Parlementaire democratie

Beoordeling 6.8
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas vwo | 6348 woorden
  • 14 januari 2015
  • 8 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.8
  • 8 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode

§1 Wat is politiek?

Politiek: De manier waarop een land wordt bestuurd. Het gaat dus om het maken van keuzes:

- Tot welke leeftijd leerplichtig?;

- Minimale leeftijd voor alcohol;

- Hoe lossen we het fileprobleem op?

 



De meeste onderwerpen waarmee de politiek zich bezighoudt, zijn van algemeen belang dat iedereen er direct mee te maken heeft.





Meestal kost het nemen van politieke besluiten veel tijd, omdat er verschillende oplossingen mogelijk zijn. Grootste dilemma van politiek: kiezen we voor snel, draadkrachtig en efficiënt besturen of voor een maximale participatie van burgers in de politiek. In het eerste geval kijk je vooral naar doelmatig resultaat, in het tweede geval kies je voor een proces van democratische besluitvorming met een zorgvuldige afweging van de verschillende belangen.





In landen als Noord-Korea en Iran bepalen de machthebbers zelf wat het beste is voor de mensen. Participatie van burgers bestaat niet. In vrijwel alle dictaturen is er sprake van schendingen van mensenrechten en politiek geweld.





Dictatuur: de drie machten; de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht is niet van elkaar gescheiden, maar in handen van een kleine groep mensen. Burgers hebben geen invloed op politiek. Een dictatuur kan nooit een rechtstaat zijn.



Andere kenmerken zijn:

- Beperking van individuele vrijheid. Grondrechten bestaan meestal niet of maar heel beperkt (vrijheid van godsdienst, privacy)

- Beperking van politieke vrijheid. Politieke tegenstanders worden gevangen gezet bijv of vermoord/gemarteld.

- Veel overheidsgeweld. Machthebber verdedigen hun macht.

- Geen onafhankelijke rechtspraak.

- Censuur (massamedia, cultuur staan voortdurend onder toezicht van de machthebbers).

 



Onderscheid tussen autocratische en totalitaire dictatuur.





Autocratische dictaturen: Er heerst één leidersfiguur. Meestal een hoge militair, kan ook een gekozen president die alle macht naar zich heeft toegetrokken. Soms wordt de leider geholpen door een junta ( een regering die grotendeels uit militairen bestaat).



De bevolking wordt onderdrukt, maar omdat er geen ideologie aanwezig is, bestaat er vaak een zekere godsdienstvrijheid en economische speelruimte. (Noord-Korea)





Totalitaire Dictaturen: Een grotere groep mensen of een partij aan de macht via een ideologische revolutie. Het volledige leven van de burger wordt beheerst. Politieke invloed is alleen weggelegd voor mensen die de ideologie onvoorwaardelijk steunen. In een totalitaire dictatuur is het hele politieke, economische en sociale leven gereguleerd. Er is sprake van indoctrinatie: (je krijgt maar van één kant informatie, geen tegenhangers te horen). Dit komt door de strenge controles op media, onderwijs en verenigingsleven. (China)





Bijzondere vorm van totalitaire dictatuur: theocratie:de godsdienst is verheven tot staatsideologie. (IS, Iran)




  • Politiek en religie zijn een eenheid

  • Politieke leider is de religieuze leider, geen scheiding tussen kerk en staat

  • Opvattingen over kleine morele zaken= gedrag en die worden afgedwongen

  • Sterke gemeenschapsopvatting= je hoort bij de club

  • Er is veel controle





Fascisme




  • Sterke leider met charisma

  • Autoritaire structuur

  • Tegen links, tegen rechts, tegen bestaande instituties (onderwijs, politiek)

  • Verering van machtsvertoon en geweld

  • Politieke dictatuur

  • Totalitaire staat = complete controle over het maatschappelijk leven

  • Extreem nationalistisch (kan lijden tot racisme)

  • Streeft naar sociale eenheid, geen klassentegenstelling





Staat= oppermachtig, belangrijk, bepaald hoe mensen denken en willen, afhankelijk van de staatsvorm.





Communisme (Noord-Korea, China, Cuba)




  • Staat centraal

  • Geen klassentegenstellingen

  • Veel controle op de bevolking

  • Individu ondergeschikt aan de staat

  • Economie is van de staat, geen ondernemerschap (dit ligt bij de staat)





Je hebt dus macht van 1 (autocratie) of macht van enkelen (totalitaire dictatuur) heb je ook macht van velen (democratie). Demos is volk en kratein is regeren. Het volk regeert. Sommige landen hebben referendum: een volksstemming over een bepaald wetsvoorstel.





Indirecte of representatieve democratie: het volk kiest vertegenwoordigers die de beslissingen nemen en met een zekere regelmaat bij verkiezingen aan de bevolking verantwoording moeten afleggen over hun beleid. De politieke macht is verdeeld over meerdere personen en instituties die elkaar controleren, de trias politica. Een democratie is daarom meestal ook een rechtsstaat, waarin burgers rechten en vrijheden hebben die door de overheid worden gerespecteerd.





Tegenwoordig is bijna overal indirecte democratie te vinden. Hierbij kiest het volk de vertegenwoordigers die de belangrijkste beslissingen nemen. Binnen landen met een indirecte democratie maken we onderscheid tussen het parlementaire stelsel en het presidentiële stelsel.





Een democratie heeft als garantie, dat de macht van de bestuurders wordt beperkt. Algemene kenmerken zijn:

- Burgers hebben individuele vrijheid (eigen godsdienst, woning, meningsuiting);

- Politieke grondrechten (het recht om te kiezen en gekozen te worden);

- Politie en leger hebben beperkte bevoegdheden. (nooit zomaar aangehouden worden)

- Onafhankelijke rechtspraak. Er is sprake van een machtenscheiding (trias politica).



-Er bestaat persvrijheid. Massamedia.





