Rechtsstaat en Parlementaire democratie

Beoordeling 6.3
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • Klas onbekend | 3233 woorden
  • 29 mei 2016
  • 9 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.3
  • 9 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
De Galaxy Chromebook maakt je (school)leven makkelijker!

Met de Galaxy Chromebook Go kun je de hele dag huiswerk maken, series bingen en online shoppen zonder dat 'ie leeg raakt. Ook kan deze laptop wel tegen een stootje. Dus geen paniek als jij je drinken omstoot, want deze laptop heeft een morsbestendig toetsenbord!

Ontdek de Chromebook!

Samenvatting Maatschappijleer SE 25%



Boek: ‘Thema’s maatschappijleer Havo’



Rechtsstaat & Parlementaire Democratie




P. 32-35 & P.64-87






P.32-35]



Doel van de rechtsstaat:




  • (veiligheid, vrijheid, gelijkheid);

  • Machtenscheiding

  • Grondrechten in de grondwet

  • Legaliteitsbeginsel: De overheid is gebonden aan de wet





Machtenscheiding/Trias Politica:



Niet 1 persoon of instantie heeft alle politieke macht:































Macht:



Wetgevende



Uitvoerende



Rechterlijke



Wie:



Regering en Parlement



Regering



Onafhankelijke rechters



Hoe:



Ministers komen met wetsvoorstellen en het parlement keurt ze goed of af.



Ministers geven dagelijks richtlijnen aan hun ambtenaren of aan instanties.



Hebben de bevoegdheid om iemand te bestraffen.



Taak:



Stellen wetten vast.



Zorgt voor uitvoering van de wetten.



Beoordelen conflicten over wetten.






In Nederland zijn de machten niet compleet gescheiden. De ministers zijn zowel betrokken bij de wetgevende als de uitvoerende macht: ze mogen wetsvoorstellen doen, maar ze moeten er ook voor zorgen dat een aangenomen wet wordt uitgevoerd.




  • Belangrijkste van de trias politica is dat de machten elkaar controleren en scherp houden: ‘Check and Balances’.





Onafhankelijke rechters:




  • Ze zijn benoemd voor het leven om de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht te waarborgen. Ze kunnen dus niet ontslagen worden.

  • Je kan je recht halen als je je benadeeld voelt door iemand.

  • Je wordt beschermd tegen ongeoorloofd overheidsoptreden.

  • Het zorgt ervoor dat mensen geen eigen rechter gaan spelen.





Grondrechten in de grondwet:



De grondwet = een bindend middel waar iedereen het mee eens is en waar iedereen op kan vertrouwen.



Doel van de grondwet: vastleggen van grondrechten. Onderverdelen in:



















Klassieke grondrechten



Sociale grondrechten



Rechten die de overheid moet garanderen.



Zorgplicht voor de overheid.



Ze leggen de overheid beperkingen op en als de overheid een klassieke grondrecht van je schendt, kun je naar de rechter stappen en je gelijk halen.



De overheid moet zoveel mogelijk banen creëren, maar je kunt niet naar de rechter stappen en een baan eisen.




Verschillen:















Zijn allang aanwezig.



Zijn er later bijgekomen.



Zaken die de overheid moet onthouden.



Wordt overheidsoptreden verwacht.








Aanpassen van grondrechten in de grondwet:




  • Erg lastig;

  • Pas na verkiezingen en met twee derde meerderheid in het parlement.

  • Nederland heeft EVRM (Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheid) getekend. Dit verdrag is bindend en gebiedt aangesloten landen de mensenrechten te beschermen.





Legaliteitsbeginsel:



De overheid is gebonden aan de wet.



De overheid mag dus alleen straffen als ze door de volksvertegenwoordiging in wetten zijn vastgesteld.




  • Strafbaarheid: Iets is alleen strafbaar als het in de wetten staat.

  • Strafmaat: In de wet staat bij iedere straf de maximale straf.

