Alleen vmbo'ers gezocht! Waar denk jij aan bij duurzaamheid? Vul de vragenlijst in en maak kans op een Bol.com bon van 15 euro

Meedoen

parlementaire democratie

Beoordeling 4
Foto van Kaelin
  • Samenvatting door Kaelin
  • 4e klas havo | 5809 woorden
  • 5 januari 2016
  • 3 keer beoordeeld
  • Cijfer 4
  • 3 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak

Samenvatting maatschappijleer parlementaire democratie.






  1. Wat is politiek?

    Algemeen belang:



    Politiek is de manier waarop een land bestuurd wordt. De besluiten van politici hebben veel invloed op het leven van burgers. Het gaat om zaken die van algemeen belang zijn en waar jij nu of later mee te maken krijgt, voorbeelden hiervan zijn:






  • Openbare orde en veiligheid, bijv. het inzetten van meer politieagenten;

  • Buitenlandse betrekkingen, bijv. het uitzenden van militairen voor een vredesmissie;

  • Infrastructuur, bijv. de aanleg van spoor-, auto- en waterwegen;

  • Welvaart, bijv. de zorg voor voldoende werkgelegenheid voor jongeren;

  • Welzijn, bijv. het wegwerken van de wachtlijsten in de ziekenhuizen;

  • Onderwijs, bijv. het veranderen van de exameneisen voor havo en vwo.


    Doordat burgers belasting betalen kunnen deze plannen worden gerealiseerd. Tegenover deze belastingplicht staat het recht om te mogen stemmen en we een uitkering krijgen als we werkloos worden of na een ongeval arbeidsongeschikt worden.





    Democratie:



    Een democratie is een staatsvorm waarbij de bevolking direct of indirect invloed uitoefent op de politieke besluitvorming.





    Directe democratie is een democratie waarbij het volk directe zeggenschap heeft. Het oudste voorbeeld komt uit Athene van de Griekse oudheid. Belangrijke beslissingen werden op grote stadspleinen genomen in de vorm van volksstemmingen. Maar het was niet honderdprocent democratisch want niet iedereen mocht meestemmen.



    Nederland heeft is indirecte democratie. Dat betekent dat niet het volk de beslissingen neemt, maar de overlaat aan de gekozen vertegenwoordigers. Het wordt ook wel parlementaire democratie genoemd omdat het parlement de belangrijkste beslissingen neemt.





    Kenmerken parlementaire democratie:



    Voor een goed functionerende democratie zijn regels nodig. Deze regels zijn vastgelegd in de grondwet.






  • Burgers hebben politieke grondrechten:                                                                                                                          

    - Alle Nederlanders vanaf 18 jaar hebben recht om te kiezen en verkozen te worden.                - Iedereen mag een politieke partij of vereniging oprichten.                                                               - Iedereen mag demonstreren of op een andere manier zijn mening uiten.

  • De regels voor de politieke besluitvorming zijn wettelijk vastgelegd.                                                                   

    - De leden van de Staten-Generaal worden gekozen door een geheime stemming.                  

    - De wetten worden vastgelegd door de regering en de Staten-Generaal samen.

  • Er zijn vrije media. Hiermee wordt bedoeld dat als van mensen wordt verwacht dat zij betrokken zijn bij de politiek, zij ook goed geïnformeerd moeten worden over politieke en maatschappelijke onderwerpen. Daaruit volgt:                                                                                                                           - De media hebben vooraf geen toestemming nodig bij hun publicaties of uitzendingen.                - De overheid moet er zelf voor zorgen dat de media over de juiste informatie kan              beschikken.


    Dictatuur:



    Een dictatuur of autocratie is een land waarbij alle macht in handen is van één persoon of een kleine groep mensen.



    Naast alleenheerschappij van personen zijn er ook dictaturen op basis van een ideologie. De communistische partij heeft dan alle macht. Het doel is een samenleving waarin mensen op basis van gelijkheid zouden leven.



    Fascisten zijn zeer nationalistisch en wijzen de democratie af. Liever kiezen zij voor sterke leiders die zelfstandig, zonder democratie, besluiten nemen.



    Iran is een voorbeeld van een religieuze dictatuur, gebaseerd op de islamitische wetgeving. Ayatollahs, geestelijke leiders, houden toezicht op de politici en controleren of zij zich houden aan de regels van de islam.



    Een land waar het leger de macht in handen heeft is een militaire dictatuur.





    Kenmerken dictatuur:



    Dictaturen komen meestal tot stand na een revolutie of door een staatsgreep, waarbij de dictators met hulp van het leger de macht grijpen. Kenmerken van een dictatuur zijn:






  • De gehele politieke macht is in handen van een kleine groep. Burgers zijn hierdoor afhankelijk van de willekeur van de machthebbers. Zij kunnen niet naar een onafhankelijke rechter stappen, want ook de rechterlijke macht wordt gecontroleerd door deze politieke machthebbers.

