkomensbelasting
- Het minimumloon, gebaseerd op het bedrag dat iemand nodig heeft om rond te komen
- Uitkeringen, voor mensen die niet zelfstandig in hun levensonderhoud kunnen voorzien
- Subsidies, zoals huur- en zorgtoeslag voor mensen die te weinig verdienen.
__________________________________________________________________________________
De betalingsbalans van een land is een overzicht van alle grensoverschrijdende geldstromen met het buitenland. Wij zijn erbij gebaat dat deze evenwichtig blijft (import en export hetzelfde).
Het saldo op de betalingsbalans heeft sterke invloed op de andere doelstellingen en omgekeerd. Als Nederland de lonen bijvoorbeeld minder laat stijgen dan omringende landen kan het een sterkere handelspositie nastreven.
__________________________________________________________________________________
Bij een dalende koopkracht, het vermogen om goederen of diensten te kopen, ontstaat er inflatie. Prijzen en lonen staan dus in een directe verbinding met elkaar. Om invloed te hebben op de prijzen, de lonen en de inflatie praat de overheid tijdens het najaarsoverleg met de Stichting van de Arbeid waarin men probeert afspraken te maken over het te voeren arbeidsvoorwaardenbeleid. Ook kan de minister van Sociale Zaken in uitzonderlijke situaties via een loonmaatregel loonmatiging voor alle bedrijfstakken dwingend opleggen.
__________________________________________________________________________________
De arbeidsmarkt is een denkbeeldige plaats waar vragers naar en aanbieders van werk elkaar ontmoeten.
Het aanbod van arbeidskrachten bestaat uit de beroepsbevolking, dat wil zeggen alle mensen die mogen en kunnen werken.
De vraag naar arbeidskrachten komt overeen met de werkgelegenheid.
Als de vraag naar werk groter is dan het aanbod is er werkeloosheid. We onderscheiden daarbij:
- Frictiewerkeloosheid, bijvoorbeeld als werknemers van de ene baan naar een andere overstappen en daardoor voor korte tijd geen werk meer hebben.
- Seizoenswerkeloosheid, door seizoengebonden werkzaamheden, zoals het exploiteren van een strandpaviljoen.
- Conjuncturele werkeloosheid, in perioden van economische laagconjunctuur, dat wil zeggen een tijdelijke periode van afnemende vraag
- Structurele werkeloosheid, als werk structureel verdwijnt, bijvoorbeeld door automatisering of door verplaatsing van bedrijfsonderdelen naar lagelonenlanden.
__________________________________________________________________________________
Vooral arbeidsintensieve werkgelegenheid is grotendeels verplaatst naar lagelonenlanden. (Globalisering)
Door steeds meer scholing zien we nieuwe werkgelegenheid vooral in sectoren waar hoogwaardige kennis voor nodig is, zoals de ICT en de commerciële dienstverlening.
Door Europeanisering komen steeds meer Oost-Europese werknemers naar Nederland (bijv. in de bouw). Dit kan leiden tot verdringing van Nederlandse werknemers.
Het traditionele rolpatroon van de beroepsbevolking is veranderd. Kenmerken van de huidige beroepsbevolking zijn:
- Jongeren treden vaak pas na hun twintigste tot de arbeidsmarkt toe
- 90% van de mannen tussen 25 en 60 jaar werkt, soms in deeltijd
- 80% van de vrouwen tussen 25 en 60 jaar werkt, vaak in deeltijd
- De meeste ouderen stoppen al vóór hun 65ste
Kozen mensen vroeger een baan voor het leven in vaste dienst, tegenwoordig hebben zowel werkgevers als werknemers meer behoefte aan flexibele arbeidskrachten. Je werkt bijvoorbeeld thuis (telewerk), je werkt alleen als je baas je nodig heeft (oproepkracht) of je hebt een tijdelijk contract. (Flexibilisering)

§5: De sociale zekerheid geregeld
Er zijn verschillende soorten verzorgingsstaat.
Het Scandinavisch model bestaat uit een pragmatisch systeem met als kernwoord flexicurity, een combinatie van een flexibele arbeidsmarkt en een sterke sociale zekerheid.
Scandinavische landen kennen een hoge collectieve lastendruk, voornamelijk door de hoge uitgaven en inspanningen op het gebied van kinderopvang en onderwijs. Deze voorzieningen hebben ertoe geleid dat de arbeidsparticipatiegraad bij vrouwen relatief hoog is. Dit model wordt ook wel het sociaaldemocratisch model genoemd.
