Thema C de Verzorgingsstaat

Beoordeling 7.5
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 2470 woorden
  • 13 april 2015
  • 3 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.5
  • 3 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode

Thema C

De verzorgingsstaat



Hoofdstuk 7 De Nederlandse verzorgingsstaat.



Als je een eigen bedrijf opzet, en je zelf beslist wat je produceert en waar je dat produceert. Behoort je bedrijf tot de particuliere sector (deel van de economie dat door commerciële bedrijven gerund wordt). Ondernemingen en burgers moeten belasting betalen naar draagkracht. Dit geheel wordt de collectieve sector genoemd (deel van de economie dat door de overheid gefinancierd wordt). De particulieren en collectieve sector vormen samen een gemengde economische orde. Naast uitgaven aan defensie, politieagenten, bouw van gevangenissen en wegenaanleg zijn er in een verzorgingsstaat ook veel welzijnsvoorzieningen (door de overheid gefinancierde voorzieningen zoals onderwijs en zorg).



Een groot deel van de collectieve uitgaven gaat naar het stelsel van sociale zekerheid (het geheel van uitkeringen). De staat organiseert de solidariteit tussen mensen die werken, de actieven, en de mensen die niet kunnen werken, de niet-actieven. De actieven moeten een deel van hun inkomen opofferen aan de niet-actieven.



Er zijn drie soorten uitkeringen:



Werknemersverzekering



Deze verzekeringen (NWW = Nieuwe Werkloosheids Wet  en WIA = Wet werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen) zijn voor mensen die in loondienst werken en wordt door hen gefinancierd. De hoogte en de duur van de uitkering worden bepaald door het arbeidsverleden.



Volksverzekeringen



De bekendste voorbeelden van volksverzekeringen zijn de AOW en de kinderbijslag. Voor volksverzekeringen moet door alle werkende mensen premie betaald worden. De hoogte van de premie hangt af van het inkomen, maar de uitkering is voor iedereen even hoog.



Sociale voorzieningen



De sociale voorzieningen, zoals de Wet Werk en Bijstand, worden betaald uit belastinggeld, zoals het onderwijs en het leger. Iedereen betaalt naar draagkracht belasting, maar krijgt niets uitbetaald als hij of zij de sociale voorziening niet nodig heeft. Geld uit een sociale voorziening krijg je alleen als je geen beroep kunt doen op een sociale verzekering en zelf geen vermogen hebt. Men krijgt precies wat men nodig heeft om minimaal van te kunnen leven. Dit wordt het sociaal minimum genoemd.



De overheid bepaalt ieder jaar de hoogte van het wettelijk minimum(jeugd)loon; minder mogen mensen in Nederland niet verdienen. De sociale partners, zoals de werkgeversorganisatie VNO/NCW en MKB, en de werknemersorganisaties van het FNV en het CNV maken jaarlijks onderling afspraken in cao’s. daarin regelen ze bijvoorbeeld wat de lonen zijn en hoe de kwaliteit van de arbeid in bedrijfstakken verbeterd kunnen worden





1800-1870: liefdadigheid



Nederland was van 1800 tot 1870 een nachtwakersstaat; de overheid moest alleen het privébezit van burgers beschermen en zich niet met het economisch leven bezig houden. Vakbonden waren verboden en stakingen of oproeren sloeg de politie hardhandig neer. Nederland was ook een gesloten samenleving waar iedereen in zijn eigen sociale laag bleef.



1870-1900: geboorte van de verzorgingsstaat



Na 1870 industrialiseert en verstedelijkt Nederland in snel tempo. Hierdoor werd de sociale kwestie (de armoede vanaf 1870 door de industrialisatie) duidelijker. In grote steden waren verpauperde arbeiderswijken, zonder riolering of waterleiding en fabrieken met zeer slechte arbeidsomstandigheden. De roep om sociale wetgeving werd steeds luider. Arbeiders kregen in deze periode kiesrecht en vakbonden het recht om te staken. Na een parlementaire enquête kwam de eerste arbeidswet en begon de overheid zich te bemoeien met onderwijs en zorg.



1900-1945: uitbouw van de verzorgingsstaat



Het begin van de 20e eeuw kende een aantal grote veranderingen. De staat introduceerde de leerplicht. Christenen en niet-christenen kregen hun eigen onderwijs en ziekenhuizen, maar de overheid ging alles financieren. De hulp was echter nog steeds een gunst. Steuntrekkers stonden in lange rijen te wachten voordat zij hun karige uitkering in contant geld kregen.



