ADVERTENTIE
Schoolexamens

Wist je dat je de boeken Examenbundel, Examenidioom, Zeker Slagen! en Samengevat ook heel goed kunt gebruiken bij het voorbereiden voor je schoolexamens?! Ze zijn momenteel in de aanbieding bij o.a. Bol.com.

Nu bestellen

Hoofdstuk 1:

Werk: elke lichamelijke of geestelijke inspanning die wordt verricht met de bedoeling iets tot stand te brengen beperkt tot betaalde arbeid.

Onbetaalde arbeid: huisman/huisvrouw, vrijwilligerswerk.

Arbeid: alle bezigheden die economisch nut opleveren voor de gene die haar verricht, voor zijn of haar naaste omgeving, en/of voor de samenleving als geheel

Functie: ieder objectief waarneembaar effect of gevolg van menselijke activiteiten, het zij met betrekking tot de eigen groep, of met betrekking op de samenleving als geheel.

Materiële functie van werk:



- inkomen

- kunnen voorzien in eigen levensonderhoud

- gevoel van onafhankelijkheid

- creëren van tijdsstructuur

Immateriële functie van werk:

- mogelijkheid tot verdere zelfontplooiing

- ontwikkelen van zelfrespect

- opdoen van sociale contacten

- verkrijgen van maatschappelijk aanzien (sociale status = acceptatie/ waardering van de samenleving)

factoren voor maatschappelijke waardering:

- onderscheid in hoofd- en handenarbeid

- verantwoordelijkheid die het werk vereist

- afwisseling die het werk biedt

- de mogelijkheden tot ontplooiing



- de mogelijkheden tot het opdoen van sociale contacten

- inkomen

- de macht die ze krijgen door de baan die wordt uitgeoefend

- sociale positie

- wet van vraag en aanbod

- traditie

beleving van eigen arbeid:

- primaire- (loon, arbeidstijd)/ secundaire arbeidsvoorwaarden(extra’s)

- arbeidsinhoud (vervreemding = het product wordt tegenwoordig niet meer volledig door 1 persoon gemaakt dus is de waardering voor het product minder, nauwelijks persoonlijk betrokken bij hun eigen werk)

- arbeidsverhoudingen

- arbeidsomstandigheden (fysieke en psychische eisen, mate van autonomie, verantwoordelijkheid, bewegingsvrijheid en afwisseling)

- arbeidsorganisatie



Hoofdstuk 2.

Plato had een afkeer van werk, werken was bedoeld voor slaven en vreemdelingen. Aristoteles vond dat arbeid de mens verlaagde, want de belangrijkste deugd was vrijheid. In het Griekse denken werd een link gelegd tussen niet werken en vrijheid, dus niet hoeven werken. Voor de Grieken was er weinig verschil tussen een ambachtsman en een bedelaar. In de middeleeuwen was het net zo: mensen werkten niet meer dan nodig om in hun levensbehoeften te voorzien.

Loonarbeid: het verkopen van arbeid in ruil voor een loon.

Thomas van Aquino vond dat arbeid een vorm was van oefenen in gehoorzaamheid aan god en opbouwen van de christelijke samenleving. Luther vond dat wanneer je werkte, god meer behaagde dan wanneer je lui was. Calvijn beschouwde arbeid als een manier om god eer te bewijzen.

Thomas More: uitbuiting van lagere klassen moet ophouden. Voorloper van socialisme.

Vervreemding: Als een arbeider slechts een deel uitmaakt van het vervaardigen van een product, heeft hij er ook niets meer aan.

arbeidsethos = waardering van werk

3 opvattingen

- arbeid is een plicht (christelijke opvatting) wie wil eten moet werken

- arbeid kan geen plicht zijn

- door structurele werkloosheid kan arbeid geen plicht zijn – er is niet voldoende werk, hoe kan je het dan verplichten?

- Recht op basisinkomen, wie meer geld wil hebben, zal moeten gaan werken

- arbeid is een recht en de staat moet daar voor zorgen

- Iedereen moet de kans hebben zelf in zijn levensonderhoud te voorzien

- Als je vindt dat werken een plicht is, moet iedereen de kans hebben die plicht te vervullen

- Iedereen moet kunnen werken



Hoofdstuk 3.

