Gezocht: vmbo-scholieren uit jaar 3 of 4! Vul deze vragenlijst over het mbo in, en maak kans op een cadeaubon van 25 euro.

Meedoen

Mens en werk

Beoordeling 7.6
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 6e klas vwo | 2336 woorden
  • 7 mei 2003
  • 57 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.6
  • 57 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!
Examen Maatschappijleer – Mens en Werk

Materiele functie van werk:
- inkomen
- het kunnen voorzien in het eigen levensonderhoud en dat van het gezin

immateriële functie van werk:
- mogelijkheid tot verdere zelfontplooiing
- het ontwikkelen van zelfrespect
- het opdoen van sociale contacten
- het verkrijgen van maatschappelijk aanzien

sociale status: maatschappelijk aanzien
sociale positie: plaats die iemand inneemt binnen de sociale structuur

factoren waarvan maatschappelijk aanzien van afhankelijk is:

- onderscheid in hoofd- en handenarbeid
- de verantwoordelijkheid die het werk vereist
- de afwisseling die het werk biedt
- de mogelijkheden tot ontplooiing
- de mogelijkheden tot het opdoen van sociale contacten

factoren die te maken hebben met ‘de opbrengst’ van het werk:
- het inkomen
- de macht die door de baan uitgeoefend kan worden
- de sociale positie en de daardoor bepaalde status

andere factoren:
- de wet van vraag en aanbod, moeilijk mensen krijgen->beroep stijgt in aanzien
- de traditie

wat vinden mensen belangrijk in werk:
- primaire arbeidsvoorwaarden (loon, arbeidstijd)
- secundaire arbeidsvoorwaarden (voordeeltjes, auto’s)

- arbeidsinhoud (wat voor werk is het)
- arbeidsverhoudingen (hoe iedereen met elkaar omgaat)
- arbeidsomstandigheden (fysiek, psychisch)
- arbeidsorganisatie (manier van verdeling van de arbeid)

Plato: afschuw voor betaalde arbeid, werken is voor slaven en vreemdelingen
Aristoteles: arbeid verlaagt de mens, door werk werd mens van deugd afgehouden, belangrijkste deugd is vrijheid
Middeleeuwen: alleen onderlaag van de bevolking werkt. Handwerk, handel en betaalde diensten werden gezien als minderwaardige bezigheden.
Thomas van Aquino: arbeid als middel om mee te werken aan de opbouw van de christelijke samenleving.
Luther en Calvijn: verzetten zich tegen uitspraken uit de ME. Luther:Ieder mens was door god geroepen tot het verrichten van arbeid in de wereld. Calvijn: beschouwde arbeid als het instrument om God eer te bewijzen
Thomas More: arbeid is een wezenlijke activiteit voor mens en samenleving, arbeid geeft zin aan het leven.
Claude-Henri de Saint-Simon: arbeid is de bron van alle deugden
Marx: arbeid is een wezenlijke activiteit voor mens en samenleving

Loondienst: het verkopen van arbeid in ruil voor een loon, waarbij de arbeider zelf de zeggenschap over de arbeid verliest (rang van de slaven)

3 opvattingen over het arbeidsethos (de waardering van werk):
- de opvatting dat arbeid een plicht is (vooral in christelijk denken)
- arbeid kan geen plicht zijn, als gevolg van structurele werkloosheid
- arbeid is een recht

sociale partners:
- werknemers
- werkgevers
- overheid

belangen van werknemers:
- arbeidsvoorwaarden
- arbeidsinhoud
- arbeidsverhoudingen (medezeggenschap)
- arbeidsomstandigheden:
- algemene belangen (sociale zekerheid)

vakbond: belangenorganisatie van werknemers in een bepaalde bedrijfstak of van werknemers met een bepaald beroep
bedrijfstak: alle ondernemingen die zich op eenzelfde wijze met eenzelfde product bezighouden.
Vakcentrale: overkoepelende organisatie die probeert het beleid van de afzonderlijke aangesloten bonden te coördineren. (FNV, CNV)

