ADVERTENTIE
Luisterboeken: de makkelijke optie? Lars is niet echt een fan van lezen. Daarom gaat hij op zoek naar de beste manieren om door zijn leeslijst heen te komen. Red je het met alleen maar samenvattingen, of is een e-reader of luisterboek een betere optie? Deze video wordt mede mogelijk gemaakt door Storytel.

Probeer 30 dagen gratis
Maatschappijleer heeft als kern de benadering van de samenleving gezien vanuit verschillende hoeken. Ten aanzien van een maatschappelijk probleem zijn er 4 benaderingswijzen:
1. Sociaal cultureel
2. Sociaal economisch
3. Politiek juridisch
4. De veranderings en vergelijkende

Sociaal cultureel
Voorbeeld. Thema criminaliteit. De oorzaken, de oplossingen

Sociaal economisch
Hierbij let men vooral op de materiele belangen, of wat het de overheid kost.

Politiek juridische
Kijkt vooral naar de rol van de overheid. Wat wil die overheid, welke middelen, welke wetgeving en regels.

Veranderings en vergelijkende benadering
Veranderingen in overheidsbeleid en in opvattingen van groepen en die vergelijken met andere samenlevingen. (het vergelijken van het presidentschap in Amerika met het koningschap hier).

Bij het vak maatschappijleer is het nodig goede vragen te formuleren, hypotheses (veronderstelling) te maken en standpunten te formuleren.

Politieke besluitvorming

Hoofdstuk 1 Inleiding

Politiek is de gezaghebbende toedeling van waarden. Een waarde is alles wat iemand waardevol vind. Bij waarden zijn normen. Normen zijn regels die men stelt bij waarden. In de politiek ligt de gezaghebbende toedeling bij de overheid. Met andere woorden de soevereine macht ligt bij de overheid. De overheid heeft vrijwillig de macht gekregen over een groep mensen op een bepaald grondgebied. De staat.

De overheid heeft 3 kerntaken:
1. Openbare orde en veiligheid
2. Zorg voor sociaal economische zaken
3. Zorg voor sociaal culturele zaken

Politiek heeft verschillende definities:
• Gezaghebbende toedeling van waarden
• Politiek is de inhoud van het overheidsbeleid
• De wijze waarop het beleid tot stand komt en de effecten daarvan.

Hoofdstuk 2 Modellen voor politieke besluitvorming

Het proces van politieke besluitvorming kan men in modellen uitdrukken die altijd uit komen. Het meest bekende is het systeem model.

Input
Hier worden wensen en verlangens uit de samenleving naar voren gebracht. Bijvoorbeeld door vakbonden, actiegroepen, politieke partijen. Deze groepen worden sluis of poortwachters genoemd.

Conversie
Wanneer zaken door de eerste fase geraakt zijn staat het probleem op de politieke agenda. Dit hangt af van vragen zoals; is het probleem oplosbaar? Is het zodanig dat het emoties op roept? Is het verwerpelijk of onjuist.

De omzetting/conversie kent 2 stappen:
1. De beleidsvoorbereiding (ambtenaren)
2. De beleidsbepaling (tweede kamer/ministers)

Output
Dit gebeurt door ambtenaren. Is men tevreden dan volgt geen feedback, is men niet tevreden dan volgt feedback.

Een politiek systeem is afhankelijk van de politieke omgeving. Dat wil zeggen iets is belangrijk door de kenmerken van de eigen samenleving en door relaties met andere landen.
De systeembenadering heeft een aantal zwakke kanten:
• Het proces verloopt niet altijd volgens de 4 fasen
• Het model kan in zowel een dictatuur als democratie toegepast worden.
• Soms kunnen actiegroepen de overheid niet erkennen, en dan werkt het systeem niet.

Een ander model is het barrière model. Hierbij moet men drempels (barrières) overwinnen om iets te bereiken.

Bij het systeemmodel moet men langs sluit en poortwachters en dan loopt het model. Bij het barrière model moet men 4 keer een hindernis overwinnen.

Als derde is er het geïntegreerde model. Dat wil zeggen een combinatie van systeemmodel en barrière model.

Hoofdstuk 3 Een typering van het Nederlandse staatsbestel

Nederland is een democratie, dat wil zeggen het volk regeer. We noemen dit de volkssoevereiniteit. In Oost Europa was tot voor kort een volksdemocratie. Dat wil zeggen een systeem waarbij de overheid alles deed voor het volk, maar niet door het volk. Met andere woorden in werkelijkheid een één partijen systeem onder leiding van de communisten. In ons land is er sprake van een parlementaire democratie, waarbij een grondwet de rechten en plichten van een burger garandeert. Artikel 1 Anti discriminatie beginsel.
Daarnaast zijn er nog een aantal grond rechten:
• Vrijheid van meningsuiting
• Vrijheid van onderwijs
• Vrijheid van vereniging en vergadering
• Vrijheid van godsdienst

Ook kennen wij het legaliteitsbeginsel. Dat wil zeggen de wet regeert. Ons kies stelsel is zeer democratisch en ziet er als volgt uit:
Je mag in Nederland stemmen als je 18 jaar of ouder bent en de Nederlandse nationaliteit hebt. Je mag niet stemmen als je in een krankzinnige instelling of in de gevangenis zit of onder curatele staat. Mensen die uit hun ouderlijke macht zijn ontzet mogen ook niet stemmen.

Nederland is een parlementaire democratie met een constitutioneel (=aan grondwet gebonden) koningschap. Wanneer mensen mogen kiezen en iedereen gaat kiezen noemen we dat representatieviteit. Dus is de mening van de tweede kamer hetzelfde als de mening van het volk. Maar wanneer de mening van het volk niet in overeenstemming is met die van het parlement noemen we dat representatie. Representatie komt het meeste voor, omdat sommige mensen niet gaan kiezen, omdat geen partij hun ideeën vertegenwoordigd. Deze mensen kunnen vaak terecht bij een sociale beweging (actiegroepen).

In de wereld zijn de meeste systemen een parlementaire democratie. Hierbij moet de minister verantwoording afleggen aan het parlement. Maar er bestaan ook presidentiële stelsels, waarbij ministers verantwoording afleggen aan de president.

In Nederland kennen we het EV (evenredige vertegenwoordiging). Dat wil zeggen alle geldige stemmen / 150 = kiesdeler. Elke kiesdeler is 1 zetel in de 2e kamer.

Districten stelsel

1 2 3 4 5
6 7 8 9 10
11 12 13 14 15
16 17 18 19 20

CDA heeft 51% van de stemmen geeft 150 zetels.
PVDA heeft 49% van de stemmen geeft 0 zetels.

Binnen het systeem van districten kent men als varianten het meerderheidsstelsel (een gewone meerderheid is genoeg) en het beperkte districtenstelsel. Dat wil zeggen dat er meer kandidaten per district af te vaardigen zijn die volgens het stelsel van EV gekozen worden.

Hoofdstuk 4 Regering en parlement

Regering en parlement komen voor in de barrières 2 en 3. Ons staatshoofd is de koning(in) de koning(in) is onschendbaar en niet verantwoordelijk. Toch heeft de koning(in) nog enige macht, doordat hij/zij elke wet moet ondertekenen. Zij tekent algemene maatregelen van bestuur, wetten die voor iedereen gelden.
Ook heeft de koning(in) bij de formatie en informatie invloed doordat ze die persoon benoemd. Formatie is het maken van een regering en informatie is wie wil met wie samen werken.

Ministers zijn verantwoording schuldig aan het parlement. De regering (14 ministers + koningin) zijn de uitvoerende macht. Het parlement (1e en 2e kamer) zijn de controlerende macht. Meestal steunt 90% de regering, omdat men 75+1 zetel steun heeft.
De ministers maken wetsvoorstellen en discussie nota’s. Bovendien voeren ze ui wat het parlement wil.

Het parlement omvat de eerste en tweede kamer. De tweede kamer is het meest belangrijk, omdat zij meer het volk vertegenwoordigen. Daarom hebben ze meer rechten. Samen hebben ze het budget recht, het recht om vragen te stellen, het recht van interpellatie, het recht van enquête en het recht om moties in te dienen. Interpellatie is het onderbreken van de agenda. Enquête is het onderzoek onder ede. Moties zijn meningen van de kamer die de minister dringend verzocht wordt uit te voeren. Zo niet dan volgt meestal een motie van wantrouwen.

Naast die rechten heeft de tweede kamer extra het recht van amendement (=wijzigingen aanbrengen in een wetsvoorstel) en initiatief (=de tweede kamer mag zelf wetsvoorstellen maken). De regering en het parlement hebben een bepaalde relatie tot elkaar. Dat kan zijn dualisme of monisme. Dualisme betekent dat er een evenwichtige verhouding is tussen regering en parlement. Maar vaak overheerst het monisme. Dat wil zeggen de macht ligt bij een van beiden. Meestal ligt dat monisme bij de regering. Dat komt door raam of kader wetten die via AMVB’s algemene maatregelen van bestuur geregeld worden. Daarnaast heeft een minister duizenden ambtenaren, en zit het parlement vast aan regeer akkoorden. Tot slot kan een minister altijd dreigen met aftreden. De tweede kamer kan toch enig tegenspel geven door specialisten in dienst te nemen, en door nota’s te eisen. Meestal zit een regering 4 jaar doordat zij op de steun kan rekenen van regeringspartijen. Wie niet in de regering vertegenwoordigd is noemen we een oppositie partij.

Hoofdstuk 5 Ambtenaren, adviescolleges en planbureaus

De ambtenaren komen voor in fase 2, 3, 4. Vooral bij de omzettingsfase zijn ze van belang. Een ambtenaar mag geen eigen mening hebben, moet dienstbaar zijn en uitvoeren wat de ministers willen. Het geheel noemt men de overheidsbureaucratie. De ambtenarij zit in een hiërarchische structuur. Dat wil zeggen de lage ambtenaar is verantwoording schuldig aan de hoger. Toch zijn ambtenaren zo belangrijk dat we hen de 4e macht noemen.