__________________________________________________________________________________
Aan de basis van het Angelsaksisch model staan liberale waarden als zelfredzaamheid, particulier initiatief en vrijheid. Dit model zie je in Engeland en Amerika. De overheid heeft een bescheiden rol, uitkeringen en dergelijke komen nauwelijks voor. Daartegenover staat dat de collectieve sector veel kleiner is dan bij ons.
__________________________________________________________________________________
Het Rijnlands model is een aanduiding voor de gemengde economische orde waarbij de markt sterk wordt ingeperkt door aan de ene kant een ver ontwikkelde collectieve sector en daarnaast een harmonieuze samenwerking tussen overheid en de sociale partners. Hierin zijn alle uitkeringen en zekerheden goed geregeld.
__________________________________________________________________________________
Deze verschillende soorten verzorgingsstaat worden door economen vergeleken op basis van 2 criteria: efficiëntie en rechtvaardigheid;
- Het Scandinavische model scoort op beide punten goed
- Het Angelsaksische model scoort op efficiëntie goed, maar op rechtvaardigheid minder
- Het sociaaldemocratische model scoort lager op efficiëntie, maar hoger op rechtvaardigheid.
__________________________________________________________________________________
In het naoorlogse Nederland kreeg de overheid steeds meer taken:
- Economische taken, zoals het stimuleren van werkgelegenheid en het bestrijden van inflatie
- Ondernemerstaken, zoals het financieren en produceren van goederen en diensten, waaronder de zorg voor goed openbaar vervoer en een schoon milieu.
- Sociale taken, zoals het verstrekken van uitkeringen en subsidies
- Welzijnstaken, zoals het maatschappelijk en sociaal-cultureel werk
- Culturele taken, zoals het beheren van bibliotheken en musea
__________________________________________________________________________________
Een belangrijk deel van de verzorgingsstaat bestaat uit het verlenen van uitkeringen en subsidies. Deze duiden we aan met de term sociale zekerheid.
De sociale zekerheid valt uiteen in twee hoofdgroepen: sociale verzekeringen en sociale voorzieningen:
Sociale verzekeringen zijn verplicht. Je moet premie betalen om je te verzekeren tegen een bepaald risico. Sociale verzekeringen vallen uiteen in volksverzekeringen en werknemersverzekeringen.
Voor volksverzekeringen betaalt iedereen, de uitkeringen zijn dan ook voor iedereen bestemd en voor iedereen gelijk, zoals de AOW, de Algemene Nabestaandenwet (ANW) en de Algemene Kinderbijslagwet (AKW)
Werknemersverzekeringen zijn speciaal bedoeld voor werknemers. De uitvoeringen van de verzekeringen gebeurt meestal door het UWV. De drie belangrijkste werknemersverzekeringen zijn:
- De Werkeloosheidswet (WW) voorziet in een inkomen als een werknemer onvrijwillig werkloos wordt.
- De Wet uitbreiding loondoorbetalingplicht bij ziekte (WULBZ) verplicht werkgevers om werknemers bij ziekte gedurende maximaal één jaar een uitkering van 70% van het laatstverdiende loon te verstrekken.
- De Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) voorziet in een inkomen voor werknemers die als gevolg van langdurige ziekte of een ongeval niet in staat zijn om te werken.
Sociale voorzieningen zijn bestemd voor mensen die geen aanspraak kunnen maken op een sociale verzekering, bijvoorbeeld omdat ze nog nooit gewerkt hebben.
De bekendste sociale voorziening is de bijstand, die geregeld is in de Wet werk en bijstand (WWB)
Er is algemene bijstand voor noodzakelijke kosten als voeding, huur en kleding. Er is ook bijzondere bijstand voor ongewone, extra kosten (bijvoorbeeld als je wasmachine kapot gaat).
__________________________________________________________________________________
Iemand heeft alleen recht op bijstand, als hij aan de sollicitatieplicht voldoet; hij moet actief op zoek zijn naar werk.
Een andere plicht die bij de verzorgingsstaat hoort is de plicht om premies te betalen voor de verplichte volks- en werknemersverzekeringen. Wanneer iemand dit niet doet, krijgt hij geen uitkering en kan hij zelfs juridisch worden vervolgt.
__________________________________________________________________________________

§6: De verzorgingsstaat onder druk
Langzamerhand bleek dat een groter aantal mensen een uitkering nodig hadden en dat er misbruik werd gemaakt van de sociale verzekeringen. Dit maakte dat het socialezekerheidsstelsel onbetaalbaar dreigde te worden.