Sociale partners: zij bepalen sociaal-economisch klimaat in ons land. Dat zijn:

- werknemers: georganiseerd en vertegenwoordigd door de vakbonden

- werkgevers: georganiseerd en vertegenwoordigd door de werkgeversorganisaties

- de overheid

Feodaal: adel en geestelijkheid zijn de baas.

Belangen werknemers:

- arbeidsvoorwaarden

- arbeidsverhoudingen

- arbeidsomstandigheden

- algemene belangen

In de tweede helft van de vorige eeuw ontstonden vakbondsorganisaties, bijv. in Amsterdam die werknemers verzekerden tegen een ongeval, ziekte en hulpbehoevendheid door ouderdom. Bij het ontstaan van de vakbonden speelde de verzuiling een grote rol. De bonden werkten samen in vakverenigingen met een duidelijke kleur, verwant aan politieke partijen.

Vakbond: een belangenorganisatie van werknemers in een bepaalde bedrijfstak of van werknemers met een bepaald beroep.

Bedrijfstak: alle ondernemingen die zich op eenzelfde wijze met eenzelfde product bezig houden.

Vakcentrale:een overkoepelende organisatie die probeert het beleid van de afzonderlijke aangesloten bonden te coördineren

Doordat de vakbonden steeds meer te maken krijgen met internationale bedrijven en multinationals, worden ze gedwongen zich internationaal te oriënteren en een vuist te vormen tegenover de werkgevers.

FNV = Federatie van Nederlandse Vakverenigingen/ Bouw- en houtbond

CNV= Christelijk nationaal vakverbond.

CAO= Collectieve Arbeidsovereenkomst

SER= Sociaal-economische Raad

Eigenschappen van vakbonden:

- collectieve belangenbehartiging

- behartigen belangen individuele leden

- maatschappijvisie ontwikkelen

Middelen van vakboden om doelen te realiseren:

- overleg en onderhandelingen

- de lobby

- gerechtelijke procedure

- prikactie

- staking

- bedrijfsbezetting

Centraal akkoord = verzameling afspraken die voor alle bedrijven in ons land zouden moeten gelden.

Harmonie denken: nadruk gelegd op de gemeenschappelijke belangen van werknemers en werkgevers.

Transactie denken: voor wat hoort wat

Conflict denken: er van uitgaan dat werkgevers en werknemers tegengestelde belangen hebben

Stiptheidacties: alles precies volgens de regels doen zodat vertragingen ontstaan

Prikacties: vooral bedoeld als waarschuwing (kortstondige stakingen)

Jurisprudentie: lagere rechters nemen uitspraken van hoge rechters als wet over.

De volgende factoren bepalen het succes bij behartigen van belangen van werknemers:

- functioneren van de vakbonden zelf:

- organisatiegraad

- arbeidsbereidheid

- eensgezindheid binnen de bonden

- politieke klimaat

- economische structuur

- economische conjunctuur

Ondernemingsraad: Gekozen vertegenwoordigers van de werknemers in een bedrijf. Zij mogen meebeslissen over o.a.:

-De overdracht van zeggenschap over de onderneming en het aangaan of verbreken van duurzame samenwerking met andere ondernemingen

-Belangrijke inkrimping, uitbreiding of wijzigingen in de werkzaamheden van een onderneming.

-Belangrijke wijziging in de organisatie van de onderneming, van de bevoegdheidsverdeling binnen de onderneming of de vestigingsplaats

-het doen van investeringen of het aantrekken van grote kredieten.



Hoofdstuk 4.

Vrijemarktprincipe: de staat bemoeit zich zo min mogelijk met de bedrijven.

Belangen werkgevers:

- continuering van het bedrijf (maken van winst)

- lage bedrijfskosten

- werkwillige, bekwame en geschoolde werknemers

- lage belastingen

- geringe concurrentie

Werkgeversorganisaties zijn belangenorganisaties. De organisatiegraad is hoog. De eerste werkgeversorganisaties ontstonden in het einde van de vorige eeuw als reactie op werknemersorganisaties.