Werkwijze van de vakbeweging:
- collectieve belangenbehartiging op gebied van arbeidsvoorwaarden
- collectieve belangenbehartiging op gebied van arbeidsomstandigheden
- belangen van individuele leden behartigen
- belangen die ze met werkgevers gemeenschappelijk hebben
- vakbonden proberen een maatschappijvisie te ontwikkelen waarin andere zaken dan directe werknemersbelangen een plaats kunnen krijgen

middelen van een vakbeweging:
- overleg en onderhandelingen
- lobby
- gerechtelijke procedure
- prikactie
- staking
- bedrijfsbezetting

centraal akkoord: verzameling afspraken die voor alle berdrijven in ons land zouden moeten gelden
harmoniedenken: overleg, nadruk op gemeenschappelijke belangen van werknemers en werkgevers
transactiedenken: ‘zaken doen’, ‘voor wat, hoort wat’.
Conflictdenken: gaat ervan uit dat werknemers en werkgevers tegengestelde belangen hebben

Staking:
- moet georganiseerd zijn door een vakbond (anders: wilde staking)
- de vakbonden moeten alle wettelijke middelen hebben aangewend
- de gevolgen van de staking mogen niet onevenredig groot zijn in verhouding tot het doel van de staking

wanprestatie: als een werknemer deelneemt aan een onwettige staking

overige middelen van de bonden:
- bij een conflict tussen werknemer en werkgever kunnen ze een belangrijke rol spelen
- vakbonden moeten de belangen van de werknemers regelmatig bepleiten bij de politieke partijen
- vakbonden maken gebruik van de mogelijkheid om hun belangen via lobbyen te bepleiten.

De succesvolle actie:
- het functioneren van de vakbond zelf:
o organisatiegraad
o actiebereidheid van de leden
o eensgezindheid binnen de bonden
- het politieke klimaat
- de economische structuur in een land
- de economische conjunctuur

ondernemingsraden mogen meepraten over:
- overdracht van de zeggenschap van de onderneming en het aangaan of verbreken van duurzame samenwerking met andere ondernemingen
- belangrijke inkrimping, uitbreiding of wijzigingen in de werkzaamheden
- belangrijke wijziging in de organisatie van de onderneming
- het doen van grote investeringen of het aantrekken van belangrijke kredieten

belangen van de werkgevers:
- continuering van het bedrijf
- lage bedrijfskosten
- werkwillige, bekwame en geschoolde werknemers
- lage belastingen
- geringe concurrentie

werkgeversorganisaties: belangenorganisaties (VNO, NCW, KNBTB, NCBTB, MKB)





middelen van werkgevers:
- overleg en onderhandeling
- doen/nalaten van investeringen
- ontslag
- vestigingsbeleid
- lobby
- gerechtelijke procedure

factoren of de belangenbehartiging van werkgevers succesvol zijn:
- mate van organisatie en eensgezindheid van de werkgevers
- politieke klimaat
- economische structuur
- economische conjunctuur

rollen van de overheid:
- de overheid is zelf werkgever
- de overheid is regelgever en initiator
- de overheid is overlegpartner van de werknemers en werkgevers

terreinen waarop de overheid actief is:
- werkgelegenheidsbeleid
- arbeidsomstandigheden
- arbeidsvoorwaarden
- sociale wetgeving
- emancipatiebeleid

maatregelen van de overheid:
- investeringen subsidiëren
- stimuleren van research
- aanleggen van infrastructurele werken
- gunstige belastingmaatregelen
- onderwijs: scholing en omscholing

ARBO-wet: in deze wet worden werkgevers en werknemers beiden verantwoordelijk gesteld voor veiligheid, gezondheid en welzijn in het bedrijf
Wet op de Ondernemingsraden (WOR): democratisering van het bedrijfsleven
Democratisering: het streven naar een situatie waarin de zeggenschap over de productie en arbeidsomstandigheden zo gelijk mogelijk is verdeeld over iedereen

