Het Expertisebureau Online KinderMisbruik (EOKM) en Slachtofferhulp Nederland doen onderzoek naar financiële afpersing met naaktvideo’s onder jongens (ofwel: sextortion). Is dit jou overkomen? Deel dan jouw ervaringen door mee te doen met het anonieme onderzoek. Met jouw bijdrage help jij de hulpverlening verbeteren!

 


Naar het onderzoek


Hoofdstuk 8: Het politiek systeem

8.1 Wat is een politiek systeem

Een politiek systeem is een bestuursvorm van een land dat zijn naam ontleent aan de vraag waar de soevereiniteit (het gewone volk moet het voor het zeggen hebben) ligt.

8.2 Typologie en begrippen

Linkse ideologiën vinden dat de macht in handen van het volk ligt. Rechtse ideologieën vinden dat alleen de vaste elite in staat is om het land te regeren. De midden stromingen zijn voorstander van een systeem waarin het volk voor een tijdje wisselende vertegenwoordigers kiest. Maar de soevereiniteit blijft bij het volk, dat bij verkiezingen bepaalt wie haar representanten zijn.

Als de soevereiniteit bij het volk ligt, heet het democratie naar het Griekse woord demos; ligt die bij een elite, dan gebruiken we het woord aristos. Is de elite en erfelijke koninklijke familie, dan heet het systeem naar de monarchos. God is theos, vandaar het word theocratie. Is er sprake van 1 leider dan, zouden we het woord tyrannos moeten gebruiken. We zouden dan het politiek systeem tirannie moeten noemen, maar wij gebruiken de term rechtse dictatuur.

Staatshoofdà wel vertegenwoordiger, maar hoeft niet de hoogste macht te hebben. Bij linkse systemen hebben staatshoofden geen macht, behalve bij presidentiële democratie. Bij rechtse systemen heeft het staatshoofd wel de macht. Een staatshoofd kan een president, een monarch of een opperpriester zijn. Veel landen hebben geen koning meer en de landen die nog wel een koning hebben zijn meestal constitutionele monarchie, omdat de koning geen soevereiniteit over het land meer heeft.

*In een representatieve democratie zijn er twee soorten:

1. een presidentiële democratie à hierin kiest het volk een president en een parlement. Die leider is van de regering en staatshoofd tegelijkertijd. Er zijn dus twee machten die namens het soevereine volk besturen. Maar de president heeft de overhand.

2. een parlementaire democratie à hierin staat het parlement centraal. Anders dan een presidentiële heeft het staatshoofd in deze democratie niet veel macht. Soms is het staatshoofd een president soms een koning. In het laatste geval spreken we van de combinatie parlementaire democratie met een constitutionele monarchie.

8.3 Het ontstaan van de Nederlandse parlementaire democratie

In 1815 werd Willem Frederik uitgeroepen tot Koning Willem 1. Zijn macht was groot, de Staten-Generaal had nog een klein beetje macht. Ook werd er in 1815 een 1e en 2e kamer opgericht. Die vanaf toen de Staten-Generaal verving. De eerste kamer bestond uit leden van de adel end e tweede kamer uit 110 afgevaardigden van de hogere klassen. Eind jaren 30 ontstond er veel protest tegen Koning willem 1. Voordat koning willem 1 ging aftreden legde hij een paar grondwetvoorstellen voor aan de regering. In deze nieuwe grondwet werd ook het zogenaamde contra-seign voor het eerst ingesteld. Dit voorstel hiel in dat iedere minister strafrechtelijk verantwoordelijk was voor wetsovertredingen en dat zowel koning als de minister voortaan onder ieder Koninklijk Besluit zijn handtekening moest zetten.  Koning willem 2 (Frederik George Lodewijk) werd met een hoop problemen opgezadeld toen hij koning werd. De grondwet was nog niet af en er was een enorme staatsschuld.

