Parlementaire democratie paragraaf 1 t/m 5 + 7 en 8

Beoordeling 7.6
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 6670 woorden
  • 20 maart 2016
  • 4 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.6
  • 4 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode

§1: Wat is politiek?



Politiek: Wijze waarop een land wordt bestuurd. Het gaat dus over de keuzes die gemaakt worden Burgerparticipatie: De deelname/rol van de burger in de politiek.                                                                  Grootste dilemma van politiek: efficiënt besturen of maximale participatie van burgers



Dictatuur: De wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht zijn niet van elkaar gescheiden maar in de handen van kleine groep mensen.




  1. Burgers hebben geen invloed op de politiek.

  2. Er is maar een beperkte individuele vrijheid.

  3. Er is geen politieke vrijheid.

  4. Er is overheidsgeweld.

  5. Er is geen onafhankelijke rechtsspraak.

  6. Massamedia en kunstuitingen staan onder censuur van de overheid.



- Autocratische dictatuur: 1 leider is aan de macht. Wordt soms geholpen door een Junta (regering die bestaat uit militairen) Door het ontbreken van ideologie komt godsdienstvrijheid en economische speelruimte vaak voor.                                                                                                                                                        -  - Totalitaire dictatuur: Een groep mensen of partij heeft macht gekregen via een ideologische revolutie. Politiek, economie en het sociale leven wordt door de overheid bepaalt. Er is indoctrinatie. – Theocratie: Vorm van totalitaire dictatuur, godsdienst is tot staatsideologie verheven.



- Directe democratie: Het volk heeft directe zeggenschap. Bestaat nu niet meer. Het referendum is daarvan overgebleven (een volksstemming over een bepaald wetsvoorstel)                                                                - Representatieve democratie: Het volk kiest vertegenwoordigers die de beslissingen nemen en bij verkiezingen verantwoording aan de bevolking moet afleggen over hun beleid.




  1. De macht is verdeeld over meerdere personen en iedereen controleert elkaar.  (= trias politica)

  2. Er is individuele vrijheid. (vrijheid van meningsuiting)

  3. Er zijn politieke grondrechten. (er mag gestemd worden en zichzelf verkiesbaar worden gesteld)

  4. Politie en leger hebben maar beperkte bevoegdheden.

  5. Er is onafhankelijke rechtspraak.

  6. Er is persvrijheid.



-Parlementaire stelsel: Het rechtstreeks gekozen parlement heeft de hoogste macht. Daaruit wordt een kabinet geformeerd, die verantwoording moet afleggen aan het parlement. Kan een niet-gekozen staatshoofd hebben met beperkte macht door een grondwet, bijvoorbeeld een koning(in). Wanneer er een koning(in) is spreek je van een constitutionele monarchie. (=Nederland)                                    - Presidentieel stelstel: Naast het gekozen parlement is er ook een gekozen president aan de macht. President staat aan het hoofd van de regering, uitvoerende macht en kan eventueel ministers benoemen en ontslaan. De president mist het ontbindingsrecht. (Het recht om het parlement te ontbinden.)



Nederlandse democratie: Vrijheid en gelijkheid zijn zeer belangrijk voor onze democratie. Iedereen mag meedoen en zelf bepalen hoe je gebruik maakt van je politieke rechten. Deze waarden zien wij ook terug in onze grondwet.





§2: Politieke stromingen



Ideologie: Samenhangend geheel van ideeën over de mens en de gewenste richting van de samenleving. Standpunten die uit ideologieën voortkomen hebben te maken met 3 aspecten.




