Politieke Besluitvorming (1 + 2)

Beoordeling 6.9
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas vwo | 2640 woorden
  • 28 mei 2005
  • 5 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.9
  • 5 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Help nu jouw favoriete goede doel door jouw mening te geven!

Hoe? Heel simpel. Geef je op voor het panel van Young Impact en geef jouw mening over diverse onderwerpen zoals gelijke kansen, diversiteit of het klimaat. Voor iedere ingevulde vragenlijst (+/- 1 per maand) ontvang je een bedrag dat je direct mag doneren aan een goed doel naar keuze. Goed doen was nog nooit zo easy!

Meld je aan!
Politieke Besluitvorming

1.
Onafhankelijke staat bestaat uit drie elementen. Een vast grondgebied (territoir), daarop woont een bevolking en er wordt een vorm van gezag uitgeoefend.
Soevereiniteit de aanduiding voor het hoogste gezag in een staat. Deze wordt uitgeoefend door de overheid.
De overheid heeft de wettelijk geregelde macht over de bevolking. Zij mag dwingend optreden.
De overheid wordt nauwkeurig gecontroleerd door de volksvertegenwoordigers. Hierdoor is er weinig kans op machtsmisbruik.
Dictatuur een staat waarin de macht in handen is van 1 persoon of een kleine groep mensen.

Rechtsstaat een democratische regeervorm waarin de verhouding tussen burgers en overheid nauwkeurig wettelijk zijn vastgelegd.
Rechtsbescherming het gedrag van de burgers is beperkt door wettelijke regels, maar ook de overheid mag niet alles doen wat zij wil. Dit is een onderdeel van een rechtsstaat.
Sinds 1983 bestaat de grondwet uit klassieke grondrechten en sociale grondrechten.
Voorbeelden van klassieke grondrechten:
- het recht op gelijke behandeling
- recht van onaantastbaarheid van het lichaam en eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
- Politieke rechten (kiesrecht, recht van vereniging, vergadering en betoging)
- Vrijheidsrechten (vrijheid van godsdienst of levensovertuiging en vrijheid van drukpers, radio, televisie en film)
Voorbeelden van sociale grondrechten:
- het recht op werkgelegenheid en sociale zekerheid
- het recht op een schoon leefmilieu, volksgezondheid en woonruimte

- het recht op onderwijs en maatschappelijke en culturele ontplooiing
Het verschil tussen deze twee zit in de mate waarin de overheid verplicht is de rechten te waarborgen. Klassieke grondrechten moeten gegarandeerd worden door de overheid. Sociale grondrechten moet de overheid alleen naar vermogen voorzien.
Klassieke grondrechten zijn een essentiële voorwaarde voor een rechtsstaat, sociale grondrechten niet.
In een rechtsstaat is de rechterlijke macht onafhankelijk en zijn ook politici gebonden aan de uitspraak van een rechter. Dus bijvoorbeeld een beslissing van de gemeenteraad kan door de rechter worden teruggedraaid.
Nederland is een constitutionele monarchie met een democratisch parlementair stelsel.
Representatieve democratie De burgers kiezen vertegenwoordigers die in hun naam het land besturen.
Actief kiesrecht het recht om te kiezen
Passief kiesrecht het recht om gekozen te worden
Alle Nederlandse staatsburgers die achttien jaar of ouder zijn hebben actief en passief kiesrecht. Mensen van niet-Nederlandse nationaliteit, die al vijf jaar in Nederland wonen, mogen alleen deelnemen aan de gemeenteraadsverkiezingen. Mensen die zijn uitgesloten van het kiesrecht zijn: mensen van niet-Nederlandse nationaliteit, mensen die door een rechterlijke uitspraak zijn ontzet van het kiesrecht (bv. wegens land verraad) en mensen die door de rechter onbekwaam zijn verklaard om rechtshandelingen te verrichten (mensen met een zware geestelijke stoornis).
Nederland kent over het algemeen drie bestuurslagen het Rijk, de provincie en de gemeente. In enkele steden (zoals Amsterdam, Rotterdam, Zwolle en Haarlem) bestaat er ook een vierde laag, stadsdeelraden (deze besluiten wat er in een bepaalde wijk gebeurt).