Parlementair stelsel: Rechtstreeks gekozen parlement is het hoogste machtsorgaan. De burgers kiezen de leden van het parlement. Aan de hand van de samenstelling van het parlement wordt het kabinet (ministers en staatssecretarissen) geformeerd. Deze moeten voortdurend verantwoording afleggen aan het parlement en dus indirect aan het volk.





Wanneer de meerderheid van de parlementsleden geen vertrouwen meer in deze ministers heeft kunnen ze worden weggestuurd. In Nederland hebben we een niet-gekozen staatshoofd van wie de macht beperkt wordt door een grondwet. Constitutionele Monarchie: Land met een grondwet+Koning. Staatshoofd is koning.





Presidentieel stelsel: Hier wordt door de volk niet alleen het parlement gekozen, maar ook de president. De president staat aan het hoofd van de regering, de uitvoerende macht, en kan naar eigen keuze ministers benoemen en ontslaan. Om de macht van de president enigszins te beperken, mist hij in de meeste landen het zogenaamde ontbindingsrecht, het recht om het parlement te ontbinden.





Nederland werd in 1806 een monarchie(1 iemand macht), maar de politieke macht ligt sinds de grondwet van 1848 niet meer bij de koning maar bij het parlement. 1917 mannenkiesrecht en 1922 vrouwenkiesrecht. Vrijheid en gelijkheid zijn belangrijke waarden voor een democratie: iedereen mag meedoen en je mag zelf bepalen op welke manier je gebruik maakt van je politieke rechten.





Volgens een socioloog hebben democratieën en dictaturen de neiging zicht te ontwikkelen tot een oligarchie: een heerschappij van weinigen. De oligarchische ontwikkeling begint zodra politici de macht naar zich toe trekken.



Regentencultuur: politici en bestuurders regelen onderling de politieke zaken en schuiven elkaar de belangrijkste baantjes toe. Bestuurders regeren dan minder namens het volk en meer over het volk.



Andere socioloog zegt dat overal waar welvaart toeneemt en de mensen beter worden opgeleid, er een verlangen naar meer democratie ontstaat.





§2 Politieke stromingen





Toen NL 160 jaar geleden een parlementaire democratie werd, was de rol van de overheid beperkt. Het ging er slecht aan toe. Maar door de industrialisatie en urbanisatie begon de samenleving in snel tempo te veranderen.





Er ontstonden de eerste politieke partijen. Zij grepen terug op 3 belangrijke ideologische, politieke stromingen: het liberalisme, het confessionalisme en het socialisme.

Onder een ideologie verstaan we: een samenhangend geheel van ideeën over de mens en de gewenste inrichting van de samenleving. Ideologieën hebben duidelijke standpunten over:

- Normen en waarden: Het gaat dan vooral over de grenzen van individuele vrijheid. Bijvoorbeeld: Mogen vrouwen zelf beslissen over abortus?

- De gewenste sociaaleconomische verhoudingen van de samenleving: Wat is een rechtvaardige verdeling van welvaart? Dit heeft eigenlijk alles met geld te maken: Is het eerlijk dat sommige mensen veel meer dan andere mensen verdienen? Hoe hoog moeten de uitkeringen zijn?

- De gewenste machtsverdeling in de samenleving: Moeten werknemers meer te zeggen hebben in hun bedrijf? Of is het beter dat de directie de besluiten neemt?



Progressief = vooruitstrevend, veranderingsgezind en gericht op de toekomst.. (gebreken samenleving en pleiten voor veranderingen)

Conservatief = Behoudend en gericht op heden en verleden:’houden wat je hebt.’ (benadrukken wat we al hebben bereikt)

Reactionair = Soms wordt er door conservatieven naar gestreefd om oude regels die inmiddels door moderne bepalingen zijn vervangen, terug te draaien (achteruitstrevend) (gulden invoeren).



Politiek

Links: 




  • Gelijkwaardigheid, gelijke kansen voor iedereen, eerlijke verdeling van inkomen, kennis en macht

  • Overheid moet daarom actief de zwakkeren beschermen, studiefinanciering, goede uitkeringen

  • Benadrukt de rol van de overheid op sociaal-economisch terrein

  • Sturende overheid om sociale gelijkheid tot stand te brengen

  • PvdA, SP, Groenlinks. 

     



Politiek midden:




  • Het benadrukken van de gezamenlijke verantwoordelijkheid van burgers en overheid

  • Gespreide verantwoordelijkheid;

  • Zorgzame samenleving;

  • Benadrukt de verantwoordelijkheid van burgers voor elkaar;

  • Aanvullende rol van de overheid ter ondersteuning van particuliere organisaties

  • CDA, D66.



Rechts:




  • Nadruk op vrijheid en verantwoordelijkheid

  • Eigen zaken regelen

  • Overheid stelt zich passief op en treedt alleen op wanneer het echt nodig is.

  • Persoonlijke vrijheid;

  • Economische vrijheid;

  • Benadrukt de belangen van het individu en het bedrijfsleven;

  • Terughoudende overheid die orde en gezag handhaaft;

  • VVD, PVV.





















Liberalisme



Volgens het liberalisme is de samenleving er het meest bij gebaat als ieder individu zich zo optimaal mogelijk kan ontplooien: wat goed is voor het individu, is goed voor de maatschappij. Mensen zijn niet gelijk maar wel gelijkwaardig. Zij moeten elkaars opvattingen respecteren. Vrijheid, individuele verantwoordelijkheid en tolerantie!



Deze ontstond eind 18e eeuw. Liberalen kwamen in opstand tegen de autocratie van vorsten in de meeste Europese landen. Ze kregen aanhangers van de opkomende ‘gegoede burgerij’ :mensen die hun geld verdienen in de handel en industrie. Zij wilden meer politieke macht met als ideaal persoonlijke en economische vrijheid. In de 19e eeuw kregen de liberalen steeds meer politieke macht en werden geleidelijk conservatiever.