1e macht = regering
2e macht = parlement
3e macht = rechters
4e macht = ambtenaren

Zij worden de 4e macht genoemd, omdat ze veel kennis hebben en jarenlang op een ministerie werken. Toch heeft de ambtenarij een aantal nadelen. De traagheid, vaak inefficiënt en ondoelmatig, en de ondoorzichtigheid.
De ergste vorm noemen we verkokering, dat wil zeggen ambtenaren binnen eenzelfde ministerie werken langs elkaar heen. Bijvoorbeeld het ministerie van VROM (Volksvestiging Ruimtelijke Ordening Milieu). Naast ambtenaren zijn er ook advies organen, het belangrijkste in aanzien is de raad van state. Deze geeft advies aan de regering en behandeld administratieve rechtspraak (een geschil tussen burger en overheid). Als 2e belangrijkste is er der SER (sociaal economische raad). Tot slot zijn er planbureaus die voorspellingen doen en zaken door berekenen. De twee bekendste zijn het centraal planbureau, en het sociaal cultureel planbureau.

Hoofdstuk 6 Intermediairs tussen overheid en burger

Functies van politieke partijen:
• Communicatie functie: men wil de eigen visie duidelijk maken aan de burger
• Selectie functie: Men wijst kandidaten aan of men selecteert kandidaten.
• De integratie functie: Wensen en verlangens van de leden vertalen in een politiek programma.
• De participatie functie: Mensen interesseren om deel te nemen in de politiek.
• Articulatie functie: Het naar voren brengen van wensen die bij de gewone burger leven

Functies van de massamedia
• De informatie functie: Doorgeven van informatie van overheidsbeleid.
• De opiniërende functie: Standpunten van politici worden doorgegeven aan de burger.
• De commentaar functie: Media geven commentaar op de politiek
• Controlerende functie: Men controleert of politici wel de juiste informatie geven.
• De agenda functie: Media bepalen vaak waar mensen over praten.

Hoofdstuk 7 mogelijkheden van de burger

Elke burger heeft actief en passief kiesrecht, daarnaast heeft hij een aantal burger rechten.
Het deelnemen aan de politiek noemen we politieke participatie. Daarbij is de electorale participatie +/- 80%. Daarnaast is de conventionele participatie (= lid zijn van een politieke partij), nog geen 4%. Als laatste is er protest participatie, bijvoorbeeld demonstreren, actie voeren, staken, kraken van panden etc. Er kan veel op het gebied van protest zelfs tot burgerlijke ongehoorzaamheid toe. Dat betekent dat je opzettelijk de wet overtreedt. Toch wordt dit meestal niet bestraft, omdat men handelt vanuit zijn geweten, alles openbaar doet en nooit uit is op eigen belang. Wanneer men niet aan die drie eisen voldoet gaat men richting terrorisme. Waarom zijn mensen wel of niet geïnteresseerd in politiek?

Wel
1. Eigenbelang
2. Ieder mens is een sociaal wezen, en dus geinteresseerd in de ander.
3. Het gevaar om politiek over te laten aan beroepspolitici.
Niet
1. Onwetendheid en onbekendheid.
2. Politiek is voor velen nutteloos.
3. Gebrek aan stimulansen.
4. Tevredenheid.
5. De dreiging die uitgaat van het meedoen aan de politiek

Het niveau van participatie is afhankelijk van 4 zaken:
1. Leeftijd.
2. Sekse.
3. Het sociale milieu.
4. Het opleidingsniveau

Hoofdstuk 8 Pressiegroepen


Er zijn buiten de publiek rechtelijke organisaties ook nog andere groepen die invloed proberen uit te oefenen. Dat noemen we pressie groepen. Publiek recht is recht dat voor iedereen geld. Pressiegroepen vallen uiteen in belangen organisaties en actiegroepen. Een belangen organisatie is goed georganiseerd, bestaat langdurig en gebruikt bijna nooit geweld. Voorbeelden zijn de ANWB en de vakbonden. Actiegroepen zijn vaak kortstondig van bestaan, houden op als het doel bereikt is, en schuwen het geweld niet. Voorbeelden zijn Greenpeace, krakers bewegingen. Wanneer men verschillende groeperingen heeft die los van elkaar staan, maar wel hetzelfde doel hebben noemt men dat een sociale beweging. Tussen een partij en een Pressiegroep zijn de volgende verschillen:
• Een partij bekijkt landsbelangen en een pressiegroep een deel belang
• Een partij heeft het systeem van kiezen een pressiegroep heeft dat niet.

Wanneer een pressiegroep en een partij elkaar benaderen, komen we richting one issu partijen. Voorbeelden zijn het vroegere CD en het AOV.
Wanneer partijen vooral hun ideologie willen benadrukken noemen we dat getuigenis partijen (BV GPV en CU). Pressiegroepen zijn succesvol als:
• Ze goed georganiseerd zijn
• Men de media voor zich kan winnen
• De politieke omgeving gunstig gezind is

Wanneer men gaat kijken wie de macht heeft in Nederland gaat men uit van 3 Theorieën:
1. De klassieke democratie theorie: De macht ligt in handen van gekozen politieke functionarissen.
2. De pluralisme theorie: De macht ligt in handen van meerdere groepen die ongeveer evenveel macht hebben bijvoorbeeld werkgevers en werknemers.
3. De elite theorie: De macht ligt in handen van een sociaal economische of politieke elite.

Hoofdstuk 9 Knelpunten bij besluitvorming

In ons democratisch systeem zijn verschillende knelpunten.
1. Kiezers hebben geen rechtstreekse invloed bij het kiezen van de minister president, en de vorming van het kabinet.
2. Tussen twee verkiezingen door (4jaar) heeft de kiezer geen invloed.
3. De invloed van het parlement op regering en ambtenaren is beperkt. Dit komt omdat de regering veel ambtenaren ter beschikking heeft.
4. Soms is de mening van het parlement niet gelijk aan die van het volk (representatief)
5. Vaak is politieke terminologie (= woordgebruik) niet te begrijpen voor de gewone burger.
6. De afstand kiezer, gekozene is vaak te groot. De partij bepaald immers wie op de lijst komt.

In zijn algemeenheid zijn er nog een aantal zaken, waarbij de burger de nodige opmerkingen heeft.
• De trage bureaucratie.
• Waarom moet de eerste kamer nog eens over doen wat de tweede kamer al gedaan heeft?
• Er zijn teveel regels waardoor zaken ondoorzichtig zijn.

Buiten Nederlandse zaken moet men steeds meer rekening houden met Europa. Bijvoorbeeld op het gebied van drugsgebruik. Als er problemen zijn in Nederland die we niet kunnen oplossen zeggen we “het wordt in de ijskast gezet”. Bijvoorbeeld de problematiek rond levensvragen. Daarnaast kost altijd alles geld, en dat is er niet genoeg. Tot slot wordt vaak iets beslist in gesloten circuits. Wat kan men er aan verbeteren:
• Het invoeren van een referendum. Maar alleen D66 wil dat. De grote partijen staan er huiverig tegenover. Dankzij de LPF gaan steeds meer partijen het referendum ondersteunen. Het enige wat zou kunnen slagen is een corrigerend wetgeving referendum. Dat wil zeggen burgers kunnen een goedgekeurde wet door het parlement nog een keer zelf beoordelen.
• Men zou de mensen rechtstreeks, de burgemeester, de minister president en de formateur kunnen laten kiezen.
• Men zou de eerste kamer kunnen afschaffen.
• Het invoeren van een kiesdrempel zoals in Duitsland.

Hoofdstuk 10 Politieke stromingen

Een politieke cultuur (= verschillende opvattingen, normen, waarden, houdingen en verwachtingen ten aanzien van de politiek in een samenleving) kent drie belangrijke elementen, namelijk:
1. Politieke structuren en de omgangsregels van factoren die in deze structuren een rol vervullen.
2. Het politiek proces (De mate van vertrouwen in de politiek, de bereidheid tot politieke participatie, de deelname aan verkiezingen).
3. De inhoud van het overheidsbeleid.

De politieke cultuur is voortdurend veranderd. Hierbij spelen enkele factoren een rol:
• Ontzuiling met het gepaard gaande proces van deconfessionalisering (hierdoor maakten mensen zich los van traditie en godsdienst, waardoor ze zich konden oriënteren op andere ideeën).
• Democratisering (mensen kregen op enig niveau enige inspraak).
• Emancipatie (hierdoor konden mensen uit achterstandposities komen, en een veel actievere rol in de samenleving spelen).

We kunnen het begrip ideologie (= alomvattende maatschappijvisies) definiëren als een samenhangend stelsel van normatieve uitspraken over mens en maatschappij, waarmee een persoon of groepering zijn positie en beleid kan bepalen en rechtvaardigen. Normatieve uitspraken zijn uitspraken over hoe iets zou behoren te zijn. Uitspraken die deel uitmaken van een ideologie gaan over:
• Belangrijke waarden en normen die voor de hele samenleving zouden moeten gelden.
• De gewenste sociaal-economische orde van een samenleving.
• De gewenste machtsverdeling in een samenleving.

Een ideologie omvat ook een visie op de bestaande situatie in de samenleving.
• Ideologieën proberen een verklaring te geven voor de werkelijkheid.
• Ideologieën bieden aan individuen en groepen een houvast voor hun handelen.
• Ideologieën legitimeren politiek handelen.