  • Grondrechten worden niet beschermd. Burgers hebben geen recht op vrije meningsuiting en mogen niet demonstreren. Vaak is er een geheime dienst die mensen afluistert en oppakt als ze een bedreiging voor het regime vormen.

  • Er bestaat geen vrije pers. In veel dictaturen houdt een apart ministerie zich bezig met de informatievoorzieningen. Publicaties en tv-uitzendingen moeten vooraf door dit ministerie worden goedgekeurd. Deze controle door de overheid op alles wat de media uitbrengen noemen we censuur.

  • Oppositiepartijen zijn verboden. Politici en burgers die het openlijk oneens zijn met de regering lopen grote kans gearresteerd te worden.

  • Er is een grote politieke rol voor militairen. Om verzet van het volk te kunnen onderdrukken moet de regering kunnen rekenen op steun van het leger.

  • Er is sprake van verkiezingsfraude. Om zeker te zijn van winst wordt er gefraudeerd met de uitslag, worden partijen verboden mee te doen of worden kiezers geïntimideerd.





  1. Politieke stromingen.

    Ideologieën.



    Ideologie= een samenhangende geheel van ideeën over de mens en de gewenste inrichting van de samenleving.



    Iedere ideologie heeft ideeën op het gebied van:






  • Waarden en normen. Bijv. over persoonlijke vrijheid.

  • Sociaaleconomische verhoudingen. Anders gezegd: wat is een rechtvaardige verdeling van de welvaart.

  • Machtsverdeling in de samenleving. Moeten werknemers meer te zeggen hebben in hun bedrijf.

    Nederland kent drie grote ideologieën of stromingen: het liberalisme, het socialisme en het confessionalisme.



    Progressief en conservatief:



    Progressief betekent in de politiek vooruitstrevend, de maatschappij wil veranderen. Progressieve politici benadrukken de tekortkomingen in de samenleving.



    Conservatief betekent behoudend. Conservatieve politici benadrukken vooral datgene wat al is bereikt en houden graag alles bij het oude. Als conservatieven nog verder gaan en regels van vroeger terug willen, noemen we dat reactionair.



    Links en rechts:



    Bij links en rechts gaat het vooral om de visies op de rol van de overheid binnen de sociaaleconomische verhoudingen.



    Rechts benadrukt de eigen verantwoordelijkheid en de vrijheid van mensen. Om dit te kunnen garanderen moet de overheid rust en orde handhaven, maar zich verder volgens rechts passief opstellen en alleen optreden wanneer het echt nodig is.



    Links gaat uit van gelijkwaardigheid en wil dat iedereen gelijke kansen heeft op onderwijs, inkomen en werk. Om de zwakkeren te beschermen moet de overheid daarom actief optreden.



    Links en rechts denken niet over alles verschillend. Sommige partijen hebben zoveel linkse én rechtse standpunten dat ze tot het politieke midden behoren.



    Liberalisme:



    De liberale stroming ontstond eind achttiende eeuw tijdens de Franse Revolutie. De burgerij kwam in opstand tegen de onbeperkte macht van de koning en adel. De meeste mensen wilden onbelemmerd hun gang kunnen gaan. Hun ideaal was persoonlijke en economische vrijheid en ze waren tegen de hoge belastingen. Toen de liberalen steeds meer politieke macht kregen, werden ze ook steeds conservatiever. Alleen een kleine groep liberalen bleef progressief en streed tegen de kinderarbeid en voor het vrouwenkiesrecht. Ze kregen steun van de socialisten.



    Liberalen nu:



    Ook nu vinden liberalen vrijheid nog steeds belangrijk en zijn daarom voor de vrijemarkteconomie. De overheid moet op sociaaleconomisch gebied een kleine rol spelen en zich beperken tot kerntaken als defensie, onderwijs en de bescherming van de rechtsstaat en de klassieke grondrechten. Liberalen accepteren de verzorgingsstaat onder drie voorwaarden:






  • De vrijemarkteconomie komt niet in gevaar;

  • Mensen dragen zelf verantwoordelijkheid voor hun situatie;

  • De uitkeringen blijven zo laag mogelijk.

    Socialisme:



    Het socialisme ontstond in de negentiende eeuw als reactie op de slecht werkomstandigheden van de arbeiders. Je was totaal afhankelijk van je gezondheid en je kreeg weinig betaald. Volgens de socialisten waren deze wantoestanden ontstaan door de vrijemarkteconomie, waarin kapitalisten de lonen van de arbeiders steeds verder verlaagden. De socialisten wilden hieraan een einde maken allen verschilden ze over mening hoe.






  • Communisten of marxisten wilden dat de arbeiders door een revolutie alle macht zouden overnemen.

  • Sociaaldemocraten wilden meedoen met de verkiezingen om zo te zorgen voor goede sociale wetgeving.

    Sociaaldemocraten nu:



    Socialisten noemen we sociaaldemocraten. Ze zijn niet tegen de vrijemarkteconomie, maar willen wel dat de overheid actief de zwakkeren in de samenleving beschermt. Ze vinden dat kennis, inkomen en macht eerlijker verdeeld moet worden. Ze zijn voor de verzorgingsstaat, omdat daarin de sociale grondrechten als het recht op gezondheidszorg en onderwijs wettelijk zijn vastgelegd.