Het kiesrecht is voor al deze bestuurslagen van toepassing.
Sinds 1979 heeft iedere Nederlander ook Europees kiesrecht, eens in de vijf jaar wordt het Europees Parlement gekozen. De opkomst naar deze verkiezingen is laag.
De overheid wil vermijden dat mensen zich voor de grap verkiesbaar stellen. Daarom moet een partij die mee wil doen aan de Tweede-Kamerverkiezingen voldoen aan vier voorwaarden:
- De partij moet zich officieel laten registreren bij de Kiesraad. Waarborgsom: €450. Bij het echt deelnemen aan de verkiezingen wordt dit bedrag teruggegeven.
- De partij moet in alle kiesdistricten (wij hebben er 19) waar het wil meedoen een kandidatenlijst inleveren.
- De partij moet in elk kiesdistrict waarin het mee wil doen de steunbetuiging hebben van dertig Nederlanders.
- De partij moet € 11.205,- betalen. De partij krijgt dit bedrag terug mits ze 75% van de stemmen behaalt die nodig is om 1 zetel te krijgen.
Evenredige vertegenwoordiging Alle uitgebrachte stemmen worden verdeeld over het beschikbare aantal zetels. Bij de berekening wordt uitgegaan van de kiesdeler.
Voordeel van evenredige vertegenwoordiging: iedere stem telt even zwaar bij de verdeling.
Nadeel van evenredige vertegenwoordiging: veel kleine partijen, waardoor het debatteren soms onoverzichtelijk wordt. En bemoeilijkt onderling afspraken maken.
Kiesdeler de hoeveelheid stemmen die je nodig hebt voor 1 zetel.
Restzetels De zetels die overblijven na het verdelen van de zetels. Met de berekening van het aantal zetels wordt naar beneden afgerond, hierdoor ontstaan deze. De restzetels gaan naar de grootste partij. Op dit moment CDA.
Kiesdrempel Een partij moet dat een bepaald minimumpercentage stemmen halen om mee te delen in de zetels. Dit gaat veel kleine partijen tegen. Hierdoor moeten de nieuwe partijen de eerste keer wel meteen al heel hoog scoren! Dit systeem is toegepast in landen zoals Duitsland en Oostenrijk.
Districtenstelsel Hierbij wordt het land verdeeld in een aantal gebieden. Per district wordt de winnaar afgevaardigd naar het landelijke bestuur. Dit is van pas in landen als Engeland en de Verenigde Staten.
Voordeel van districtenstelsel: de kiezers kennen de kandidaten beter.
Nadeel van districtenstelsel: De partij die de meeste stemmen heeft gekregen hoeft niet de meeste zetels te krijgen.
Districtenstelsel Stelsel van evenredige vertegenwoordiging
1. Nauwe relatie kiezer en gekozene. De gekozene komt voor de belangen van de burgers uit dat district. 1. Grotere afstand tussen kiezer en gekozene. Deze komt op voor algemeen belang.
2. Grote kans op meerderheid voor 1 partij. Snelle regeringsvorming. 2. Kleine kans op meerderheid voor 1 partij. Trage regeringsvorming.
3. Kleine partijen hebben weinig kans. Samenwerken of verdwijnen! 3. Ook kleine partijen kunnen in het parlement vertegenwoordigd worden.
Verkiezingsprogramma De belangrijkste plannen en opvattingen van de (meeste) partijen die meedoen aan verkiezingen. Deze wordt in praktijk maar weinig gelezen door de kiezers.
Lijsttrekker De persoon die als eerste op de kandidatenlijst is geplaatst. Hij of zij bepaalt tijdens de verkiezingscampagne het gezicht van de partij.
Zwevende kiezers de mensen die niet elke keer op dezelfde partij stemmen en ook nu nog niet weten op welke partij ze dit keer zullen stemmen.
Je stemt op een persoon, niet op een partij. Dus als een Tweede-Kamerlid ruzie krijgt met zijn partij en de partij verlaat betekent het niet dat hij ook de Tweede-Kamer verlaat. Hij kan zelfs zich bij een andere partij aansluiten.