Een groepering van mensen met ongeveer dezelfde politieke opvattingen noemen we een politieke stroming. Wanneer deze mensen zich organiseren ontstaat er een politieke partij. Deze kunnen we onderscheiden in:
• Conservatief (behoudend) en progressief (vooruitstrevend).
• Links (voor staatsinvloed in de economie en voor wettelijk geregelde gelijkwaardigheid) en rechts (voor vrije markteconomie).
• Confessioneel of niet-confessioneel
• Wel of niet gebaseerd op een ideologie
• Op basis van de verschillende ideologieën.

De liberale visie
Dit staat voor vrijheid en onafhankelijkheid van de staat. Vrijheid betekent bij het liberalisme individuele vrijheid. Zij willen een staat die politieke grondrechten van burgers respecteert, en dit noemen we een rechtsstaat. Ook zijn zij voor economische vrijheid. Dit houdt in dat er veel ruimte moet zijn voor particulier initiatief. Enkele liberale partijen zijn:
• VVD (Volkspartij voor Vrijheid en Democratie).
• D66 (democraten 66). Zij noemen zichzelf links liberaal. D66 benadrukt vooral het belang van hervormingen van ons staatsbestel.

Sociaal-democratische visie
Zij vinden de gemeenschap een belangrijker uitgangspunt dan het individu. De overheid moet initiatieven nemen om te komen tot een betere samenleving. Zij willen dat alle kansen voor alle mensen in de maatschappij gelijk zijn (gelijkwaardigheid).
Democratisering betekent mensen die onderworpen worden aan de gevolgen van politieke besluitvorming zoveel mogelijk bij het besluitvormingsproces betrekken via ondernemingsraden, inspraakprocedures etc. De PVDA (Partij van de Arbeid) is een Sociaal-democratische partij.

De christen-democratische visie
Zij gaan vooral uit van het christelijke geloof als inspiratiebron voor het politiek handelen. Enkele waarden van hun zijn naastenliefde, solidariteit, een verantwoordelijke samenleving en gespreide verantwoordelijkheid. Hun waarden komen vooral uit de bijbel.
De organisaties zijn in de christen-democratische visie in de eerste plaats verantwoordelijk voor de samenleving. Zij vinden ook dat er katholieke en protestantse scholen moeten zijn en dat de overheid zich er zo weinig mogelijk mee bemoeit met hun regels. Dit uitgangspunt wordt ook wel het subsidiariteitsbeginsel genoemd. In protestantse kringen spreekt men van soevereiniteit binnen eigen kring.
Het rentmeesterschap is een derde belangrijk uitgangspunt. Een rentmeester is iemand die het beheer over de bezittingen van zijn meester voert en die verantwoordelijkheid voor dat bezit draagt.
Deze visie wordt vertegenwoordigd door het CDA (Democratisch Appel).

De communistische visie
Het gemeenschappelijke is belangrijker dan het individuele. Het communisme als ideologie gaat uit van de klassenstrijd. Zij vinden dat de arbeiders de touwtjes in eigen handen moeten krijgen. Zij willen dat door de klassenstrijd de arbeiders gelijk komen te staan met hun bazen en zo te zorgen voor gelijkheid. Zij willen de macht bij het volk. Vroeger was er de CPN (Communistische Partij Nederland) er. Deze is verdwenen.

De rechts-extremistische visie
Zij zijn een politieke stroming die zich sterk verzetten tegen het communisme. Zij keuren het principe van de gelijkwaardigheid van alle mensen af. Rechts-extremisten verlenen hun ideeën aan het fascisme. Alleen en sterk centraal leiderschap kan alle ellende in een land bestrijden. Zij hebben een sterk superioriteitsgevoel, dat vaak leidt tot racisme. Alleen maar met geweld kunnen ze hun idealen bereiken. Er zijn vroeger twee partijen geweest die rechts-extremistisch waren. Dat waren CP (de Centrum Partij) en CD (de Centrum Democraten), maar die zijn er nu niet meer.

De ecologische visie
In deze visie staat het milieu centraal. De uitgangspunten van politieke partijen met deze visie zijn:
• Ecologische waarden moeten belangrijker zijn dan economische waarden.
• Via mentaliteitsverandering en via overheidsmaatregelen moet de samenleving overstappen op kleinschalige en milieuvriendelijke productieprocessen.
• De werking van het marktmechanisme moet worden beperkt.

Een voorbeeld van een dergelijke partij is groenlinks, die is ontstaan uit de PSP (Pacifistisch-Sosialistische Partij), de PPR (Politieke Partij Radicalen), de Evangelische Volkspartij en de Communistische Partij.

De orthodox-christelijke visie
Tot deze visie behoren de Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP), het Gereformeerd Politiek Verbond (GPV) en de Reformatorische Politieke Federatie (RPF). Zij beroepen zich alledrie op de bijbel als grondslag voor het politiek handelen. Zij gaan daarin veel verder dan het CDA. De GPV is de meest Progressieve groepering van de drie. En de SGP de meest conservatieve.

De pragmatische visie
Deze visie gaat niet uit van vast omschreven uitgangspunten. Elk probleem in de samenleving wordt op zich bekeken. D66 Kan hier ook wel toe gerekend worden.

Massamedia


Hoofdstuk 1 Communicatie, informatie en massacommunicatie

Communicatie is een proces waarbij zender en ontvanger doorlopend met elkaar in proces/ contact zijn.

Communicatie kan zijn:
• Meerzijdig (een mens is gelijk zender en ontvanger)
• Verbale communicatie (geschreven en gesproken woord)
• Non-verbaal
• Directe communicatie (zonder hulpmiddel)
• Indirecte communicatie (met hulpmiddelen)

Communicatie Moet in de meeste gevallen effectief zijn. Wanneer in het communicatieproces niet effectief gehandeld wordt krijgt men ruis. Dit leidt tot mis communicatie.
Wanneer mensen in Communicatie elkaar verkeerd begrijpen heeft dat te maken met het referentiekader. Referentiekader betekent de manier waarop iemand met waarden en normen in zijn groep is opgevoed. Wanneer mensen verschillende referentiekaders hebben, kan een communicatie stoornis ontstaan. Het referentiekader heeft als oorsprong de socialisatie. Socialisatie is de manier waarop iemand is opgevoed. Bij communicatie is informatie essentieel. Informatie is kennis en nieuws. Nieuws moet aan de volgende eisen voldoen:
1. Het moet uitzonderlijk zijn.
2. Het moet een zekere samenhang vertonen.
3. Enige voorkennis is nodig.

Communicatie in onze maatschappij is meestal massacommunicatie. Dat wil zeggen gericht op een groot publiek en voor iedereen toegankelijk. Massacommunicatie is eenzijdig, indirect en heeft als hulpmiddel de massamedia. Tot slot is massacommunicatie openlijk.

Hoofdstuk 2 Betekenis van Massamedia

Massamedia kunnen 4 taken vervullen:
1. Het leveren van informatie.
2. Kennis en inzicht vergroten
3. Ze kunnen gedrag en opinie’s beïnvloeden.
4. Ze kunnen verstrooiing bieden.

Vaak lopen deze vier zaken door elkaar heen. Ook hebben de media een aantal functies voor de samenleving. (functie is het effect of gevolg van een menselijke activiteit).
• Overdracht van cultuur.
• Het kennis laten nemen van andere samenlevingen.
• Kennis en informatie overbrengen.
• Bemiddelaar zijn tussen overheid en burger
• De mogelijkheid bieden tot het uitwisselen van meningen.

Wanneer wij het over cultuur overdracht van de media hebben kan dat zowel via informatie en amusement. Soms kan de uitwerking ook negatief zijn, dan krijgt men vooroordelen en stereotypen voorgeschoteld.
Waar media ook een rol in spelen is het beïnvloeden van de publieke agenda. Zij bepalen mede waar de mensen over praten en zelfs de politiek.
Over het belang van de media, vooral de tv heeft men twee uiteenlopende visies:
1. Een van meneer Postman, die beweert dat tv een hoop kapot gemaakt heeft.
2. Anderzijds is er Mc Luhan, die beweert dat tv de wereld openstelt voor iedereen

Hoofdstuk 3 Selectie

Kranten en omroepen bepalen vaak de agenda van de burger. Desondanks hebben mensen toch vaak een eigen mening. Dat komt doordat men zelf selecteert, eigen normen en waarden heeft en bepaalde ervaringen. Het geheel noemen wij dan ook selectieve perceptie. Selectieve perceptie heeft ook te maken met het zogenaamde referentiekader.
Media zelf selecteren ook er is zoveel nieuws dat het van de achtergrond van de media zelf afhangt welke berichten zij brengen. We noemen dat de kleur van de media. Bijvoorbeeld de Volkskrant is midden links, de Telegraaf is midden rechts.
Nieuws komt van overal ter wereld, en wordt geselecteerd door persbureaus. Voorbeelden zijn Associate Press (AP), United Press International (UPI), Reuter, ANP. Alle media’s zijn aangesloten bij die persbureaus. Daarnaast hebben kranten eigen redacties en correspondenten. De krant kent in de redactie nog een onderverdeling. Bijvoorbeeld de sport redactie en de den Haagse redactie.
Wanneer kranten of omroepen iets nieuws willen brengen gelden de volgende criteria:
• Zaken moeten uitzonderlijk zijn.
• Het moet gevolgen hebben voor grote groepen mensen.
• Het moet actueel zijn.
• Het moet van belang zijn voor de doelgroep.
• Ze moeten gedurende lange tijd bepaalde nieuwswaarde hebben.
• Het moet eenvoudig uit te leggen zijn.
• Afwisseling is broodnodig.

Wanneer men op de juiste manier wil berichten dient men zich aan journalistieke normen te houden:
1. Men moet zijn bronnen controleren
2. Men moet hoor en wederhoor toepassen.
3. Men moet informatie scheiden van opinie.