Nu vinden de liberalen vrijheid belangrijk. Volgens hen is een vrijemarkteconomie het beste voor het land. De overheid moet zich beperken tot kerntaken als defensie, onderwijs en de bescherming van de rechtstaat en de klassieke grondrechten. VVD is de grootste liberale partij. (D66)





Socialisme



Het socialisme gaat ervan uit dat de mogelijkheden voor elk individu om zich te ontplooien ongelijk verdeeld zijn. Vrijheid en gelijkwaardigheid krijgen pas betekenis als mensen ook gelijke kansen hebben. Mensen moeten solidair met elkaar zijn: de sterkste schouders moeten de zwaarste lasten dragen. Het socialisme ontstond als reactie op de slechte werkomstandigheden van de arbeiders in de 19e eeuw. De socialisten verzetten zich tegen deze wantoestanden, die in hun ogen een gevolg waren van de vrijemarkteconomie, waar kapitalisten elkaar beconcurreerden door de lonen van de arbeiders steeds verder te verlagen. Het doel van de socialisten was een einde te maken aan de armoede en de ongelijkheid. Over de vraag hoe ze het doel van gelijkheid het beste konden bereiken raakten de socialisten verdeeld:




  • Communisten: wilden dat de arbeiders door een revolutie alle macht zouden overnemen. (rusland, China, Cuba)

  • Sociaaldemocraten: wilden maatschappelijke verbeteringen bereiken langs parlementaire weg.

  • zijn de sociaaldemocraten niet tegen de vrijemarktseconomie, maar vinden nog steeds dat kennis, inkomen en macht eerlijker verdeeld moeten worden.



(PvdA, SP, Groenlinks)





Confessionalisme



Deze mensen baseren hun politieke opvattingen op hun geloofsovertuiging. Hier gaat men uit van een organische staatsopvatting: de samenleving is vergelijkbaar met een menselijk lichaam waarin alle onderdelen van elkaar afhankelijk zijn en ook alleen in onderlinge samenhang kunnen functioneren. Uitgangspunt is dat God een bedoeling met de wereld heeft en dat de mens zich daarnaar moet richten.

 



Nu streven ze naar een samenleving waarin rentmeesterschap, solidariteitheid, harmonie en gespreide verantwoordelijkheid belangrijke waarden zijn.

Rentmeesterschap: Men heeft de plicht om goed voor de aarde te zorgen (door god gegeven).

Solidariteit: Naastenliefde, mensen moeten zorgen voor de kwetsbaren in de samenleving.

Gespreide verantwoordelijkheid: Zorgzame samenleving, mensen zijn verantwoordelijk voor elkaar.



De overheid heeft slechts een aanvullende rol en moet zo veel mogelijk overlaten aan het maatschappelijk middenveld.



(CDA, ChristenUnie, SGP)





Er bestaan ook nog 2 andere kleinere stromingen:

- Fascisme: Gaat uit van de ongelijkheid van de mens (tijd van Hitler).(zie vorige blad)

 



Populisme



Probeert de stem van het volk te laten horen (Pim Fortuyn, Geert Wilders). Vox populi- de stem van het volk. Deze wil opkomen voor de eenvoudige burger die dat zelf niet kan en wiens belangen daardoor ondergeschikt blijven aan de belangen van grote bedrijven en bepaalde bevoorrechte groepen. Om de gewone burger te bereiken, heeft het populisme de neiging politieke kwesties te versimpelen en er daadkrachtige oplossingen voor aan te dragen. Populisten hebben hiernaast vaak zeer nationalistische standpunten. 







Sociaaldemocratie : gelijkwaardigheid à eerlijke verdeling van inkomen, kennis en macht, bescherming van de zwakkerenàbenadrukt de rol van de overheid op sociaaleconomisch terrein à sturende overheid om sociale gelijkheid tot stand te brengen





Christendemocratie: gespreide verantwoordelijkheid, zorgzame samenleving à benadrukt de verantwoordelijkheid van burgers voor elkaar à aanvullende rol van de overheid ter ondersteuning van particuliere organisaties





Liberalisme: persoonlijke vrijheid, economische vrijheid – benadrukt de belangen van het individu en het bedrijfsleven à terughoudende overheid die orde en gezag handhaaft





§3 Politieke partijen

Een politieke partij bestaat uit een groep mensen met dezelfde ideeën over een ideale samenleving. 

One-issuepartijen: Deze richten zich op één aspect van de samenleving (PVDD). 

Protestpartijen: Deze bestaan uit onvrede met de bestaande politiek (D66).



Politieke partijen zorgen voor:

- Integratie van ideeën: De opvattingen van veel mensen worden gebundeld tot één politiek programma. Door een gezamenlijke programma kan de partij lange tijd blijven bestaan.Bovenkant formulierOnderkant formulier

- Informatie: Via politieke partijen komen kiezers, ook buiten verkiezingstijd, verschillende standpunten te weten. Hierdoor worden ze gestimuleerd een eigen mening te vormen.

- Participatie: Door de vorige twee functies proberen politieke partijen burgers te interesseren om zelf actief aan de politiek deel te nemen.

- De selectie van kandidaten: De lijst van kandidaten voor verkiezingen. Bovenaan staat de lijsttrekker. Burgers kunnen zo door deze lijst makkelijker kiezen.





In de tweede helft van de vorige eeuw veranderde de maatschappij sterk. Mensen gingen kek en het geloof minder strikt nemen en de bevolking als geheel kreeg het een stuk beter: meer welvaart, minder zwaar werk en meer vrije tijd, goed onderwijs voor iedereen. Deze ontwikkelingen hadden flinke gevolgen voor het politieke landschap vooral voor (CDA, PvdA en VVD)




  • De daling van het aantal christenen leidde tot een flinke inkrimping van de achterban van het CDA.

  • Ook de PvdA zag een deel van zijn traditionele achterban verdwijnen. Directe aanleiding is verdwenen om op een sociaaldemocratische partij te stemmen. Nu komen ze op voor verdrukten en kansarmen.