Belangrijke elementen van de WOR:
- de ondernemingsraad moet een overlegorgaan zijn waarin werknemers voor hun belangen in het bedrijfsleven kunnen opkomen
- de ondernemingsraad moet medeverantwoordelijk zijn voor het functioneren van de onderneming

Wet op de Collectieve Arbeidsovereenkomst: overheid grote invloed op de inhoud van de CAO’s, grip krijgen op zaken als loonontwikkeling en arbeidstijdverkorting

Sociale zekerheidsstelsel: garantie voor bestaanszekerheid, bestaat uit sociale verzekeringen en sociale voorzieningen.
Sociale verzekeringen: volksverzekeringen en werknemersverzekeringen, premies betalen

Volksverzekeringen:
- Algemene Kinderbijslagwet
- Algemene Ouderdomswet
- Nabestaandenwet
- Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten

Werknemersverzekeringen:
- Nieuwe Werkloosheidswet
- Ziektewet
- Algemene Arbeidsongeschiktheidswet
- Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering

Sociale voorzieningen: geen verzekeringen, de uitkeringen worden niet betaald uit premies, maar uit belastinggelden: ABW, Algemene Bijstandswet

Economische zelfstandigheid: het gegeven dat de vrouw niet meer afhankelijk is van het inkomen van haar man, maar zelf een inkomen verdient, waardoor ze zichzelf financieel kan bedruipen

Vrijemarkteconomie: overheid zoveel mogelijk afzijdig in het economische proces. De wet van vraag en aanbod bepaalt welke prijs voor een product moet worden betaald.

Voordelen van de vrijemarkteconomie:
- grote keuzevrijheid van producenten en consumenten
- weinig bureaucratie
- als er volledige mededinging is, worden vraag en aanbod goed op elkaar afgestemd

nadelen van de vrijemarkteconomie:
- nadelige gevolgen voor het milieu
- zwakkeren in de samenleving kunnen op de vrije markt hun behoeften moeilijk bevredigen

voordeel centraal geleide planeconomie:
- omdat de overheid plannen maakt, kan sociaal-economische ongelijkheid worden voorkomen
- productie en consumptie kunnen op elkaar worden afgestemd
- werkloosheid kan effectiever worden bestreden doordat de overheid alle regelmechanismen in handen heeft

nadeel centraal geleide planeconomie:
- veel bureaucratie
- de planners zullen erg machtig zijn

voordelen gemengde economie:
- hoewel er een vrije ondernemingsgewijze productie is, is er toch sociale zekerheid voor iedereen
- er is geen centrale ideologie die voor iedereen moet gelden

nadelen gemengde economie:
- hoge kosten
- overheid speelt toch een grote rol, gaat ten koste van eigen initiatief

liberalen over sociaal-economische politiek:
- markteconomie moet blijven bestaan, ook vrije ondernemingsgewijze productie
- concurrentie is een absolute voorwaarde
- de rol van de overheid moet zoveel mogelijk worden teruggedrongen

VVD:
- deregulering: overbodige regels moeten worden afgeschaft, ingewikkelde regels moeten worden vereenvoudigd
- decentralisatie: centrale overheid minder macht, zaken makkelijker regelen met lagere overheden
- particulier initiatief: door privatisering, overheid hevelt dan taken over naar particuliere ondernemingen

Socialisten: gemengde economie:
- de overheid moet ieder individu bestaanszekerheid en een redelijk levenspeil garanderen
- in het economische proces moeten zowel de overheid als de markt een belangrijke rol spelen
- overheidsplanning dient de nadelen van de markteconomie op te heffen

PvdA:
- spreiding van kennis, inkomen en macht (meer gelijkwaardigheid)
- meer planning op sociaal-economisch gebied
- selectieve groei (milieuvriendelijk)
- democratisering en decentralisatie