  1. Normen en waarden à gaat meestal over de grenzen van individuele vrijheid.

  2. Sociaaleconomische verhoudingen à wat is een eerlijke verdeling van welvaart?

  3. Machtsverdeling à wie moet hoeveel macht hebben?



Standpunten zijn progressief, conservatief of reactionair



- Progressief: Vooruitstrevend, pleiten voor veranderingen, is gericht op de toekomst.                                      - Conservatief: Behoudend, richt zich op heden en verleden, benadrukken wat al bereikt is.                                  - Reactionair: Achteruitstrevend, de vervanging van oude regels weer terugdraaien



Links en rechts gebruiken we voor de verschillende visies op de rol van de overheid met betrekking tot sociaaleconomische verhoudingen



- Politiek links: Gelijkwaardigheid, iedereen gelijke kansen op onderwijs, werk en inkomen, overheid moet actief armen beschermen.                                                                                                                                                -Politiek rechts: Vrijheid en eigen verantwoordelijkheid, overheid moet zich passief opstellen en alleen optreden wanneer het echt nodig is.                                                                                                                    -Politieke midden: gezamenlijke verantwoordelijkheid van burgers en overheid. Eerst burgers, daarna pas de overheid.



Meest gebruikte politieke indeling is die van staatsideologieën



- Liberalisme: Wat goed is voor het individu is goed voor de maatschappij. Vrijheid, individuele verantwoordelijkheid en tolerantie zijn belangrijk. De vrijemarkteconomie is het beste voor het land. - Socialisme: Iedere individu moet zich kunnen ontplooien. pas als mensen gelijke kansen hebben is er vrijheid en gelijkwaardigheid. Mensen moeten solidair met elkaar zijn. Bestond vroeger uit communisten en sociaaldemocraten.                                                                                                                      - Sociaaldemocraten nu: Niet tegen de vrijemarkteconomie, maar wel een eerlijkere verdeling van kennis, inkomen en macht. Verzorgingsstaat uitbouwen!                                                                                                - Confessionalisme: Politieke opvattingen gebaseerd op geloofsovertuiging. Heeft in Nederland geleid tot oprichting van christelijke partijen God heeft een bedoeling met de wereld. Organische staatsopvatting: Alles is van elkaar en kan alleen in samenhang met elkaar functioneren. (binnen het gezin moeten mensen verantwoordelijkheid voor elkaar dragen)                                                                                -Christendemocraten nu: streven naar een samenleving waar rentmeesterschap, solidariteit, harmonie, en gespreide verantwoordelijkheid belangrijke waarden zijn.




  • Rentmeesterschap: Goed voor de aarde zorgen (Bijv. geen genetische manipulatie en klonen van dieren)

  • Naastenliefde: Er moet gezorgd worden voor de kwetsbaren in onze samenleving. 

  • Gespreide verantwoordelijkheid: Mensen zijn verantwoordelijk voor elkaar, alles moet zoveel mogelijk worden overgelaten aan het maatschappelijke midden veld.

  • Maatschappelijke middenveld: Welzijnsinstellingen en schoolbesturen.



Populisme: Geen echte ideologie, maar een stijl van politiek bedrijven. Stem van het volk laten horen. Politieke kwesties versimpelen & daadkrachtige oplossingen. Nationalistisch (= tegen immigranten en tegen buitenlandse bemoeienis met binnenlandse politiek en economie)



§3: Politieke partijen



Een politieke partij bestaat uit een groep mensen met dezelfde ideeën over een ideale samenleving.



- One-issue partijen: Partijen die zich richten op 1 aspect uit de samenleving (PvdD, partij voor 50+)    -Protestpartijen: Ontstaan uit onvrede met bestaande politiek. (bijv. D66)



-Functies van politieke partijen: 




  1. Integratie van ideeën: Opvattingen worden gebundeld in 1 politiek programma. Door dit partijprogramma worden mensen verbonden en geeft de partij bestaansrecht.

  2. Informatie: Om buiten verkiezingstijd iets over de partij te weten te komen.

  3. Participatie: Als burgers geïnteresseerd zijn kunnen ze zelf deel nemen aan de politiek.

  4. De selectie van de kandidaten: Er worden kandidatenlijsten opgesteld à makkelijker voor de burgers om te kiezen



Nederlanders hebben lang trouw op dezelfde partij gestemd door traditie, sociale afkomst, geloof en cultuur. Vanaf jaren 60 niet meer.                                                                                                                       Politieke landschap veranderde. Minder christenen à achterban van CDA kromp. Arbeiders en vrouwen kregen het beter à hebben geen reden meer om op de PvdA te stemmen. Individualisering van de samenleving à VVD profiteerde



Zwevende kiezers: Mensen laten de keuze voor een partij afhangen van het moment en bijv. de persoonlijkheid van partijleiders.