  • VVD profiteerde juist van de omslag. Deze groeide uit door de individualisering





Verder ging een grote groep kiezers zweven. Zwevende kiezers laten de keuze voor een partij afhangen van het moment en vooral ook van de persoonlijkheid van de partijleiders.





SP = meest linkse partij en wil vooral armoede bestrijden. (rode kleur)



Groenlinks = een sociaaldemocratische partij met enkele liberale standpunten. De partij is voor duurzame energie en milieuvriendelijke samenleving. (licht groen kleur)



Partij voor de Dieren = de partij is een typische one-issuepartij. (oranje kleur)



PvdA = vindt dat er een eerlijke verdeling moet zijn van macht, kennis en inkomen. Deze behoort tot de sociaaldemocratische stroming. (roze kleur)



D66 = in 1966 opgericht uit protest tegen bestaande partijpolitiek. De partij is een links liberale partij met veel aandacht voor democratische besluitvorming en onderwijs. (groene kleur)



Christenunie = ontstaan in 2002 uit twee kleinere christelijke partijen en ziet zichzelf link van het CDA als christelijke, sociale partij met veel aandacht voor het gezin. (licht blauw kleur)



CDA = een christendemocratische partij uit het politieke midden die veel waarde hecht aan harmonie en onderlinge verbondenheid. (groene kleur)



VVD = rechts-liberale partij die benadrukt dat het goed voor een samenleving is als het individu zich zo goed mogelijk kan ontpooien. (paarse kleur)



SGP = kleine, rechtse partij en heeft conservatieve standpunten. De partij vindt dat Bijbelse waarden en normen goed zijn voor iedereen.  (paarse kleur)



PVV = opgericht in 2006 door Geert Wilders. De PVV heeft populistische en nationalistische standpunten. (blauw/paars kleur)





§4: Verkiezingen

Alle Nederlandse staatsburgers van 18 jaar of ouder hebben zowel actief kiesrecht als passief kiesrecht.



Actief kiesrecht: Het recht om te kiezen 

Passief kiesrecht: Het recht om gekozen te worden.

Wettelijk is vastgesteld dat stemmingen geheim zijn. We kiezen vertegenwoordigers op verschillende niveaus: het Rijk (2e kamer), de provincie (Provinciale Staten), de gemeente (gemeenteraad) en de waterschappen, die zorgen voor de waterhuishouding. Daarnaast zijn er verkiezingen voor het Europees Parlement.



Partij opstellen (om grappen te voorkomen) moet elke partij:




  • Zich op tijd registreren bij de Kiesraad

  • In elke kieskring een kandidatenlijst en dertig steunbetuigingen inleveren

  • Een borgsom van 11250 euro betalen





Het Nederlandse kiesstelsel is gebaseerd op evenredige vertegenwoordiging. Alle uigebrachte stemmen worden verdeeld over het beschikbare aantal zetels. 3 procent van aantal stemmen is ook 3 zetels. Kiesdeler: de hoeveelheid stemmen die je nodig hebt om 1 zetel te krijgen.





Aan evenredige vertegenwoordiging zitten voor en nadelen. Voordeel is dat iedere stem even zwaar meetelt bij de verdeling van de zetels. Daardoor worden ook kleinere partijen in de 2e kamer gekozen en zijn er altijd veel meningen te horen. Nadeel is dat al die partijen spreektijd hebben in de 2e kamer, waardoor debatten soms lang duren en onoverzichtelijk zijn. Ook kan het met veel partijen lastig zijn een nieuw kabinet te vormen.



Kiesdrempel: een partij moet een minimumpercentage stemmen halen om mee te kunnen delen in de zetels. (Duistland)





Districten –of meerderheidsstelsel: Hierbij wordt het land verdeeld in een aantal districten (VS en Engeland).Per district is er 1 afgevaardigde in het parlement. De kandidaat die in een bepaald district de meerderheid van de stemmen haalt, wordt afgevaardigd voor het landelijk parlement. 



Voordeel: de kiezers kennen vaak de kandidaten beter omdat die uit de eigen regio komen.



Nadeel: dat een afgevaardigde misschien te veel denkt aan de belangen van zijn district en te weinig aan het algemeen belang. Daarnaast gaan de stemmen die in een district op een verliezer worden uitgebracht verloren. Het kan daardoor gebeuren dat de partij landelijk de meeste stemmen behaalt, niet de meeste zetels krijgt.





Ruim voor de verkiezingen stellen de partijen een campagneteam samen van prominente partijleden onder leiding van de lijsttrekker, vaak geholpen door een zogenoemde spindoctor = communicatiedeskundige die de partij en de lijsttrekker adviseert. Samen bepalen ze de verkiezingsstrategie.





Dagelijks verschijnen er opiniepeilingen die niet alleen de mening van de kiezers peilen maar die volgens sommige politicologen ook de uitslag beïnvloeden. Tv-en internetdemocratie.





Als we gaan stemmen, spelen bij onze keuze voor een partij de volgende punten een rol:




  • De standpunten van de partij.

  • Je eigen belangen

  • De kans dat de partij een cruciale rol kan spelen bij de vorming van een kabinet. Je stemt dan strategisch.

  • De aantrekkingskracht van de lijsttrekker.





Als je naar de stembus gaat kies je voor een partij, maar je stemt op een persoon. Kandidaten die laag op de lijst staan, kunnen met veel voorkeursstemmen toch in de 2e kamer komen. Het feit dat je altijd op een persoon stemt, betekent ook dat een volksvertegenwoordiging bij een conflict met zijn of haar partij nooit uit de 2 kamer gezet kan worden.





Meteen de dag na de 2e Kamerverkiezingen begint de formatie van een nieuw kabinet, dat uit ministers en staatssecretarissen bestaat. Als de meerderheid van het parlement over een (groot) aantal zaken fundamenteel anders zou denken dan het kabinet, halen veel wetsvoorstellen de eindstreep niet en wordt het land onbestuurdbaar.