  • Ne bis in idem-regel: Na de uitspraak van de rechter mag je niet voor een tweede keer



                                      worden vervolgd.



__________________________________________________________________________________





P. 64-87]



Politiek: de manier waarop een land wordt bestuurd.



               Zaken waar jij nu of later mee te maken krijgt:




  • Openbare orde en veiligheid: inzetten van meer politieagenten.

  • Buitenlandse betrekkingen: uitzenden van militairen voor een vredesmissie.

  • Infrastructuur: aanleg van spoor- en autowegen.

  • Welvaart: zorg voor voldoende werkgelegenheid voor jongeren.

  • Welzijn: wegwerken van de wachtlijsten in de ziekenhuizen.

  • Onderwijs: veranderen van de exameneisen voor havo en vwo.



Voor het realiseren van deze plannen betalen burgers belasting, hiervoor krijgen we voor terug: recht om te stemmen op een partij en we krijgen uitkering als we werkloos worden of na een ongeval arbeidsongeschikt worden.





Democratie: staatsvorm waarbij de bevolking direct/indirect invloed hebben op de politieke



                       besluitvorming.




  • Directe: volksstemmingen werden door veel mensen gedaan die met elkaar aangaven wat ze



               wilden.




  • Indirecte: volk beslist niet zelf, maar zij stemmen en dit gaat via vertegenwoordigers.



                  Dit is parlementaire democratie waarbij de vertegenwoordigers het parlement is.





Kenmerken parlementaire democratie:




  • Burgers hebben politieke grondrechten.

  • Regels voor politieke besluitvorming zijn grondwettelijk vastgesteld.

  • Er zijn vrije media: de media mogen alles publiceren om mensen goed op de hoogte te



                                  brengen.





Vrijheid alleen mogelijk, wanneer:



(volgens Freedom House)




  • Regering verantwoording schuldig is aan het volk.

  • Sprake is van onafhankelijke rechtspraak.

  • Sprake is van vrije meningsuiting, vereniging en geloof.

  • Respect is voor de rechten van minderheden en vrouwen.







Dictatuur/Autocratie: staatsvorm waarbij de macht in handen is van één persoon of een groep



                                        mensen. Komt tot stand na een revolutie (China en Iran).




  • Zoals: Myanmar, Noord-Korea, Wit-Rusland.

  • Vroeger: China, Cuba, Sovjet-Unie.

    • Religieuze dictatuur: gebaseerd op het geloof.

    • Militaire dictatuur: leger heeft de macht.





Fascisten: zeer nationalistisch en wijzen democratie af.





Kenmerken dictatuur:




  • De gehele politieke macht is in handen van één iemand of een kleine groep.

  • Grondrechten worden niet beschermd.

  • Er bestaat geen vrije pers. Censuur: controle door overheid op alles wat  de media



                                                                 uitbrengen.




  • Oppositiepartijen zijn verboden.

  • Grote politieke rol voor de militairen.

  • Er is sprake van verkiezingsfraude.





Indelingen partijen:





Progressief: vooruitstrevend, maatschappij willen veranderen




  • BV: vervuilende energiebronnen vervangen door schone zonne- en windenergie

  • Partijen: GroenLinks en D66





Conservatief: behoudend, datgene wat al is bereikt zo houden




  • BV: niet dat Nederland veel politieke macht overdraagt aan EU

  • Partijen: SGP en PVV

  • Reactionair is wanneer conservatieven nog verder gaan en regels van vroeger terug willen





Links: gelijkwaardigheid




  • Iedereen gelijke kansen op onderwijs, inkomen, werk.

  • Om de zwakkeren te beschermen moet de overheid actief optreden.

  • BV: Studiefinanciering geven aan studenten.

  • Partijen: PvdA, SP, GroenLinks





Rechts: eigen verantwoordelijkheid en vrijheid




  • Iedereen moet zoveel mogelijk hun eigen zaken regelen.

  • Overheid moet rust en orde handhaven door passief optreden.