VNO (vereniging van Nederlandse Ondernemingen)

NCW (Nederlands Christelijk Werkgeversbond)

MR: Medezeggenschapsraad

OR: Ondernemingsraad

Bestrijken samen de belangrijkste sectoren van de Nederlandse economie: industrie, delfstofwinning, export- en importhandel, vervoer, verbindingen en bank- en verzekeringswezen.

Instrumenten van werknemers om voor belangen op te komen:

- overleg en onderhandeling

- doen/ nalaten van investeringen

- ontslag

- vestigingsbeleid

- lobby

- gerechtelijke procedure

Kans op belangenbehartiging werkgevers:

- mate van organisatie en eensgezindheid van de werkgevers

- politieke klimaat

- economische structuur

- economische conjunctuur



Hoofdstuk 5.

Rollen van de overheid:

- werkgever

- regelgever en initiator van het economisch beleid

- overlegpartner tussen werkgevers en werknemers

Terreinen waarin overheid actief is:

- werkgelegenheidsbeleid

- arbeidsomstandigheden

- arbeidsvoorwaarden

- sociale wetgeving

- emancipatiebeleid

Openbaar bestuur: besturen van land, provincies en gemeenten

Werknemers bij de overheid: Ambtenaren

Overheid draagt zorg aan een aantal dingen:

- bestuur van land, provincies en gemeenten

- sociale voorzieningen, infrastructuur en onderwijs (dingen die beter niet aan particulieren kunnen worden overgelaten)

Trendvolgers: mensen die werken in organisaties die grotendeels door de overheid worden gesubsidieerd.

Overheid stelt zichzelf bepaalde doelen voor op sociaal-economisch gebied:

- verminderen van werkloosheid

- verbeteren concurrentiepositie van Ned. Bedrijfsleven

- verkleinen of vergroten van inkomensverschillen

- lage inflatie en duurzame ontwikkeling

Doordat de overheid betrokken is in drie verschillende rollen bij het sociaal-economisch proces levert dat soms problemen op.

Overheid moet zich wel met de werkgelegenheid bezighouden, maar hoeft niet iedereen van een baan te garanderen.

Maatregelen:

- bepaalde investeringen subsidiëren

- stimuleren van research

- aanleggen van nieuwe infrastructurele werken

- gunstige belastingsmaatregelen voor het bedrijfsleven en loonmatiging

- stimuleren van (om)scholing

ARBO wet (arbeidsomstandigheden wet) = werkgevers en werknemers worden verantwoordelijk gesteld voor veiligheid, gezondheid en welzijn in het bedrijf.

Democratisering: het streven naar een situatie waarin de zeggenschap over de productie en arbeidsomstandigheden zo gelijk mogelijk worden verdeeld onder de betrokkenen:

- de ondernemingsraad moet een overlegorgaan zijn

- de ondernemingsraad moet medeverantwoordelijk zijn voor het functioneren van de onderneming

Doordat de overheid de mogelijkheid heeft CAO’s bindend te verklaren voor hele bedrijfstakken, en door de mogelijkheid het afsluiten van Centrale Akkoorden te stimuleren, kan de overheid op de inhoud van de verschillende CAO’s grote invloed hebben.

Sociale zekerheidsstelsel: sociale verzekeringen (volksverzekering, werknemersverzekering)

en sociale voorzieningen

volksverzekeringen:

- AKW =algemene kinderbijslag wet

- AOW =algemene ouderdomswet

- NW =nabestaandenwet

- AWBZ =algemene wet bijzondere ziektekosten

Werknemersverzekeringen:

- ZW =ziektewet

- AAW =algemene arbeidsongeschiktheidswet

- WAO =wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering

Sociale voorzieningen worden niet betaald uit premies, maar uit belastingsgelden.

Jaarlijks wordt bepaald hoeveel geld er zal gaan naar bijvoorbeeld de bouw van nieuwe scholen, defensie, ontwikkelingshulp en sociale voorzieningen.

