Politieke besluitvorming

Beoordeling 0
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 1572 woorden
  • 3 februari 2009
  • nog niet beoordeeld
  • Cijfer
  • nog niet beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Studententijd zomerspecial

Heb jij de Zomerspecial van Studententijd de podcast al geluisterd? Joes, Steie, Dienke en Pleun nemen je mee in hun zomer vol festivals, vakanties en liefde. En kijken ook alvast vooruit naar de introductietijd van het nieuwe collegejaar. Luister lekker mee vanaf je strandbedje, de camping of onderweg. 

Luister nu!
Wetten: voor iedereen geldende regels.
Een staat heeft 3 kenmerken:

1. een staat heeft een precies afgebakend grondgebied.
2. binnen een staat woont een bevolking die vaak veel gemeenschappelijks heeft.(cultuur,taal)
3. De staat (overheid) heeft binnen het gebied het hoogste gezag.
Gezag: als de macht (van iemand) als juist en redelijk wordt aanvaard.
De staat verdeelt niet alleen geld, hij zorgt er ook voor dat conflicten tussen verschillende groepen binnen de perken blijven en niet met geweld worden uitgevochten.
Politiek: alles wat te maken heeft met de overheid.

De overheid en andere organisaties vormen een beleid.
Beleid voeren: proberen een doel te bereiken voor het doelgericht gebruik van middelen.
Dictatuur: 1 persoon of een kleine groep mensen heeft de macht in handen. De inwoners hebben weinig rechten, maar voornamelijk plichten.
Democratie: bewoners kunnen invloed uitoefenen op de besluiten. Naast plichten hebben de burgers ook rechten.
Indirecte democratie(vertegenwoordigende democratie): het volk heerst niet rechtstreeks, maar via vertegenwoordigers. (bij hele grote landen)
Directe democratie: De burgers praten en beslissen rechtstreeks mee.
Centraal in een democratie staan gelijkheid en vrijheid.
Gelijkheid: alle burgers hebben gelijke rechten
Vrijheid: de burgers moeten hun eigen leven kunnen inrichten zoals zij dat willen.
Parlement: neemt besluit over wetten en controleert de regering.

Belangrijke kenmerken van de (vertegenwoordigende) democratie:

1. Algemeen kiesrecht

2. Regelmatige verkiezingen
3. Vrijheid van meningsuiting
4. Vrijheid van vereniging en vergadering [iedereen mag vereniging oprichten]
5. Machtenscheiding
Sociale voorwaarden voor democratie: Als regels alleen goed werken onder bepaalde maatschappelijke omstandigheden.
De kans dat het met een democratie goed gaat is groot als:
1. Er sprake is van een gunstige sociaal-economische ontwikkeling. (lonen en winsten omhoog, werk voor vrijwel iedereen)
2. Er een zekere mate van sociaal-economische gelijkheid is.
3. Er sprake is van een democratische politieke cultuur (als conflicten worden beslecht door verkiezingen, discussies en onderhandelingen en niet door geweld)
4. Burgers zich hebben verenigd in organisaties op grond van ideeën of belangen. (kerken, vakbonden, organisaties van werkgevers, boeren en vrouwen)
5. Militairen geen invloed hebben op de politiek.
6. De staat goed functioneert, goede diensten verleent en niet teveel belangen van één groep behartigt.
7. Er geen hevige conflicten zijn tussen etnische groepen of mensen van verschillende godsdiensten

Kenmerken van een rechtstaat (is nodig voor een democratie):