  • Partijen: VVD en PVV





Overeenkomsten tussen Links en Rechts:




  • Voor een actieve overheid bij werkgelegenheidsprojecten

  • Er moet meer politie op straat komen

  • Politieke midden: zoveel linkse en rechtse standpunten. – CDA, ChristenUnie, D66



















Ideologie: samenhangend geheel van ideeën over de mens en de gewenste inrichting van de



                   samenleving.




  • Liberalisme

  • Socialisme

  • Confessionalisme





Liberalisme: Vrijheid




  • Politieke vrijheid: burgerrechten

  • Economische vrijheid: particulier bezit, vrije markt

  • Culturele vrijheid

  • Eigen verantwoordelijkheid

  • De overheid heeft een terughoudende rol om de individuele vrijheid niet in de weg te staan. Ze beperken zich tot kerntaken als defensie, onderwijs, bescherming rechtsstaat en klassiek recht.



Partijen:




  • Grootste: VVD

  • Progressieve liberalen: D66, GroenLinks

  • Conservatieve, reactionaire, progressieve standpunten: PVV



Ze accepteren de verzorgingsstaat onder drie voorwaarden:




  1. Vrijemarkteconomie komt niet in gevaar

  2. Mensen dragen zelf verantwoordelijkheid voor hun situatie

  3. Uitkeringen blijven zo laag mogelijk





Socialisme: Gelijkwaardigheid




  • Economische ongelijkheid (arm en rijk) bestrijden

  • Actief de zwakkeren in de samenleving beschermen

  • Kennis, inkomen, macht eerlijk verdelen

  • Ze zijn voor de verzorgingsstaat, omdat daarin sociale grondrechten



(gezondheidszorg en onderwijs) wettelijk zijn vastgesteld.



Partijen:




  • Grootste: PvdA (sociaaldemocratisch)

  • Links daarvan: GroenLinks en SP



Twee stromingen verschilden om gelijkheid te bestrijden:




  • Communisten/Marxisten: arbeiders door revolutie alle macht zouden overnemen.

  • Sociaaldemocraten: deden mee voor goede sociale wetgeving.





Confessionalisme: Harmonie




  • Gebaseerd op geloof

  • Streven naar een zorgzame samenleving, waarin de overheid zoveel mogelijk overlaat aan het maatschappelijk middenveld zoals welzijnsinstellingen en schoolbesturen

  • Overheid doet ordehandhaving, financiering onderwijs en bijstandsuitkeringen

  • Streven naar een samenleving gebaseerd op waarden uit de Bijbel zoals:



Harmonie: iedereen moet samenwerken



Gespreide verantwoordelijkheid: verantwoordelijk voor elkaar welzijn



Naastenliefde: zorgen voor de kwetsbaren in de samenleving



Rentmeesterschap: mensen moeten goed zorgen voor de aarde



Partijen:




  • Grootste: CDA (christendemocratisch) door middenpositie was deze vaak in de regering.

  • SGP (conservatieve ideeën)

  • ChristenUnie (sociaalchristelijk)







Politieke partij: een groep mensen met dezelfde ideeën over de manier waarop onze samenleving



                            het beste bestuurd kan worden.




  • Doel bereiken door: parlement.



Actiegroepen: bezighouden met één bepaalde doelstelling en voeren actie als ze dat nodig vinden.




  • Doel bereiken door: demonstraties, blokkades, handtekeningen.



Belangenorganisaties: behartigen de belangen van één bepaalde groep mensen (FNV, ANWB)




  • Doel bereiken door: belangen te vragen en deze te vervullen.

































Politieke partijen



Actie- en belangengroepen




  • Ideeën over samenleving als geheel.




  • Ideeën op één specifiek terrein.




  • Verschillende belangen van groepen afwegen.




  • Belangen van één groep.




  • Willen politieke macht en bestuurlijke verantwoordelijkheid.




  • Willen politieke invloed, maar geen bestuurlijke verantwoordelijkheid.