De ecnomische crisis in de jaren vanaf 1840 veroorzaakte overal hongeroproeren. De sociale onrust in Europa en de februarirevolutie in Parijs in 1848 veroorzaakten enige paniek in de kringen rond koning Willem 2.  Omdat hij de troon wilde veiligstellen voorzijn zoon, gaf hij buiten zijn ministers om Thorbecke opdracht om een grondwetherziening door te voeren. Deze Grondwet van 1848 gaf het parlement de meeste macht en legde de basis voor de parlementaire democratie in Nederland. De scheiding van machten werd doorgevoerd. Er kwamen rechtstreekse verkiezingen en ministriële verantwoordelijkheid, de parlementaire rechten werden uitgebuit en er werden de mogelijkheid van kamerontbinding ingevoerd. Ook stonden burgerrechten in de grondwet. Voor de verkiezingen van leden van het parlement kwam een censuskiesrecht: alleen voor mannen ouder dan 25 jaar en die een minimum bedrag aan belasting betaalden.

In de tweede helft van de 19e eeuw kwamen een aantal politieke kwesties op die voor een belangrijk deel van het volk van groot belang waren:

  • De sociale kwestie: overheid voorzieningen voor arbeiders wel of niet?
  • De schoolstrijd: moest de overheid katholieke en protenstantse scholen ook financieren of alleen openbare scholen?
  • De keisrechtkwestie: Wie mocht er stemmen?

Door WO1 kwam nederland in economische problemen. Wel kwam men tot een compromis (compromis van 1917) en werden de langslepende kwesties opgelost. In de grondwet in 1917 kwam er financiële gelijksteling van bijzonder en openbaar onderwijs, werd het algemeen kiesrecht ingevoerd en werd het districtenstelsel gewijzigd in een stelsel van evenredige vertegenwoordiging.

Het is niet verwonderlijk dat een vooral door liberalen nagestreefde parlementaire democratie samen gaat met een liberale economie, Vrije Ondernemingsgewijze Productie. Johm Stuart Mill was voor de onzichtbare hand, waarin niemand de absolute macht zou hebben omdat die versplinterd was.

8.4 De Nederlandse Parlementaire democratie in de praktijk

 We spreken van een democratie als in een politiek systeem de politieke gelijkwaardigheid en de politieke vrijheid van de burgers gewaarborgd is. Een bestuur waar iedereen direct kan meebeslissen is in de praktijk niet mogelijk. Ook bij een representatieve democratie kan het fout gaan, als de machthebbende de wet veranderen zodat zij alle macht naar zich toe trekken. Daarom staan er allerlei regels in de grondwet zodat er niet iemand helemaal de macht grijpt.

Om de belangrijke regels uit de grondwet te veranderen kost meer dan 4 jaar dus dan zijn er al weer nieuwe verkiezingen. Zo kunnen de machthebbende niet deze macht misbruiken. Enkele wetten zijn: algemeen kiesrecht, om de vier jaar verkiezingen, verkiezingen geheim. De burgers moeten ook de gekozenen kunnen controleren.  Daarvoor zijn ook wetten zoals; vrije meningsuiting, wet openbaarheid van bestuur, vrijheid van drukpers en geen toestemming vooraf op de inhoud van radio en tv uitzendingen.

Politieke partijen zijn belangrijk om de wensen van de burgers naar voren te brengen. Daarvoor is de basis gelegd in het recht van vereniging en van vergadering. In een representatieve democratie moeten de kiezers iets te kiezen hebben. De partijen die in de regering zitten, moeten rekening houden met de rechten van de oppositie (de partijen in het parlement die niet in de regering zitten). De minderheid moet ook gerespecteerd worden, want die moet alle kansen krijgen zelf aan de regering te komen.

De belangrijkste garantie voor een democratie blijft dat de burgers goed geïnformeerd zijn en geïnteresseerd blijven in de politiek. Als mensen apathisch worden of zich afkeren van het politieke bedrijf, kunnen we afglijden naar een stelsel waar de rechten van de mens in gevaar kunnen komen. Daarom is een vrije, pluriforme pers een absolute voorwaarde.