In landen met een districtenstelsel is er vaak 1 partij die de meerderheid in het parlement heeft. Een coalitie is een combinatie van verschillende partijen die samenwerken op bestuurlijk niveau.





Meteen na de verkiezingen begint de vorming van een nieuw kabinet. Informateur onderzoekt welke partijen samen een kabinet willen vormen. Regeerakkoord.



Als de informateur klaar is, vormt een formateur daadwerkelijk het kabinet van ministers en staatssecretarissen. Bij de verdeling van de overige posten wordt gekeken naar het aantal zetels en de voorkeuren van de partijen en de zwaarte van de functie. Minister heeft meer macht dan de staatssecretarissen. Aan het eind benoemt de koning(in) de ministers en staatssecretarissen.





Het regeerakkoord vormt het raamwerk voor het beleid dat het kabinet wil gaan voeren. Dit regeerakkoord wordt elk jaar bijgesteld en aangevuld in de troonrede. De koning leest de troonrede voor aan het begin van het parlementaire jaar in de Ridderzaal, tijdens een speciale gezamenlijke zitting van de Staten Generaal (1e en 2e Kamer). Dit gebeurt op Prinsjesdag, derde dinsdag in september. Op dezelfde dag biedt de minister van Financiën de miljoenennota aan de 2e Kamer. Hierin zijn de plannen concreet gemaakt en wordt aangegeven hoeveel geld ervoor beschikbaar is. Dit is een samenvatting van de rijksbegroting. Daarna vindt er een debat plaats tijden de Algemene Beschouwingen. Uiteindelijk stemt de Kamer over alle voorstellen.





De miljoenennota is gebaseerd op een aantal veronderstellingen. Als die aannames anders uitpakken worden de plannen bijgesteld. De eerste bijstelling vindt meestal plaats in de voorjaarsnota, waarin de regering verantwoording aflegt over het beleid dat in de miljoenennota is toegezegd. Deze vindt plaats op de derde woensdag in mei en wordt ook wel gehaktdag genoemd.





Een kabinet regeert in principe 4 jaar, tot er na nieuwe verkiezingen een nieuw kabinet wordt gevormd. Een kabinet kan om verschillende redenen vallen:




  • De ministers worden het niet eens over een of meer kwesties en de regeringspartijen besluiten daarom gezamenlijk dat het niet verder gaat.

  • Een meerderheid in de 2e kamer verwerpt het beleid van het kabinet en de ministers zijn bereid hun beleid te wijzigen.





Als de 2e Kamer het beleid van 1 minister afkeurt in een motie van afkeuring of een motie van wantrouwen, kan alleen die minister aftreden en het kabinet doorregeren. Die minister wordt uiteraard vervangen.



Biedt het hele kabinet zijn ontslag aan, dan komen er vervroegde verkiezingen en blijven de oude ministers in functie totdat er een nieuw kabinet is gevormd. = demissionair kabinet, geen eigen missie meer en alleen lopende zaken afhandelen.





§5: Regering en parlement

Kabinet = ministers en staatssecretarissen.



Regering: Deze heeft het dagelijks bestuur in handen (ministers en koningin).





Regering is verantwoordelijk voor het dagelijkse bestuur van ons land. De koning(in) bemoeit zich niet actief met het beleid, maar wordt wel wekelijks door de minister-president op de hoogte gehouden. Ieder heeft beleidsvoornemens (onderwijs, justitie)

 



Ministerraad: Gezamenlijke vergadering van de ministers.



Het kabinet is verantwoording schuldig aan de volksvertegenwoordigers.

Voor onderdelen van het takenpakket van een minister kunnen staatssecretarissen worden aangesteld. De koningin is onschendbaar, maar ministers en staatssecretarissen kunnen op het matje worden geroepen.

Ambtenaren werken voor een ministerie of departement waar een minister de leiding heeft. Ambtenaren bereiden wetsvoorstellen voor en geven adviezen. Een minister zonder ministerie wordt een minister zonder portefeuille genoemd.



Sinds 1814 staatshoofd, Koning Willem 1, Prins van OranjeNassau. Naast ceremoniële taken (lintjes knippen) heeft de koning(in) ook politieke taken:

- Het ondertekenen van alle wetten;

- Het voorlezen van de troonrede op Prinsjesdag;

- Het benoemen van ministers en (in)formateurs;

- Het regelmatig overleg voeren met de minister-president over het kabinetsbeleid.



De koningin is niet verantwoordelijk voor de inhoud van de wetten, ook niet voor de troonrede. In de troonrede wordt terug –en vooruitgeblikt. De ministers bepalen de tekst. Staatsrechtelijk valt de troonrede dus onder de ministeriële verantwoordelijkheid.

 



De koning(in) kan nooit ter verantwoording worden geroepen: niet voor het beleid van de regering, niet voor de ceremoniële toespraken en gedragingen en zelfs niet voor persoonlijke uitspraken. De koning is onschendbaar, de ministers verantwoordelijk.





Het parlement bestaat uit de 2e en 1e Kamer. Samen heten ze de Staten- Generaal. De 2e Kamer is belangrijker omdat de leden ervan rechtstreeks worden gekozen en ook meer bevoegdheden hebben dan de leden van de 1e kamer.





De grote lijnen van het regeringsbeleid liggen vast in het regeerakkoord. Deze beleidslijnen worden door ambtenaren uitgewerkt in wetsvoorstellen. Een wetsvoorstel gaat altijd eerst voor advies naar de Raad van State.



De Tweede Kamer telt 150 leden en hebben een fulltime baan aan hun lidmaatschap, deze hebben twee taken:

- Ze zijn medewetgever: samen met de regering wetten maken en die goedkeuren



- de regering controleren.





Medewetgeving, een aantal rechten om de taak te kunnen vervullen

• Stemrecht: De Tweede kamer kan wetsvoorstellen van de regering verwerpen of aannemen.

• Recht van amendement: De Tweede Kamer kan ook wijzigingen in een wetsvoorstel aanbrengen.