  • Doen mee aan verkiezingen.




  • Doen niet mee aan verkiezingen.




  • Zijn vertegenwoordigd in politieke organen.




  • Zijn hooguit vertegenwoordigd in adviesorganen.






Soorten partijen:




  • Op basis van een ideologie: kijk vorige pagina.

  • One-issuepartijen: richten zich op één aspect van de samenleving en hebben daar een



                                  duidelijk standpunt over. Zoals: Partij voor de Dieren.




  • Protestpartijen: ontstaan uit onvrede met de bestaande politiek. Zoals: D66.

  • Populistische partijen: ontstaan deels uit protest, maar hebben vooral de bedoeling



                                                op te komen voor de stem van de ‘zwijgende massa’.




  • Niet-democratische partijen: belang van de oorspronkelijke, autochtone bevolking staat



                                                     centraal en hun standpunten zijn sterk racistische. Het is nu



                                                                    alleen nog bij demonstraties.





Bestudeer de pagina’s over de partijen met hun standpunten en de stand in positie.



SP, GroenLinks, Partij voor de Dieren, PvdA, D66, ChristenUnie, CDA, VVD, SGP, PVV.



Pagina 76-79]





Kiesrecht:




  • Actief: als je 18 jaar en ouder bent mag je voor een partij kiezen en deze uitbrengen.

  • Passief: als je 18 jaar en ouder bent mag je jezelf verkiesbaar laten stellen.





Lijsttrekker: bekendste kandidaat van elke partij staat nummer één op de kandidatenlijst




  • Hij/Zij verwoordt tijdens de verkiezingscampagne in de debatten de standpunten van de partij.

  • Hét gezicht van de partij.

  • Kiezers winnen: ze beloven om de belangrijkste dingen aan te pakken. Na de verkiezingen



                             moeten ze onderhandelen met andere partijen over de samenstelling van



                             een regering en verdwijnen sommige van deze verkiezingsbeloften.





Redenen om te stemmen:




  • De standpunten van de partij komen overeen met jouw ideeën.

  • De partij let goed op jouw belangen.

  • Je stemt strategisch, je kijkt dan welke partij kans maakt om in de regering te komen.

  • Aantrekkingskracht van de lijsttrekker, door media.





Verkiezingscampagne:



Ruim voor de verkiezingen stellen de partijen een campagneteam samen. Hierin zitten partijleiders gesteund door spindoctors, dit zijn communicatiedeskundigen die de partij en de lijsttrekker adviseren. Samen bepalen ze de beste verkiezingsstrategie.





Regering: koning en ministers.



Kabinet: ministers met hun staatssecretarissen. Bedoeling dat deze voor vier jaar blijft.



Kabinetscrisis ontstaat door:




  • Onenigheid over één of meer kwesties tussen de ministers.

  • Het niet meer steunen van het kabinet door de meerderheid van de Tweede Kamer.



Als een kabinet ontslag neemt, volgen er meestal vervroegde verkiezingen. Om het land niet onbestuurbaar te maken, blijven de oude ministers meestal in functie tot er een nieuwe kabinet is gevormd. Je noemt dit een demissionair kabinet, dat geen eigen ‘missie’ meer heeft en alleen de lopende zaken afhandelt.





Kabinetsformatie is direct na de Tweede Kamerverkiezingen, het doel is om een kabinet te vormen. Het neemt vaak enkele weken of zelfs maanden in beslag en in een aantal stappen.



Verloop van de kabinetsformatie:




  1. Adviezen: de vicepresident van de Raad van State, voorzitters van de Eerste en Tweede



                   Kamer en de fractievoorzitters van de politieke partijen gaan naar de koning na de



                   dag van verkiezingen. Zij adviseren elk welke partijen het beste een kabinet



                   kunnen vormen. Op basis hiervan benoemt de koning een informateur.