In een democratie zijn vrijheid, gelijkwaardigheid, volkssoevereiniteit de onderliggende waarden waar zowel de overheid als de burger zich aan moeten houden. De media heeft in een democratie verschillende taken: achtereenvolgens worden die wel de informatie, spreekbuis, commentaar, controle en agendafunctie genoemd. Op de eerste plaats moeten burgers geïnformeerd worden over wat de politici doen. De spreekbuisfunctie houdt in dat de media de politici laten weten wat er onder de bevolking leeft. Media geven ook voortdurend commentaar op politieke gebeurtenissen. Daar kunnen de lezer, de kijkers en de luisteraars hun eigen oordeel aan scherpen. De informatie en commentaarfunctie maken de controle functie mogelijk: de samenleving kijkt kritisch toe of de gekozenen hun werk goed en zorgvuldig doen. De agendafunctie houdt in dat de media onderwerpen aan de orde stellen. Daardoor kunnen zowel overheid als burgers worden geïnspireerd aan belangrijke vraagstukken hun aandacht geven.

Er zijn twee kiessystemen.

  • In Nederland hebben we een kiesstelsel waarbij partijen zetels krijgen naar verhouding van het aantal stemmen dat ze bij de verkiezingen gekregen hebben. Dat noemen we de evenredige vertegenwoordiging. Een pluspunt van dit systeem is dat alle stromingen aan bod kunnen komen in het parlement, ook de kleine. De stemmen van de kiezers worden direct vertaald in zetels. Een nadeel is dat er vaak veel partijen in het parlement komen. Het is dan niet zo gemakkelijk een regering te vormen die steunt op een meerderheid in het parlement. Enkele partijen vormen dan een coalitie om samen te kunnen regeren. Coalitieregeringen moeten voortdurend compromissen sluiten. Sommige landen combineren daarom evenredige vertegenwoordiging met een kiesdrempel. Dat houdt in dat een partij alleen zetels krijgt als je een bepaald percentage stemmen gehaald heeft.
  • Het meerderheidsstelsel is een kiessysteem waarbij alle zetels binnen een bepaald gebied worden toegewezen aan de partij die de meerderheid van de stemmen in dat gebied behaalt. Als geen partij de eerste keer de meerderheid haalt volgt er een tweede stemronde, waarbij alleen de grootste twee meedoen.

Los van deze twee bestaat het districtensysteem. Het land wordt opgedeeld in districten. Voor ieder sistrict zijn er een of meer zetels, afhankelijk van de grootte van het gebied. Meestal werkt de verkiezing hier volgens de meerheidsregel, maar soms met evenredige vertegenwoordiging. Een nadeel van het districtensysteem is dat zo’n kamerlid weet dat hij dat district moet opkomen, hij zal dan ook goede contacten onderhouden met de mensen uit zijn gebied. Een voordeel is dat er vaak maar 1 partij gaat regeren.

Functies politieke partijen:

  • Politieke partijen kiezen de personen die op de kieslijst komen.
  • Ook wijzen ze mensen aan voor belangrijke ambtelijke functies. Het aanwijzen van kandidaten voor het parlement en hoge posten noemen we de ‘recrutering en selectiefunctie’ van politieke partijen.
  • Wensen van de aanhang verwoorden in een parijprogramma die voor verkiezingen worden bijgesteld: de ‘articulatiefunctie’
  • Mensen kunnen lid worden van de partij en zo aan allerlei politieke activiteiten meedoen: ‘participatiefunctie’
  • Ze lichten hun burgers voor, maar ook de wensen en ideeën van die burgers laten horen aan politici: ‘communicatiefunctie’

In Nederland zijn er drie bestuurslagen:

Rijk

Voor de verkiezingen stellen de politieke partijen altijd een verkiezingsprogramma op. Als de uitslag bekend is beginnen ze met het vormen van een coalitie. De regeringspartijen moeten samen 76 zetels hebben. Na de verkiezingen komen de nieuw gekozen Kamerleden per partij bij elkaar en kiezen ze een fractievoorzitter. Deze bespreekt met zijn fractiegenoten met welke partijen zij zouden willen regeren. Hij en zijn collega’s gaan de volgende dag naar het staatshoofd, de Koningin, om haar in te lichten over de wensen van zijn groep. De Koningin start dan de informatieperiode. Zij weegt de adviezen van alle fractievoorzitter, zoekt uit of er een duidelijke meerderheid voor een regering te vinden is en of die kansrijk is en wijst een of meer formateurs aan.

Bij de daarop volgende formatiebesprekingen worden dan in een spel van geven en nemen compromissen gesloten. Daar zit de regering aan vast. Slagen de formateurs niet in hun opdracht dan gaan ze terug naar de koningin.

De Tweede Kamer is de belangrijkste volksvertegenwoordiging in ons land. Zij mag wetsvoorstellen veranderen (recht op amendement) of eigen wetsontwerpen indienen (recht van initiatief). De regering moet ook aan de Kamer vragen of haar plannen voor het jaar die in de begroting worden opgeschreven door haar worden goedgekeurd. Daarom zijn de begrotingen van de verschillende ministeries wetsontwerpen waar de Kamer over stemt (budgetrecht). Tijdens het vragen uurtje maakt mens gebruik van het vragenrecht (recht om informatieve vragen mondeling of schriftelijk te stellen). Ook kunnen zij een minister ter verantwoording roepen (recht van interpellatie).

 De eerste kamer heeft  75 leden. Zij worden gekozen door volksvertegenwoordigers van de tweede laag van de staat, de Provinciale Staten. Deze Kamer bekijkt nog eens rustig of beslissingen verstandig zijn genomen. Zij mag niets veranderen in de wetten (dus geen recht van amendement) en zij heeft ook geen recht van initiatief. Meestal zetten de politieke partijen op de kieslijst voor deze Kamer mensen die wat ouder zijn en meer politieke ervaring hebben. 

Provincie

Om de vier jaar kiezen we de leden van de Provinciale Staten. Ook zij wijzen een dagelijks bestuur aan, de Gedeputeerde Staten. Die besturen samen met de Commissaris van de Koningin. Deze laatste wordt door de regering benoemd. Provincies maken wetten en regels voor hun gebied.

Gemeente

Het hoofd van de gemeente is de gemeenteraad. De gemeenteraadsleden kiezen hun wethouders, die samen met de door de regering benoemde burgemeester het College van B&W vormt. De laatste jaren komt vaker de gekozen burgemeester aan de orde. Tussen gemeente en provincie is er nog een andere laag te vinden, die van de Waterschappen. In een land dat onder de zeespiegel ligt en dat veel rivieren kent, is het watermanagement van levensbelang. De Waterschappen houden zich op de eerste plaats daarmee bezig, mar hun werk raakt aan allerlei milieuproblemen.

Niveau

Vorst benoemt

Volk kiest

 

 

 

 

Dagelijks bestuur

Rijksniveau

Ministers

Tweede kamer

 

Ministerraad

 

Dagtaak

Dagtaak

 

Dagtaak

 

 

 

Eerste kamer

 

 

 

 

Deeltijdbaan

 

Provincie

Commissaris

Provinciale Staten

Gedeputeerde Staten

 

Dagtaak

Deeltijdbaan

Dagtaak

Gemeente

Burgemeester

Gemeenteraad

College van B&W

 

Dagtaak

Deeltijdbaan

dagtaak

                       

Europa

Het is niet voor de hand liggend haar een politiek systeem te noemen. Want het is niet eenvoudig om vast te stellen waar de soevereiniteit ligt. Na de 2e wereldoorlog werd de Europese Gemeenschap van Kolen en Staal opgericht. Het was een economisch dwarsverband tussen vooral Frankrijk en West-Duitsland. Daarbij sloten zich aan België, Luxemburg, Italië en Nederland. De beslissingsbevoegdheid voor de kolen- en staalindustrie in deze landen werd gegeven aan een onafhankelijke, supranotionale instantie: de ‘Hoge Autoriteit’.