    Confessionalisme:



    Het confessionalisme als politieke stroming baseert zich op het geloof. In Nederland is dat het christendom. Christendemocraten streven naar een samenleving gebaseerd op waarden uit de Bijbel, zoals harmonie, gespreide verantwoordelijkheid, naastenliefde en rentmeesterschap.



    Christendemocraten nu:



    Voor de huidige christendemocraten betekent:






  • Harmonie dat organisaties, burgers en overheid moeten samenwerken.

  • Gespreide verantwoordelijkheid dat mensen verantwoordelijk zijn voor elkaars welzijn.

  • Naastenliefde dat we moeten zorgen voor de kwetsbaren in de samenleving.

  • Rentmeesterschap dat de mensen goed moeten zorgen voor de aarde.

    Christendemocraten streven naar een zorgzame samenleving, waarin de overheid zo veel mogelijk overlaat aan het maatschappelijk middenveld. De overheid doet alleen datgene wat niet door maatschappelijke organisaties kan worden gedaan.








  1. Politieke partijen.

    Wat is een politieke partij?



    Een politieke partij is een groep mensen met dezelfde ideeën over de manier waarop onze samenleving het beste bestand kan worden. Zij verschillen daarin van actiegroepen en belangenorganisaties.



    Actiegroepen houden zich bezig met één bepaalde doelstelling en voeren acties als ze dat nodig vinden. Een politieke partij probeert zijn doelen juist te bereiken via het parlement.



    Belangenorganisaties behartigen de belangen van één bepaalde groep mensen. Politieke partijen lijken soms op belangenorganisaties. Toch verschillen ze van belangenorganisaties omdat ze veel nadrukkelijker naar het algemeen belang kijken.



    Soorten partijen:



    Er zijn globaal vijf soorten politieke partijen.






  • Partijen op basis van een ideologie. De meeste politieke partijen zijn voortgekomen uit een van de drie grote stromingen.

  • One-issuepartijen richten zich op één aspect van de samenleving en hebben daar een duidelijk standpunt over.

  • Protestpartijen ontstaan uit onvrede met de bestaande politiek.

  • Populistische partijen ontstaan deels uit protest, maar hebben vooral de bedoeling op te komen voor de stem van de zwijgende massa.

  • Niet-democratische partijen zoals fascistische of recht-extremistische partijen doen nauwelijks mee aan verkiezingen rechtsextremisten zijn strek nationalistisch gericht.

    Functies politieke partijen:



    Politieke partijen hebben een aantal belangrijke taken in onze democratie. Zij hebben een:






  • Integratiefunctie. Op basis van allerlei wensen en eisen maken politieke partijen vanuit hun eigen ideologie een logisch samenhangend geheel van programmapunten die in beleid omgezet kunnen worden. Dit partijprogramma verbindt mensen, waardoor de partij lange tijd kan bestaan.

  • Informatiefunctie. Politieke partijen informeren de kiezers, ook buiten verkiezingstijd, over hun standpunten ten aanzien van verschillende kwesties. Hiermee helpen zij burgers een mening te vormen.

  • Participatiefunctie. Politieke partijen proberen burgers te stimuleren om actief deel te nemen aan de politiek.

  • Selectiefunctie. Mensen die in de politiek willen, doen dat meestal via een bestaande partij of ze richten er zelf eentje op. Zonder politieke partij is het niet goed mogelijk om gekozen te worden.





  1. Verkiezingen.

    Kiesrecht:



    In Nederland hebben alle Nederlanders van achttien jaar en ouder actief kiesrecht. Daarnaast heeft iedere volwassen Nederlander het passief kiesrecht, dat is het recht om je verkiesbaar te stellen. Een politieke partij plaatst je dan op een kieslijst. Je kunt ook een eigen partij oprichten, maar dat kan niet zomaar. Je moet je dan registreren bij de Kiesraad, steunbetuigingen leveren en een borgsom betalen.



    Mensen met een Buitenlands paspoort die langer dan vijf jaar in Nederland wonen hebben alleen kiesrecht bij de gemeenteraadsverkiezingen.



    Verkiezingsprogramma:



    De meeste partijen hebben een verkiezingsprogramma met daarin de standpunten van de partij. De bekendste kandidaat van elke partij staat nummer één op de kandidatenlijst en wordt ook wel lijsttrekker genoemd. Hij of zij verwoordt tijden de verkiezingscampagne in de debatten de standpunten van de partij.





    Welke partij?



    Samengevat kun je de volgende redenen hebben om op een partij te stemmen:






  • De standpunten van de partij komen overeen met jouw ideeën.

  • De partij let goed op jouw belangen.

  • Je stemt strategisch. Je kijkt dan welke partij kans maakt om in de regering te komen.

  • Aantrekkingskracht van de lijsttrekker.