Dit soort misbruik leidde onder andere tot calculerend gedrag: werkenden gingen meer naar hun eigen voordeel kijken en gingen vaker zwartwerken om premies te ontlopen.
Door de oliecrisis in 1973 steeg de werkeloosheid, waardoor ook het aantal uitkering en dus ook de collectieve uitgaven verder stegen.
__________________________________________________________________________________
In de jaren 80 besloot men om de arbeidstijdverkorting (atv) in te voeren, zodat er meer banen beschikbaar kwamen. Een ander middel was de VUT-regeling (vrijwillig vervroegde uittreding) die het voor werknemers mogelijk maakte om eerder te stoppen met werken met behoud van 70% van het laatstverdiende loon.
Ook werden er een aantal maatregelen genomen zoals ID-banen; aanvullende werkgelegenheidsprojecten voor laaggeschoolde langdurige werklozen.
Ook moest er bezuinigd worden. Een aantal maatregelen zijn:
- Het begrip passende arbeid is verruimd; werklozen moeten een aangeboden baan eerder accepteren, ook al sluit deze niet helemaal aan bij zijn opleiding
- Mensen die arbeidsongeschikt zijn (WAO’ers) worden strenger gekeurd.
- Bijstandsleeftijd verhoogt naar 21 i.p.v. 18
- De gemeenten hebben een verhaalsplicht opgelegd gekregen voor de bijstand. Zo moet de ex-man van een gescheiden vrouw meebetalen aan de bijstand.
- Er is strengere controle op fraude.
__________________________________________________________________________________
Toch bleven sommige burgers in de bijstand. Als ze gingen werken zouden ze nauwelijks meer geld krijgen en raakten ze allerlei toeslagen kwijt. Dit wordt de armoedeval genoemd en leidde tot blijvende afhankelijkheid van de uitkering.
Weinig bedrijven deden ook aan re-integratie voor werknemers die (langdurig) ziek waren.
_________________________________________________________________________________

Werknemers werden vaak ziek door slechte arbeidsomstandigheden. Zolang de overheid dit betaalde maakte het voor de werkgevers niets uit. De overheid nam daarom de volgende maatregelen:
- De arbeidsomstandighedenwet of Arbowet werd ingevoerd met richtlijnen op het gebied van veiligheid, gezondheid en welzijn.
- De Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte of WULBZ verplicht werkgevers om zieke werknemers gedurende 2 jaar 70% van hun loon door te betalen.
- Met de Wet poortwachter hebben werkgevers en werknemers bij ziekte een actievere rol in het re-integratieproces. Als een werknemer meer dan 6 weken ziek is, dan moeten werkgever en werknemer samen een plan van aanpak opstellen om concreet aan zijn terugkeer te werken. (MARKTWERKING)
- De ziekenfondswet is omgevormd tot de nieuwe Zorgverzekeringswet waarbij iedereen zelf verantwoordelijk is voor zijn eigen ziektekostenverzekering.
§7: De toekomst van de verzorgingsstaat
Positieve gevolgen van de maatregelen om de verzorgingsstaat beheersbaar te houden:
- De overheidsuitgaven zijn aanzienlijk gedaald.
- Het aantal mensen met een baan is sterk gestegen.
- Het aantal volledig arbeidsongeschikte mensen is gedaald. Vooral het aantal nieuwe gevallen is erg gedaald.
- Fraude en oneigenlijk gebruik van uitkeringen is aanzienlijk gedaald.
- Het ziekteverzuim is de laatste jaren gedaald.

Negatieve gevolgen van de maatregelen om de verzorgingsstaat beheersbaar te houden:
- De bezuinigingen op de uitkeringen hebben gezorgd voor een verminderde koopkracht van mensen met een uitkering.
- Werkgevers betalen tegenwoordig zelf de kosten van ziekte en arbeidsongeschiktheid. Ze kijken bij sollicitaties meer naar de gezondheid van mensen.
- Sinds de herdefiniëring van het begrip passende arbeid moeten werklozen eerder een baan accepteren die niet past bij hun opleiding.
- Door de strengere herkeuringen zijn veel arbeidsongeschikten hun uitkering kwijtgeraakt en vallen terug op een veel lagere bijstandsuitkering.
- Door de bezuinigingen in verzorgingstehuizen is er te weinig personeel.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.