ABW (algemene bijstandswet) is belangrijkste sociale voorziening

Economische zelfstandigheid: het gegeven dat iemand niet meer afhankelijk is van het inkomen van de echtgenoot, waardoor ze/hij zichzelf financieel kan bedruipen.

Onder invloed van emancipatiebewegingen ging de overheid het ook tot haar taak rekenen om vrouwen meer kansen op de arbeidsmarkt te geven.



Hoofdstuk 6.

3 economische systemen: vrijemarkteconomie, centraal geleide planeconomie en gemengde economie.

*Vrijemarkteconomie, ookwel kapitalistische economie: overheid houdt zich zoveel mogelijk afzijdig van het economisch proces. Wet van vraag en aanbod bepaalt de prijs. De salarissen van zeldzame beroepen zijn heel hoog. De vrije markt corrigeert vaak de schaarste. Voordelen: -grote keuzevrijheid van producenten en consumenten

-weinig bureaucratie

-wanneer er volledige mededinging is, worden vraag en aanbod goed op elkaar afgestemd.

Nadelen: -nadelige gevolgen voor het milieu.

- de zwakkeren in de samenleving kunnen op de vrije markt hun behoeften moeilijker bevredigen

*Centraal geleide planeconomie: overheid heeft een grote rol, ook in het vaststellen van de prijs etc. De overheid bepaalt wie wat moet doen. De overheid bepaalt ook de salarissen.

Voordelen: -De overheid maakt plannen dus sociaal-economische ongelijkheid kan worden voorkomen

-Productie en consumptie kunnen rationeel op elkaar worden afgestemd.

-Werkloosheid kan effectiever worden bestreden

Nadelen: - Veel bureaucratie, want de overheid bemoeit zich overal mee

-De planners zullen erg machtig zijn, wie garandeert dat zij zichzelf niet bevoordelen?

*Gemengde economie: Een tussenvorm van de bovengenoemde. De productie van goederen geschiedt door particuliere bedrijven.

Voordelen: -hoewel er een vrije ondernemingsgewijze productie is, is er toch sociale zekerheid voor iedereen

-Er is geen centrale ideologie die voor iedereen moet gelden

Nadelen: -Hoge kosten

-De overheid speelt toch een grote rol> minder recht van initiatief.

Liberalisme: men gaat ervan uit dat de mens zichzelf zoveel mogelijk in vrijheid moet kunnen ontplooien.

Rationalistisch Individualisme: in het belang van het individu zelf, met rede te gebeuren.

*Liberalistische conclusies ten aanzien van de sociaal-economische politiek:

- markteconomie moet blijven bestaan, evenals het systeem van vrije ondernemingsgewijze productie

- concurrentie, zowel in productie als op de arbeidsmarkt

- de rol van de overheid moet zoveel mogelijk worden teruggedrongen

ideeën van de VVD:

- deregulering: overbodige regels moeten worden afgeschaft, ingewikkelde regels moeten eenvoudiger worden gemaakt

- decentralisatie van de centrale overheidstaken. De centrale overheid krijgt daardoor minder macht. De burger kan zijn zaken gemakkelijker regelen met een lagere overheid

- meer ruimte voor particulier initiatief. Deze ruimte kan onder meer verkregen worden door privatisering. De overheid hevelt dan taken over naar particuliere ondernemingen

*Ideeën van de sociaal-democraten zijn een moderne variant op de socialisten:

- duidelijk toenemende betekenis van de staat op het gebied van arbeidsrecht, sociale zekerheid en de economie

- uitbouwen van de verzorgingsstaat

- gemengde economie: + overheid moet ieder individu bestaanzekerheid en een redelijk levenspeil garanderen

+ in het economisch proces moeten zowel de overheid als de markt een belangrijke rol spelen

+ overheidsplannen dient de nadelen van de markteconomie op te heffen

PvdA uitgangspunten:

- spreiding van kennis, inkomen en macht (meer gelijkwaardigheid)

- meer planning op sociaal-economisch gebied

- selectieve groei (niet ongeremd produceren)

- democratisering

Christen-democratie gaat uit van gemengde economie.