§4: De verkiezingen



Iedereen die 18 jaar of ouder is mag stemmen in Nederland, voor zowel met actief kiesrecht (= recht om te kiezen) als passief kiesrecht (= recht om gekozen te worden).



Evenredige vertegenwoordiging: Alle uitgebrachte stemmen worden verdeeld over het beschikbare aantal zetels. Voordeel: iedere stem telt even zwaar mee à kleine partijen worden ook gekozen en kunnen dus ook hun mening laten horen. Nadeel: veel spreektijd à debatten duren lang en zijn onoverzichtelijk                                                                                                                                                                        Kiesdeler: de hoeveelheid stemmen die je nodig hebt voor 1 zetel.                                                             Kiesdrempel: Een minimumpercentage om mee te kunnen delen in de zetels. Dit is er in Duitsland en Oostenrijk.



Districten- of meerderheidsstelsel: Land wordt verdeeld in een aantal districten. Er moet een meerderheid in een district behaald worden om afgevaardigd te worden voor het landelijke parlement. Voordeel: De kiezers kennen de kandidaten zo beter. Nadeel: De stemmen die op een verliezer zijn uitgebracht, gaan verloren.



Spindoctor: een communicatiedeskundige die de partij en de lijsttrekker adviseert bij het opzetten van een campagne                                                                                                                       Opiniepeilingen hebben een grote invloed op de uitslag à mensen willen liever bij een winnende partij horen                                                                                                                                                                               Door de grote invloed van de media wordt het tegenwoordig ook wel de tv- en internetdemocratie genoemd.



Je keuze voor een partij hang af van: De standpunten, strategisch slim (De kans dat jouw partij gaat regeren en de grootste wordt), je eigen belangen of de lijsttrekker (= het gezicht van de partij).



Je stemt op een persoon van een partij. De lijsttrekker krijgt veel voorkeursstemmen. Je stemt op een persoon (=volksvertegenwoordiger) dus diegene kan nooit door de partij uit de kamer worden gezet



Landen met een districtenstelsel hebben vaak 1 partij met de meerderheid in het parlement. In Nederland is er bijna altijd een coalitie (= een combinatie van verschillende partijen die samenwerken op bestuurlijk niveau) nodig voor een meerderheid.



Na de tweede Kamerverkiezingen wordt er begonnen met de vorming van een nieuw kabinet (= een regering bestaande uit ministers en staatssecretarissen.)                                                                  Informateur: Iemand die onderzoekt welke combinatie van partijen de meeste kans van slagen heeft. Dit hangt af van welke partijen met elkaar willen regeren en over welke onderwerpen de partijen het eens zijn.                                                                                                                                                                              Alle partijen bij elkaar gebracht? Er wordt een formateur gekozen. (= degene die het kabinet gaat vormen, meestal de lijsttrekker van de grootste partij)



Regeerakkoord: raamwerk voor het beleid van het kabinet. Wordt elk jaar bijgesteld en aangevuld in de troonrede, door de koning voorgelezen aan de Staten Generaal (= eerste en tweede kamer) op Prinsjesdag.                                                                                                                                                      Miljoenennota wordt ook dan bekend gemaakt. (= de rijksbegroting, waar het geld dat jaar aan uitgegeven wordt en wat er binnenkomt).



Algemene Beschouwingen: Oppositiepartijen (= partijen die niet in de regering zitten) krijgen de kans om kritiek te leveren op de plannen en kunnen met alternatieven komen.                                          Voorjaarsnota: De regering legt verantwoording af voor het beleid uit de miljoenennota. Is op de derde woensdag in mei (= gehaktdag)



Een kabinet kan vallen door: ministers worden het niet eens over een kwestie en willen niet meer samenwerken. Of een meerderheid van de Tweede Kamer verwerpt het beleid van het kabinet en de ministers zijn niet bereid hun beleid te wijzigen.                                                                                                 Wanneer een kabinet valt: Of er wordt een nieuwe in(formateur) benoemd die kijkt of een nieuw kabinet gevormd kan worden. Meestal worden er nieuwe verkiezingen gehouden.                            Demissionair kabinet: De regering die er is zolang er nog geen nieuwe regering is. Er mogen geen nieuwe plannen komen, maar alleen lopende zaken afgehandeld worden.