Het meeste nieuws komt via westerse pers bureaus. Dat betekent dat zaken ook vanuit een westerse bril worden bekeken. Zo zien we de derde wereld bijvoorbeeld alleen als ramp gebied.
Behalve nieuws leveren de media ook amusement. Daarbij beheerst de V.S een groot deel van de markt. Ook hier krijgen we een vertekent beeld, omdat vaak een vals beeld gegeven wordt van de werkelijkheid, maar wel in overeenkomst met Amerikaanse waarden en normen.

Hoofdstuk 4 De werking van de beïnvloeding door de media

Er wordt vaak beweerd dat media veel invloed hebben op de mensen. Daarover zijn een aantal theorieën:
1. De injectienaald theorie: Hierbij wordt het nieuws en de beïnvloeding als het ware toegediend elke dag als een soort injectie. Vooral Amerikanen zijn hier heel gevoelig voor. Deze theorie is onjuist, omdat ook hier selectieve perceptie een rol speelt.
2. Het twee trapsmodel: Hierbij is het de zogenaamde opinieleider die informatie op pikt, verwerkt en doorgeeft. Zo beïnvloed hij de massa. Ook deze theorie is onjuist, omdat dit alleen geldt voor zijn volgers.
3. De selectiviteit theorie: Hierbij geldt de massa bepaalt zelf hoe ze beinvloedt willen worden. En wat ze interessant vinden. Vooral de commerciële zenders spelen hier op in. Dit alles is waar, maar gaat weer niet op voor de kritische luisteraar.
4. De agenda theorie: Hierbij bepalen de media waarover gepraat wordt. Zij bepalen immers de nieuws items. Ook hier geldt weer de selectieve perceptie.
5. de cultivatie theorie: Hierbij moet worden gekeken naar effecten die zich voordoen als men heel vaak naar dezelfde soort van beelden/programma’s kijkt. Die programma’s kunnen het werkelijkheidsbeeld van de kijker beïnvloeden. Het veelvuldig en in een lange periode zien van beelden met één zelfde soort boodschap kan de beeldvorming en mening vorming beïnvloeden. Er ontstaat een scheve verhouding, mediarealiteit – Alledaagse werkelijkheid. Vooral als de boodschap niet erg genuanceerd is (vooral kinderen zijn beïnvloedbaar). Kritiek; mensen blijven selectieve perceptie behouden.

Hoofdstuk 5 De overheid en de media

In ons land zijn de gedrukte media afhankelijk van het markt mechanisme. Daarbij heeft de overheid niets te zeggen over de kranten zelf. Dat is niet het geval bij televisie en radio. Daar bemoeit de overheid zich wel mee en stelt regels met betrekking tot die media. Dat alles is geregeld in de media wet. Bijvoorbeeld de publieke zenders mogen niet werken vanuit een winstoogmerk. Uitgangspunt hierbij is de grondwet. De grondwet kent de vrijheid van meningsuiting, waarbij wel een aantal zaken niet kunnen. Bijvoorbeeld men mag niet beledigen, opruien, liegen en de goede zeden schenden. Ook is het omstreden wat een journalist wel of niet mag. Hij kan zich bijvoorbeeld verschuilen achter het verscholings recht. Dat wil zeggen hij noemt zijn bron niet. Wanneer hij zich hier achter verschuilt, betekent dat nog niet dat hij alles kan. De rechter bepaald.

Nederland houdt zich aan de vrijheid van meningsuiting. In Europees verband ook nog aan het recht aan informatie. Dat zou kunnen betekenen dat Europese wetgeving eigenlijk voorschrijft aan Nederland dat het niet mag afwijken van internationale bepalingen. Bijvoorbeeld dat recht op informatie staat niet in onze grondwet.

Wanneer we de visie van onze overheid samenvatten komen we tot drie punten die zij nastreeft:
1. Vrijheid van meningsuiting
2. Pluriformiteit
3. De zorg functie. De overheid moet er voor zorgen dat de media hun werk zo goed mogelijk moeten kunnen verrichten.

Algemeen gesteld zijn de Nederlandse politieke partijen voorstander van de drie genoemde punten. Toch zijn er enkele kleine verschillen. PVDA en CDA zijn voorstanders van de publieke omroep. De VVD wil een meer commerciële omroep bestel.

Hoofdstuk 6 De pers: een profiel

Dagbladen
Kranten kunnen zes soorten informatie brengen:
1. Beleidsinformatie. Dit zijn nieuwsfeiten en achtergronden van politieke en maatschappelijke ontwikkelingen.
2. Human-intrest. Dit staat voor artikelen en stukjes over alledaagse of juist bijzondere mensen en gebeurtenissen die de lezers vermaken.
3. Verstrooiing. Hiermee wordt gedoeld op strips, feuilletons, sportberichten en dergelijke.
4. Praktische informatie. Dit is informatie die de lezers nuttig vinden, zoals weersberichten, de beursberichten, de kooktips enz.
5. Opinie. Persoonlijke meningen van schrijvers of van de kranten of ingezonden door schrijvers.
6. Advertenties. Het enige verschil met het vorige is dat deze niet vallen onder de verantwoording van de redactie.

Kranten bevatten altijd een mix van deze zes soorten informatie. De verschillende kranten kunnen we weer indelen op vier manieren:
• Landelijke en regionale bladen;
• Ochtend en avondbladen;
• Populaire massakranten en kaderkranten;
• En kranten met een verschillende politieke en maatschappelijke kleur.

Landelijke en regionale bladen
Landelijke dagbladen verschijnen in het hele land en regionale alleen in de eigen regio.
De landelijke bladen brengen binnen en buitenlands nieuws. De regionale bladen ook maar gaan hier niet zo ver op in. Zij brengen vooral streekgebonden nieuws.
Ook zijn er enkele tussen vormen zoals het Parool (Amsterdam) en Het Vrije Volk (Rijnmond). Dit worden ook wel semi-regionale dagbladen genoemd.
De Telegraaf, Algemeen Dagblad, de Volkskrant, NRC Handelsblad en Trouw zijn voorbeelden van landelijke dagbladen. De Gelderlander is een voorbeeld van een van de grootste regionale dagbladen.

Ochtend en avondbladen
De ochtendbladen brengen het nieuws van de hele vorige dag, de avondbladen dat van de nacht en ochtend alsmede dat van de vorige middag en avond. Van de vorig genoemde kranten is alleen NRC Handelsblad een Avondkrant. De kleinere landelijke dagbladen zijn ook avondkranten, evenals het Parool en Het Vrije Volk.

Populaire massakranten en kaderkranten
De Telegraaf en het Algemeen Dagblad behoren tot de populaire massakranten, de rest tot kaderkranten. De verschillen zijn:
• De populaire massakranten brengen veel human-intrest en verstrooiing, bij de kaderkranten ligt de nadruk op beleidsinformatie.
• De populaire massakranten vertonen grote koppen en foto’s en de teksten zijn kort, bij de kaderkrant is dit het tegenovergestelde (sober).
• De kader kranten zijn gericht op mensen met een hoger opleidingsniveau.

De kleur van de kranten
De volkskrant noemt zichzelf progressief (politiek links). Trouw is een protestants christelijke krant. NRC Handelsblad is een liberale krant. Het AD en de Telegraaf noemen zich neutraal.
Regionale kranten proberen het iedereen naar hun zin te maken, ze richten zich op een breed publiek.

Tijdschriften
De meest gelezen categorieën zijn:
• Damesbladen
• Familiebladen
• Mannenbladen
• Gossip of roddelbladen
• Jeugdbladen
• Omroepbladen
• Hobbybladen
• Sportbladen
• Vaktijdschriften

Opiniebladen
Deze bladen hebben als doel de lezer te informeren over de achtergronden van maatschappelijke, economische, politieke en culture ontwikkelingen.
De grootste opiniebladen zijn Elsevier (politiek rechts) en Vrij Nederland (politiek links). Hervormd Nederland, De groene Amsterdammer en de Haagse Post zijn ook nog enkele opiniebladen.

Huis aan huisbladen
Deze bladen worden gratis verspreid en worden volledig bekostigd door de reclame/adverteerders. Er staat ook plaatselijk nieuws in.

Hoofdstuk 7 De pers: Tussen commercie en overheid

De geschreven pers is afhankelijk van zijn abonnees. Dit noemen we markt gerichtheid. Als het slecht gaat met een krant zal die uiteindelijk verdwijnen. Veel geld is immers naar de ster reclame gegaan. Dat geld zou anders aan advertenties besteed zijn. Daarnaast is door de opkomst van de televisie het aantal krantenlezers verminderd. Tot slot heeft de ontzuiling ook ertoe bijgedragen dat mensen zich niet meer gebonden voelden aan een krant. Als gevolg van voornoemde ontwikkelingen ontstond er een persconcentratie waarbij dagbladen en weekbladen onder een grote uitgever kwamen. Voorbeelden zijn het parool, vrouw en de Volkskrant onder de pers combinatie. De VNU heeft bijna alle weekbladen in handen (Libbele, Panorama) (VNU = Verenigde Nederlandse Uitgeversbedrijven). Naast concentratie ontstond er ook monopoly vorming. Dat wil zeggen slechts enkele concerns hebben alle media in handen. Al dit soort zaken heeft te maken met de oplage spiraal en technologische veranderingen. De oplage spiraal betekent: minder abonnees is minder advertenties is weer minder abonnees. Daarnaast zijn er technologische veranderingen gekomen in druk technieken, waardoor men zeer veel kranten moet drukken om uit de kosten te komen. Daarom is de moderne trend markt segmentering. Dat wil zeggen men kijkt of voor een bepaald blad boldoende belangstelling is en dat men op zijn minst de kosten eruit haalt. Dit type bladen noemt men special intrest bladen. Omdat kosten van drukwerk zo duur zijn proberen uitgeverijen het hele productie proces in handen te krijgen. Men noemt dit de bedrijfskolom. Wat wel vaak botst, is de visie van de directie en de redactie. De directie wil winst maken en zoveel mogelijk mensen bereiken. De redactie wil kwaliteit. Daarom is er een redactie statuut waarin staat dat de redactie een grote mate van vrijheid heeft en zich niet zaken hoeft laten voorschrijven door de directie. Kortom gescheiden verantwoordelijkheden.
Wanneer een krant in nood is wordt die tijdelijk gefinancierd door het bedrijfsfonds voor de pers. Dit geld komt meestal uit ster gelden. De VVD is hierop tegen (concurrentie gedachte). De PVDA is voor ten gevolge van Pluriformiteit.