    Zetelverdeling:



    Verkiezingen worden gehouden volgends het stelsel van evenredige vertegenwoordiging, dat wil zeggen dat elke partij het aantal zetels krijgt dat in verhouding is met het totaal aantal geldig uitgebrachte stemmen. Bij die berekening wordt uitgegaan van de kiesdeler, dat wil zeggen de hoeveelheid stemmen die een partij nodig heeft voor één zetel.



    Voorkeurstemmen:



    Als je gaat stemmen, stem je niet op een partij, maar op een persoon. Omdat een Kamerlid als persoon is gekozen, mag hij ook blijven zitten als hij uit de partij stapt. Veel mensen stemmen op de lijsttrekker van hun partij. Maar je kunt ook op iemand anders stemmen. Daardoor kan zelfs iemand die laag op de lijst van zijn partij staat, toch gekozen worden. We zeggen dan dat iemand veel voorkeurstemmen heeft gekregen.



    De verkiezingscampagne:



    Ruim voor de verkiezingen stellen de partijen een campagneteam samen. Hierin zitten de partijleiders gesteund door zogenaamde spindoctors, communicatiedeskundigen die de partij en de lijsttrekker adviseren. Samen bepalen ze de verkiezingsstrategie. Eén misser in een debat kan al voldoende zijn voor een flinke nederlaag bij de verkiezingen.



    Opiniepeilingen:



    Tijdens de verkiezingscampagne analyseren commentatoren de debatten. Ook worden er dagelijks opiniepeilingen gehouden. Volgens sommige politicologen hebben deze peilingen invloed op de uitslag. Een partij die in de peiling op winst staat, is volgens hen aantrekkelijker, want mensen horen graag bij een winnende partij.



    Strijd om de kiezer:



    In de laatste weken spelen de media een belangrijke rol. Lijsttrekkers van grotere partijen komen dagelijks op de televisie. De avond voor de verkiezingen wordt een groot tv-debat georganiseerd tussen de belangrijkste lijsttrekkers. Doel van al die mediaoptredens is om de stem van zogenaamde zwevende kiezers te winnen, kiezers die niet bij elke verkiezing op dezelfde partij stemmen. Door de grote rol van de media tijdens de verkiezingen wordt wel gesproken van een tv- en internetdemocratie.



    De uitslag:



    Op de avond na de verkiezingen is het spannend. Meestal is aan het eind van de avond bekend hoeveel zetels elke partij krijgt. Bij de Tweede Kamerverkiezingen kijken de lijsttrekkers dan voorzichtig met welke partijen zij eventueel willen regeren. De uitslag bepaalt namelijk welke partijen samen het nieuwe kabinet kunnen vormen.








  1. De regering.

    De regering bestaat uit de koning(in) en de ministers. De ministers met hun staatssecretarissen maar zonder koning(in) vormen het kabinet.



    De kabinetsformatie:



    Direct na de Tweede Kamerverkiezingen begint de kabinetsformatie. Het doel is om een kabinet te vormen van bekwame ministers en staatssecretarissen die:






  • Het samen globaal eens zijn over het toekomstige beleid.

  • Samen de steun hebben van de meerderheid van de Tweede Kamer, dus 76 leden.

    Verloop van de kabinetsformatie:



    De kabinetsformatie neemt vaak enkele weken of zelfs maanden in beslag en verloopt in een aantal stappen:






  1. Adviezen, de dag na de verkiezingen ontvangt de koning(in) de vicepresident van de Raad van State, de voorzitter van de Eerste en Tweede kamer en de fractievoorzitters van de politieke partijen in de Tweede Kamer. Zij adviseren elk welke partijen het beste een kabinet kunne vormen. Op basis hiervan benoemt de koning(in) een informateur.

  2. De informateur begint, de informateur onderzoekt eerste welke combinatie van partijen de meeste kans van slagen heeft. Omdat ze verschillende standpunten hebben, laat de informateur de partijen allerlei compromissen sluiten. Als dat lukt, dan is er een coalitie mogelijk, een samenwerkingsverband van twee of meer partijen. Onder leiding van de informateur stellen de coalitiepartijen daarna een regeerakkoord op.

  3. De formateur maakt het af, na het regeerakkoord brengt de informateur verslag uit aan de koning(in). Is zijn opdracht mislukt, dan gaat er een nieuwe informateur aan de slag. Is er wel een coalitie gevormd, dan benoemt de koning(in) een formateur die geschikte ministers en staatssecretarissen bij elkaar zoekt. De formateur is bijna altijd afkomstig van de grootste regeringspartij en wordt meestal zelf de minister-president.

  4. Op het bordes, nadat de formateur klaar is, benoemt de koning(in) de ministers en staatssecretarissen.

    De regering:



    Nederland is een rechtsstaat en dus moet iedereen zich houden aan de grondwet of constitutie. We spreken daarom van een constitutionele monarchie, een staatsvorm waarin de taken en bevoegdheden van het staatshoofd grondwettelijk zijn vastgelegd. De belangrijkste taken van de koning(in) zijn:






  • Een handtekening plaatsen onder wetten;

  • De troonrede voorlezen op Prinsjesdag;

  • Ministers en (in)formateurs benoemen;

  • Regelmatig overleg voeren met de minister-president.