Voorkeursstem Het stemmen op een specifiek persoon op de kieslijst vanuit een bepaald motief. Dit is dan niet de lijsttrekker.

2.
Politieke macht het vermogen om invloed en controle uit te oefenen op politieke besluiten. In Nederland hebben de ministers de meeste politieke macht.
Een belangrijke voorwaarde voor een democratie is dat de politieke macht niet in handen is van 1 persoon of groep. Dit leidt namelijk vaak tot machtsmisbruik.
Trias politica het scheiden van de machten. Hierdoor zijn wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht gescheiden.
Wetgevende macht stelt wetten vast waaraan de burgers zich moeten houden.
In Nederland: taak van de regering (koningin + ministers) en het parlement (1e en 2e Kamer). Over het algemeen wordt een wetsvoorstel door een minister ingediend. Het parlement beslist of het daadwerkelijk een wet wordt.
Uitvoerende macht zorgt dat goedgekeurde wetten precies worden uitgevoerd.
In Nederland: hiervoor zijn ministers verantwoordelijk. Zij geven dagelijks richtlijnen aan hun ambtenaren of aan instanties die een wet moeten uitvoeren.
Rechterlijke macht beoordeelt of wetten goed worden nageleerd. Deze macht is in handen van rechters. Zij kunnen overtreders van de wet straffen. Ook oordelen zij in situaties waarin burgers onderling conflicten hebben.

Staten-Generaal ook wel het parlement, deze bestaat uit 1e en 2e Kamer. Deze vormt op landelijk niveau de volksvertegenwoordiging.
De Tweede Kamer bevat 150 gekozen leden. Het lidmaatschap van de 2e Kamer is een fulltime-baan. Deze heeft twee taken: zij controleert de regering en zij is medewetgever. Om deze taken te vervullen heeft de 2e Kamer een aantal rechten. Stemrecht, wetsvoorstellen van de regering verwerpen of aannemen. Recht van amendement, wetten wijzigen. Recht van initiatief, zelf met wetsvoorstellen komen. Budgetrecht, het verwerpen, wijzigen of aannemen van begrotingsvoorstellen zoals de Miljoenennota. Vragenrecht, alle vragen van de Kamer moet de regering binnen drie weken beantwoorden. Hiermee wordt de controlefunctie duidelijk uitgeoefend. Recht van interpellatie, het uitnodigen van bewindspersonen om in de 2e Kamer uitleg te geven over het regeringsbeleid. Recht van motie (van afkeuring of van wantrouwen), schriftelijke uitspraak doen over het beleid van een minister waarover de Kamer moet stemmen. Recht van enquête, zelfstandig een onderzoek instellen als zij naar haar mening niet voldoende informatie krijgt. In zo’n parlementaire enquête kunnen getuigen worden gedwongen om voor de enquêtecommissie te verschijnen.
De Eerste Kamer (senaat) bevat 75 leden die gekozen zijn door de leden van de Provinciale Staten. Het lidmaatschap van de 1e Kamer is een parttime-baan. De 1e Kamer vergadert 1x per week. Zij moeten wetsvoorstellen toetsen aan staatsrechtelijke normen en normen van behoorlijke wetgeving, zij vervullen dus de rol van laatste controle. Rechten: stemrecht, vragenrecht, enquêterecht. Maar in praktijk gebruiken zij deze rechten nauwelijks. Omdat de politiek afweging van de Tweede Kamer zwaarder weegt dan die van hun. Dit is zo omdat de Tweede Kamer rechtstreeks wordt gekozen.
Regering Staatshoofd en de ministers. De regering heeft het dagelijks bestuur van Nederland in handen. Iedere minister is verantwoordelijk voor een bepaald gebied (bv. Binnenlandse Zaken of Financiën).
Ministerraad De gezamelijke vergadering van de ministers. Hierin worden beleidsvoornemens besproken. De voorzitter is de minister-president (ook wel Premier of Eerste Minister).