In het buitenland is de pluriformiteit ook belangrijk in democratieën. In dictaturen zijn de media propaganda middelen. De kampioen van de commerciële radio, televisie en kranten is de USA

Hoofdstuk 8 De publieke omroep

De omroepen worden wettelijk geregeld via de media wet. Die heeft als essentie dat het omroep bestel openbaar moet zijn. Dat heeft de volgende kenmerken:
• Men mag niet commercieel zijn, ze mogen niet streven naar winst. Bijvoorbeeld door commerciële activiteiten.
• Het bestel is open, voor iedereen toelaatbaar.
• Het geld dat eventueel uit activiteiten komt, moet bij de ster terecht komen.
• Er is programmatische autonomie, men mag in volledige vrijheid zijn programma invullen.

Wanneer men een omroep vereniging wil stichten kan dat onder de volgende voorwaarden:
1. Men moet een identiteit hebben, politiek of levensbeschouwelijk.
2. Ze moeten een vereniging of stichting zijn. Die hebben geen winstoogmerk. Wel mag zo’n vereniging aan merchandising doen.
3. De omroep moet een totaal programma hebben. Dat wil zeggen verplicht cultureel, informatief, educatief en verstrooiende programma’s.
4. De omroep verenigingen moeten minstens 150 duizend leden hebben. Dan is men pas een C omroep. Bij 500 duizend leden of meer een A omroep.
5. Voordat men een zendmachtiging krijgt wordt men aspirant.

De omroepen die wij hebben zijn de volgende:
• KRO Katholiek A-omroep
• NCRV Protestant A-omroep
• TROS Neutraal A-omroep
• AVRO Neutraal A-omroep
• VARA Sociaal democratisch A-omroep
• VPRO Vrijzinnig A-omroep
• EO Gereformeerd A-omroep
• BNN Jongeren gericht C-omroep

Daarnaast zijn er een aantal zonder leden: IKON, RKK, NOS, Socutera, Politieke partijen, HV, allochtone stromingen.

Hoofdstuk 9 De commercie

Nederland was tot voor kort een verzuilde samenleving. Dat wil zeggen er waren vier levensbeschouwelijke of religieuze stromingen die wij zuilen noemden.

Katholieke Protestantse Socialistische Neutrale/Liberale
Omroep KRO NCRV VARA AVRO
Partij RKSP ARP/CHV SDAP VDB
Krant Volkskrant De Standaard Vrije volk NRC handelsblad
Vakbond KAD CNV NVV -

In de jaren 60 begon de ontzuiling mensen kregen een breder blik veld en kozen niet meer automatisch voor een zuil. Voor de media betekende dat onder andere het verloren gaan van aan een zuil gebonden bladen, of verandering van identiteit. Bijvoorbeeld de volkskrant werd links. Bij de omroepen was de TROS een nieuw verschijnsel. Die richten zich niet op een bepaalde doelgroep, maar op iedereen. Omdat ook de commercie zijn intrede deed moest het een en ander in de omroepen wet uit 1967 geregeld worden. De opvolger hiervan is de media wet 1988. Het gevolg van al die veranderingen bracht het begrip vervlakking met zich mee. Dat wil zeggen gemakkelijke programma’s voor de grote massa waar men niet bij hoeft na te denken. We noemen dit ook wel vertrossing.
Ook de bereikbaarheid heeft ervoor gezorgd dat grote massa’s programma’s konden ontvangen. Dit dankzij het centrale antenne systeem, de kabel en satelliet televisie. In ons land had dat tot gevolg dat RTL Veronique via Luxemburg ons land binnen kwam. Daardoor hoefde die zich niet te houden aan de media wet. Tot slot is er nog regionale en lokale televisie. Ook zij nemen deel aan het publieke bestel. Een gevaar van zich steeds meer op de markt richten is de invloed van de sponsors. Zij kunnen de inhoud van het programma beïnvloeden. Het voordeel van commercie is extra inkomsten voor de omroep, waardoor eventueel duurdere programma’s gekocht kunnen worden. Door de opkomst van de commercie zijn de publieke omroepen ook marktgerichter gaan denken. Bijvoorbeeld nadruk op gemakkelijke programma’s zoals, talkshows en andere soortige programma’s van zo een luchtig mogelijke samenstelling.
Daarnaast wordt vooral prime time (7 t/m 10 uur) om populaire programma’s uit te zenden. Tot slot is er de sandwich formule. Dat wil zeggen tussen twee populaire programma’s een wat moeilijkere uitzenden. Belangrijk voor de omroepen zijn de kijkcijfers en de waarderingscijfers. Dit soort cijfers worden onderzocht door luister en kijk onderzoeken. De gevolgen van dit alles zijn:
• Kwaliteit verliest het vaak van kwantiviteit.
• Amusement gaat meestal voor de ideële functie van de omroep
• De nationale identiteit verminderd ten gevolge van het aantal in het buitenland
• De nationale identiteit kan verminderen door schaal verkleining. Bijvoorbeeld door alleen maar naar de lokale omroep te kijken.

Hoofdstuk 10 De discussie over het omroepbestel

Er zijn enkele op elkaar inwerkende factoren die van invloed waren op de discussie over het omroep bestel:
• Op cultureel vlak kwam er steeds verdere ontzuiling van de samenleving. De verzuilde omroepen kregen hierdoor minder achterban, zodat TROS en Veronica hun aanhang zag groeien.
• Op economisch vlak werden mensen meer consumenten. De ideologieën van de omroep tellen niet meer mee, maar wel de programma’s die ze uitzenden.
• Door ontwikkelingen op technologisch vlak door satelliet televisie en kabel kwamen er meer commerciële zenders op de tv die geen zendmachtiging nodig hadden. De Nederlandse televisie raakte zijn monopolie kwijt.
• Op politiek vlak werd de discussie over het omroepbestel bepaald door het compromis karakter van de nieuwe wetgeving. Het bestel werd open, maar bleef verzuild.

Er zijn een aantal tegenstellingen over de toekomst van het omroepbestel:
• volgens de overheid is er een spanning tussen economische groei en uitgangspunten van het mediabeleid. (economische is de commerciële televisie goed maar het verminderd de pluriformiteit)
• de omroepverenigingen hebben tegenstrijdige belangen (kleine A-groepen willen publieke bestel zo veel mogelijk handhaven omdat zij zo worden beschermd)
• er is een tegenstelling tussen het bedrijfsleven en de overheid met een deel van de omroepverenigingen en van het publiek (bedrijfsleven wil alleen televisie produceren die veel geld op levert dan programma’s met een goede kwaliteit)
• er kan een tegenstelling ontstaan tussen technologische ontwikkelingen en maatschappelijke behoeften ( niet alles wat kan moet per se)
• de afnemende steun van de bevolking voor het publieke bestel kan leiden tot verdere vervlakking. ( aanhang van de verzuilde omroep neemt af)
• de verdeeldheid van de politieke partijen ( de verschillende politieke partijen willen allemaal wat anders wat betreft de omroepen)

Nederland heeft een uniek omroepbestel, nergens anders is de zendtijd verdeeld op levensbeschouwelijke grondslag.
In het buitenland onderscheid je drie omroeporganisaties: commerciële omroep, duaal bestel en de staatsomroep.
De V.S heeft een commercieel bestel. De zendtijd op radio en televisie wordt voor het overgrote deel gevuld door de zuiver commerciële ondernemingen. De invloed van de overheid is zeer gering, maar voor de oprichting van een zendstation is wel een vergunning nodig omdat de overheid de zendkanalen moet verdelen zodat ze elkaar niet storen. VS heeft 3 grote ondernemingen ABC (American broadcasting companies) CBS (Columbia Broadcasting System) en NBC National Broadcasting Compay. Het zijn locale stations die hun inkomsten totaal uit adverteerders halen en dus volkomen gericht zijn op kijkcijfers, afgestemd op groot publiek, eenzijdig en weinig aandacht voor minderheden.

Groot-Brittannië en België hebben een duaal bestel; commercieel en staatsomroep staan naast elkaar. Staats omroep wordt bijna geheel betaald uit belastingsgelden, en reclame is niet toegestaan of aan strenge regels gebonden. Het aantal commerciële stations is beperkt en zij worden geheel uit reclamegelden betaald, de regering benoemt de besturen van de staats omroepen, maar bemoeit zich in de praktijk niet met de programmering.

Duitsland heeft een staatsomroep met weinig overheidsinvloed. De bondsrepubliek bestaat uit een aantal deel staten die allemaal hun eigen omroeporganisatie hebben.

Voordelen van commerciële televisie:
• commercie maakt omroep goedkoper voor de belasting betaler, omroepbijdrage kan worden verlaagd
• Marktgerichtheid wordt vergroot.
• Overheid moet massamedia zo veel mogelijk vrijlaten.