Confessionelen gaan uit van christen-democratische economie

Subsidiariteitsbeginsel: zaken die door lagere organen kunnen worden geregeld moeten niet door hogere organen worden over genomen.

Uitgangspunten christen-democraten:

- gespreide verantwoordelijkheid

- rentmeesterschap

- gerechtigheid

- solidariteit

- georiënteerde markteconomie

Ecologie: de wetenschap die mens en dier in hun natuurlijke omgeving bestudeert en nagaat wat omgeving en levende wezens elkaar beïnvloeden.

Duurzame economie: een economie die er voor zorgt dat er geen wissel op de toekomst wordt getrokken.

Uitgangspunten: - de economie moet niet meer verder groeien om zo uitputten van de grondstoffenvoorraden te voorkomen en de vervuiling tegen te gaan. Economie van het genoeg.

- Kleinschaligheid. Er moet een kringloop economie komen.



Hoofdstuk 7.

Kernproblemen rondom arbeid:

- hoe moet arbeid verdeeld worden over de beschikbare werkkrachten?

- Welke sociale problemen levert deze verdeling op?

- Wat moeten we aan met de verzorgingsstaat

- Welke problemen roept de introductie van informatietechnologie op het terrein van arbeid op?

Arbeidsverdeling: de mens doet slechts een gedeelte van het werk dat nodig is om alles voor zijn eigen levensonderhoud te produceren en kan daardoor niet meer onafhankelijk van andere mensen leven omdat hij gebruik moet maken van datgene dat door anderen is geproduceerd.

Arbeidsverdeling: maatschappelijke arbeidsverdeling en technische arbeidsverdeling

Maatschappelijke arbeidsverdeling: de verdeling van het maatschappelijke productieproces over velerlei beroepen, functies, bedrijven en bedrijfstakken.

Vroeger deed iedereen alleen zijn eigen levensonderhoud en nu heeft men verschillende taken in de samenleving. Wanneer een samenleving zich gaat ontwikkelen worden de taken vanzelf verdeeld.

In onze samenleving wordt arbeid opgedeeld in 4 sectoren:

- Primaire sector: landbouw, veeteelt en visserij

- Secundaire sector: industrie

- Tertiaire sector: commerciële dienstverlenende bedrijven en verzekeringsmaatschappijen.

- Quartaire sector: welzijnssector, inkomen is afhankelijk van subsidieverleners.

Technische arbeidsdeling: de een maakt de poten van de stoel, de ander de zitting enz.

Dit is kenmerkend voor de moderne industriële samenleving.

Enkele factoren die tot het ontstaan van de verregaande arbeidsdeling hebben bijgedragen:

-rationalisering. Zo kan het product zo goedkoop mogelijk geproduceerd worden.

-mechanisering en automatisering.

Arbeidsmarkt: de plaats waar werknemers hun arbeid aan de werkgevers bieden.

Kenmerken voor de arbeidsmarkt:

- vraag en aanbod van arbeid ontmoeten elkaar

- arbeid wordt geruild tegen loon

- aanbieders van arbeid en vragers staan in een machtsverhouding tot elkaar.

Geregistreerde werklozen: bij een arbeidsbureau ingeschreven mensen die niet of minder dan 12 uur per week werken en beschikbaar zijn voor een baan van meer dan 12 of meer uur per week.

Beroepsbevolking: mensen die minstens 12 uur per week werken en mensen die minder of niet werken maar actief zoeken.

- Verborgen werkloosheid.

Conjuncturele werkloosheid: werkloosheid die ontstaan door golfbewegingen in de economie op korte termijn.

Structurele werkloosheid: wordt veroorzaakt door de ontwikkelingen in de economie op langere termijn. (automatisering)

Seizoenswerkloosheid: in een bepaalde periodes er minder werk (horeca sector)

Frictie werkloosheid: vraag van arbeid stemt niet overeen met de vraag van arbeid.

Aanpakken van werkloosheid:

-zorgen voor handhaving of herstel van de economische groei. Dat kan door het subsidiëren van investeringen en het nemen van gunstige belastingsmaatregelen.