De taken van een minister worden weer ingedeeld in onderdelen, hiervoor worden staatssecretarissen aangesteld. Staatssecretarissen zitten niet in de ministerraad en vervangen ‘hun’ minister ook niet bij ziekte, dit doet een andere minister.
Kabinet Alle ministers en staatssecretarissen. Zij kunnen op het matje geroepen worden als de 1e of 2e Kamer het ergens niet mee eens zijn, dit komt doordat het kabinet een verantwoording schuldig is aan de volksvertegenwoordiging. Dit geldt niet voor het staatshoofd, deze is namelijk onschendbaar.
Een minister en een eventuele staatssecretaris hebben een eigen ministerie waar veel ambtenaren voor hen werken. De ambtenaren bereiden wetsvoorstellen voor en geven adviezen. Het lijkt meestal of een minister overal vanaf weet, maar dit is niet altijd zo. Hij dankt dit enkel aan zijn ambtenaren.
Minister zonder portefeuille Een minister zonder eigen ministerie. Deze wordt meestal bij een ander ministerie ondergebracht.
Staatshoofd In Nederland wordt het staatshoofd door erfopvolging aangewezen: dus een monarchie. De positie van ons koningshuis is vastgelegd in de Grondwet (constitutioneel).
Geheim van Huis ten Bosch De koningin geeft weleens adviezen (ook al is ze onschendbaar), maar deze blijven altijd geheim. Maar soms lekt dit geheim van huis ten Bosch uit.
Taken van de koningin: het plaatsen van haar handtekening onder álle wetten, het voorlezen van de Troonrede, het benoemen van ministers, informateurs en formateurs en het voeren van regelmatig overleg met de minister-president over het kabinetsbeleid.
Bij het totstandkomen van een regering in ons land moeten er altijd coalities tussen verschillende partijen worden gesloten. Tot nu toe is het nog nooit gebeurd dat een politieke partij meer dan 50% van de Tweede Kamer achter zich had staan.
Na de verkiezingen komt de nieuwe Tweede Kamer bijeen om te vergaderen over de mogelijke coalities. Daarna volgt de adviesronde, de vice-president van Raad van State, de voorzitters van de 1e en 2e Kamer en de leiders van de (grootste) politieke partijen uit de nieuwe 21e Kamer gaan op bezoek bij de koningin. Deze adviseren haar wie het beste kan onderzoeken naar de geschikte samenwerking in het Kabinet. Deze persoon, aangewezen door de koningin, is de informateur.
Nu proberen de partijen die samen een regering willen vormen een overeenstemming te bereiken over de hoofdlijnen van het te voeren beleid, dit wordt meestal onderverdeeld in werkgroepen. De afspraken worden opgenomen in het regeerakkoord. Hierin staan dus de hoofdlijnen van het beleid van de komende vier jaar. De politieke partijen die de regering in het parlement steunen onderschrijven dit regeerakkoord, dit houdt in dat zij over deze zaken sowieso niet dwars zullen liggen. Meestal is een regeerakkoord een compromis.
Als de informateur geslaagd is in het samenstellen van de partijen, brengt hij verslag uit aan de koningin. Zij benoemt hierna de formateur
Formateur de persoon die daadwerkelijk een kabinet gaat vormen.
De grootste regeringspartij levert meestal de minister-president. De overige bewindspersonen worden zo evenwichtig mogelijk over de partijen verdeeld, hierbij wordt gekeken naar het aantal zetels, naar de voorkeur van de partij en de zwaarte van de functie.
Als de Tweede Kamer een wetsvoorstel afwijst terwijl de betrokken minister er toch aan vasthoudt dient zij een motie van afkeuring of wantrouwen in. In praktijk levert dit altijd aftreding op van die minister of staatssecretaris. Maar dit is niet verplicht. Soms gebeurt dit ook op grotere schaal. De 2e Kamer is voor het merendeel tegen een wetsvoorstel terwijl de regering deze zeer belangrijk vindt. Als de 2e Kamer het voorstel toch verwerpt, biedt het hele kabinet zijn ontslag aan. Als het kabinet afgetreden is wordt een nieuwe (in)formateur aangesteld of nieuwe verkiezingen voor de Tweede Kamer gepland. Welke van de twee hangt af van de rede van het aftreden van het kabinet.