• Recht van initiatief: De Tweede Kamer mag ook wetsvoorstellen indienen.

• Budgetrecht: De Tweede Kamer heeft het recht in en tussen de verschillende begrotingsposten te schuiven. De 2e kamer heeft het recht om de begroting goed te keuren of te verwerpen of er wijzigingen in aan te brengen.

 



Beleid ministers controleren zijn er de volgende rechten

• Recht van motie: In een motie doet de Tweede Kamer een uitspraak. Je hebt motie van treurnis, afkeuring en wantrouwen (ministers treedt af)

• Vragenrecht: De Tweede Kamer heeft het recht om vragen te stellen aan de regering. Dinsdag is er ook het vragenuurtje.

• Recht van interpellatie: Als een Kamerlid op korte termijn een specifiek onderwerp wil bespreken kan hij een interpellatie of spoeddebat aanvragen die genoodzaakt is te bespreken.

• Recht van enquête: Dit geeft de Tweede Kamer de mogelijkheid zelfstandig een onderzoek in te stellen als zij naar haar mening niet voldoende informatie krijgt of heeft gekregen. Zo kan er naar de rol van regering en overheid gekeken worden.



Senaat = Eerste Kamer. Deze telt 75 leden. Dit is in tegenstelling tot de Tweede Kamer een deeltijdfunctie. Ze vergaderen eenmaal per week. Hun deskundigheid op dat werkgebied is vaak de reden waarom zij op de kandidatenlijst zijn geplaatst. De worden niet rechtstreeks door het volk gekozen, maar indirect, door de leden van de Provinciale Staten. De taak van de Eerste Kamer is veel beperkter omdat ze alleen in zijn geheel wetsvoorstellen mogen aannemen en verwerpen. De senaat heeft geen recht van initiatief en amendement. De senaat moet wetsvoorstellen toetsen aan staatrechtelijke normen en regels van behoorlijke wetgeving. De 1e kamer doet eigenlijk laatste controle. De Eerste Kamer heeft wel het recht om schriftelijke vragen te stellen, het recht van interpellatie en het recht van enquête.





Hoe komt een wet tot stand: initiatief à ontwerp à advisering door de Raad van State à behandeling door de 2e Kamer à behandeling door de 1e Kamer à ondertekening à publicatie in het Staatsblad



soms neemt de regering besluiten zonder dat de 2e kamer en 1e kamer zich erover uitspreken. Dit is het geval bij Koninklijke besluiten en bij zogenaamde algemene maatregel van bestuur.





De 1e kamer en 2e kamer controleren de ministers dus kunnen ministers niet tegelijkertijd lid zijn van het parlement.





Dualisme: duidelijke taakverdeling tussen regering en parlement die voortbloeit uit het principe trias politica. Wetgevende macht – zowel ministers en het parlement, uitvoerende macht – ministers en rechterlijke macht – onafhankelijke rechters.

 



De taakverdeling tussen wetgevende en uitvoerende macht is voor alle bestuurslagen dezelfde. Wetgevende macht stelt wetten en regels vast, de uitvoerende macht voert ze uit.





Kenmerkend voor de Nederlandse politiek is de bereidheid tot overleg en het sluiten van compromissen. Dit wordt ook wel het poldermodel genoemd. De naam vindt zijn oorsprong in het Akkoord van Wassenaar, dat in 1982 gesloten werd tussen werkgevers –en werknemersorganisaties. Toen gingen werkgevers akkoord met minder werktijd en minder loon. Ieder leverde wat in en kreeg er wat voor terug en dat is polderen.



 



Hoofdstuk 6



Fase 1 invoer of input: de samenleving brengt allerlei eisen en wensen naar voren. Vaak een spoeddebat. Voordeel is dat de minister meestal meteen van zo’n spoeddebat dat er meteen maatregelen worden aangekondigd. Samen met de massamedia en pressiegroepen worden politieke partijen ook wel de poortwachter van de democratie genoemd, omdat zij de mogelijkheid hebben wensen uit de samenleving te vertalen in concrete politieke eisen.



Fase 2:  omzetting: bestuurders maken de vertaalslag naar beleid. Ambtenaren onderzoeken het onderwerp en schrijven een advies: beleidsvoorbereiding. Samen met zijn ambtenaren kiest de minister daarna hoe hij de kwestie gaat verwerken tot een concrete maatregel of wetsvoorstel. In deze fase van de beleidsbepaling bespreekt de minister zijn plannen in het parlement , waar er nog van alles aan gewijzigd en aangepast wordt. Daarna stemmen beide Kamers over. In deze fase wordt ook gekeken naar de eventuele gevolgen van maatregelen.



Fase 3: uitvoer: tijdens deze beleidsuitvoering blijft de minister eindverantwoordelijk



Fase 4: terugkoppeling: feedback kunnen politici afleiden of het beleid het gewenst effect heeft gehad.



Politieke besluitvorming komt tot stand via een wisselwerking tussen politici en allerlei individuen, groepen en instanties in de samenleving.

alle individuele burgers, groepen, bestuursorganen en instanties die betrokken zijn bij het politieke besluitvormingsproces noemen we politieke en maatschappelijke actoren.



In een goed functionerende democratie is de wisselwerking tussen deze actoren van cruciaal belang. We noemen dit het politieke debat. Niet alleen de belangen worden afgewogen maar ook oplossingen bedacht die aan de belangen van zo veel mogelijk mensen recht doen.



De ambtenaren die bestuurders bijstaan, houden zich bezig met beleidsvoorbereiding. Onder beleid verstaan we de bewuste inzet van middelen om een beoogd doel te realiseren. Beleidsambtenaren hebben veel invloed. Vanwege hun invloed worden ze ook wel de vierde macht genoemd.