Frankrijk en Duitsland hadden eeuwenlang met elkaar oorlogen gevoerd. De EGKS moest er voor zorgen dat er een nauwe samenwerking tussen de twee zouden ontstaan in de mijnbouw en staalindustrie. Op den duur, zo hoopte men, zouden de landen steeds meer met elkaar betrokken raken, zodat er eindelijk vrede zou komen in het hart van Europa.

De EGKS was zo’n succes dat deze zes landen enkele jaren later besloten nog verder te gaan en ook andere sectoren van hun economie verenigen. In 1957 ondertekenden zij de Verdragen van Rome, waarbij de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM) en de Europese Economische Gemeenschap (EEG) werden opgericht. De lidstaten begonnen met de opheffing van de onderlinge handelsbelemmeringen en vormden een ‘gemeenschappelijke markt’.

In 1967 fuseerden de instellingen van de drie Europese Gemeenschappen. Sindsdien bestaat er een enkele Commissie en een Raad van Ministers, alsook een Europees Parlement. De leden van het Europees Parlement werden oorspronkelijk verkozen door de nationale parlemente, maar in 1979 vonden de eerste rechtstreekse verkiezingen plaats, waarbij aan de bugers van de lidstaten de kan werd gegevente stemmen voor de kandidaat van hun keuze. Sindsdien worden om de vijf jaar rechtstreekse verkiezingen gehouden.

Het Verdrag van Maastricht voerde nieuwe vormen van samenwerking tussen de regeringen van de lidstaten in, bijvoorbeeld op het vlak van defensie en ‘justitie en binnenlandse zaken ’Door de toevoeging van deze intergouvernementele samenwerking aan het bestaande ‘gemeenschapssysteem’ heeft het Verdrag van Maastricht de Europese Unie gecreëerd.  In de politieke systemen zoals die in de Europese landen bestaan, wordt door het volk een parlement gekozen en daaruit wordt via het staatshoofd een regering aangesteld. Het is duidelijk waar de soevereiniteit ligt: bij het volk. In de EU ligt dat ingewikkelder. De landen die deel uitmaken van de EU bundelen hun soevereiniteit om een macht en invloed in de wereld te verwerven die geen van hen alleen zou hebben gehad.

De regering- en staatsleiders komen met de voorzitter van de Europese Commissie vier keer per jaar bij elkaar om hoofdlijnen af te spreken. Samen vormen ze de Europese raad. Dit is dus eigenlijk e hoogste instantie. Als het om speciale onderwerpen gaat, zoals landbouw komt de ‘Raad van Europese Unie’ bij elkaar en die bestaat uit de vakministers van de verschillende landen.

De Europese Commissie is een soort dagelijks bestuur. Daarin benoemen de deelnemende landen commissarissen, een soort ministers. Deze regering van Europa wordt dus van bovenaf gedropt. Zij moet de besluiten van de Raad uitvoeren. Ze is de enige instelling die nieuwe wetgeving mag voorstellen. Ze luistert daarom naar de Raden en voert verordeningen en richtlijnen van het parlement uit.

Het Europees Parlement wordt weliswaar direct gekozen, maar de kiezers in de verschillende landen stemmen op kandidaten van partijen van hun eigen land. Het Europees Parlement heeft ook niet dezelfde rechten als een parlement in Nederland. Het geeft adviezen aan de Commissie over har voorstellen en haar toestemming is nodig over belangrijke internationale overeenkomsten. Maar het Parlement mag meebeslissen over steeds meer onderwerpen. Het parlement mag sinds een jaar de Commissie wegsturen, als twee derde meerderheid een motie van afkeuring steunt.