1945-1970: de voltooide verzorgingsstaat



Na de grote economische crisis van de jaren ’30 en de oorlog zei iedere politicus: de armoede van de afgelopen jaren willen we nooit meer. De AOW en de bijstandswet kwamen tot stand. Sociale verzorgingsrechten werden zelfs in de grondwet opgenomen: van gunst naar recht. Na 1975 ontstond grote politieke en maatschappelijke onenigheid over de verzorgingsstaat, die uiteindelijke leidde tot een versobering. Deze crisis van de verzorgingsstaat is nog steeds actueel.



De periode tussen 1870 en 1945 was het hoogtepunt van het beschavingsoffensief (poging van de elite om de arbeiders een net leven bij te brengen). Thuis moest een regelmatig en spaarzaam gezinsleven zijn zonder drankmisbruik en met liefdevolle ouders. Op ambachtsscholen en huishoudsscholen werd een sterke arbeidsdiscipline bij gebracht en woningopzichteressen controleerden of arbeiders hun keuken netjes hadden schoongemaakt.



De eerste sociale wetgeving uit 1874, het kinderwetje van Van Houten, moest de kinderarbeid onder de twaalf jaar in textielfabrieken uitbannen. Het liberale parlementslid Sam van Houten wilde een einde maken aan alle kinderarbeid, maar dat ging de conservatieve meerderheid van het parlement te ver. Door het kinderwetje verdween de kinderarbeid in de industrie, maar niet op het platteland in steenbakkerijen en in naaiateliers. Pas aan het einde van de 19e eeuw toen de leerplichtwet in 1901 werd ingevoerd, verdween de kinderarbeid daadwerkelijk uit Nederland.





In een planeconomie of communistische economie zijn er geen privéondernemingen. Alle bedrijven zijn in het bezit van de gemeenschap: het dorp of de staat. Er is een klasseloze samenleving, dus zonder sociale ongelijkheid. Het tegenovergestelde is een volledige vrijemarkteconomie of kapitalistische economie. Ondernemingen zijn dan in handen van privépersonen, die zoveel winst proberen te maken door anderen weg te concurreren. Nederland heeft als tussenoplossing een verzorgingsstaat. Er is een balans in sociale rechten en plichten tussen overheid en burger.



Linkse of progressieve partijen zijn voor een brede verzorgingsstaat, waarbij de overheid een grote rol speelt bij het herverdelen van de welvaart. Partijen in het politieke midden zijn voor een verzorgingsmaatschappij, waar overheid en maatschappelijke groepen samen de zorg voor de kwetsbare groepen op zich nemen. Rechtse of conservatieve politici willen naar een waarborgstaat, waarbij de overheid alleen een sociaal minimum garandeert voor mensen die niet kunnen werken.



Volgens linkse politici moeten de verschillen tussen de inkomens door belastingheffing kleiner gemaakt worden, dit noem je nivellering. Politici in het midden vinden dat mensen zelf verantwoordelijk zijn voor het verwerven van hun  eigen inkomen. Rechtse politici vinden dat de overheid zo min mogelijk belasting moet heffen. Vooral de hoge belastingtarieven van 50% zijn een doorn in het oog.



Linkse politici willen dat werklozen en arbeidsongeschikten aanspraak kunnen maken op een hoge en eventuele langdurige uitkering en dus niet snel op bijstandsniveau komen. Verder moet er een automatische koppeling zijn tussen lonen en uitkeringen. Als men werkloos wordt, moet passende arbeid aangeboden worden. Politici uit het midden vinden dat de staat goed moet zorgen voor mensen in de bijstand, maar willen vooral werkgevers en werknemers de sociale verzekeringen zelf laten regelen. Rechte politici vinden dat de staat moet zorgen dat de mensen niet onder een bestaansminimum zakken.





Hoofdstuk 8 is de verzorgingsstaat in crisis?



Sociale ongelijkheid houdt in dat beroepsgroepen van elkaar verschillen wat betreft inkomen, aanzien en macht. Er worden zes beroepsgroepen onderscheiden:




  1. Hoog-hoog (hoogleraar, directeur van een groot bedrijf, topambtenaar)

  2. Hoog-laag (arts, advocaat, directer middelgroot bedrijf)

  3. Midden-hoog (leraar, manager, makelaar, beroepsmilitair)

  4. Midden-laag (kleine zelfstandige, administratief personeel, kleine landbouwer)

  5. Laag-hoog (geschoolde arbeider, bijvoorbeeld metselaar)

  6. Laag-laag (werkloze, ongeschoolde arbeider, working-poor, flexwerker)



De primaire inkomensverdeling komt tot stand voordat er belasting is betaald en de secundaire inkomensverdeling nadat er belasting is betaald. Aangezien je meer belasting betaalt als je meer verdiend, wordt de ongelijkheid kleiner. Ten slotte is er nog de tertiaire inkomensverdeling. De eigen individuele verdiensten bepalen de plaats op de maatschappelijke ladder. Sociale mobiliteit is het stijgen en dalen op de maatschappelijke ladder. Bij de armste 10% van de huishoudens zijn drie armoede carrières te onderscheiden:




  • De incidentele armen: de afgelopen tien jaar slechts eenmaal en niet langer dan een jaar rond het sociaal minimum.

