Alleen vmbo'ers gezocht! Waar denk jij aan bij duurzaamheid? Vul de vragenlijst in en maak kans op een Bol.com bon van 15 euro

Meedoen

Politieke besluitvorming

Beoordeling 7.4
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 1536 woorden
  • 24 oktober 2002
  • 27 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.4
  • 27 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Hoofdstuk 1
De politiek in ons land houdt zich bezig met beslissingen over wat er in de samenleving moet gebeuren.
Beleid is het kiezen van doelen en het inzetten van middelen in een bepaalde tijdsvolgorde. In een regeerakkoord worden de doelstellingen geformuleerd. We spreken altijd over 2 aspecten van beleid:
- het proces van politieke besluitvorming (hoe)
- de politieke besluiten (wat)
We noemen iets een staat als:
- er een vast grondgebied is

- er een bevolking is
- er een vorm van gezag wordt uitgeoefend
De overheid zijn de instellingen die over een land regeren, zoals de regering, het parlement, gemeenteraden, provinciale staten enz. (dragers vd soevereine macht).
Een soevereine macht is de hoogste vorm van macht die geen verantwoording aan anderen (buiten de staat) verschuldigd is.
De belangrijkste kerntaken van de overheid zijn:
- De zorg voor openbare orde en veiligheid
- De zorg voor sociaal-economische zaken
- De zorg voor sociaal-culturele zaken
Politiek kan ook gedefinieerd worden in de betekenis van belangentegenstellingen. Hierbij is het algemeen belang vaak het belangrijkste.

Hoofdstuk 3
Volkssoevereiniteit is een regeringsvorm waarbij de macht van de regeerders uiteindelijk afkomstig is van de burgers.
Nederland is een democratie met een grondwet. Een grondwet is de voornaamste wet van een land. Nederland is ook een rechtsstaat. Kenmerken voor een rechtsstaat zijn:

- Er zijn grondrechten (basisrechten vd burgers ten opzichte vd staat)
- De rechterlijke macht is onafhankelijk
- De openbaarheid van bestuur
- Het legaliteitsbeginsel (rule of law)
Nederland is een indirecte democratie / representatie-democratie/ parlementaire democratie. Met een volksraadpleging of referendum kan direct gestemd worden door alle burgers over een bepaalde kwestie.
Representatie en representativiteit hangen niet samen. Er is pas sprake van representativiteit als de standpunten vd tegenwoordigers altijd overeenkomen met die vd kiezers. Oorzaken van het niet samnehangen van representatie en representativiteit zijn:
- De partijen vertegenwoordigen niet op alle beleidspunten de ideeën vd kiezers
- Een deel vd burgers voelt zich niet vertegenwoordigt door de bestaande politieke partijen.
Nederland is een constitutionele monarchie met een parlementair stelsel. De positie van het staatshoofd is anders dan die van een presidentieel stelsel, waarin het staatshoofd rechtstreeks door het volk gekozen wordt. In Nederland wordt je als staatshoofd geboren. In een presidentieel stelsel:
- kan de president de ministers benoemen en ontslaan
- zijn de ministers in eerste instantie verantwoording schuldig aan de president en niet aan de volksvertegenwoordiging
- kan de volksvertegenwoordiging de regering niet naar huis sturen en de president de volksvertegenwoordiging niet ontbinden
Het kiesstelsel van Nederland is het principe van evenredige vertegenwoordiging. Andere landen hebben een districtenstelsel. Elk district kan daarbij 1 of meer vertegenwoordigers naar de volksvertegenwoordiging sturen. Een voordeel is dat de regionale belangen zo behartigd worden.
Een variant vh districtenstelsel is het meerderheidsstelsel. Als er in een district meer dan 2 partijen zijn, levert de eerste stemming vaak geen absolute meerderheid voor 1 ervan op. In een tweede ronde staan de kandidaten vd 2 grootste partijen tegenover elkaar. Nadeel: een partij kan in het parlement een meerderheid krijgen met minder stemmen dan een andere partij (zie voorbeeld). Ook maken kleine partijen geen kans, die komen namelijk niet in de tweede ronde.
In een beperkt districtenstelsel mag elk district een aantal vertegenwoordigers geven die binnen het district gekozen zijn dmv evenredige vertegenwoordiging.