Nadelen van de commerciële televisie:
• de commercie kan invloed krijgen op het programma aanbod
• programma-aanbod verschraalt
• publieke omroep is nauwelijks meer mogelijk
• commerciële omroep is niet goedkoper, de advertentie kosten van bedrijven moeten ook worden betaald, deze reclame uitgaven rekenen de bedrijven door in de prijzen van hun product.

Hoofdstuk 11 Technologische ontwikkelingen

In de jaren 80 vond een media-explosie plaats. Dit bracht veel nieuwe mogelijkheden met zich mee. Door de ontwikkeling van het kabelnet en de satelliettelevisie is het programma-aanbod erg toegenomen.
Abonnee tv: abonnees krijgen een decodeerapparaat op hun televisie dat het signaal van het programma waar ze op geabonneerd zijn ontcijferd daardoor kunnen zij het programma ontvangen.
Kabel: Verschillende regionale dagbladen zijn gestart met het uitzenden van kabel kranten. Dit zijn elektronische kranten die per dag een paar keer hun teksten aanpassen.
Ook biedt de kabel mogelijkheid tot meerzijdige communicatie. Bijvoorbeeld de glasvezelkabel die in de toekomst de koperkabel zal vervangen. Het aantal signalen dat deze kunnen verwerken is onbeperkt, er kunnen 100 televisiekanalen worden ontvangen.
Consultieve media: de ontvanger kan zelf bepalen welke informatie hij krijgt, hij speelt dus een actievere rol bij radio en televisie ( teletekst).
Modem: apparaatje dat de computer via het telefoonnet met andere computers laten communiceren
Voor de pers was een belangrijke ontwikkeling de elektronische tekstverwerking:
Dankzij de computer kunnen teksten snel en efficiënt gewijzigd worden.
Ook zijn er veel hoogontwikkelde consumptiegoederen ontwikkeld ( video, pc, cd-speler)

De belangen van overheid, omroepverenigingen, bedrijfsleven en publiek bij de media explosie:
• overheid moet haar uitgangspunten met haar mediabeleid realiseren
• omroepverenigingen willen hun positie handhaven of versterken
• het belang van het bedrijfsleven is het openen van nieuwe markten en het maken van winst.
• de toename van het media-aanbod is in het belang van het publiek

Media-explosie heeft belangrijke maatschappelijke gevolgen:
• het media-aanbod is groter geworden
• keuzemogelijkheden voor de kijkers nemen toe, blikverruiming
• kan vervlakking plaatsvinden
• de commercie lijkt door de media-explosie meer kansen op televisie te krijgen.
• het wordt gemakkelijker informatie uit te winnen
• uitvinding van Internet

Onze samenleving is een informatiemaatschappij. Dit is een maatschappij waarin het voorzien van informatie een grote rol speelt.

Positieve effecten hiervan:
• dankzij de vele informatie is het voor de overheid en bedrijven en instellingen mogelijk een beter beleid te voeren.
• er kan efficiënter gewerkt worden ( vraag en aanbod stemmen elkaar beter af)
• de democratie kan bevorderd worden door dat mensen beter in staat zijn de overheid te volgen en te bekritiseren

Negatieve effecten
• niet iedereen kan hier van profiteren, → informatiekloof (degenen die veel weten komen meer te weten degene die niets weten leren niks bij)
• er zou een informatieoverschot kunnen komen
• mensen kunnen de informatie niet meer goed selecteren
• het dus niet zeker dat informatie leidt tot meer efficiëntie
• bedreiging van de privacy

Hoofdstuk 12 Extra Aantekeningen voor Examen

Nature: Natuur aanhangers stellen biologische of genetische factoren centraal. Zij vinden dat veel dingen vanaf de geboorte zijn bepaald. Bijvoorbeeld emoties, driften, karaktereigenschappen.
Nurture: Cultuur aanhangers zegen dat de omgeving. Het milieu en de cultuur ons handelen bepalen. Maatschappelijke factoren bepalen ons gedrag. Dat gebeurt door socialiserende instituties. Socialiserende instituties heten ook wel socialisatoren.

Publieke omroepen maken gerichte programma’s:
• Doelgroepen
• Programmering, vooral gericht op de multiculturele samenleving.

Toch kijken veel allochtonen naar eigen land via schotel verbindingen. Satelliet zenders uit het land van herkomst zijn populairder dan de publieke omroep.
In de Concessie wet 2000 staat het volgende:
1. één evenwichtige representatie van autochtonen en allochtonen in gewone programma’s (20% allochtonen, 20% programma’s hiervoor)
2. Meer programma’s over de multiculturele samenleving.
3. Geen aparte zender voor minderheden (landelijk) (wel op radio mogelijk).
4. Wel mogelijkheden tot lokale minderheden televisie.
5. Allochtonen in beleidsorganen laten meebeslissen, en hier het land laten veroveren.
6. Versterking van de culturele functie van de publieke omroep.
7. meer slagkracht.
8. Een grote verantwoordingsplicht tegenover overheid en samenleving.
9. Een strikt regime voor sponsoring.
10. Zenderprofielering (elke zender toont zijn eigen gezicht) komt meer tot uiting. Ned 1: Cultureel en levensbeschouwelijk
Ned 2: Familie zender en sport Ned 3: Kosmopolieten (= wereldburger) en postmaterialisten (= iemand die zoveel geld heeft dat hij daar geen waarde meer aan hecht.

Allochtonen lezers kunnen zich weinig herkennen in de Nederlandse media. Ook ziet men veel éénzijdigheid qua berichtgeving over allochtonen. Wel kunnen zij hun kranten met die van Nederlanders vergelijken.

Bij de commerciële omroep geldt voor reclame het volgende:
• Maximaal 12 minuten reclame per uur
• Geen sluikreclame
• Programma’s mogen gesponsord worden, maar de sponsor naam mag alleen in het begin en einde gezien laten worden.

Op de radio is er zenderkleuring. Dat wil zeggen men weet precies welke zender welke programma’s heeft. Daarbij is er horizontale programmering. Dat wil zeggen iedere dag op hetzelfde tijdstip hetzelfde programma.

Criminaliteit en strafrecht

Hoofdstuk 2 Normen en Waarden

Normen kunnen verschillende vormen aannemen:
1. Religieuze normen
2. Morele normen (respect hebben voor)
3. Fatsoensnormen

Daarbuiten zijn er persoonlijke normen en groepsnormen. Algemeen gezegd zijn normen plaats en tijd gebonden. Wanneer de overheid normen stelt noemen we dat rechts regels of wetten. Die optekening betekent codificatie. Alle geboden en verboden noemen we samen rechtsregels of rechtsnormen. Rechtsregels hebben de volgende functie:
• Zij verschaffen zekerheid.
• Zij pretenderen doelmatigheid en ordening.
• Zij maken onafhankelijke rechtspraak mogelijk.
• Rechtsregels kunnen conflicten voorkomen.
• Rechtsregels kunnen rechtvaardigheid bevorderen en gedrag voorspelbaar maken.

Ons recht is het positiefrecht. Dat wil zeggen niet het ideale recht, maar zoals het nu het beste is.

Hoofdstuk 3 Wat is criminaliteit

Criminaliteit is alles dat door de wet strafbaar is besteld. Daarbij geld in ons land het legaliteitsbeginsel. Dat wil zeggen de wet bepaald wat strafbaar is. De vraag is altijd wat is strafbaar en wat is strafwaardig. Strafwaardig is datgene dat bestraft zou moeten worden. Wie crimineel is wordt bepaald door de wetgevende en controlerende macht. De rechter zelf oordeelt alleen maar. Maar in sommige gevallen is de wet zo ruim dat aan de rechter wordt overgelaten de wet naar eigen inzicht uit te leggen. Dat heet jurisprudentie. Ook bij de hoge raad zijn er uitspraken of vonnissen die kracht van wet krijgen. We noemen dit arresten. Binnen de criminaliteit kan men verschillende vormen onderscheiden. Het meest voorkomend is de vermogenscriminaliteit. Dat zijn zaken als diefstal, heling. In de volksmond spreekt men van zware en kleine criminaliteit. Omdat mensen kleine criminaliteit als vervelend ervaren noemen we dit ook veel voorkomende criminaliteit.

Hoofdstuk 4 Cijfers en andere onderzoeksgegevens over criminaliteit

Wanneer men iets wil beweren over criminaliteit moet men gebruik maken van geregistreerde en niet geregistreerde criminaliteit gegevens. Dit zijn vooral gegevens uit de politie statistieken. Toch zijn die niet 100% vertrouwbaar:
• Veel zaken worden niet aangegeven.
• De politie heeft een selectief opsporingsbeleid.
• Hoe meer regels des te meer criminaliteit.
• Hoe meer bevolking des te meer criminaliteit. (demografische aspect).
• Zichtbare vormen van criminaliteit ziet men vaker dan de onzichtbare criminaliteit.

Een tweede manier van gegevens verzameling zijn rechtbank statistieken. Toch zijn deze niet erg betrouwbaar, want veel zaken worden geseponeerd. Daarnaast worden veel zaken afgedaan met een transactie.

Daarnaast kennen we ook de niet geregistreerde criminaliteit. Dat zijn slachtoffer enquêtes en self report onderzoeken. Slachtoffer enquêtes zijn niet erg betrouwbaar, omdat men niet meedoet uit angst voor chantage. Ook zijn er veel misdrijven zonder duidelijk slachtoffer. Tot slot kunnen slachtoffers van moord niet praten.
Bij self report onderzoeken ondervraagt men de misdadiger, maar deze zijn ook niet erg betrouwbaar, omdat beroepscriminelen hier niet aan mee doen, vaak door criminelen gelogen wordt. En hoe zwaarder het misdrijf hoe minder men de waarheid vertelt.