    De ministers vormen het dagelijks bestuur van ons land. De belangrijkste taken van de ministers zijn daarom de voorbereiding en uitvoering van het overheidsbeleid. Dit gebeurt voornamelijk door:






  • Het opstellen van wetsvoorstellen;

  • Het uitvoeren van eenmaal aangenomen wetten;

  • Het jaarlijks opstellen van de rijksbegroting en deze aanbieden aan het parlement.

    Elk jaar op Prinsjesdag presenteert het kabinet de plannen voor het komende jaar in de troonrede. In de Tweede Kamer biedt de minister van Financiën die dag de Rijksbegroting aan in de vorm van een samenvatting, de miljoenennota.



    Ministeriële verantwoordelijkheid:



    De koning(in) maakt deel uit van de regering, maar de ministers zijn verantwoordelijk: de koning(in) is onschendbaar. We noemen dit de ministeriële verantwoordelijkheid. Ministers zijn ook politiek verantwoordelijk voor hun ambtenaren.



    Ministers en staatssecretarissen:



    Elke minister heeft een eigen beleidsterrein, ook wel portefeuille genoemd, en een eigen ministerie waar veel ambtenaren voor hem of haar werken. Soms hebben ministers geen eigen ministerie. Zo kan bij de kabinetsformatie worden besloten dat een minister bij iets anders wordt ondergebracht. Je noemt dit dan een minister zonder portefeuille. Een minister heeft een of twee staatssecretarissen onder zich. Zij zijn verantwoordelijk voor een deel van zijn beleidsterrein. De ministerraad komt elke vrijdag bijeen onder voorzitterschap van de minister-president. De minister-president overlegt regelmatig met het staatshoofd, maar de inhoud van deze gesprekken blijft geheim.



    Kabinetscrisis:



    Het is de bedoeling dat het kabinet vier jaar lang aanblijft tot de nieuwe Tweede Kamerverkiezingen. Maar dat is niet altijd het geval. Soms lopen de problemen zo hoog op, dat het bestaan van het hele kabinet in gevaar komt. We spreken dan van een kabinetscrisis. Deze kan ontstaan:






  • Wanneer de ministers het onderling oneens zijn over een of meer kwesties;

  • Wanneer de meerderheid van de Tweede Kamer het kabinet niet meer steunt.

    Als het kabinet ontslag neemt, volgens er meestal vervroegde verkiezingen. Om het land niet onbestuurbaar te maken, blijven de oude ministers meestal in functie totdat er een nieuw kabinet is gevormd. Je noemt dit een demissionair kabinet, dat geen eigen missie meer heeft.






  1. Het parlement.

    De taken van de regering en parlement zijn in de grondwet vastgelegd, maar de manier waarop zij samenwerken wordt deels ook door tradities en gewoonten bepaald. We noemen dit de politieke cultuur, de manier waarop de regering en het parlement met elkaar omgaan. Kenmerkend voor de Nederlandse politieke cultuur is de bereidheid tot overleg en het sluiten van compromissen, ook wel poldermodel genoemd.



    Het parlement wordt gekozen:                     



    Staten-Generaal= de Eerste en Tweede Kamer samen in het parlement.



    Parlementsleden zijn volksvertegenwoordigers want zij worden door de bevolking gekozen. De Tweede Kamer wordt direct gekozen door de Nederlandse kiezers. Maar de Eerste Kamer wordt indirect gekozen door de leden van de Provinciale Staten.



    Eerste en Tweede Kamer:



    De Tweede Kamer heeft 150 leden die voor vier jaar worden gekozen. De Tweede Kamer behandelt als eerste elk wetsvoorstel en mag een voorstel afwijzen of veranderen. Pas hierna bespreekt de Eerste Kamer het voorstel. In deze Eerste Kamer, ook wel Senaat genoemd, zitten 75 leden. De Senaat mag een wetsvoorstel alleen in zijn geheel goed of afkeuren. De Tweede Kamer heeft meer macht dan de Eerste Kamer en hier vinden dan ook de meeste debatten plaats met ministers.



    Fracties:



    Een fractie is de groep vertegenwoordigers van een politieke partij in een gekozen orgaan.



    De politieke partijen kunnen worden onderverdeeld in regeringsfracties en oppositiepartijen. Regeringsfracties zijn de partijen die ook ministers in de regering hebben zitten. De oppositiepartijen zijn alle partijen die niet in de regering zitten. Ze zijn het vaak niet eens met de regering. Dit betekent dat zij vaker een minister te verantwoording roepen of met eigen wetsvoorstellen komen



    Verhouding regering en parlement:



    Ministers hebben zowel wetgevende als uitvoerende macht. De scheiding tussen de wetgevende en uitvoerende macht, zoals bedacht in de trias politica, wordt in Nederland dus niet strikt doorgevoerd. De macht van het parlement vind je terug in zijn belangrijkste taken:






  • (mede)wetgeving;

  • Controle van de ministers.