Troonrede gepresenteerd door de koningin. Verkondiging van de hoofdlijnen van het de voeren beleid.
Miljoenennota gepresenteerd door de minister van Financiën. Verkondiging van de exacte voornemens. En hoeveel geld naar elk beleidsterrein uitgaat. De miljoenennota is een begroting gebaseerd op veronderstellingen. Veranderd zo een veronderstelling dan worden de plannen ook bijgesteld.
Delegeren van bevoegdheden Niet alles kan en hoeft in Den Haag besloten te worden. Daarom bestaan de provinciale en gemeentelijke overheid. De rijksoverheid stelt de grote lijnen van het beleid vast, de gedetailleerde invulling wordt aan lagere overheden overgelaten. Dit gebeurt omdat zowel provincie en gemeente beter op de hoogte zijn van de situatie en dichter bij de burgers staan.
De belangrijkste taken van de provincie liggen op de terreinen ruimtelijke ordening en milieu. De belangrijke zaken staan soms op gespannen voet met elkaar, daarom maakt de provincie streekplannen.
Streekplannen Hierin staat precies aangegeven welke activiteiten in een gebied passen. Bij het opstellen houd de provincie rekening met het rijksbeleid. Het Rijk kan de provincie ook dwingen een streekplan te herzien.
Voor het bestuur van de provincie vinden 1x per vier jaar verkiezingen plaats. De gekozen vertegenwoordigers vormen de Provinciale Staten, het aantal vertegenwoordigers is afhankelijk van het aantal inwoners in de provincie. De leden van de Provinciale Staten kiezen uit hun midden het dagelijks bestuur: de gedeputeerden ofwel de Gedeputeerde Staten.
Commissaris van de Koningin De voorzitter van de Provinciale Staten en de Gedeputeerde staten. Hij of zij wordt niet gekozen, maar benoemd officieel door de koningin maar in praktijk door de minister van Binnenlandse Zaken. Provinciale Staten kan door vertrouwenspersonen wel een profielschets laten maken, maar de minister hoeft dit niet te volgen.
Gemeente De bestuurslaag die het dichtst bij de burger staat. Deze vullen de opgestelde streekplannen, door Provinciale Staten, in met eigen bestemmingsplannen. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een ordelijk verloop van het openbare leven in de gemeente.
Naast deze uitvoerende taken zijn de laatste jaren steeds meer beleidstaken vanuit Den Haag naar de gemeenten gedecentraliseerd. Dit komt omdat de gemeenten beter maatwerk naar hun eigen gemeente kunnen leveren omdat zij beter kunnen bepalen welke maatregelen het meest effectief zijn.
Gemeenteraad Het bestuur van de gemeente. De raadsleden worden eens in de vier jaar rechtstreeks gekozen. Het aantal raadsleden is afhankelijk van het aantal inwoners in de gemeente.
Het dagelijks bestuur van de gemeente is in handen van het College van Burgemeester en Wethouders (B&W). De wethouders worden door de coalitiepartners geselecteerd.
Monistische structuur De wethouders maken deel uit van de gemeenteraad. Vroeger.
Dualistisch systeem De bevoegdheden van de wethouders en de gemeenteraad zijn gescheiden. Sinds maart 2002. Hierbij is de gemeenteraad verantwoordelijk voor de beleidskaders, de regelgeving, de verordeningen, het vaststellen van budgetten en de controle op het gemeentelijke bestuurd. B&W is hierbij verantwoordelijk voor het bestuur van de gemeente, dus vooral een uitvoerende taak. Door dit systeem kunnen wethouders niet meer lid zijn van de gemeenteraad en de raadcommissies.
Benoemen van burgemeester voor 6 jaar lang: gemeenteraad stelt een vertrouwenscommissie in en maakt een profielschets. De Commissaris van de Koningin selecteert een aantal kandidaten en de vertrouwenscommissie doet een voordracht. De Commissaris van de Koningin draagt er 1 voor aan de minister van de Buitenlandse Zaken, en deze maakt uiteindelijk de beslissing.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.