§5: Regering en parlement



Regering = de koningen de ministers. Zijn verantwoordelijk voor het dagelijks bestuur van ons land. Kabinet  = de ministers en de staatssecretarissen. Zijn verantwoording schuldig aan de volksvertegenwoordiging. MINISTERS ZITTEN DUS NIET IN DE 2E KAMER                                      Ministerraad = gezamenlijke vergadering van de ministers waarin beleidsvoornemens worden besproken. De premier/minister-president is de voorzitter.                                                                                     Minister zonder portefeuille: Minister die geen eigen ministerie heeft.



Taken van de koning:




  1. Ondertekenen van alle wetten.

  2. Het voorlezen va de troonrede op Prinsjesdag.

  3. Het beëdigen (= officieel benoemen)  van ministers

  4. Regelmatig overleg met de minister-president over kabinetsbeleid.



De koning is onschendbaar, de ministers zijn verantwoordelijk voor zijn daden en die van het hele koninklijk huis.



Tweede kamer: 150 leden. Samen met de regering wetten maken en goedkeuren (medewetgeving) Regering controleren.



Rechten die de 2e kamer heeft voor de medewetgeving:




  1. Stemrecht: wetsvoorstellen aannemen of verwerpen.

  2. Recht van amendement: wetsvoorstellen wijzigen en daarna aannemen.

  3. Recht van initiatief: wetsvoorstellen indienen.

  4. Budgetrecht: het recht van beide Kamers om de rijksbegroting wel of niet goed te keuren.



Rechten die de 2e kamer heeft voor de controle van ministers:




  1. Recht van motie: het recht om een verzoek aan de minister in te dienen om iets te doen of juist niet te doen. Moties die het hele beleid van een minister afkeuren zijn er in gradaties. Bij een motie van wantrouwen moet een minister aftreden.

  2. Vragenrecht: het recht om schriftelijke vragen te stellen aan ministers of staatssecretarissen

  3. Recht van interpellatie: het recht van de kamerleden om een spoeddebat aan te vragen met een minister of staatssecretaris over een onderwerp waar zij zich ernstig zorgen over maken. à aandacht vragen en publiciteit krijgen!                                                                                            

  4. Recht van enquête: het recht om een onderzoek uit te voeren naar een onderdeel van het regeringsbeleid



Eerste kamer/senaat: 75 leden. Worden door de provinciale staten gekozen. Wetsvoorstellen alleen aannemen of verwerpen. Voert de laatste controle uit.



Rechten van de 1e kamer: recht van schriftelijke vragen stellen, interpellatie en enquête.





Hoe komt een wet tot stand? Tb. p. 112 – bron 19





Bij koninklijke besluiten ( bijv. benoeming burgemeester) en bij Algemene Maatregelen van Bestuur (= een besluit van de regering over specifieke regels binnen een al bestaande wet) mag de regering dingen besluiten zonder dat het parlement zich erover uitspreekt.





§7: Provincie en gemeente



Subsidiariteitsbeginsel: hogere instanties moeten niet iets doen, wat door lagere instanties kan worden afgehandeld.



“Decentraal wat kan, centraal wat moet” à Elke provincie/gemeente heeft eigen specifieke problemen die soms lastig te vergelijken zijn. Inwoners van provincies en gemeentes hebben zo meer mogelijkheden  om hun democratische rechten in de praktijk te brengen.







































Landelijk



Provinciaal



Gemeente



Hoe vaak stemmen we?



1x in de 4 jaar



1x in de 4 jaar



1x in de 4 jaar



Wie kiezen we?