Hoofdstuk 4
Actoren zijn de voornaamste spelers in de modellen.
Voor 1795 was er de Republiek de Verenigde Nederlanden. Dit waren allemaal aparte gewesten met een eigen regering, de staten. Het overkoepelend orgaan was de
Staten-Generaal. Belangrijke mensen waren de stadhouder en de raadspensionaris. In 1795 werd Nederland een deel van Frankrijk. Sinds 1815 kregen we Koning
Willem I met een grondwet en een parlement. Bij de grondwetsherziening van 1848 (Thorbecke) heeft de koning de meeste macht verloren aan ministers en parlement. De koning(in) van ons land symboliseert de eenheid van ons land.
Censuskiesrecht is het recht dat je pas mag stemmen als je een bepaald bedrag aan belasting betaald.
Formeel gezien moet de koning wetten en koninklijke besluiten met een handtekening contrasigneren. Als hij het ergens niet mee eens is vertelt hij dit van t voren tegen de premier zodat hij een crisis kan voorkomen. De koningin mag ook nooit haar mening geven, dat heet het geheim van paleis Noordeinde.
Het staatshoofd speelt in het proces van politieke besluitvorming een ondergeschikte rol.
Ministeriele verantwoordelijkheid: De ministers zijn verantwoordelijk tegenover de volksvertegenwoordiging voor alles wat ze zelf doen en wat het staatshoofd doet.
Ministers + staatshoofd = regering
ministers = kabinet
Trias politica – de wet van de machtenscheiding: wetgevende, rechtsprekende en uitvoerende macht. (Montesquieu)
In Nederland heeft het kabinet meer macht dan alleen de uitvoerende macht, het heeft ook een taak als medewetgever.
Volksvertegenwoordiging = 1e + 2e kamer
De eerste kamer wordt indirect door het volk gekozen. 75 senatoren worden gekozen door de leden vd provinciale staten. De tweede kamer wordt rechtstreeks gekozen.
De kamers stemmen zonder last, dwz dat ze formeel gezien niks meer met de kiezers of hun partij te maken hebben.
Kamerleden hebben ook enkele informele middelen tot hun beschikking:
- fracties kunnen lobbyen bij hun ministers
- overleg met pressiegroepen en ambtenaren
- media hanteren als spreekbuis
- fracties kunnen hun ministers onder druk zetten
- ze kunnen dreigen met formele middelen
Het dualisme ligt in onze grondwet verankerd; er zou een duidelijke scheiding tussen de wetgevende en de uitvoerende macht moeten zijn. Monisme is als de balans vd machtsverdeling naar één van deze organen doorslaat.
De macht van het parlement is toegenomen door:
- er worden steeds meer kader- of raamwetten gemaakt, dat zijn wetten waarin slechts de grote lijnen zijn geregeld. Het kabinet mag dan de details zelf toevoegen. Via algemene maatregelen van bestuur (amvb) in plaats van wetten in formele zin kunnen zo dus wetten gemaakt worden.
- ze beschikken over een groot ambtenarenapparaat met veel specifieke kennis.
- ze kunnen steeds meer zaken regelen in de regeerakkoorden, daar komt de oppositie niet bij kijken.
- ze kunnen dreigen met het intrekken van een wetsvoorstel of met aftreden.
Factoren die de invloed van het parlement vergroten zijn:
- Er zitten steeds meer specialisten in de tweede kamer die veel kennis van zaken heeft.
- Specialisten kunnen vaste kamercommissies vormen, die heel invloedrijk zijn.
- Ze hebben geregeld dat bewindslieden al vroeg, dus voor het wetsvoorstel, beleidsnota’s moeten maken over wat ze van plan zijn. Zo kunnen ze het kabinet al in de goede richting sturen.
In de tweede kamer zit bijna nooit een meerderheid. Omdat de regering het vertrouwen vd meerderheid nodig heeft, moeten er coalities gevormd worden. Na de verkiezingen zullen partijen in opdracht vd koning uitzoeken wie er een coalitie zouden kunnen vormen. Dit gebeurt onder leiding van een informateur (voor het vooronderzoek-> door de koningin aangewezen) of een formateur (voor de definitieve uitspraak-> toekomstige premier). De partijen in de coalitie heten regeringspartijen en stellen een regeerakkoord op, waarin ze in grote lijnen schrijven wat ze de komende jaren van plan zijn. Partijen die niet in de coalitie zitten heten oppositiepartijen.