  • De herhaaldelijk armen: de afgelopen tien jaar  minstens tweemaal tond het sociaal minimum, maar nooit langer dan twee jaar achter elkaar.

  • De duurzame armen: drie jaar of langer aaneengesloten rond het sociaal minimum.



Vooral de laatste twee groepen dreigen sociaal uitgesloten te worden en een onderklasse te vormen. Een klein deel van de onderklasse zijn sterke werklozen (werklozen die zich goed weten te redden ondanks hun werkloosheid). Bij de zwakke werklozen (werklozen die door hun wekloosheid in armoede vervallen of in psychische problemen komen) heerst moderne of stille armoede.



Volgens conservatieven is Nederland een open samenleving, dus met veel mogelijkheden tot sociale mobiliteit. Volgens linkse politici is Nederland een halfopen samenleving. Mensen gaan hoogstens een trede naar boven op de maatschappelijke ladder. Ten slotte moet er quotering zijn voor stageplekken en langdurig werklozen. Laat ieder bedrijf verplicht een percentage langdurig werklozen in dienst nemen. Politici in het midden betogen dat de overheid in sommige individuele gevallen bijzondere bijstand kan geven, maar dat is niet de kern van hun politiek. Maatschappelijke groepen zouden hulp kunnen bieden om jongeren dichter bij de arbeidsmarkt te krijgen.





Een wij-gevoel is een voorwaarde voor solidariteit, dat wil zeggen dat mensen elkaar in nood willen ondersteunen. De Nederlandse samenleving heeft na 1975 grote veranderingen ondergaan. Drie belangrijke maatschappelijke processen hebben het wij-gevoel in Nederland op de proef gesteld.



Globalisering



Mensen, goederen, diensten, geld en informatie stromen steeds sneller en verder over de wereld.



Individualisering



Mensen willen zo veel mogelijk hun eigen keuzes maken.



Ontideologisering



Veel mensen hangen geen grote ideeën meer aan over de inrichting van de samenleving en over het geloof.



De publieke opinie staat positief tegenover de wettelijke regels van de verzorgingsstaat, de formele solidariteit, ondanks dat er een sterk vermoeden leeft van veel misbruik. De informele solidariteit gaat over de manier waarop men zelf met hulpbehoevende familieleden, vrienden, buurt- en landgenoten omgaat. Hierbij kun je vanuit passieve solidariteit een bedrag overmaken per giro naar aanleiding van een tv-actie rond een ramp. Onder actieve solidariteit valt mantelzorg aan vrienden en familie en vrijwilligerswerk. De individualisering creëert een nieuw type vrijwilliger. Hij is lid van een lichte gemeenschap, waar hij zich wel voor in wil zetten, maar niet lang.



Volgens linkse politici zal een uitgebreide verzorgingsstaat de informele solidariteit tussen mensen versterken. Volgens rechtse politici vermindert een uitgebreide verzorgingsstaat het wij-gevoel. Volgens politici uit het midden heeft de verzorgingsstaat de informele solidariteit kapot gemaakt.





In de levensloop van mensen zijn drie fasen te onderscheiden:



Tot je 25e bereid je je op school voor op de arbeid.



Tussen je 25e en 65e ben je in je arbeidzame leven.



Na e 65e is de hoogte van het pensioen gerelateerd aan het arbeidsverleden.



Nederland kent een overlegeconomie. de bedrijfscultuur is de manier waarop werkgevers en werknemers onderling met elkaar omgaan. Dat kan informeel zijn, maar kan ook professioneel zijn. Je hebt een hoog arbeidsethos als je hard wilt werken. Het arbeidsmoraal of het arbeidsmotief zijn de redenen waarom mensen werken. Volgens rechtse politici is meer welvaart of economische groei een goede zaak. Winstmaximalisatie is het belangrijkste doel van een onderneming. Werknemers en directeuren die meer presteren moet beter betaald worden: het prestatieloon. Volgens politici in het politieke midden moet selectieve economische groei het uitgangspunt zijn. Te veel welvaart en nadruk op winst geeft buiten het bedrijf milieuproblemen en binnen het bedrijf te veel werkbelasting. Deze politici gaan uit van het harmoniedenken: werkgevers en werknemers hebben gemeenschappelijke belangen. Er zou een krimpeconomie moeten komen, waar de welvaart verminderd wordt en er meer aandacht moet zijn voor mens, dier en milieu. De economie en de verzorgingsstaat moeten op onthaasten zijn ingericht. Werknemers zouden meer zeggenschap moeten hebben in de onderneming. Zolang werknemers nog een ondergeschikte positie hebben, moeten zij met acties hun belangen tegenover het management en de aandeelhouders veilig stellen. Dit noem je het conflict denken.