  1. Informateur: eerst onderzoekt hij welke combinatie van partijen de meeste kans van slagen



                        hebben, ze moeten namelijk goed kunnen samenwerken. Hij laat eerst de



                        partijen allerlei compromissen sluiten (elkaar een beetje gelijk geven). Daarna is



                        er een coalitie mogelijk, dat is een samenwerkingsverband van twee of meer



                        partijen. De coalitiepartijen stellen een regeerakkoord, daar staan de



                        hoofdlijnen in van het beleid voor de komende jaren, op onder leiding van de



                        informateur. Na het regeerakkoord brengt de informateur verslag uit naar de



                                      koning. Is zijn opdracht mislukt, dan komt er een nieuw informateur. Is er wel



                                      een coalitie gevormd, dan benoemt de koning een formateur.




  1. Formateur: zoekt geschikte ministers en staatssecretarissen bij elkaar. Hij is afkomstig van de



                     grootste regeringspartij en wordt zelf minister-president.




  1. Bordes: Nadat de formateur klaar is, benoemt de koning de ministers en staatssecretarissen



               en volgt de bekende foto op het koninklijke bordes.





Kiezers:




  • Zwevende: kiezers die niet bij elke verkiezing op dezelfde partij stemmen.

  • Strategische: kiezers die een partij kiezen waarvan ze bijna zeker weten dat ze in de coalitie



                         komen.





Constitutionele monarchie: een staatsvorm waarin de taken en bevoegdheden van het staatshoofd



                                                  grondwettelijk zijn vastgesteld.





Verdeling zetels:



Eerst wordt de kiesdeler berekend. De kiesdeler is het aantal stemmen dat een partij nodig heeft om 1 zetel te krijgen. Om de kiesdeler te berekenen wordt het totaal aantal uitgebrachte geldige stemmen gedeeld door het aantal zetels. Het totale aantal zetels van de Tweede Kamer is 150.





Daarna wordt gekeken hoe veel keer de partijen qua stemmenaantal de kiesdeler hebben gehaald. Het resultaat hiervan geeft het aantal volle zetels dat door partijen is behaald. Deze verdeling komt meestal niet precies uit. Er blijven dan restzetels over.



Belangrijkste taken van de koning:




  • Handtekening plaatsen onder wetten.

  • Troonrede voorlezen op Prinsjesdag.

  • Ministers en (in)formateurs benoemen.

  • Regelmatig overleg voeren met de minister-president.



Belangrijkste taken van de ministers:




  • Voorbereiding en uitvoering van het overheidsbeleid:

  • Opstellen van wetsvoorstellen.

  • Uitvoeren van eenmaal aangenomen wetten.

  • Jaarlijks opstellen van de rijksbegroting en deze aanbieden aan het parlement.





Prinsjesdag:




  • Derde dinsdag in september.

  • Kabinet presenteert de plannen voor het komende jaar in de troonrede.

  • Tweede Kamer biedt de minister van Financiën die dag de Rijksbegroting aan in de vorm van een samenvatting, de miljoenennota.





Ministeriële verantwoordelijkheid:



De koning maakt deel uit van de regering maar de ministers zijn verantwoordelijk: de koning is onschendbaar.




  • Kabinet is verantwoordelijk voor de inhoud van wetten en de troonrede, maar ook voor alle gedragingen van alle leden van het Koninklijk Huis. Als iemand in het koninklijk huis hun mening geven over een onderwerp, dan moet de minister-president met de Tweede Kamer in debat over die uitspraak.

  • Politiek verantwoordelijk: voor hun ambtenaren.





Elke minister heeft een eigen beleidsterrein, ook wel portefeuille genoemd, en een eigen ministerie waar veel ambtenaren voor hem of haar werken.



Ambtenaren bereiden wetsvoorstellen voor en geven adviezen.



Soms hebben ministers geen eigen ministerie, dit is een minister zonder portefeuille.



Een minister heeft één of twee staatssecretarissen onder zich, zij zijn verantwoordelijk voor een deel van zijn beleidsterrein.


















REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.