    Wetgevende taak:



    De Eerste en Tweede Kamer hebben twee rechten om hun taak al (mede)wetgever uit te voeren:



  • Stemrecht bij wetsonderwerpen. Beide Kamers hebben het recht om een wetsvoorstel te aanvaarden of te verwerpen.

  • Budgetrecht. Beide kamers hebben het recht om de rijksbegroting wel of niet goed te keuren.

    De Tweede Kamer heeft ook nog twee andere rechten om hun taak als (mede)wetgever uit te voeren die de Eerste Kamer niet heeft:



  • Het recht van initiatief. De Tweede Kamerleden hebben de mogelijkheid om wetsontwerpen in te dienen.

  • Het recht van amendement. De Tweede Kamer heeft het recht om wijzigingen in een wetsvoorstel aan te brengen. Als een Kamermeerderheid een amendement aanneemt, moet deze wijziging ook worden aangebracht. De minister die het daar niet mee eens is, moet het wetsontwerp intrekken of zelf ontslag nemen. Een amendement is dus bindend.

    Controlerende taak:



    Om te controleren of ministers hun werk goed doen hebben de Eerste en Tweede Kamer een aantal recht om informatie te verkrijgen:






  • Recht om schriftelijk vragen te stellen. Ministers of staatsecretarissen moet hier binnen drie weken antwoord opgeven.

  • Recht van interpellatie. De Kamerleden mogen ministers ter verantwoording roepen. Dit gebeurt tijdens een spoeddebat, dat plaatsvindt wanneer het de steun van minimaal 30 Kamerleden heeft.

  • Recht op een parlementaire enquête. Kamerleden mogen een onderzoek doen naar een onderdeel van het regeringsbeleid, hier wordt een speciale commissie van Kamerleden benoemd die bestuurders, ambtenaren en andere betrokkenen onder ede verhoort.

  • Recht om een motie in te dienen. Een motie is een verzoek aan een minister iets wel of niet te doen. Twee speciale moties zijn de motie van afkeuring en de motie van wantrouwen.                                         - motie van afkeuring: motie waarin het beleid van een minister wordt afgekeurd.                 - motie van wantrouwen: als een meerderheid van de Kamer geen vertrouwens meer                 heeft in een minister.







  1. Gemeente en provincie.

    Decentralisatie:



    Nederland is een gedecentraliseerde eenheidsstaat omdat de rijksoverheid in grote lijnen het beleid vaststelt, maar de gedetailleerde invulling aan lagere overheden overlaat. Uitganspunt daarbij is dat besluitvorming bij voorkeur op een zo laag mogelijk niveau, zo dicht mogelijk bij de betrokkenen moet plaatsvinden. De gedacht hierachter is dat lagere overheden:






  • Beter op de hoogte zijn van de situatie en dus ook beter kunnen beoordelen wat er nodig is.

  • Dichter bij de burgers staan en de burgers het bestuur dus ook makkelijker kunnen aanspreken.

    De provincie:



    De belangrijkste taken van de provincie liggen bij milieu en ruimtelijke ordening. De provincie spelt een structuurvisie op waarin precies staat aangeven welke activiteiten op welk gebied passen.



    Provinciaal bestuur:



    De vertegenwoordigers van de provincie wordt de Provinciale Staten genoemd. Het dagelijks bestuur van de provincie ligt in handen van de Gedeputeerde Staten. De voorzitten van deze twee is de Commissaris van de Koning(in). De Provinciale Staten geven in een profielschets hun mening wat voor soort bestuurder zij als commissaris willen hebben. Daarna voert een vertrouwenscommissie gesprekken met een aantal kandidaten die door de minister van Binnenlandse Zaken zijn geselecteerd.



    De gemeente:



    De bestuurslaag die het dichtst bij de burger staat, is de gemeente.  De belangrijkste taken van de gemeente zijn van het streekplan een bestemmingsplan maken en ze hebben financiële middelen van Nederland en de Europese Unie. Deze decentralisatie heeft twee doelen. Ten eerste kan de gemeente beter maatwerk leveren aan burgers. Ten tweede hebben de gemeenten financieel belang bij decentralisatie. Zo krijgt elke gemeente een vast bedrag voor bijstandsuitkeringen.



    Gemeentebestuur:



    De belangrijkste besluiten in een gemeente worden genomen door de gemeenteraad. Het dagelijks bestuur van de gemeente ligt in handen van het College van Burgemeester en Wethouders. De burgemeester wordt voor zes jaar benoemd. Het bestuur van de gemeente wordt gevormd door de gemeenteraad en de voorzitter van deze twee is de burgemeester.































Gemeentebestuur



Provinciaal bestuur.



Volksvertenwoordiging



Gemeenteraad: neemt belangrijke besluiten en controleert College van B&W.



Provinciale Staten: neemt belangrijke besluiten en controleert Gedeputeerde Staten.



Dagelijks bestuur



College van B&W: bereidt plannen voor en voert het beleid uit.