- door het geven van opdrachten (verbeteren infrastructuur)

- bevorderen van loonmatiging

- instandhouden van de koopkracht

Bestrijden van werkloosheid aan de vraagzijde van de arbeidsmarkt:

- herverdeling van het beschikbare werk bijvoorbeeld door Deeltijd in te voeren, arbeidstijdverkorting, aantal uren (ATV), arbeidsduurverkorting, eerder stoppen met werken (ADV), flexibilisering van arbeidscontracten.

Vooral vrouwen, laaggeschoolden en etnische minderheden hebben minder kansen op de arbeidsmarkt.

Arbeidsmarktbeleid: bedoeld om vraag en aanbod op de arbeidsmarkt beter op elkaar af te stemmen.

Arbeidsmarktbeleid:

- het voeren van een doelgroepenbeleid en door positieve actie of discriminatie

- het stimuleren van het opzetten van (her)scholingsprogramma’s

- stimuleren van arbeidservaringprojecten

- beïnvloeding van school- en vakkenkeuzes.



Hoofdstuk 8.

Post-industriele samenleving: de samenleving na de industriele samenleving vanaf 1950.

Sociale structuur: het patroon van relaties in een samenleving tussen individuen en tussen groepen De samenhang van elementen.

Maatschappelijke lagen: sociale klassen.

Sociale stratificatie: gelaagdheid in de samenleving

Sociale ongelijkheid:De bestaande verschillen in sociale posities en sociale waardering die mensen hechten aan hen die die posities bekleden.

Oorzaken voor het ontstaan van sociale ongelijkheid:

-De positie op de arbeidsmarkt en de daarmee samenhangende ongelijkheid in inkomen

-Verschillen in vooropleiding kunnen leiden tot grote verschillen in werk en inkomen

-Soms hangen de verschillen in salaris en de kansen op de arbeidsmarkt samen met de sekse

-Etnische minderheden zullen het onrechtvaardig vinden dat zij minder kansen hebben op de arbeidsmarkt.

-Een andere oorzaak kan gevonden worden in de verschillende kansen die mensen uit verschillende milieus hebben.

Sociale mobiliteit: het klimmen of dalen op de sociale ladder.



Hoofdstuk 9.

Verzorgingsstaat: een staat, waarin de overheid, met handhaving van de parlementaire democratie en de productie door particuliere bedrijven, de verantwoordelijkheid op zich neemt voor het welzijn van individuele burgers.

De overheidsbemoeienis is op tal van terreinen waar te nemen:

-De wet-en regelgeving is sterk uitgebreid

-De overheidsuitgaven zijn sterk gestegen

-het aantal werknemers in dienst van de overheid is voortdurend toegenomen

-de overheid is zich steeds meer met de werkgelegenheid gaan bemoeien

Toenemende overheidsinvloed:

-De industrialisatie was er de oorzaak van dat veel mensen van het platteland naar de stad trokken>urbanisatie>slechte woon-en leefomstandigheden> overheid moest ingrijpen.

-Staat maakte wetten om de belangen van werknemers te behartigen

-De invloed van het bedrijfsleven in de maatschappij werd in de loop van deze eeuw steeds groter. Grote bedrijven gingen steeds meer het sociale en economische gebeuren bepalen.

-De noodzaak tot planning van de wederopbouw van de samenleving na de tweede wereldoorlog leidde tot een actievere rol van de overheid

Kenmerken van de verzorgingsstaat:

-Het vrije ondernemerschap en de productie door particuliere bedrijven blijft gehandhaafd

-de overheid is (mede)verantwoordelijk voor collectieve welzijnsvoorzieningen zoals de gezondheidszorg, het onderwijs en de huisvesting

-de overheid is (mede)verantwoordelijk voor de welvaartsontwikkeling.