Conclusie:
• Probleemjongeren vormen de grootste criminelen. Jongens tussen de 18 en 24 jaar. Vaak is de achtergrond, sociale problemen, weinig gevoel voor normen en waarden, lage opleiding en weinig sociale vaardigheden.
• Het zijn meestal altijd Allochtone jongeren.
• Mensen uit de stad zijn crimineler dan mensen van het platteland.
• Criminaliteit is milieu gebonden (bijvoorbeeld bij fraude en oplichting bij witte boorden, diefstal, en agressiviteit criminaliteit bij lagere sociale milieus).
• Meisjes nemen steeds meer deel aan de criminaliteit.
• Algemeen gesteld neemt de georganiseerde criminaliteit steeds meer toe.

Hoofdstuk 5 Het ontstaan van criminaliteit

Mensen zijn altijd geïnteresseerd geweest hoe criminaliteit ontstaat en waarom mensen ertoe over gaan. Vanaf de Renaissance begon het zogenaamde rationele denken. Thomas More (+/-1500) beweerde dat de maatschappij schuldig was aan criminaliteit. Hoe slechter de maatschappij des te meer crimineel gedrag. Daarom was het nodig maatschappelijke zaken te veranderen. Ook Rousseau, Montesquieu en Voltaire (verlichte denkers) dachten in die richting. Beccaria (+/-1750) was grondlegger van de klassieke scholen. Dat wil zeggen de mens is een rationeel wezen dat een kosten baten analyse maakt. Dus pleegt hij criminele daden al naar gelang de gelegenheid. Daarom moet straf ervoor zorgen dat misdaad niet loont. Een tegenstander van de klassieke school is de antropologische school. De grondlegger is Lombroso (+/- 1890). Hij gebruikte de evolutie theorie. Hoe meer men geëvolueerd is des te minder criminaliteit. Een crimineel was dus blijven steken. Een vermomde epilepticus. En bepaalde lichamelijke kenmerken.
De nazi’s hebben gebruik gemaakt van de theorie van Lombroso met betrekking tot de Joden. Tegenwoordig staat genetische manipulatie ter discussie.
Ook zijn er theorieën die de sociologische en psychologische kant bekijken.
1. De anomie theorie: A = zonder nomos = regel, norm, wet. Deze theorie is ontwikkeld door Cohen. Deze beweerde dat de meeste mensen de idealen van de middenklasse wilden nastreven. Daarvoor is crimineel veroorloofd. Om het doel te bereiken moeten normen wijken. Robert Merton noemde dit de anomie theorie. De Nederlander Jong Man noemde dit geheel de verzetstheorie. Men steelt uit verzet tegen zijn armoedige positie. Kritiek
• Criminaliteit komt in alle milieus voor, ook in rijkere.
• Niet iedereen is gecharmeerd van de midden klas idealen.
2. De controle of bindingstheorie: Deze theorie verbaast zich er over dat er zo weinig criminaliteit is. Dat heeft te maken met attachment (men heeft verbindingen door bijvoorbeeld huwelijk, vrienden of kinderen). Comitment (men weegt het risico af). Rationele keuze theorie.
De involvement theorie. Hierbij telt of men tijd en energie er in wil steken
De belief theorie. Dit heeft te maken met iemand zijn geweten. De grondleggers van deze theorie waren Hirschi en Box. Deze theorie gaat voor een groot deel op maar toch is er de volgende kritiek.
• Er zijn ook vrienden clubs van criminelen
• Sociale controle roept de criminaliteit op die ze wil bestrijden.

Deze twee theorieën noemt men de sociologische benadering.

3. Aangeleerd gedrag theorie: Deze theorie is van Shaw en Mckay. Hierbij wordt criminaliteit aangeleerd door familie, vrienden en omgeving. Uitbouwer van deze theorie is Sutherland, uitvinder van de term witte boorden criminaliteit. Kritiek op deze theorie:
• Hoe kan men bij iemand positieve of negatieve associaties meten.
• Personen hebben soms zo een sterke persoonlijkheid dat ze nauwelijks te beïnvloeden zijn.
4. Stigmatisering of etikettering theorie: De uitvinder is Becker. Die beweerde dat deviant gedrag leidde tot stigmatisering (= brandmerken). Uiteindelijk leidt dat tot voorspelbaar gedrag. Dit is een self fullfilling prophecy (= voorspelling die steeds uitkomt). Kritiek:
• Niet elke persoon gaat afwijkend gedrag vertonen als de omgeving hem afwijkend vind.
• Deze theorie gaat alleen op voor de machtelozen, voor diegenen die niks hebben.

Deze twee theorieën zijn sociaal psychologisch.

5. De sociobiologische theorie: Grondlegger is Buikhuisen. Hij koppelde sociale factoren aan factoren van biologische aard bij elke persoon. Bijvoorbeeld agressie kan voort komen uit verwaarlozing en /of overgevoeligheid voor etenswaren.

Wanneer men alle theorieën bekijkt kan men het volgende concluderen:
• Ze proberen de totale criminaliteit te verklaren in plaats van kleine onderdelen.
• Criminaliteit op lange termijn zou meer bekeken moeten worden.
• Is criminaliteit wel een zo groot sociaal probleem?
• Zijn wetten en een regelgeving ook niet criminaliserend.

Tegenwoordig geldt de multicausale benadering van Brait Waite. Daardoor heeft men een algemeen beeld van een potentiële dader: Tussen de 15 en 25 jaar, mannelijk, werkeloos, ongehuwd, contact arm, geen of weinig banden met ouders of vrienden. Daarnaast weinig gemeenschapszin, weinig solidariteit en wonen in de stad.

Hoofdstuk 6 Criminaliteit als sociaal en politiek probleem

Criminaliteit is een maatschappelijk probleem, omdat de maatschappij er veel hinder van heeft. Vooral op materieel en immaterieel gebied. Materieel zien we bijzonder veel schade aan eigendom en goederen. Meestal is het zo dat de schade doorberekend wordt in de prijzen. De schade van de materiele schade loopt in de miljarden. Daarnaast is er de immateriële schade:
• Het veroorzaakt Trauma’s.
• Criminaliteit veroorzaakt morele verontwaardiging.
• Het perkt je bewegingsvrijheid in.
• Mensen zijn geneigd tot Eigenrichting (= heft in eigen hand nemen)
• Criminaliteit leidt tot normvervaging.

Bij dit alles spelen de massamedia een belangrijke rol. Wanneer zij uit zijn op sensatie, zal iemand de maatschappij als zeer dreigend ervaren. Men kan door eenzijdige informatie een verkeerd beeld schetsen over soorten criminaliteit. Wanneer criminaliteit te erg wordt noemen we dat een bedreiging van de rechtsorde. Bij een rechtsorde hoort een rechtsstaat. Daarbij is de relatie burger, burger en burger, overheid wettelijk geregeld. (=Het legaliteitsbeginsel). Daarnaast is de burger beschermd door grond en vrijheidsrechten. Ook is er een onafhankelijke rechterlijke macht. Een rechter is immers benoemd voor het leven, onafhankelijk en niet te straffen voor gemaakte fouten.
De aangeklaagde kant noemen wij het openbaar ministerie. De voornaamste figuur is de officier van justitie. Deze vervolgt, spoort op klaagt aan en legt het vonnis ten uitvoer.

Hoofdstuk 7 het strafrecht

In het strafrecht kan men bekijken welke gedragingen strafbaar zijn. In het strafproces recht gaat het om de procedures. De meeste gegevens komen uit het wetboek van strafrecht, het wetboek van strafvordering en andere bronnen zoals de wapen wet, opium wet en de wegen verkeerswet. In ons wetboek van strafrecht gelden een aantal principes:
1. Het legaliteitsbeginsel. Hierbij moet het delict volledig omschreven zijn en het straf maximum.
2. Ne bis in idem principe. Dit houdt in dat iemand die twee keer voor hetzelfde vergrijp gestraft kan worden.
3. Verjaring. Na bepaalde tijd is een misdrijf verjaard.

De straffen in ons land vallen uiteen in hoofdstraffen zoals geld boete, taakstraf of alternatieve straf, hechtenis of gevangenis. Daarnaast zijn er bijkomende straffen zoals innemen van het rijbewijs, verlies van stemrecht. En het volledig publiceren van naam in de krant. Tot slot zijn er nog maatregelen waar van de ergste tbs . Wanneer iemand wel schuldig is kan het soms voorkomen dat hij een voorwaardelijke straf krijgt. Niet alles wat voldoet aan de delictsomschrijving hoeft strafbaar te zijn. Immers de volgende voorwaarden gelden:
1. Alleen menselijk gedrag is strafbaar
2. Alle bestanddelen van het delict moeten bewezen zijn.
3. Het gedrag moet wederrechtelijk zijn (= in strijd met de rechtsorde). Maar hierop zijn een aantal uitzonderingen (rechtvaardigheidsgronden). Dat zijn noodweer, overmacht, relatieve overmacht of noodtoestand.
4. De dader moet schuldig zijn. Toch zijn ook hier schuld uitsluitings gronden. Dat zijn:
• Ontoerekeningsvatbaarheid.
• Noodweerexces.
• Psychische overmacht/ overmacht exces.
• Afwezigheid van alle schuld.

Bij het bepalen van de strafmaat wordt op twee dingen gelet:
1. De ernst van het delict.
2. De omstandigheden waaronder (positief of negatief, subjectief of objectief).

Voor minderjarigen gelden de volgende maatregelen:
• Kinderen tot 12 jaar worden niet strafrechtelijk vervolgd.
• Kinderen tussen twaalf en 18 jaar kunnen alleen terechtstaan voor de kinderrechter, achter gesloten deuren.
• De rechtszittingen zijn niet openbaar.
• Er gelden andere straffen en maatregelen.
• Kinderen krijgen geen gevangenisstraf hoogstens 6 maanden tuchtschool.