Confessionelen: organische maatschappij, maatschappij opgebouwd uit gemeenschappen ipv individuen.
- gespreide verantwoordelijkheid
- rentmeesterschap
- gerechtigheid
- solidariteit
- georiënteerde markteconomie

ecologische visie (Groen Links):
- overheid hoge prioriteit aan duurzame economie
- economische ontwikkelingen mogen alleen doorgaan als ze niet ten koste gaan van andere mensen in de wereld en van mensen die na ons komen.
- De economie moet niet verder groeien om zo uitputting van de grondstofvoorraden te voorkomen en vervuiling tegen te gaan (economie van het genoeg)
- Kleinschaligheid
- Kringloopeconomie

Arbeidsverdeling: betekent dat de mens slechts een gedeelte van het werk doet dat nodig is om alles voor zijn eigen levensonderhoud te produceren
Maatschappelijke arbeidsverdeling: verdeling van het maatschappelijke productieproces over velerlei beroepen, functies, bedrijven en bedrijfstakken.

Sectoren waarin arbeid wordt opgedeeld:
- primair: landbouw, veeteelt, visserij
- secundaire sector: industrie
- tertiaire: banken, verzekeringsmaatschappijen
- quartaire: welzijnssector, gezondheidszorg, gezinszorg, onderwijs ,afhankelijk van overheid

factoren die hebben gezorgd voor arbeidsdeling:
- rationalisering
- mechanisering en automatisering

kenmerkend voor de arbeidsmarkt:
- vraag en aanbod van arbeid ontmoeten elkaar
- arbeid wordt geruild tegen loon
- aanbieders van de arbeid en vragers staan in een machtsverhouding tot elkaar

werkloosheid:
- conjunctureel: werkloosheid door golfbewegingen in de economie
- structurele: ontwikkelingen in de economie op lange termijn
- seizoenswerkloosheid: in bepaalde periode minder werk
- frictiewerkloosheid: ontstaat doordat vraag naar arbeid niet overeenstemt met het aanbod er naar.

Bestrijden van werkloosheid aan de vraagzijde van de arbeidsmarkt:
- subsidiëren van investeringen en het nemen van gunstige belastingmaatregelen voor het bedrijfsleven
- geven van opdrachten, o.a. ter verbetering van de infrastructuur
- bevorderen van loonmatiging
- door het instandhouden van de koopkracht

bestrijden van de werkloosheid aan de aanbodzijde van de arbeidsmarkt:
- herverdeling van het beschikbare werk
o deeltijdarbeid
o arbeidstijdverkorting
o arbeidsduurverkorting
o flexibilisering van arbeidscontracten
- stimuleren van scholing en omscholing
- gerichte scholing en stimulering voor achterstandsgroepen

arbeidsmarktbeleid voeren door:
- het voeren van een doelgroepenbeleid en door positieve actie of discriminatie
- stimuleren van het opzetten van (her) scholingsprogramma’s
- stimuleren van arbeidservaringprojecten
- beïnvloeding van de school en vakkenkeuze

sociale structuur: het patroon van relaties in een samenleving tussen individuen en tussen groepen.
Sociale klassen: maatschappelijke lagen
Sociale stratificatie: gelaagdheid in de samenleving

Oorzaken ontstaan sociale ongelijkheid:
- positie op de arbeidsmarkt en de daarmee samenhangende ongelijkheid in inkomen
- verschillen in vooropleiding, daardoor grote verschillen in werk en inkomen
- verschillen in salaris en de kansen op de arbeidsmarkt hangen soms samen met de sekse
- etnische minderheden hebben minder kansen op de arbeidsmarkt
- verschillende kansen voor mensen uit verschillende milieus

sociale mobiliteit: het stijgen of dalen op de maatschappelijke ladder

verzorgingsstaat: staat waarin de overheid met handhaving van de parlementaire democratie en productie door particuliere bedrijven, de verantwoordelijkheid op zich neemt voor het welzijn van individuele burgers