1. Alle burgers hebben gelijke rechten
2. Iedereen moet zich aan de wetten houden.
3. Er bestaat een machtenscheiding tussen:
- wetgevende macht (maakt wetten, parlement)
- uitvoerende macht (voert wetten uit, regering + ambtenaren)
- rechterlijke macht (treed op als wetten worden overtreden, rechters)
4. In de grondwet en internationale verdragen zijn de belangrijkste grondrechten
opgenomen.
Je hebt klassieke mensenrechten en sociale mensenrechten.
Belangrijkste klassieke mensenrechten in Nederland:
Vrijheid van godsdienst - Vrijheid van meningsuiting/drukpers - Vrijheid van vereniging, vergadering en demonstratie – Onaantastbaarheid van het lichaam – Bescherming tegen willekeurige huiszoeking – Bescherming tegen willekeurige arrestatie – Brief-, telefoon- en telegraafgeheim.
Sociale mensenrechten is het recht op eten, onderdak, werk, onderwijs en gezondheidszorg.
Ideologieën: Opvattingen over hoe de maatschappij functioneert en in de toekomst moet functioneren. Mensen met dezelfde ideologie vormen een politieke stroming.
Een politieke partij is een georganiseerde groep mensen die:
1. ideeën heeft over alle belangrijke beleidsterreinen. Alle ideeën samen worden het programma genoemd
2. kandidaten stelt bij de verkiezingen.
Linkse partijen willen dat de overheid actief ingrijpt om de sociale ongelijkheid te verminderen.
Rechtse partijen vrezen dat de vrijheid van mensen in gevaar komt als de overheid zich teveel met sociaal-economische zaken bemoeit. Zij vinden dat dat aan de mensen zelf overgelaten moet worden.
Socialisten zijn links, liberalen rechts.
Linkse partijen: SP, GroenLinks, D66, PvdA
Centrum: CDA(grote partij), D66, VVD(grote liberale partij)
Rechtse partijen: LPF, ChristenUnie, SGP(beiden confessioneel), VVD
Bij het communisme staat gelijkheid centraal.
Het fascisme keert zich tegen de democratische principes van vrijheid en gelijkheid en daarbij horende waarden als tolerantie.
Het liberalisme hecht sterk aan vrijheid. (D66, VVD)
Het socialisme (ook wel sociaal-democratie) is ontstaan als een reactie op het liberalisme.
Socialisten willen een actieve overheid om gelijke kansen en een rechtvaardige inkomensverdeling te garanderen. (PvdA, GroenLinks [GL], socialistische partij [SP])
Confessionele partijen laten zich inspireren door de bijbel. Christen-democratie.
Christen-democratie zit tussen de liberalen en de socialisten in…minder vertrouwen in het individu dan de liberalen en minder vertrouwen in de overheid dan de socialisten. (CDA, Christenunie [CU], Staatkundig Gereformeerde Partij [SGP]
Volgens de leefbaarheidsbeweging (ontstond rond 2000) is een grote kloof ontstaan tussen burgers en politici/bestuurders. Politici en bestuurders houden zich niet bezig met wat mensen werkelijk bezig houdt, zoals onveiligheid en de problemen rond migranten uit andere culturen. De leefbaarheisbeweging wordt gerekend tot de stroming van het populisme, omdat men een beroep doet op het ‘volk’ tegen de gevestigde machten en pretendeert om namens dat ‘volk’ te spreken.
Elke vier jaar kunnen Nederlanders rechtstreeks stemmen voor:
-De Tweede Kamer
-De Provinciale Staten
-De gemeenteraad
-Het Europese Parlement (eens in de vijf jaar)
-Deelgemeenteraden (voor wijken van grote gemeentes als Amsterdam)
Actief kiesrecht: zelf je stem uitbrengen. Passief kiesrecht: Als mensen op jou stemmen.
Na de verkiezingen moet een regering worden gevormd uit partijen die samen de meerderheid hebben. Een informateur gaat bekijken wat voor soort regering mogelijk is. Daarna benoemt de koningin een formateur, hij moet een nieuwe regering samenstellen.
Coalitie: Een regering die bestaat uit verschillende partijen
Reageerakkoord: Belangrijkste plannen van de regering voor komende vier jaar.
Regering: de veertien ministers en koningin
Kabinet: de veertien ministers en veertien staatssecretarissen (onderministers)
Ministerraad: de veertien ministers
Miljoenennota: hierin staan de concrete plannen, een begroting en waar de overheid het benodigde geld vandaan denkt te halen.
Fractie: de leden van één partij in de tweede kamer, gemeenteraad enz
Het Parlement heeft 2 belangrijke taken:
-Wetgeving -> Wetvoorstellen moeten door parlement goedgekeurd worden, eerst door 2de daarna door 1ste kamer.
-Controleren van de regering

Voor de wetgeving heeft het parlement een aantal rechten:

-Begrotingsrecht: Begroting moet door iedere minister afzonderlijk worden goedgekeurd.
-Recht van amendement: kamerleden(2de kamer) kunnen bij meerderheid van stemmen veranderingen aanbrengen in wetsvoorstellen
-Recht van initiatief:De tweede kamer kan zelf een wetsontwerp indienen.