Ondanks dat zal het Europees Parlement nooit zo machtig worden als een parlement in een lidstaat. Zonder de steun van het parlement kan een regering niet besturen. In Europa zijn het de Raden die uiteindelijk aan de touwtjes trekken.

Appendix H8 De ideogische driehoek een driedimentionaal model

Linksà progressief, maakbaarheid samenleving, geleide economie

Rechtsà praticulier initiatief, vrije markt, konservatief

Drie dimensies:

  1. De sociaaleconomische dimensie
  2. De machtsdimensie
  3. De morele dimensie

We gaan de dimensies veranderen

  1. Economische dimensie: aan de ene kant vrije marktwerking, andere kant overheidsingrijpen
  2. Communitaire dimensie: hierbij staat het individualisme tergenover het gemeenschapdenken.
  3. Moraal dimensie: aan de ene kant de neutrale overheid, aan de andere kant de morele overheid.

Driehoek à zie boek blz 173

Hoofdstuk 9 Het politiek systeem 2

9.1 Beleid

 De overheid moet sociale problemen aanpakken. Dit doen ze door middel van een beleid: het kiezen van doelen en het inzetten van middelen in een bepaalde tijdsvolgorde.

De overheid kiest en doel, zet de bepaalde middelen in en zet ze in een bepaalde tijdsvolgorde. De overheid moet opkomen voor het algemeen belang en de markt en de MM alleen maar voor deelbelangen.

 

Verruimend

Inperkend

Communicatie

Voorlichting/informatie

Propaganda

Financieel

Subsidie/beloning

Belasting/boetes

Juridisch

Concenanten/rechten

Geboden en verboden

Sociaal-actief

Demonstratieve actie

Bezetting/blokkade

Onder macht verstaan we alle gevallen waarin mensen door andere mensen bij herhaling gedwongen worden tot gedrag, dat indruist tegen eigen waarden of belangen.

Onder invloed verstaan we alle gevallen waarin mensen met anderen meebepalen hoe het gedrag van anderen verandert.

Alleen georganiseerde groepen hebben we in de sociaal-economische driehoek opgenomen, want alleen zij kunnen wat bereiken  met een beleid. Om toch een doel te bereiken kan je je in een groep aansluiten. Ook netwerken is heel belangrijk.

Maatschappelijke groepen die invloed uitoefenen op het politieke beleid, noemen we pressiegroepen. Dat zijn groepen die het beleid van de overheid willen beïnvloeden, zonder zelf kandidaten voor posten te leveren of de verantwoordelijkheid te nemen voor dat beleid. Een ander verschil met politieke partijen is dat pressiegroepen van een kant op. Er zijn verschillende soorten pressiegroepen:

  • Groepen die voor belangen opkomen
  • Groepen die bepaalde idealen hebben: actiegroepen, dat zijn kleine groepen van mensen met een heel duidelijk doel. Ze komen op en verdwijnen dan weer. Toch kunnen ze hun sporen achterlaten omdat ze de publieke opinie bewerken. 

Legitiem (gezag wordt   geaccepteerd)

Illegitiem (gezag wordt   verworpen)

Gewone politieke participatie

Illegale acties

Revolutionaire Acties

Burgerlijke ongehoorzaamheid, onder bepaalde voorwaarden

Legaal (binnen de wet)

Illegaal (de wet wordt   overtreden)

Gewone politieke participatie: benaderen van politici, meedoen aan verkiezingen of lid worden van een politiek partij. Demonstreren, meedoen met een boycot of lid worden van een actiegroep.

Burgerlijke ongehoorzaamheid:

  • De actievoerders zijn niet direct op eigenbelang uit, maar voeren actie omdat hun geweten dat ingeeft
  • De acties worden in het openbaar gevoerd: de media wordt ingeschakeld
  • De acties zijn geweldloos

De acties kunnen ook uitmonden op een revolutie. Autoriteiten weten niet goed hoe ze moeten reageren op burgerlijke ongehoorzaamheid.