terreinen waarin de overheidsbemoeienis is toegenomen:
- de wet en regelgeving is sterk uitgebreid, vooral arbeidsrecht en sociale zekerheid
- de overheidsuitgaven zijn gestegen om sociale zekerheidsstelsel te betalen
- het aantal werknemers in dienst van de overheid is toegenomen
- de overheid is zich meer met de werkgelegenheid gaan bemoeien

toename overheidsinvloed:
- urbanisatie zorgde voor slechte woon en leefomstandigheden, daarom invloed overheid
- industrialisatie zorgde voor polarisatie (vormen van uiterste tegenstellingen)
- invloed bedrijfsleven werd groter
- de economische crisis van de jaren 30, en de werkloosheid daardoor zorgde voor grote sociale problemen
- WO2 had sporen nagelaten, o.a. op materieel gebied moest veel worden opgebouwd
- Universele verklaring van de rechten van de mens, daardoor verzorgingsstaat algemeen aanvaard.

Kenmerkende elementen verzorgingsstaat:
- vrije ondernemerschap en de productie door particuliere bedrijven blijft gehandhaafd
- de overheid is mede verantwoordelijk voor collectieve welzijnsvoorzieningen zoals gezondheidszorg, onderwijs en huisvesting
- overheid is medeverantwoordelijk voor de welvaartsontwikkeling


crisis in de verzorgingsstaat:
- door nieuwe welzijnsinstellingen was er een nieuwe bureaucratie ontstaan
- verminderde persoonlijke zorg, daardoor versterking individualisme
- stagnerende economie
- energie en grondstoffenvoorraad bleek beperkt
- milieuvervuiling bleek de keerzijde van de welvaart
- verzorgingsstaat onbetaalbaar
- werkloosheid
- arbeidsongeschiktheid
- bijstandsregelingen
- beroep op steun via welzijnsinstellingen werd groter
- financieringstekort van de overheid steeg
- solidariteit tussen werkenden en niet-werkenden werd kleiner

- door de stijging van de uitgaven voor sociale zekerheid en het financieringstekort werd het steeds moeilijker de verzorgingsstaat in stand te houden

- de toenemende afhankelijkheid van onpersoonlijke instellingen (sociale dienst, maatschappelijk werk enz.), de afnemende persoonlijke zorg en de individualisering zorgden voor minder gewenste gevolgen van de verzorgingsstaat.

Discussie over de verzorgingsstaat:
VVD:
- verzorgingsstaat uit voegen gebarsten
- kosten te hoog
- bureaucratisering toegenomen
- dereguleren
- privatiseren
CDA:
- zorg voor mensen in de samenleving afgenomen
- verzorgingsmaatschappij ipv verzorgingsstaat
- particulier initiatief en onderlinge hulp ipv door overheid georganiseerde hulp
- gespreide verantwoordelijkheid
- overheidsbemoeienis en uitgaven terugdringen
PvdA:
- verzorgingsstaat erg belangrijk
- beoogde gelijkwaardigheid nauwelijks gerealiseerd
- kloof tussen werkenden en niet-werkenden alleen verkleind door overheidsbemoeienis
- actief overheidsbeleid om economische groei te stimuleren en gelijkwaardigheid bevorderen
- decentralisatie en democratisering
D’66:
- rol overheid terugdringen
- sociale ongelijkheid bestrijden
Groen Links:
- verzorgingsstaat niet verder afgebroken. De ongelijkheid in de samenleving wordt daardoor alleen maar vergroot

productinnovatie: het ontwikkelen van nieuwe producten
procesinnovatie: het vervangen van mensen in het productieproces door machines en computers

taakverrijking: werknemer krijgt er taken bij, routinematig werk neemt af
taakverarming: minder taken, routinematig werk neemt toe
taakverbreding: diverse klussen worden door dezelfde persoon gedaan, routine neemt af
taakversmalling: persoon moet zich bezighouden met een nog beperkter takenpakket, routinematig werk neemt toe

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.