De weg van wetsontwerp tot wet:

1.De regering maakt een wetsontwerp De ministerraad moet het hiermee eens zijn.
2.De regering zendt het ontwerp naar de tweede kamer. Alleen de fractiespecialisten
bekijken het. Als zij het goedkeuren kijkt de hele tweede kamer ernaar.
3.Als een meerderheid van de tweede kamer voor heeft gestemd, gaat het wetsontwerp naar
de eerste kamer. Die mag geen wijzigingen meer inbrengen, alleen ja of nee.
4.Ten slotte zetten de desbetreffende minister en de koningin hun handtekening eronder.
En dan word de wet gepubliceerd in het Staatsblad.

Om de regering te controleren beschikken 1ste&2de kamer over volgende middelen:

-Stellen van mondelinge en schriftelijke vragen aan de regering.
-Houden van een interpellatie over een belangrijk onderwerp. (spoeddebat)
-Als het parlement vind dat op een belangrijk punt erg veel is misgegaan kan het een enquête
instellen.
Motie van wantrouwen: als kamerleden vinden dat een minister, staatssecretaris of het hele kabinet grote fouten heeft gemaakt, kunnen zij dit indienen. Wanneer zo’n motie word aangenomen moet minister of hele kabinet aftreden -> kabinetscrisis
Gedecentraliseerde eenheidsstaat: de belangrijkste regels worden centraal voor het hele land vastgesteld, maar andere bestuurslagen kunnen decentraal op een aantal punten een eigen beleid voeren.
Verordeningen: provincies en gemeenten kunnen eigen regels maken.
Provincie. Elke vier jaar kiezen de burgers de Provinciale Staten, waarvan het aantal leden varieert van 39 tot 83. De PS is het wetgevende orgaan van de provincie.
De PS kiezen 6 tot 8 leden voor het college van Gedeputeerde Staten, zij vormen samen met de commissaris van de koningin het dagelijks bestuur van de provincie.
Gemeente. Burgers kiezen een gemeenteraad (9-45 leden) die vervolgens 2-9 wethouders kiest. Wethouders vormen samen met de burgemeester het dagelijks bestuur: het college van burgemeesters en wethouders (B en W)
Europese Unie. Zes landen – Frankrijk, West-Duitsland, Italië, Nederland, België en Luxemburg – vormden in 1952 de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS)
In 1958 veranderde de naam in Europese Economische Gemeenschap (EEG) en in 1965 werd het Europese Gemeenschap (EG)
In 1973 traden Groot-Brittanië, Ierland en Denemarken toe,
In 1981 Griekenland, In 1986 Portugal en Spanje, In 1995 Zweden Finland en Oostenrijk.
Sinds 1992 is de naam Europese Unie (EU)
Intergouvernementele organisaties: De deelnemende landen behouden hun zelfstandigheid en er kan aan hen niet zonder hun instemming een besluit worden opgelegd
Supranationale organisaties: als zij iets beslissen, moet het gebeuren
Bij de EU is het belangrijkste besluitvormende orgaan de Raad van Ministers.
De uitvoerende macht bestaat uit de regeringen van de lidstaten. Deze Europese commissie telt 20 leden -> 1 per lidstaat en de 5grootste landen hebben er nog 1 extra.
Om duidelijk te maken hoe de besluitvorming verloopt, maken we gebruik van 2 modellen:
-Politiek systeemmodel: Regering&parlement functioneren in nationale en internationale samenleving
-Barrièremodel: hierin ligt de nadruk op de hindernissen die genomen moeten worden om wensen om te zetten in besluiten.

Ambtenaren = bureaucratie = vierde macht

Ambtenaren hebben de deskundigheid en de tijd om zich met details bezig te houden.
Hierdoor hebben zij veel invloed op wetsontwerpen.
Pressiegroepen (belangengroepen) verschillen op 2 punten van politieke partijen:
1.Pressiegroepen richten zich op een deel van het overheidsbeleid, terwijl partijen zich richten op het hele overheidsbeleid
2.Pressiegroepen doen niet mee aan verkiezingen voor vertegenwoordigende lichamen.
Lobbyen: regelmatig praten met ministers, kamerleden en ambtenaren over je wensen
Corruptie: omkoping
Het belangrijkste adviesorgaan van de regering is de Sociaal-Economische Raad (SER)
Planbureaus doen onderzoek en voorzichtige voorspellingen over wat er de komende jaren kan gaan gebeuren en wat voor beleid dan gevoerd kan worden.
Massamedia probeert de politiek kritisch te volgen en fouten van politici en ambtenaren aan het licht te brengen.
Referendum: hierbij wordt aan iedereen gevraagd zich voor of tegen uit te spreken over een bepaalde wet.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.