 De markt en het MM treden niet naar de voorgrond. Soms huurt de markt beroepslobbyisten in, mensen die de wegen weten om bestuurders te benaderen. Soms gaat hu macht nog verder en hebben ze middelen om politici voor hun karretje te spannen. Groepen uit de MM hebben daar minder mogelijkheden voor, op het wereldnatuurfonds na, want die hebben hoge organisatiegraad (aantal leden en professionele organisatiestructuur). In de wisselwerking van acties van overheid en particulier initiatief geeft de pers de doorslag.

Of een vraagstuk wel of niet wordt opgepakt door de overheid heeft te maken met of het vraagstuk door de media wordt opgepakt. Politici laten zich vaak leiden door de kwesties die, doordat ze veel aandacht in kranten hebben gekregen, op de publieke agenda komen. We noemen dit agendavorming. Het probleem moet vervolgens op de politieke agenda komen.

Als een bestuurder van plan is een bepaald probleem aan te pakken, schakelt hij zijn ambtenaren in en vraagt raad aan de verschillende adviesorganen. Daar worden de eisen uit de samenleving omgezet in beleid. Dat gebeurt bij de beleidsvoorbereiding.  Vervolgens zal de politicus de knopen doorhakken. Ook hier is de hulp van belangrijke ambtenaren of politieke adviseurs belangrijk. Vaak is er ook nog overleg met bevriende politici in devolksvertegenwoordiging (beleidsbepaling). Dan volgt de beleiduitvoering. De wetten of regels moeten worden afgekondigd en het hele raderwerk moet in gang worden gebracht. Na een tijd wordt bekeken welke effecten het beleid gehad heeft (beleidsevaluatie).

Figuren blz. 182 + 183!!

Het stromenmodel geef aan of het lobbyisten lukt om hun probleem of hun oplossing ervan op de agenda te krijgen:”

  • De stroom van problemen. Problemen komen soms op, ze worden op de agenda gezet door burgers, pressiegroepen of ambtenaren zelf
  • De stroom van besluitvormers (politici en ambtenaren). Het zijn de politieke en ambtelijke elites die met elkaar onderhandelen.
  • De stroom van oplossingen. In de stroom van oplossingen komen we de ideeën tegen voor het aanpakken van de problemen. Die worden naar voren gebracht door allerlei deskundigen, door ambtenaren en pressiegroepen.

9.1 De politieke cultuur

Lagen:

  1. Politieke waardesystemen
  2. Politieke instituties
  3. Politiek gedrag
  4. Betekenissen

2.1 Het rijk

Beleid

Ministers moeten veel werk delegeren naar ambtenaars. De ambtenaren hebben een geheimhoudingsplicht. Hierdoor kan de media het werk niet goed en zijn ministers  verplicht openbaar te maken waar ze mee bezig zijn à Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB). Lobbyisten zijn vertegenwoordigers van belangenorganisaties, lobbyisten proberen de besluitvorming voor in hun achterban gunstige richting te beïnvloeden. Lobbyisten regeren op het randje van de democratie omdat hun beïnvloedingen niet te controleren is, want ze wenden zich rechtstreeks naar ministers.

De eerste en tweede laag van de politieke cultuur

Nederland heeft een brede reeks aan ideologische, levensbeschouwelijke en geloofsrichtingen. Door ons stelsel van evenredige vertegenwoordiging zijn ook veel van deze via politieke partijen in het parlement vertegenwoordigd.

De derde laag van de politieke cultuur

Coalities à kabinet die uit verschillende partijen bestaat.

We vinden in de laag van gedragingen en regels, dat we een politieke cultuur hebben waarin consensus (het eens worden) voorop staat en waarin compromissen moeten worden gesloten. We hebben een politieke overlegcultuur. Beleid op rijksniveau wordt door de regering gemaakt door de ministers en staatssecretarissen.