De Tweede Kamer



De Provinciale Staten



De Gemeenteraad



Dagelijks bestuur



Het Kabinet



De Gedeputeerde Staten



College van Burgemeester en Wethouders



Hoofdbestuur



Minster-president/ premier



Commissaris van de koning



Burgemeester (1x per 6 jaar benoemd)




Taken:                                                                                                                                                                                       - Provincie: ruimtelijke ordening en milieu                                                                                                          – Gemeente: ordelijk verloop van het openbare leven in een gemeente. Door decentralisatie hebben ze er veel nieuwe taken bijgekregen



Fuseren van gemeenten:                                                                                                                                                      - gemeentelijke kosten verlagen                                                                                                                                  – de bestuurskracht vergroten                                                                                                                                                        – groeiende kloof tussen burger en bestuur                                                                                                                       – minder betrokkenheid van inwoners bij de gemeentepolitiek

 



§8: Nederland en de wereld



1951, een aantal Europese landen gingen samenwerken om oorlogen te voorkomen en economische groei te stimuleren. Dit werkte en steeds meer landen sloten zich aan bij de gemeenschap. In Nederland groeit de laatste jaren het gevoel dat we te weinig te zeggen hebben in de EU en teveel macht moeten inleveren à verlies van autonomie 



Eurozone: De EU-landen die een gecoördineerde economische, financiële en monetaire politiek vormen. (dus degene die de euro als betaalmiddel hebben). Europese centrale bank.



In de EU: Is een vrij verkeer van personen en goederen. Is er een vrije handelsmarkt. En is er een sterke mobiliteit en expansie.



Supranationale organisatie: Landen die lid zijn hebben hun bevoegdheden voor een groot deel overgedragen aan de EU.  De Europese wetten staan op bepaalde gebieden boven de nationale wetten. (concurrentie, landbouw, milieu, asielbeleid, terrorisme, etc)                        Intergouvernementeel: Besluiten kunnen alleen worden genomen wanneer er instemming is van alle afzonderlijke landen. (defensie, buitenlandbeleid en familierecht). Een land mag dan zelf bepalen of het meedoet.                                                                                                                                                         Euroscepsis: burgers en regeringen twijfelen aan de supranationale regels.



- Europese commissie: Uitvoerende macht. Het dagelijks bestuur van de EU. Iedere lidstaat levert 1 commissaris. Ze doen voorstellen voor wet- en regelgeving, die worden besproken in het Europees Parlement                                                                                                                                                                        - Raad van de Europese Unie (of Raad van Ministers): Wetgevende macht. De regeringen van alle Europese lidstaten zijn er vertegenwoordigd. De zwaarte van de stem wordt bepaald door de bevolkingsomvang per land. Bepalen of de wetsvoorstellen van de Europese Commissie worden overgenomen. Zo ja, dan voert de Europese Commissie dit uit.                                                                                           - Europese Raad: vergadering van de regeringsleiders van de EU-landen. Stelt de hoofdlijnen van het politiek beleid vast.                                                                                                                                                                                        - Europees Parlement: Wetgevende macht. Vertegenwoordigers van alle lidstaten gekozen door de burgers. Het parlement heeft niet het laatste woord, maar de Europese Commissie en de Raad van Ministers. Het mag geen wetsvoorstellen indienen, maar wel onderwerpen op de agenda zetten à beperkte bevoegdheden = democratisch tekort                                                                                                            - Hof van Justitie van de EU: De rechtsprekende macht binnen de EU. Uitspraken  van het Europese Hof gaan boven de uitspraken van de Nederlandse rechter.           



Verenigde Naties zetten zich in op het gebied van internationaal recht, mondiale veiligheid, mensenrechten, wereldeconomie en onderzoek naar maatschappelijke en culturele ontwikkelingen.



- Secretaris-generaal: hoogste ambtenaar van de VN.                                                                                                         - Resoluties: Uitspraken waarin het gedrag van een land wordt veroordeeld. Geen bindende uitspraken                                                                                                                                                                            - Verklaring: Hierin stellen de VN basisprincipes op die essentieel zijn  voor internationale samenwerking.



Vetorecht: Het recht om de uitvoering van een resolutie te verbieden. Hierdoor  zijn de VN vaak niet in staat doeltreffende maatregelen te nemen.






REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.