Hoofdstuk 5
Ambtenarenapparaat = overheidsbureaucratie
Volgens Max Weber: de ministers zijn verantwoordelijk voor de ambtenaren. De ambtenaren werken in een hiërarchische structuur. De ambtenaren zouden geen eigen mening moeten hebben. Ze bereiden het beleid voor zoals de minister dat zegt. Toch oefenen ze grote macht uit.
Ambtenaren worden de vierde macht (vd trias politica) genoemd. Ambtenaren hebben heel specialistische kennis, waardoor hun adviezen door de ministers serieus worden genomen. Ook zorgen ze voor de continuïteit op een ministerie, omdat ze er langer dan vier jaar werken. Verder zijn de opdrachten vd ministers soms zo vaag, dat ze zelf beslissingen moeten nemen.
Nadelen vd bureaucratie:
- het systeem is traag door de regels waaraan de ambtenaren zich moeten houden.
- door de omvang van het systeem zijn fouten niet goed controleerbaar (wie heeft het gedaan).
- verkokering – als op verschillende ministeries aan hetzelfde wordt gewerkt, maar dat ze langs elkaar heen werken (bijv. bij milieu en verkeer).
Adviesorganen zijn niet-ambtelijke organen die het kabinet of individuele ministers adviseren. Het hoogste adviescollege in ons land is de Raad van State. Vanaf zijn achttiende zit de troonopvolger hier ook bij, de rest wordt aangewezen door de regering. De burgers kunnen in contact komen met de Raad van State via AROB-procedures. De raad is namelijk ook de hoogst rechterlijke instantie op het gebied van administratieve rechtspraak (= rechtspraak over geschillen met overheidsbesturen).
Een ander belangrijk adviescollege is de Sociaal Economische Raad (SER). Dit college is samengesteld uit vertegenwoordigers vd werkgevers, de werknemers en de overheid (kroonleden), (allemaal ⅓). Hun belangrijkste taak is het adviseren over het sociaal-economisch beleid.

Hoofdstuk 6
Bruggen (intermediairs) tussen overheid en burger:
- Politieke partijen. Functies:
1) De communicatiefunctie (invoer)
2) De selectiefunctie (àwie komt op de kieslijst, wordt voorgedragen: kadervorming; voorbereiding op politiek -selectie: partijgenoten die iets voor de partij gedaan hebben, kunnen beloond worden met een verkiesbare plaats of een sterke partijlobby voor een post)
3)De integratiefunctie (lobbyen)
4)De participatiefunctie (proberen mensen te interesseren, met name voor hun eigen partij)
5)De articulatiefunctie (publiekelijke eisen en wensen vd samenleving naar voren brengen)
- De massamedia. Functies:
1) De informatiefunctie (informatie over het overheidsbeleid)
2) De opiniërende functie (spreekbuisfunctie vd politici)
3) De commentaarfunctie (kritiek op de overheid)
4) De controlefunctie (deskundige specialisten en onderzoek)
5) De agendafunctie (druk op de politiek wordt groter om iets op de politieke agenda te plaatsen)