Gedeputeerde Staten: bereidt plannen voor en voert het beleid uit.



Voorzitter



Burgemeester: is voorzitter van zowel College van B&W als de gemeenteraad.



Commissaris van de Koning(in): is voorzitter van zowel Provinciale Staten als de Gedeputeerde staten.







  1. Politiek in de praktijk.

    Systeemtheorie:



    Volgens de systeemtheorie verloopt politieke besluitvorming altijd in vier fasen. We gaan daarbij uit van de landelijke politiek.






  • Invoer. In deze brengen burgers en organisaties hun eisen en wensen naar voren. Als politici de kwestie oppakken, komt deze op de politieke agenda terecht.

  • Omzetting. Staat een kwestie op de politieke agenda, dan moet er ook iets mee gebeuren. Vaak vraagt een minister zijn ambtenaren de zaak te onderzoeken en advies uit te brengen. Na deze beleidsvoorbereiding komt de minister met een wetsvoorstel, waar het parlement over stemt.

  • Uitvoer. Nadat een wetsvoorstel is aangenomen, zorgen ambtenaren voor de uitvoering ervan.

  • Terugkoppeling. Kijken of het (wets)voorstel goed is uitgevoerd, zo niet wordt het hele besluitvormingsproces herhaald.

    Door de systeemtheorie zien we dat niet alleen politici invloed hebben op de besluitvorming, maar ook andere Politieke actoren. Politieke actoren zijn alle burgers, groepen, bestuursorganen en instanties die betrokken zijn bij het politieke besluitvormingsproces.





    Burgers:



    Als inwoner van ons land kun je op verschillende manieren invloed uitoefenen op de politiek:






  • Stemmen. Door te stemmen steun je de partij van jouw voorkeur.

  • Lid worden van een politieke partij.

  • Contact opnemen met politici.

  • Een verzoek indienen.

  • De media benaderen.  

  • Je kunt je aansluiten bij een actiegroep.

  • Een bezwaarschrift indienen of naar de rechter stappen.

  • Overgaan tot burgerlijke ongehoorzaamheid: het openlijk overtreden van de wet om politici ervan te overtuigen dat een genomen besluit verkeerd is.

    Pressiegroepen:



    Pressiegroepen zijn groepen die proberen invloed uit te oefenen op de politieke besluitvorming. Dit gebeurt vooral door te lobbyen, dat wil zeggen persoonlijk contact zoeken met politici. Tot de pressiegroepen behoren actiegroepen, maar ook grote belangenorganisaties.





    Ambtenaren:



    Ministers zijn verantwoordelijk voor het dagelijkse bestuur van ons land. Maar het eigenlijke werk wordt gedaan door ambtenaren die zich bezighouden met beleidsvoorbereiding en beleidsuitvoering. Ambtenaren die wetsvoorstellen voorbereiden, werken op een van de ministeries. Uitvoerende ambtenaren zijn onder andere degene die jou je paspoort geeft, een politieagent op straat en de Sociale Dienst die beslist over uitkeringen. Vooral topambtenaren hebben veel macht. Zij werken meestal veel langer op een ministerie dan de minister en hebben daardoor meer kennis en ervaring op hun vakgebied. Daarom worden ambtenaren ook wel de Vierde Macht genoemd.





    Media:



    De media vervult in een democratie vijf politieke functies:






  • Informatieve functie: berichten over politieke discussie, belangrijke debatten uitzenden.

  • Onderzoekende of agendafunctie: de problemen in de samenleving signaleren en dit in de politieke agenda laten krijgen.

  • Commentaarfunctie: dagelijks commentaar geven op politieke kwesties.

  • Spreekbuisfunctie: politici, actiegroepen en burgers ruimte geven om hun zegje te doen.

  • Controlerende functie: ministers kritisch volgen en kijken of ze doen wat ze beloven.


    Persvrijheid betekent dat de media recht heeft om dingen te zeggen. De politieke functies van de media dragen bij aan de meningsvorming: doordat we van alles lezen en zien over politieke problemen vormen we ons een mening. Voorwaarde is wel dat er een pluriform aanbod van de media is, zodat je kunt kiezen uit verschillende soorten kranten, tv-zenders, websites en tijdschriften.



    Pluriformiteit is ook belangrijk, d.w.z. dat je uit verschillende media-instellingen kunt kiezen.





    Een goede democratie:



    Politieke besluitvorming is dus een wisselwerking tussen politici en burgers. Door te luisteren naar burgers en pressiegroepen legitimeren politici hun macht. Daarom zal de regering, als de meeste mensen geen nieuwe kerncentrales willen, dit niet zo snel voorstellen. Daarnaast vergroot deze wisselwerking de betrokkenheid van burgers.








  1. Internationale politiek.

    Internationale samenwerking:



    Samenwerking met andere landen is nodig. Er zijn twee redenen voor: landen zijn voor de oplossing van een probleem van elkaar afhankelijk. Het is efficiënter om een probleem gezamenlijk aan te pakken. Nederland neemt daarom deel aan verschillende internationale samenwerkingsverbanden.