Hoofdstuk 9 Wat is de ideale verzorgingsstaat



De media moeten aan twee voorwaarden voldoen:



Persvrijheid: journalisten moeten in alle vrijheid informatie kunnen verzamelen en publiceren.



Pluriformiteit: de bevolking moet kunnen kiezen uit een veelkleurig media-aanbod.



Nederland heeft een duaal omroepbestel met de aan de ene kant een commerciële poot (o.a. RTL en SBS) en aan de andere kant een publieke poot (NCRV, VARA, BNN). De commerciële zenders zijn eigendom van particuliere ondernemingen die winst willen maken door reclame uit te zenden rond de programma’s. de publieke zenders worden gefinancierd door STER-advertentie-inkomsten, belastinggeld van de overheid in inkomsten door middel van programmabladen. De commerciële en publieke omroepen moeten zich aan de Europese regels houden als het gaat om de maximale zendtijd aan reclame, een duidelijke scheiding tussen informatie en reclame en de hoeveelheid seks en geweld op tv. Ieder net moet een totaalprogramma bieden van minimaal 35% informatie, 25% cultuur en 25% amusement. Op een verborgen wijze reclame maken in programma’s het sluikreclame, en is verboden en wordt met hoge boetes bestraft. Als je de berichtgeving door publieke en commerciële zenders over de verzorgingsstaat wilt bestuderen, moet je kijken naar twee zaken:



De nieuwsselectie, dat wil zeggen welke gebeurtenissen worden door de journalisten als nieuwsfeit geselecteerd.



De nieuwsweergave, dat wil zeggen hoe er in beeld, geluid en commentaar over de geselecteerde nieuwsfeiten wordt bericht.





De economie globaliseert. Nederland en Europa moeten de concurrentie aangaan met andere economische grootmachten, zoals de VS, India, China en Japan. Binnen de Eu is men gericht op vrije concurrentie: de arbeidsmarkt is vrij voor alle EU-burgers, staatssteun aan noodlijdende bedrijven wordt bestraft en monopolies zijn verboden.



Ondanks de globalisering en EU-regels zijn er verschillende soorten verzorgingsstaten:



Het Scandinavische model:



Waar: Denemarken en Zweden.



De belastingen zijn fors, en de voorzieningen uitgebreid. Van ziekenhuizen en scholen tot crèches; de overheid zorgt van wieg tot graf. Iedereen moet werken om alle voorzieningen betaalbaar te houden.



Het Continentaal model:



Waar: België, Duitsland en Frankrijk.



Goede welzijnsvoorzieningen en de uitkeringen zijn vrij hoog. De uitkeringen zijn gerelateerd aan het arbeidsverleden en er is extra aandacht voor gezinnen met kinderen.



Het Angelsaksische model:



Waar: Engelstalige landen (VK, US, Australië en Canada)



De collectieve sector is klein, de economische groei is hoog, de belastingen zijn laag, en veel ziekenhuizen, scholen en openbaar vervoerbedrijven zijn in particuliere handen. Uitkeringen zijn laag en kortdurend.





Het Zuidelijk model



Waar: Zuiden van Europa (Portugal Griekenland enz.) en in extreme mate van ontwikkelingslanden buiten Europa.



Er zijn weinig sociale rechten. Bejaarden, zieken, en de vele werklozen worden vaak door familie en dorpsgenoten opgevangen. De levensverwachting en het opleidingsniveau zijn relatief laag.



Rechtse politici, belangengroepen en wetenschappers gaan uit van de moderniseringstheorie. De moderniseringstheorie is het idee dat de derde wereld landen zelf verantwoordelijk zijn voor de armoede en op moeten staan voor internationale bedrijven om in welvaart te groeien. Economische groei ontstaat als het westen in de Derde wereld kan investeren, want het Westen heeft kapitaal, kennis en technologie. Westerse landen kunnen zo helpen de economie in Afrikaanse landen te moderniseren.



Linkse politici zijn aanhangers van de afhankelijkheidstheorie. De afhankelijkheidstheorie is het idee dat derdewereldlanden arm worden gehouden door het rijke westen. Westerse multinationals krijgen vrij spel van de politieke elite in derdewereldlanden, waardoor het arme zouden volledig afhankelijk is van het rijke noorden.


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.