De regering kan ook een beroep doen op adviesorganen. We noemen de belangrijkste




  • Raad van State. Zelden bij vergaderingen aanwezig. De vice voorzitter vervult de rol van de voorzitter. De leden zijn juristen en oud-politici.  Ze worden benoemd door de regering. De Raad van State beoordeelt alle wetsvoorstellen, voorstellen tot Algemene Maatregelen van Bestuur en voorstellen tot goedkeuring van verdragen. Daarnaast heeft het als hoogste rechtscollege een belangrijke functie in het bestuursrecht.

  • Sociaal economische Raad. De SER telt 33 leden, 11 afkomstig uit werknemersorganisaties, 11 uit werkgeversorganisaties. De overige zijn onafhankelijke deskundigen die door de regering worden benoemd, de ‘Kroonleden’ . De SER adviseert de regering over de hoofdlijnen van het sociaaleconomische beleid.

  • Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR. Min 5 en max 11 leden. Allen wetenschappers uit verschillende takken van de wetenschap die door de regering worden benoemd. Hun taak is om toekomstige ontwikkelingen te beschrijven die belangrijk zijn om in de gaten te houden voor beleid op lange termijn.

  • Centraap plan bureau. Het CPB is een onderzoekinstituut dat analyses makt van het economisch beleid van de regering, zodat dit eventueel kan worden bijgestuurd. Het is een onderdeel van het Ministerie van Economische Zaken, maar functioneert ook als onafhankelijk adviesorgaan.





Je kunt gemeenteraadsleden rechtstreeks benaderen, het woord voeren op een gemeenteraadsvergadering, deelnemen aan inspraakprocedures, een stukje schrijven in de plaatselijke krant en gebruikmaken van wettelijke bezwaar- en beroepsprocedures. Ook een 2e kamerlid kun je een e-mail sturen of opbellen. Betrekkelijk nieuw is de mogelijkheid van het burgerinitiatief. Dit is een (wets) voorstel van een individuele burger, dat onder bepaalde voorwaarden in de 2e Kamer moet worden besproken.



Pressiegroepen zijn groepen die druk uitoefenen op politici om ze voor hun standpunten te winnen. Een manier om dit te doen is lobbyen, via persoonlijk contact proberen steun te krijgen voor je standpunten en belangen. Je moet wel veel politici kennen. Een andere manier is actievoeren, demonstreren of boycot organiseren. Er zijn 2 soorten pressiegroepen:




  • Belangenorganisaties: komen op voor belangen van een bepaalde groep uit de samenleving. (vakbond en werkgeversorganisatie)= sociale partners

  • Actieorganisaties : zetten zich voor 1 bepaald thema of onderwerp. (Amnesty international, Greenpeace)



De media vervullen in onze samenleving 5 politieke functies:




  1. Een informatieve functie: kranten, internet.

  2. Een onderzoekende of agendafunctie: media signaleren en analyseren problemen in de samenleving die vervolgens op de politieke agenda komen.

  3. Een commentaarfunctie: de media geven voortdurend commentaar op politieke kwesties via analyses en commentaren

  4. Een spreekbuisfuncitie: de media geven politici, actiegroepen en burgers ruimte om hun zegje te doen. een controlerende functie: de media volgen ministers kritisch. Zij worden daarbij geholpen door de Wet openbaarheid van Bestuur. Deze et verplicht de overheid om alle info openbaar te maken.



Vrije media zijn een basisvoorwaarde voor een goed functionerende democratie. Pluriformiteit- voldoende keuze tussen kranten, websites en zo. De overheid stimuleerd zo de pluriformiteit. (soms geld nodig).



Omgevingsfactoren spelen een rol om een politieke besluitvorming : factoren die niet direct onderdeel van het probleem vormen, maar wel de besluitvorming beïnvloeden.

de belangrijkste omgevingsfactoren zijn:




  • Demografische factoren (samenstelling van de bevolkingsopbouw), vergrijzing AOW

  • Ecologische factoren, de wisselwerking tussen de mens en milieu, luchtvaart

  • Culturele factoren, geschiedenis van het land en de daaraan gekoppelde waarden, normen en gewoonten, drugverbod

  • Economische factoren, mate van economische groei en werkgelegenheid.

  • Technologische factoren: ontwikkelingen op het gebied van communicatie.

  • Sociale factoren, verdeling van maatschappelijke klassen.

  • Internationale factoren: uitbreiding van EU-wetten.



Hoofdstuk 7



Er zijn in Nederland drie bestuurslagen van politieke besluitvorming:




  • Het Rijk

  • De provincie

  • De gemeente



De rijksoverheid stelt in grote lijnen het beleid van ons land vast, maar niet alles kan en hoeft in Den Haag beslist te worden. subsidiariteitsbeginsel.



Decentraal wat kan en centraal wat moet. Reden om te delegeren:




  • Elke provincie en/of gemeente heeft haar eigen specifieke problemen die soms lastig te vergelijken zijn en die daarom het beste lokaal kunnen worden aangepakt.

  • Op deze manier hebben de inwoners van de verschillende provincies en gemeenten meer mogelijkheden om hun democratische rechten in praktijk te brengen. Het lost in veel gevallen het democratische dilemma op van de vraag op welke manier de effectiviteit van politieke besluitvorming enerzijds en het debat daarover anderzijds het beste gewaarborgd zijn.



De belangrijkste taken van de provincie liggen op de terreinen ruimtelijke ordening en milieu. Elke vier jaar zijn er verkiezingen voor de Provinciale Staten. De gedeputeerden worden voorgedragen door de partijen in de Provinciale Staten die samen een coalitie hebben gevormd. Voorzitter van zowel Gedeputeerde Staten als Provinciale Staten is de commissaris van de koning(in). hij of zij wordt niet gekozen maar benoemd.



De bestuurslaag die het dichtst bij de burger staat, is de gemeente. Het is verantwoordelijk voor een ordelijk verloop van het openbare leven in een gemeente. Daarnaast hebben gemeenten in het kader van het decentralisatie veel nieuwe taken gekregen. Verder vult de gemeente de provinciale structuurvisie gedetailleerd in dmv bestemmingsplannen.