    De Europese Unie:



    Samenwerking betekent meestal dat de soevereiniteit van een land, dat wil zeggen het recht om zelf te bepalen welke regels worden vastgesteld, wordt ingeperkt. Het meest vergaande internationale samenwerkingsverband van Nederland is de Europese Unie (EU). Het beginpunt van de EU ligt in de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) in 19151. Het doel was de Europese economie nieuw leven in te blazen en het bewerkstelligen van duurzame vrede.



    Ruim de helft van de EU-landen behoort tot de eurozone. Deze gemeenschappelijke munt geeft een hoge prijsstabiliteit, maar heeft ook de onderlinge afhankelijkheid vergroot.



    Bestuur van de EU:



    Het bestuur van de Europese Unie ziet er als volgt uit.






  • Het dagelijks bestuur van de EU wordt gevormd door de Europese Commissie, een soort regering dus. De Commissie is de uitvoerende macht van de EU en bestaat uit 27 eurocommissarissen, één uit elke lidstaat.

  • In de Raad van Ministers, ook wel de Raad van de Europese Unie genoemd, zijn de regeringen van alle 27 EU-landen vertegenwoordigd. Besluiten worden aangenomen bij tweederde meerderheid van stemmen, waarbij de stemmen van grote landen zwaarder meetellen.

  • Het Europees Parlement wordt eens in de vijf jaar door de Europese burgers gekozen en telt 736 afgevaardigden. Het Europees parlement heeft, anders dan nationale parlementen, weinig macht.

  • De rechtsprekende macht in de EU berust bij het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het Hof doet op basis van EU-wetten uitspraak in kwesties tussen lidstaten, EU-instellingen, bedrijven en individuen. Het Hof telt 27 rechters, één uit elke lidstaat.

  • Ten slotte moet de Europese Centrale Bank (ECB) zorgen voor stabiliteit op financieel gebied in de Europese Unie. De ECB bepaalt bijvoorbeeld mede hoeveel geld er wordt geleend aan landen die in financiële problemen zijn door een te hoge staatsschuld.

    Scheiding van machten:



    Net als de deelnemende lidstaten zoals Nederland kent ook de Europese Unie een scheiding van machten. De Europese Commissie kan als enige orgaan nieuwe wetsvoorstellen indienen. Het Europees Parlement mag een wetsvoorstel wel wijzigen, maar stemt niet over het hele voorstel. Dat doet de Raad van Ministers. Daarna voert de Europese Commissie de nieuwe wet uit en kijkt op de lidstaten de nieuwe wet wel goed naleven. Het Europees Parlement controleert op haar beurt de Europese Commissie. Het Hof van Justitie ten slotte is de onafhankelijke rechterlijke macht.



    Europeanisering en soeverein:



    Steeds vaker wordt nationale wetgeving ingeruild voor Europese wetgeving. Voor veel burgers is deze europeanisering en het geleidelijke verlies van nationale soevereiniteit een stap te ver. Daarom is er tot nu toe voor gekozen dat de Raad van Ministers over Europese wetsvoorstellen stemt en niet het Europees Parlement. Door de wetgevende macht van het Europees Parlement uit te breiden, zou de EU volgens hen democratischer worden en de stap naar een Verenigde Staten van Europa een stuk dichterbij komen.



    De Verenigde Naties:



    De 193 onafhankelijke staten in de wereld, waaronder Nederland, zijn bijna allemaal lid van de Verenigde Naties (VN). We spreken van een onafhankelijke staat als er sprake is van een eigen grondgebied, een bevolking en een overheid die het land bestuurt.



    De Algemene Vergadering:



    De secretaris-generaal is de hoogste ambtenaar van de VN en is voorzitter van de Algemene Vergadering, een vergadering van alle VN-leden. De Algemene Vergadering kan bij meerderheidsbesluit resoluties en verklaringen aannemen.






  • Resoluties zijn uitspraken waarin bepaald gedrag van een land wordt veroordeeld.

  • In een verklaring nemen de VN een bepaald standpunt in over een omstreden onderwerp.

    Andere VN-organen en organisaties.



    De VN hebben een aantal verschillende organisaties. Een belangrijk orgaan is de Veiligheidsraad, dat verantwoordelijk is voor internationale veiligheid en vrede. De Veiligheidsraad besluit bij meerderheid van stemmen hoe een resolutie moet worden uitgevoerd. In de Veiligheidsraad zitten 15 landen waarvan 5 permanent. Deze vijf permanente landen, de VS, Rusland, China, Frankrijk en Engeland, hebben vetorecht, het recht om de uitvoering van een resolutie te verbieden.



    De secretaris-generaal is de hoogste ambtenaar van de VN. Hij geeft leiding aan de VN en is voorzitter van de Algemene Vergadering. Resoluties zijn een soort uitspraken waarin bepaald gedrag van een land wordt veroordeeld.




  • Samenvatting maatschappijleer parlementaire democratie.




REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Ook geschreven door Kaelin