Hoofdstuk 7 <?b>
De burger heeft 2 soorten rechten om deel te nemen aan politieke besluitvorming:
1) indirecte invloed (actief kiesrecht – stemrecht, en passief kiesrecht – recht om je verkiesbaar te stellen)
2) enkele rechten in de grondwet, zoals vrijheid van godsdienst en meningsuiting en recht tot vereniging, vergadering en betoging.
Dit alles is typerend voor een democratie.
drie vormen van politieke participatie:
1) electorale participatie (stemmen)
2) conventionele vormen van participatie (lid zijn van een partij, pressiegroep of belangenorganisatie (leden vaak niet lid voor politieke activiteiten maar voor dienstverlenende activiteiten), deelname aan hoorzittingen, politici benaderen) à burgers en overheid werken samen
3) Protestparticipatie: conflict tussen burgers en overheid
Politiek protest ken in erge en minder erge vormen voorkomen. Bij burgerlijke ongehoorzaamheid wordt de wet overtreden. Burgerlijke ongehoorzaamheid is het gewetensvol overtreden vd w om op een geweldloze manier op te komen voor zaken in het algemeen belang. Bij burgerlijke ongehoorzaamheid:
- is geen geweld tegen personen
- is het voor een zaak van algemeen belang
- gebeurt het in het openbaar
- accepteert men de gevolgen
- gebeurt het vaak pas na wettelijke pogingen
Crimineel gedrag is niet in algemeen belang, gebeurt niet in het openbaar en er kan geweld bij betrokken zijn.
Redenen voor participatie in politieke besluitvorming:
- een mens is een sociaal wezen – hij geeft anders een stukje macht over zichzelf weg
- ieder mens weet zelf het best wat zijn eigen belangen zijn
- politiek wordt anders iets voor de ‘hoge heren’.
Oorzaken voor geringe participatie:
- onwetendheid en onbekendheid (wie er weinig van af weet is niet geïnteresseerd)
- de participatie wordt afgekeurd door mensen om je heen
- het idee dat participatie weinig uithaalt
- gebrek aan stimulansen (pas participatie als hun directe belang ermee is gemoeid)
- tevredenheid met de gang van zaken

Hoofdstuk 8
Publiekrechtelijke organen = organisaties die met overheidsgezag zijn bekleed (SER)
Pressiegroepen = groeperingen (geen politieke partij of publiekrechtelijk orgaan) die op basis van algemeen belang politieke invloed trachten uit te oefenen.
Twee soorten pressiegroepen:
1) Belangenorganisaties (= organisatie die speciaal is opgericht om de belangen van een bepaalde groep mensen te behartigen). Vakbonden, werkgeversorganisaties, ANWB, consumentenbond, omroepverenigingen. Kenmerken:
- Behartigen de belangen van een bepaalde groep mensen
- Hiërarchische organisatiestructuur
- Permanent karakter
- Professionele bureaucratische organisatie
- Hebben leden en contributie (geven ook faciliteiten aan leden)
2) Belangenorganisaties (=organisatie of groep burgers die zich een bepaalde tijd inzet voor een bepaald belang). Greenpeace, Behoud vd Waddenzee enz. Kenmerken:
- Minder gestructureerd
- Bestaan maar tot hun belang is gerealiseerd
- Hebben niet altijd vaste inkomsten
- Geven geen faciliteiten aan individuele leden
- Werken met vrijwilligeres
Sociale bewegingen = verscheidene groeperingen samen die hetzelfde doel hebben.
Vrouwenbeweging, Milieubeweging, Derde-Wereldbeweging, Vredesbeweging.
Verschillen tussen pressiegroepen en politieke partijen:
- Politieke partijen zijn betrokken bij alle vraagstukken in het politiek systeem
- Politieke partijen proberen via verkiezingen macht te krijgen
One-issue partijen = partij die zich vooral op één beleidsonderdeel richten
Getuigenispartijen = partij die het uitdragen van standpunten belangrijker vindt dan het actief deelnemen aan het bestuur
Strategievragen voor pressiegroepen:
- Wat wordt met de actie beoogd?
- Op wie is de beïnvloeding gericht? (systeem-/ barrièremodel)
- Welke beïnvloedingsmogelijkheid heeft de pressiegroep? (bv. Media)
- Hoe ver mag je gaan om je doel te bereiken?

Hoofdstuk 10
Ideologieën = alomvattende maatschappijvisie (ideeën van politieke partijen)
Normatieve uitspraken = uitspraken over hoe iets zou horen te zijn
Uitspraken die deel uitmaken van een ideologie gaan over:
- Waarden en normen die voor de hele samenleving zouden moeten gelden
- De gewenste sociaal-economische orde van een samenleving
- De gewenste machtsverdeling in een samenleving
Functies van ideologieën:
- proberen een verklaring te geven voor de werkelijkheid
- bieden individuen en groepen houvast voor hun handelen
- legitimeren politiek handelen
Een denkkader is veel oppervlakkiger dan een ideologie, over een ideologie is veel langer nagedacht - men maakte een keuze voor bepaalde ideeën.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.