Maatschappelijk corporatisme: via de overheid geregelde samenwerking

Welvaart=materieel

Welzijn=immaterieel

Het wegvallen van de persoonlijke zorg versterkte de individualisering

We kunnen de problematiek van de beheersbaarheid van de verzorgingsstaat in 2 punten samenvatten:

- door de stijging van de uitgaven voor sociale zekerheid en het financieringstekort werd het steeds moeilijker om de verzorgingsstaat in stand te houden

- de toenemende afhankelijkheid van onpersoonlijke instellingen (sociale dienst, maatschappelijk werk enz), de afnemende persoonlijke zorg en de individualisering zorgden voor minder gewenste gevolgen van de verzorgingsstaat.

VVD (liberaal) constateert dat de verzorgingsstaat uit zijn voegen is gebarsten. Overheid heeft zich te veel in allerlei zaken gemengd. Bureaucratie is toegenomen.

Oplossing: overheid moet zich minder met de verzorgingsstaat gaan bemoeien. Door middel van minder regels (deregulering) en door de privatisering.

CDA (christen-democratisch) zorg van mensen voor elkaar in de samenleving is afgenomen. Zou verzorgingsstaat willen veranderen in verzorgingsmaatschappij. Door gespreide verantwoordelijkheid zou de rol van de overheid kleiner kunnen worden.

PvdA(sociaal-democratisch) is van mening dat verzorgingsstaat nog steeds belangrijk is. Verzorgingsstaat is nog steeds niet helemaal gerealiseerd. Zij willen een actief overheidsbeleid en de gelijkwaardigheid bevorderen.



Hoofdstuk 10.

Informatietechnologie: de technologie die ontstaan is als gevolg van ontwikkelingen in de micro-electronica

Alle sectoren werken ermee:

-Primaire sector: op grote veebedrijven wordt het vee computergestuurd gevoederd

-Secundaire sector: voor veel taken in de industrie zijn robots in gebruik

-Tertiaire sector: het betalingsverkeer geschiedt grotendeels electronisch (Telematica: combinatie van computer-en communicatietechnieken)

-Quartiaire sector: informatiebestanden van de overheid kunnen opgeslagen worden in computers en kunnen daardoor aan elkaar gekoppeld worden

Informatisering van arbeid: vragen:

-Zal de werkgelegenheid door de informatietechnologie toe of afnemen? In hoeverre verandert de positie van de vrouw op de arbeidsmarkt?

-Zal de kwaliteit van het werk toe- of afnemen?

-Zullen de arbeidsorganisatie en daardoor de arbeidsverhoudingen door de informatietechnologie veranderen?

Productinnovatie: het ontwikkelen van nieuwe producten

Productinnovatie kan werkgelegenheid stimuleren maar ook kleiner maken.

Procesinnovatie: het vervangen van mensen in het productieproces door machines en computers.

Kost bijna altijd arbeidsplaatsen.

Machines en computers kunnen veel saai werk overnemen. Mensen worden echter verantwoordelijk voor heel ingewikkelde apparatuur. Als er iets mis gaat is er veel schade.

Taakverrijking: de werknemer krijgt er taken bij, die voorheen aan hogergeplaatsten werden toebedeeld

Taakverarming: Een secretaresse moet bijv. meer tijd aan haar computer doorbrengen.

Taakverbreding: Diverse klussen worden voortaan door dezelfde persoon gedaan.

Taakversmalling: een persoon moet zich bezighouden met een nog beperkter takenpakket.



Model van taylor:

Op de werkvloer wordt niet ge-

Dacht, maar geproduceerd. Tussen

De onderste en de bovenste laag

Zijn geen contacten.

Voordeel: er kan efficiënt en

Massaal geproduceerd worden.

Het grote nadeel is dat het model niet flexibel is, dus duurt het te lang voordat veranderingen zijn doorgevoerd. De communicatielijnen zijn te lang.





Model IBM.

Nauwe samenwerking, managers konden via

de informatietechnologie beter betrokken

worden bij het werk van de planningsafdelingen. Contactlijnen waren kort.

Besluiten konden snel genomen worden.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

G.

G.

Het Danielle, hartstikke fijn dat je die samenvatting van mens en werk op het web gezet hebt. Ik heb namelik donderdag proefwerk ervan en heb nog niet kunnen leren.

Groetjes GJvH

17 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

E.

E.

Heel goed gedaan tnks

17 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast