Natuur: Alles waarin de mens niet heeft ingegrepen



Aspecten van cultuur:

- Materiële voorwerpen (gebouwen, waterwerken, spoorlijnen, machines enz.)

- Sociale gebruiken (taal, godsdienst, rechtssystemen.)

- Ideeën die uitgewerkt worden in wetenschap en kunst.

Waarden: zijn de opvattingen van mensen over wat belangrijk is in het leven (trouw, rechtvaardigheid, vrijheid, moed, behulpzaamheid, schoonheid, bezit enz.)

Normen: zijn de regels die aangeven hoe mensen zich moeten gedragen. Ze zijn afgeleid van waarden (als eerlijkheid een waarde is, dan is de norm die daarbij past dat je altijd de waarheid spreekt.)



Contrasterende normen: voorbeeld: persoonlijke vrijheid is een belangrijke waarde in Nederland. Daaruit vloeit de norm dat anderen je niet in je vrijheid mogen belemmeren. Je bent vrij om met je vrienden en een gettoblaster naar het strand te gaan en een feestje te bouwen. Maar van diezelfde waarde is ook de norm afgeleid dat je andermans vrijheid moet respecteren. De cultuur is een middel om een groep te vormen of om je te onderscheiden van een andere groep.

Socialisatie: Het leerproces waardoor een mens de kennis, houdingen en vaardigheden van zijn cultuur tot zich neemt. Een aantal groepen speelt een belangrijke rol bij socialisatie, namelijk:

Gezin: de meeste kinderen brengen hun eerste levensjaren bij hun ouders door, waarin de ouders het te volgen voorbeeld zijn.

School: binnen de school zijn vaak groepen leeftijdsgenoten (peergroups) die een rol spelen bij zaken als de voorkeur voor bepaalde kleding of muziek.

Referentiegroep: Een groep waarvan je geen deel uitmaakt, maar waardoor je wel beïnvloed wordt.

Anticiperende socialisatie Die groep bestaat uit mensen waarvan jij denkt dat ze het helemaal gemaakt hebben. Daar zou jij ook wel bij willen horen en ga je alvast hun gedrag en hun gewoonten nadoen. Je kunt als het ware vooruitlopen op de zaken die (misschien) nog komen. Dit verschijnsel wordt daarom ook wel zo genoemd.

Instituties: Algemeen ingeslepen gedragspatronen, die zich in de loop van vele jaren hebben ontwikkeld (taal, mode, beleefdheidsvormen, sociale gebruiken) Instituties bepalen de aanblik van de samenleving.



Media: krant, tv, films, tijdschriften etc.

Vooroordeel: Er wordt een mening over iets of iemand gegeven zonder dat de juistheid van die mening is getoetst.

Stereotype: De vermeende eigenschappen van een groep worden op een individu van toepassing gemaakt. Vooroordelen en stereotypen kunnen gemakkelijk leiden tot discriminatie (het ongelijk behandelen op basis van foutieve informatie.) Het veelvuldig gebruik van stereotypen leidt ook tot het ontstaan van foutieve beeldvorming. Referentiekader: Het geheel van verwachtingen, wensen, overtuigingen, kortom van alle normen en waarden die je hebt overgenomen. Op basis van dit referentiekader beoordeel je nieuwe informatie, ervaringen en verschijnselen. Het is een achtergrond waarin je alles plaatst wat je waarneemt.

Sociale controle: Wil zeggen dat de mensen in je omgeving een zekere dwang op je kunnen uitoefenen omdat ze je kennen en op je letten.

Multiculturele samenleving: Verschillende culturen naast en door elkaar voorkomen

Dominante cultuur: Wordt gevormd door de grootste groep mensen die dezelfde normen en waarden onderschrijven.

Subculturen: Andere culturen die op onderdelen afwijken van de dominante cultuur. Tegencultuur: groepen die zich radicaal afzetten tegen de dominante cultuur of die de bestaande cultuur omver willen werpen (denk aan de jaren zestig: de hippiecultuur). Er zijn verschillende vormen van communicatie. Deze vormen zijn paarsgewijs aan elkaar verwant: verbale en non verbale communicatie directe en indirecte communicatie eenzijdige en meerzijdige communicatie

Verbale communicatie: De zender geeft zijn boodschap vorm in woorden. De mondelinge of schriftelijke boodschap wordt door de ontvanger gehoord of gelezen. Voorwaarde is dat beide dezelfde taal beheersen.

Non verbale communicatie: Alle communicatie waar geen woorden aan te pas komen. De zender bedient zich van afbeeldingen, gebaren of gelaatsuitdrukkingen die door de ontvanger bekeken worden. Verkeersborden zijn een vorm van non verbale communicatie.

Directe communicatie: wanneer twee mensen tegen elkaar praten. Een rechtstreekse uitzending op radio of tv is ook een vorm van directe communicatie.

Indirecte communicatie: de boodschap is tijdelijk opgeslagen en bereikt de ontvanger op een later tijdstip. Kranten en tijdschriften zijn hier een voorbeeld van.

Eenzijdige communicatie: Wanneer alleen de zender actief is, is er sprake van eenzijdige communicatie. De ontvanger kan geen reactie geven, geen overleg voeren, geen boodschap terugsturen of een vraag stellen.

Meerzijdige communicatie: Wanneer twee mensen samen een gesprek voeren of over en weer brieven schrijven, zijn zender en ontvanger beiden actief. Dan is er sprake van meerzijdig communicatie. Een bijzondere vorm hiervan is interactieve media.

Interactieve media: Letterlijk betekent interactief ‘elkaar wederzijds beïnvloedend of op elkaar inwerkend. Via een toetsenbord of door rechtstreeks op het beeldscherm een onderwerp aan te wijzen, kun je informatie opvragen die voor jou van belang is.

Massacommunicatie: Het doen van mededelingen aan een grote groep ontvangers, aan een publiek. Doordat de boodschap zoveel mensen bereikt, kan die ook de opvattingen van veel mensen beïnvloeden. Anders gezegd: massamedia beïnvloed de publieke opinie

De publieke opinie (de mening van de meerderheid van de mensen.) Zolang mensen kunnen kiezen uit diverse media (pluriformiteit) en zolang de beschikbare media niet voorgeschreven wat ze welen niet mogen uitzenden (censuur), schuilt in de beïnvloeding van de publieke opinie op zich geen gevaar. Er zijn immers geen belemmeringen om veelzijdige informatie te verzamelen en van verschillende opvattingen kennis te nemen.

Massamedia: Communicatiemiddelen waarmee je een grote groep mensen tegelijkertijd kunt bereiken. Voorbeelden van massamedia zijn: krant, boek, film, radio, televisie, affiche en dergelijke.

Pers: Omvat alle schrijvende journalisten en andere mensen die betrokken zijn bij de totstandkoming van kranten en tijdschriften.

Omroep: De makers van radioprogramma’s en televisieprogramma’s. Communicatiestoornis: Wanneer een boodschap binnen een communicatieproces niet of niet goed overkomt, spreek je van communicatiestoornis. Dit wordt ook wel ruis genoemd.

Ruis ontstaat als: - De zender de code niet voldoende beheerst, waardoor de boodschap gebrekkig of onvolledig gecodeerd verzonden wordt.

- De ontvanger de code niet voldoende beheerst, waardoor hij de boodschap niet of verkeerd begrijpt.

- Het communicatiemiddel gebreken vertoont waardoor de boodschap onderweg van zender naar ontvanger verminkt wordt.

Voor individuele personen hebben massamedia de volgende functies:

Informatieve functie. Massamedia dragen informatie over en geven opinies. Ze dragen zo bij aan de meningsvorming van de mensen.

Amuserende functie. De massamedia verzorgen amusement. Deze functie dreigt de oorspronkelijke informatieve functie te overvleugelen.

Service functie. De massamedia zijn een podium voor mededelingen van overheden, particulieren, verenigingen en instellingen en bedrijven.

Voor de samenleving hebben de massamedia de volgende functies:

Informerende functie. Massamedia maken opvattingen van burgers en overheden openbaar. Ze leveren een bijdrage aan de democratie.

Opiniërende functie. De massamedia verspreiden meningen in de samenleving

Waakhondfunctie. De massamedia bewaken gedragingen van bestuurders en signaleren eventuele tekortkomingen. Ze stellen misstanden aan de kaak.

Cultuuroverdrachtfunctie. Normen en waarden die in de samenleving van belang zijn, worden onder een breed publiek gebracht.

Sociale functie. Massamedia brengen mensen samen. Door kennis te nemen van bepaalde massamedia ga je tot een bepaalde groep behoren met soortgelijke belangstelling. Je krijgt gespreksstof om met andere mensen te delen.

Informatie: wordt nieuws genoemd als de inhoud wetenswaardig is voor de ontvanger. Kennis en nieuws zijn echter wel subjectieve begrippen.

de kennis die iemand bezit, behoort alleen tot dat subject (persoon). Of iets wetenswaardig is, hangt van die persoon af.

Vrijheid van informatie: is een democratisch recht

Openbaarheid van bestuur: De overheid is verplicht informatie te verstrekken. Dit is wettelijk vastgelegd.

- Censuur: Verbod op het doorgeven van bepaalde soorten informatie.

- Propaganda: Machthebbers laten de media bepaalde ideële informatie doorgeven.

Indoctrinatie: Het systematisch berichten met een politieke lading rondsturen met als doel dat deze kritiekloos worden aanvaard.

Manipulatie: Een belanghebbende probeert zijn informatie zo te presenteren, dat de ontvanger bewust op het verkeerde been wordt gezet.

Vervlakking: weinig diepgang op de informatie

Verschraling van het informatieaanbod: Samenwerking en fusie hebben tot gevolg dat er steeds minder aanbieders van informatie overblijven. Hierdoor ontstaat het gevaar dat bepaalde opvattingen, waarden en normen of soorten informatie niet of nauwelijks nog worden aangeboden. Massamedia: Spelen een rol bij je meningsvorming. Ze hebben invloed op je handelen en denken. Je bent er sterk afhankelijk van: een groot deel van je informatie krijg je immers via deze media.

Actualiseren: veel aandacht geven aan een bepaald onderwerp, dat bepaald de Media.

Selectiemechanisme: Massamedia kunnen niet alle gebeurtenissen en opvattingen doorgeven. Uit het aanbod van informatie wordt een keuze gemaakt. Vanuit de achtergrond, de kleur, de identiteit van het medium waarvoor ze werken, kiezen ze uit het enorme informatieaanbod.

Selectieve perceptie theorie: Wat je waarneemt, word beïnvloed door je gemoedstoestand, je referentiekader, je interesse, de tijd van de dag, het weer enz. Je reageert op waar je je voor openstelt.

Injectienaaldtheorie: De massa zijn in staat de mensen rechtstreeks te beïnvloeden.

Opinieleider: Iemand die door zijn kennis en gezag binnen een bepaalde groep actuele informatie doorgeeft aan die groep. Daardoor is hij in staat de mening van die groep te beïnvloeden. Elk terrein van de samenleving heeft zijn eigen opinieleiders.

Een gedrukt medium : dat dagelijks verschijnt noem je een krant of dagblad. Gedrukte media die eenmaal per week verschijnen noem je weekbladen. Weekbladen vallen onder de tijdschriften. Hieronder vallen ook maandbladen en kwartaalbladen. Als bladen minder dan één keer per halfjaar verschijnen, dan noem je het een jaarboek. Laatste groep gedrukte media is het boek. Ze verschijnen onregelmatig en bevatten minder vluchtige informatie. Ze richten zich doorgaan minder op de actualiteit dan kranten of tijdschriften. Je kunt de inhoud verdelen in fictie en non-fictie.

Fictie: De schrijver schept een eigen werkelijkheid die in meer of mindere mate van de realiteit afwijkt (literair proza, populaire romans en gedichtenbundels.)

Non-fictie: De schrijver probeert juist een feitelijke beschrijving van de werkelijkheid (zoals hij die ziet) te geven. Studieboeken, woordenboeken, encyclopedieën en reisgidsen zijn hier een voorbeeld van.

Er zijn drie manieren om kranten in te delen:

- Kijken naar het tijdstip waarop de krant verdwijnt. Zo zijn er morgen-, middag- en avondkranten. De laatste verdwijnt meer en meer omdat de concurrentie met de tv moeilijk is. - Identiteit van de krant. Vroeger meer dan nu hadden de meeste kranten een sterke binding met één bepaalde kerkelijke of politieke richting.

- Inhoud van de krant. We spreken hier over kaderkranten (kwaliteitskrant) en massakranten. Deze indeling zegt niets over de inhoud van de krant. Ze kunnen allebei een hoogstaand product zijn. Het zegt iets over het soort artikelen dat er in wordt opgenomen.

Kaderkrant: Ook wel kwaliteitskrant genoemd. Brengt vooral nieuws over politiek, economie, sociale zaken, wetenschap en onderwijs. Het accent ligt duidelijk op de informatieve functie van het medium. Je leest deze kranten om geïnformeerd te worden.

Massakrant: Ook wel populaire krant genoemd. Proberen het dagelijkse nieuws zo toegankelijk mogelijk te maken, dus geen lange artikelen met veel achtergrondinformatie. Besteedt aandacht aan: misdaad, sport en recreatie, ongelukken, showbizz en klein menselijk leed. Het accent ligt meer op de amuserende functie.

Doelgroep: De groep lezers waarop de makers van de krant zich richten. Alle gedrukte media die geen kranten of boeken zijn, noem je tijdschriften.

Je kunt tijdschriften indelen in:

- Opiniërende tijdschriften (bijvoorbeeld Elsevier Magazine.) informatieve tijdschriften (bijvoorbeeld vt-Women.)

- Verstrooiende tijdschriften (bijvoorbeeld Story.) Deze indeling is meer een kwestie van accenten dan van een duidelijke scheidslijn. (Geheugensteun: in dit boek worden alleen opiniebladen behandeld) Opiniebladen hebben een bepaalde identiteit. De identiteit van een opinieblad wordt soms nadrukkelijk in het blad vermeld. Je kunt de identiteit afmeten aan de politieke voorkeur van de redacteuren en medewerkers. Je kunt de identiteit zelf afleiden uit de inhoud van de commentaren of de keuze van de onderwerpen. Bedrijfsfonds voor de Pers: Deze instelling heeft volgens de Mediawet ten doel het handhaven en bevorderen van de Pluriformiteit(verscheidenheid van de pers). Die verscheidenheid moet overigens wel in het belang zijn van de informatievoorziening en opinievorming.

Bedrijfsfonds voor de Pers: doel het handhaven en bevorderen van de pluriformiteit van de pers, bijv. een krant die niets toevoegt aan de bestaande kranten voldoet niet aan dit criterium

Redactiestatuut: Hierin hebben de directie (uitgever) en de redactie vastgelegd welke verantwoordelijkheden bij welke partij horen. Hierin is ook vastgelegd wat de identiteit van het blad is. Het nieuws komt op twee manieren binnen: Via persbureaus, overheden, voorlichtingsinstanties, particuliere burgers, bedrijven e.d Via eigen correspondenten, verslaggevers en redacteuren van de krant. Bij de selectie van het nieuws spelen verschillende overwegingen een rol.

Economische criteria: Nieuws van dichtbij is meestal goedkoper. Je hebt geen (dure) correspondenten nodig. Nieuws van eigen journalisten of verslaggevers is goedkoper dan informatie van derden waarvoor betaald moet worden. Bepaald nieuws kan de verkoop doen stijgen of de kijkdichtheid doen toenemen, waardoor er meer geld binnenkomt (sensatie verkoopt.)

Inhoudelijke criteria: Het belang van het nieuws. Het overlijden van de koningin zal in alle media worden opgenomen. Bij een minder bekendere Nederlander zal men aarzelen. Nieuws uit eigen omgeving maakt meer indruk dan nieuws uit een ver en onbekend land. Een auto-ongeluk met drie doden in je eigen stad is indrukwekkender dan een hongersnood met 1000 slachtoffers in Eritrea. De belangstelling van Nederland is sterk gericht op de westerse wereld en minder op de Derde Wereld. Het nieuws past bij de aard of de identiteit van het medium. Grote artikelen of lange onderwerpen komen vaak minder snel aan bod dan korte, snelle berichten. De lengte gaat vaak gepaard met een hogere moeilijkheidsgraad.

Ethische criteria: De gekozen beelden sluiten aan bij het imago van het media. De gekozen beelden mogen niet aanstootgevend of choquerend zijn (behalve in media die zich juist daar op toe leggen.)

Gekleurd: getekend door de schrij(fst)ver

Objectiviteit: Zonder zich door eigen gevoel of voorkeur laten leiden Objectiviteit van de pers of van het nieuws bestaat niet. Het gaat om mensenwerk en dat is per definitie subjectief en persoonlijk gekleurd. Met inachtneming van het voorafgaande hanteren pers en omroep in onze maatschappij de volgende journalistieke normen: hoor en wederhoor verificatie van feiten onderscheidingen van meningen.

Hoor en wederhoor: Van toepassing op onderwerpen waarbij meerdere partijen zijn betrokken. De journalist van meerdere kanten hoort en de verschillende meningen naast of tegenover elkaar zet. De lezer kan dan zelf uitmaken welke mening hij zien wel.

Verifiëren: Nagaan of iets waar is, is geen uiting van wantrouwen, maar veel eerder een kwestie van zorgvuldig omgaan met nieuwsfeiten.

Verschoningsrecht: Journalisten hebben geen beroepsgeheim, maar ze kunnen wel in de praktijk hun bronnen beschermen. Auditief = luisteren, Visueel = kijken Combinatie tussen kijken en luisteren = auditieve media

Verschillen tussen publieke omroepen en commerciële omroepen:

- Publieke omroepen hebben leden, commerciële omroepen niet.

- Publieke omroepen ontvangen inkomsten uit omroepbijdragen, lidmaatschappen en reclamegelden. Commerciële omroepen hebben inkomsten uit reclame- en sponsorgelden.

- Publieke omroepen zijn gebonden aan programmavoorschriften uit de Mediawet. Commerciële omroepen zijn geheel vrij in het samenstellen van hun programma’s.

- Publieke omroepen kennen een verplicht samenwerkingsverband: de NOS. Commerciële omroepen zijn zelfstandig. Iedereen kan een omroepvereniging oprichten, maar daarmee heb je nog geen toegang tot de radio of tv. De Mediawet onderscheidt drie categorieën omroeporganisaties: Omroep A: minimaal 450 000 contribuanten. Omroep B: minimaal 300 000 contribuanten. Omroep C: minimaal 150 000 contribuanten. Daarnaast kun je

Aspirant-omroep worden als je minimaal 60 000 leden of contribuanten hebt. Zendtijdverdeling: De beschikbare zendtijd op de drie publieke zenders wordt verdeeld over de A, B en C omroepen in de verhouding 5: 3: 1. De zenders worden in Nederland geëxploiteerd door de PTT in opdracht van de NOZEMA (de Nederlandse Omroep Zender Maatschappij.) NOS: Nederlandse Omroep Stichting De NOS voerde taken uit die voor individuele omroeporganisaties te omvangrijk of te kostbaar waren (beheer van studio’s en technische apparatuur, het maken van afspraken over arbeidsvoorwaarden voor het hele omroeppersoneel, het uitvoeren van de salarisadministratie voor alle omroepmedewerkers, het coördineren van de programmering van radio en tv, het uitzenden van gezamenlijke programma’s.) 1988: Facilitaire bedrijf NOS afgesplitst en alleen verder gegaan als NOB (Nederlands OmroepproductieBedrijf.) 1995: Opnieuw afsplitsing NOS. De meeste NOS-programma’s worden vanaf dat moment door de NPS (Nederlandse Programma Stichting) uitgezonden. Er is ook nog een derde groep van zendgemachtigden. Dat zijn de omroeporganisaties die geen leden kennen. Het gaat bijv. om de instellingen IKON (Inter-Kerkelijke Omroep Nederland), TELEAC (Televisie Academie), NOT (Nederlandse Onderwijs Televisie).

Volledig programma: Er moet een uitgebalanceerde verhouding bestaan tussen programma’s en culturele, informatieve, educatieve en verstrooiende aard. Commissariaat voor de Media ziet toe op de naleving van deze programmavoorschriften.

Programmaformule: Moet steeds meer in overeenstemming worden gebracht met de wensen van de kijkers, zonder dat de eis van het volledige programma uit het oog verloren mag worden. Ideaal lijkt horizontale programmering. Dit betekent dat de kijker van een bepaalde zender elke dag op dezelfde tijden gelijksoortige programma’s krijgt aangeboden, ook al worden ze gemaakt door omroeporganisaties met een verschillende identiteit.

Verzuiling: Het opdelen van de samenleving in groepen met een gelijke levens- of wereldbeschouwing. De verzuiling was het gevolg van de emancipatie van diverse minderheden. Drie grote zuilen:

- Rooms-katholieke zuil

- Protestant-christelijke zuil

- Socialistische zuil

De organisaties van de verschillende zuilen worden het maatschappelijk middenveld genoemd. Het zijn de vertegenwoordigers van de brugers, die – ieder met hun eigen achterban – de overlegpartners zijn voor de bestuurders van ons land. Ze zijn de tussenschakel tussen bevolking en overheid

Ontzuiling: vervagen van de scheidslijnen van de zuilen

Secularisering: De invloed van godsdienst op belangrijke maatschappelijke sectoren zoals onderwijs en gezondheidszorg

Deconfessionalisering: Minder mensen lid van de kerk, hierdoor nam het gezag van de kerk af.

Toename van welvaart: verschil tussen rijk en arm werd kleiner

Mediabeleid: De overheid die zich opstelt als bewaker van de kwaliteit en de verscheidenheid van de media”.

Recht op vrije meningsuiting: een recht dat kenmerkend is voor democratische staatsvormen

Pluriforme informatievoorziening: De overheid is bereid geld beschikbaar te stellen aan noodleidende media, als daarmee de pluriformiteit is gediend.

Omroepwet:

- De behoefte aan een open toegang tot de ether

- De noodzaak van samenwerking tussen de omroepen

- De financiering van de omroepen uit de omroepbijdrage en een deel van de STER-gelden

- De regels voor toewijzing van de zendtijd

Mediawet: de omroepwet werd in 1987 veranderd in de Mediawet, de NOS werd gesplitst hierdoor ontstond NPS en NOB

Abonnement: Op vaste tijden een blad/krant of een omroep ontvangen, waarvoor geld word betaald

Omroepbijdrage: kijk/-en luistergeld

Reclamegeld: het geld dat word betaald voor een reclame boodschap op/ door een media

Contributie: geld van leden die lidmaatschap betalen

Reclamezendtijd: zendtijd voor reclame dat voor geld word verkocht

Sponsorbijdrage: grote bedrijven die bepaalde omroepen “sponsoren” (geld geven)

Doelgroepzender: De aard van de zender, het gaat zich ook in de reclame zich richten op die doelgroep (bijv. jongeren)

Marktgericht: het afstemmen van de aanbod op de vraag van de lezers, luisteraars en kijkers, ze brengen informatie en amusement dat bij hun markt in smaak valt

Luister- en kijkdichtheid: de hoeveelheid van consumenten die gebruik maakt van de media, bijv. een adverteerder wil graag dat veel mensen zijn reclame zien, dus gaat hij adverteren bij een zender met een grote luister- en kijkdichtheid (ps. Dat kost waarschijnlijk ook meer)

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.