Jongeren krijgen meestal een taakstraf, waarbij vooral het halt project geld. Wanneer kinderen in de problemen raken worden zij vaak onder toezicht gesteld en krijgen ze een gezinsvoogd.

Hoofdstuk 8 Het strafproces

Iemand die als verdachte opgepakt wordt komt in voorlopige hechtenis. In het wetboek van strafvordering is geregeld dat de rechtsspraak door professionals wordt afgehandeld. De rechter heeft relatieve en absolute competentie. Relatief betekent dat hij bevoegd is om in een bepaalde streek recht te spreken. Absolute competentie betekent dat een rechter mag oordelen in bepaalde delicten. De rechterlijke macht is als volgt ingedeeld.


Kanton gerecht Arrondissement rechtbank Hof Hoge Raad
Overtredingen, en boetes tot een paar honderd euro en pacht zaken Behandelt misdrijven, boetes boven een paar honderd euro en echtscheidingen. Meestal een college van 3 personen:
1. Politierechter
2. kinderrechter
3. economische rechter. • Behandeld hogere beroepszaken
• Er zijn maar 5 gerechthoven

• Hoogst rechtsorgaan
• Wijst cassatie dwz toetst of een lagere rechtbank juist de procedure heeft gevolgd. Zoniet dan komt er een terug verwijzing.
• Zorgt voor jurisprudentie

Het openbaar ministerie.
De belangrijkste persoon is de officier van justitie. Deze heeft 3 taken:
1. Leiden van een opsporingsonderzoek
2. Het vervolgen van strafbare feiten.
3. Het doen uitvoeren van het vonnis.

Bij de vervolging kan de officier een zaak seponeren (= niet in behandeling nemen). Hierbij geldt het opportuniteitsbeginsel. Dat wil zeggen het algemeen belang weegt zwaarder dan de vervolging van de verdachte.

De politie heeft de volgende bevoegdheden:
• De politie mag iemand voor verhoor meenemen naar het bureau.
• Men mag een verdachte langere tijd vasthouden (in verzekering stellen).
• Men mag mensen fouilleren, huiszoeking doen en de telefoon afluisteren onder bepaalde voorwaarden.
• De politie mag iemand een schikking aanbieden.

De verdachte heeft recht op hulp van een advocaat. Hij moet weten waarvan hij verdacht is, hoeft niet mee te werken aan zijn eigen veroordeling, mag in hoger beroep gaan en mag slechts beperkte tijd vastgehouden worden. Hulp krijgen ze van de reclassering. Ze bedoeling hiervan is dat men wordt voorbereid op de terugkeer in de maatschappij. De slachtoffers hebben tot voor kort weinig in te brengen. Wel mag het slachtoffer schade vergoeding eisen, en daarvoor zijn het bureau slachtofferhulp en het schade fonds geweldsmisdrijven.

Hoofdstuk 9 De discussie over straf

In de loop der geschiedenis zijn er meerdere visies op straf geweest. Thomas More vond straf zinloos zolang de maatschappij slecht was. De Nederlandse criminologen Boeke en Wichman geloofden dit ook. Tolstoi vindt dat religie een rol speelt. Hugo de Groot, Rouseau en Beccaria vonden dat mensen een contract hadden met de staat. Als men dat contract schond was straf normaal. Ons strafrecht bestaat uit een klassieke stroming en een moderne stroming.

Klassiek Modern
1 Niet deterministisch mensbeeld (ieder heeft een vrije wil). Deterministisch mensbeeld (je bent een product van je biologische en sociale omgeving).
2 Daden strafrecht (kijken naar het feit). Daders strafrecht (kijken naar de dader).
3 Dader schuldig en niet de familie. Hier telt ook de familie.
4 Proportionele vergelding (op zwaardere misdrijven staat ook een hogere straf). Soms geen straf (strafuitsluitingsgronden TBS).
5 Gelijkheidsbeginsel (dadenstrafrecht) iedereen is gelijk. Hetzelfde.

6 Legaliteitsbeginsel (de in de wet vastgelegde strafbare feiten). Hetzelfde.

Ook zijn er mensen die tegenstanders zijn van straf. Dit zijn de abolitionisten. Zij willen liever een civiel rechterlijke procedure waardoor het slachtoffer zijn schade beter vergoedt ziet. In ons land gaan wij ook die kant op in lichtere zaken. We noemen dit dading (= civielrechtelijk afhandelen van straf zaken). Tot slot is er de coornhertliga. Zij strijden voor een humaan strafrecht. (Taakstraffen).

Doel en functies van straf:
1. Handhaving van de rechtsorde. Door te straffen neem je het risico terug dat mensen het recht in eigen handen neemt.
2. Beveiliging van de maatschappij en de burgers. Je beschermt het slachtoffer, maar ook de dader.
3. Resocialisatie. Voorbereiden op terugkeer in de maatschappij.
4. Vergelding (= wraak voor het slachtoffer). Dit betekent het opzettelijk en gerechtvaardig leed toebrengen aan de dader.
5. Speciale preventie. Door te straffen en te gaan zitten probeert men herhaling te voorkomen.
6. Generale preventie. Het dreigen met straffen schrikt mensen af. Zo probeert men criminaliteit te voorkomen. Dit werkt vaak niet, omdat mensen hun pakkans berekenen. Speciale preventie werkt soms niet omdat er veel recidiveren (= enkele malen voor hetzelfde delict terug komen)

Hoofdstuk 10 Het overheidsbeleid

Voor het aanpakken van het criminaliteitsprobleem kan de overheid kiezen tussen repressief beleid waarbij wordt opgetreden als de criminaliteit is geschied, of voor een preventief beleid dat gericht is op et voorkomen van criminaliteit. Voor het aanpakken van de criminaliteit kan de overheid haar aandacht richten op een aantal terreinen:
• De wetgeving
• Het opsporingsbeleid
• Het vervolgingsbeleid
• Het gevangenisbeleid
• De preventie

De wetgeving
De wetgever kan beslissen wat een crimineel is, maar ook over de hoogte en de aard van de straf. Een overheid die generale preventie als belangrijke functie van straf ziet, zal zorgen voor hoge strafmaxima. Een overheid die straf vooral ziet als middelen om te resocialiseren, zal juist de mogelijkheden voor alternatieve straffen via de wetgeving willen uitbreiden.

Het opsporings- en vervolgingsbeleid
De minister van Justitie is verantwoordelijk voor het opsporings en vervolgingsbeleid. Bij het opsporingsbeleid gaat het om de vraag welke vormen van misdaad speciale aandacht verdienen. Ook bij het vervolgingsbeleid gaat het om prioriteiten stellen. Zo kan de minister aangeven welke delicten meer aandacht van het Openbaar Ministerie moeten krijgen en welke minder. Het openbaar ministerie probeert ook de pakkans te verhogen, met goed resultaat. De pakkans is afhankelijk van drie zaken:
• De aangiftebereidheid van de burger
• De zichtbaarheid van het delict
• Het selectieve opsporingsbeleid van de politie, waar stelt men zijn prioriteiten.

Het gevangenisbeleid
Door de jaren heen Is het resocialisatiebeginsel in de wet opgenomen (Beginselenwet Gevangeniswezen). De regering zal moeten afwegen of er meer cellen bij moeten komen en of er meer geld moet worden vrijgemaakt voor gevangenissen, om hier problemen op te lossen.

Preventie
In de nota Samenleving en Criminaliteit die in 1985 door de Commissie-Roethoff werd gepubliceerd, wordt een aantal maatschappelijke ontwikkelingen geschetst die verband houden met de toename van criminaliteit:
• De werkeloosheid
• Toegenomen alcohol en drugs gebruik
• Afnemend gezag van de overheid
• Vervagen van normen en waarden
• Onbestraft laten van misdrijven en overtredingen
• Verminderen van sociale controle

Mogelijkheden die kunnen dienen ter preventie van criminaliteit kunnen zijn:
• Bevordering van sociale veiligheid
• Vergroten van de controle en het functionele toezicht
• Bindingen met de samenleving versterken
• Voorlichting en onderwijs
• Het structureel verbeteren van leefomstandigheden van mensen
• Veranderen van de wetgeving of het vervolgingsbeleid

De aanpak van georganiseerde misdaad
De georganiseerde misdaad voorziet in de maatschappelijke behoefte aan illegale goederen en diensten. Ook lost het maatschappelijke en economische problemen op waarvoor de overheid geen betaalbare of voor de betrokkenen aanvaardbare oplossingen kan bieden.
Bij een georganiseerde misdaad zijn meestal veel mensen betrokken die een goede taakverdeling hebben. De commissie Van Traa adviseerde om vooral mensen met economische kennis te gaan betrekken bij het bestrijden van de georganiseerde misdaad.

Visies van de verschillende politieke partijen
D66 & PVDA: zij leggen de oorzaken voor criminaliteit tegenwoordig, naast de structurele onrechtvaardigheid in de samenleving, maar ook bij het individu. Zij vinden dat er grenzen moeten worden gesteld, maar ook alternatieve straffen, zodat de criminelen weer opnieuw in de maatschappij kunnen worden opgenomen. De PVDA pleit voor een Pragmatisch moralisme. Dit betekent dat normen niet alleen duidelijk moeten zijn, maar ze ook geaccepteerd moeten worden.
CDA: Zij vinden dat verschillende instanties er verantwoordelijk voor zijn voor het bijbrengen van een deugdelijk waarde en normen besef.
VVD: Zij vinden dat iedereen moet opkomen voor zijn eigen belang. Aan de ene kant zijn ze principieel tolerant, maar aan de ene kant willen zij ook stelling nemen tegen asociale individuen. Zij willen vooral een repressieve overheid.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.