De gemeenteraad neemt de belangrijkst besluiten in de gemeente. Raadsleden worden , net als de Provinciale Staten en de 2e Kamer, elke 4 jaar rechtstreeks gekozen. Aan de gemeenteraadsverkiezingen mogen ook mensen meedoen die niet de Nederlandse nationaliteit hebben, mits ze min 5 jaar in NL wonen. Het dagelijkse bestuur van de gemeenten is in handen van het college van burgemeester en wethouders, afgekort B en W. het college heeft vooral een uitvoerende taak. Hier geldt dualisme: de gemeenteraad controleert het college van B e W. wethouders zijn dus geen lid van de gemeenteraad. De burgemeester wordt voor 6 jaar benoemd.



De samenvoeging van gemeenten heeft als doel om enerzijds de gemeentelijke kosten te verlagen en anderzijds de bestuurskracht ban gemeenten te vergroten. Omdat gemeenten zich steeds vaker moeten verantwoorden voor hun prestaties is goede service van groot belang. Ook publiciteit speelt daarbij een rol.



Kernzijde van de gemeentelijke herindeling is de groeiende kloof tussen burgers en bestuur.



Hoewel provincies en gemeenten dus een zekere bestuurlijke autonomie hebben, zijn zij tegelijkertijd op allerlei gebieden met handen en voeten gevonden aan wat in Den Haag wordt beslist.



Machtskwesties.



Hoofdstuk 9



Landen als Egypte, Arabië, Libië – er heersen van oudsher autoritaire politieke verhoudingen met veel macht voor militairen, er is veel corruptie en de bestaande etnische en religieuze groepen leven vaak op gespannen voet met elkaar.



Wat zijn de randvoorwaarden zodat een democratie goed kan functioneren?




  1. Er is voldoende participatie van burgers



Onverschilligheid en apathie ten opzichte van de politiek zijn dodelijk  voor een democratie. De participatie si ook af te lezen aan de actieve deelname van mensen in politieke partijen en pressiegroepen.




  1. De grondrechten worden gerespecteerd



Persvrijheid en vrijheid van meningsuiting zijn essentieel voor een democratie. Tegelijkertijd wordt de vrije meningsuiting begrensd door het onderlinge respect tussen bevolkingsgroepen en het grondwettelijke discriminatieverbod




  1. Er is een minimum aan sociale cohesie



Sociale, etnische, religieuze of andere tegenstellingen kunnen in een samenleving leiden tot politieke instabiliteit, waarbij in het uiterst geval een democratie door onlusten en opstanden in gevaar kan komen.




  1. De macht van de politici heeft voldoende legitimiteit



Politieke besluiten moeten voldoende effectief zijn en burgers moeten zich er in kunnen herkennen. Als dat onvoldoende is – dreigt er een kloof tussen bevolking en politiek.



Representatie (vertegenwoordiging). Politici maken dikwijls hun eigen afwegingen bij beslissingen maar als we ons als burgers niet meer herkennen in overheidsmaatregelen, komt de representativiteit in gevaar. Ze zijn niet meer representatief voor de meerderheid van de volk.



Naast deze kloof tussen burgers en politiek nemen Kamerleden ook regelmatig opvattingen over van de bevolking.



Liberalen vinden dat gekozen vertegenwoordigers slechts een globale opdracht van de kiezers hebben met veel speelruimte om zelf argumenten af te wegen. (VVD)

sociaaldemocraten vinden juist een sterke band tussen kiezers en door hen gekozen politici belangrijk. Politici moeten kiezen voor representativiteit en de opdracht van hun kiezers zo nauwgezet mogelijk uitvoeren. (SP, PvdA)

 



Tegenwoordig zitten er in de gemeenteraden en in de 1e en 2e kamer vooral hoopopgeleiden. Bovendien komen ze meestal niet uit de commerciële sector, terwijl de meeste Nederlanders juist daar hun brood verdienen.

in het verlengde hiervan voelen hoogopgeleiden in de bevolking zich meer vertegenwoordigd door politici dan laagopgeleiden, die politici vaker als zakkenvullers beschouwen



Monistisch of dualistisch stelsel




  • In een monistisch politiek stelsel zijn de wetgevende en de uitvoerende macht nauw met elkaar verweven.  Geen duidelijke scheiding tussen uitvoerende en wetgevende macht

  • In een dualistisch stelsel: de regering maakt deel uit van het parlement. Taken en bevoegdheden zijn strikt gescheiden: de president en zijn ministers hebben de uitvoerende macht ; de wetgevende macht is in handen van het Congres.



NL heeft dualistisch staatsrechtelijk maar in praktijk werkt het vaak monistisch, omdat regeringspartijen in het parlement vrijwel altijd automatisch instemmen met het kabinetsbeleid.



Regeringspartijen wijzen ter verdediging op afspraken in het regeerakkoord. Oppositiepartijen vinden dat ze hierdoor weinig kans hebben in een open debat andere partijen te overtuigen.



Voorstanders van de redenatie van Plato zeggen dat meer inspraak ten koste gaat van de effectiviteit van de besluitsvorming. Zij voeren aan dat burgers vooral aan hun eigenbelang denken en op de korte termijn zijn gericht,. Ook hebben ze onvoldoende kennis en inzicht om goed te oordelen in politieke kwesties.  Ze zullen dus vaak de verkeerde besluiten nemen.



Voorstanders van meer participatie erkennen dat de uitvoering van politieke besluiten inderdaad thuishoort bij mensen die daar technische kennis en bestuurlijke kwaliteiten voor hebben maar ze vinden dat bij de besluitvorming die eraan voorafgaat, burgers wel degelijk kunnen meedenken en zelfs stemmen.



Tunnelvisie: politici negeert kritische geluiden uit de samenleving simpelweg



Participatie bevorderen:




  • Referendum organiseren

  • Voorstel om, naast de 2e kamer  en de gemeenteraad, ook minister-president en de burgemeesters rechtstreeks te kiezen. 


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.