Motie van Wantrouwen: minister wordt weggestuurd als het werk niet goed hebben gedaan.

Ministeriële verantwoordelijkheid: minister moet zich kunnen verantwoorden over wat zijn ondergeschikten doen.

Dualisme: veel controle van kamer op de regering.

Monisme: weinig controle van kamer op regering. (vriendjespolitiek)

2.2 De provincie

Beleid

Volksvertegenwoordiging bestaat uit provinciale staten. Dagelijks bestuur bestaat uit gedeputeerde staten. Beleid: Koning, + provinciale staten + gedupeerde staten

De eerste en tweede laag van de politieke cultuur

Zelfde partijen als in het land. Kleinere volksvertegenwoordiging dus betere samenwerking tussen de partijen. 

De derde laag van de politieke cultuur

Provincies à dualistisch.

Gedupeerde staten à voeren taken uit

Gedupeerde staten + provinciale staten à eigen positie en takenpakket

2.3 gemeente

Beleid

De gemeente staan dichter bij de burgers en de burgers zullen eerder in actie komen.

De eerste en tweede laag van de politieke cultuur

Minder landelijke partijen eerder plaatselijk. In Den Haag is de samenwerking moeilijk, maar in de gemeente gaat de samenwerking goed. Het college van B&W vormen het dagelijks bestuur van een gemeente.

De derde laag van de politieke cultuur

Dualisering: wethouders maken geen deel uit van de gemeenteraad, wethouders hebben een politieke baan.

2.4 De Europese unie

Beleid

Het Europees Parlement is een belangrijke speler in de Europese Unie. Het speelt in op de Europese Commissie die initiatieven neemt tot Europese wet- en regelgeving. Het debatteert daarover en stelt wijziging voor. De Raad van de Europese Unie neemt de definitieve beslissingen. Er zijn drie ‘procedures’ waarbij het parlement betrokken is:

  1. Samenwerkingingsprocedure à parlement brent advies uit over ontwerp-richtlijknen en verordeningen die zijn voorgesteld door de Europese Commissie.
  2. Instemmingsprocedure à het parlement moet instemmen met internationale overeenkomsten waarover door de Commissie is onderhandeld.
  3. Medebeslissingsprocedure à de rol van het parlement gelijkschakelt aan die van de Rad met betrekking tot het opstellen wetgeving over een hele reeks belangrijke zaken, zoals het vrije verkeer van werknemers, de interne markt en onderwijs. Het parlement kan de voorgestelde wetgeving verwerpen indien een absolute meerderheid van zijn leden tegen het gemeenschappelijk standpunt van de raad stemt.

Essentieel is de functie van het Parlement als politieke stuwkracht. Als belangrijkste kamer van de Europese Unie waar debatten worden gevoerd en als smeltkroes van de politieke en nationale standpunten van de lidstaten, is het parlement de plaats waar veel beleidsinitiatieven worden genomen.

De eerste en tweede van de politiek cultuur

In de EU vinden we nog een rijkere vertegenwoordiging aan de stromingen, dan in Nederland, zoals communisten en neo-fascisten.

De derde laag van de politieke cultuur

Dualisme, het parlement is er immers op uit om meer greep op het beleid te krijgen en daarom heeft het de neiging de Raad en de Commissie nauwkeurig op te volgen. 

Appendix H9 Lobbyen in de EU

70% van de Nederlandse wetten worden door de EU gemaakt. In Brussel zijn er enkele tienduizende lobbyisten. Er zijn teveel lobbyisten, waardoor actiegroepen geen kans meer krijgen. De Europese beleidsmakers zijn bezig me een gedragscode voor lobbyisten. De lobbyist richt zich op sleutelfiguren. Dat zijn bijvoorbeeld rapporteurs in het Europees Parlement.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.