Massamedia

Beoordeling 7.6
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 1864 woorden
  • 23 januari 2002
  • 81 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.6
  • 81 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Samenvatting Massamedia

1 Socialisatie en cultuur

Cultuur= alle waarden, normen en andere aangeleerde kenmerken die de leden van een groep of samenleving met elkaar gemeen hebben en dus als vanzelfsprekend beschouwen.
Vb. gekleed over straat, beleefd zijn tegen oudere mensen, je houden aan verkeersregels.

Natuur= datgene wat aangeboren is. Gedrag van mensen is aangeboren èn aangeleerd.
Vb. het vermogen om klanken voort te brengen is aangeboren, maar wèlke taal iemand spreekt is aangeleerd en is dus onderdeel van de cultuur.

Naast normen (gedragsregels) en waarden (principes) zijn er cultuurkenmerken zoals kennis, gewoonten, opvattingen, kunst, sport, symbolen en feestdagen.


Culturen verschillen per plaats, tijd en groep. Verschilt per generatie, per samenleving.

Socialisatie= het proces waarbij iemand de waarden, normen en andere cultuurkenmerken van zijn samenleving of groep aanleert.
Doel: aanpassing van het individu aan zijn omgeving en instandhouding en continuering van de cultuur over een periode van vele jaren. Zorgt voor geordende samenleving. Gewoonten worden aangeleerd en afgeleerd.

Je gaat om met anderen, socialiserende instituties: instellingen, organisaties en overige collectieve gedragspatronen waarmee de cultuuroverdracht in een samenleving plaatsvindt.
Collectieve gedragspatronen: gemeenschappelijke gebeurtenissen zoals carnaval.

Behalve het gezin zijn er 5 andere belangrijke socialiserende instituties:
1. School (discipline)
2. Werk (prestatie leveren)
3. Maatschappelijke groeperingen (zoals sportclubs + geloofsrichtingen=
teamgeest ontwikkelen + leren gedragen naar normen, waarden
4. Overheid (regels + wetten)
5. Media (beïnvloeden je gedrag)

Daarom is er sociale controle: de wijze waarop mensen andere mensen stimuleren of dwingen zich aan de geldende normen te houden.

Vaak in de vorm van sancties, waarmee mensen ervoor zorgen dat anderen zich gedragen naar de geldende formele en informele normen. Je hebt daarvoor beloningen en straffen. Er zijn 4 vormen van maatregelen:
 Formele positieve sancties, zoals diploma.
 Formele negatieve sancties, zoals boete.
 Informele positieve sancties, zoals applaus.
 Informele negatieve sancties, zoals kind dat naar kamer wordt gestuurd.
Internalisatie= dat mensen sommige aspecten van hun cultuurgroep zo eigen hebben gemaakt, dat zij zich automatisch gaan gedragen zoals de groep dat van hen verwacht. Vb. kinderen leren naar de WC te gaan. Een kind kan ook hun ouders nabootsen. Andere vb: dragen van kleding, aanpassing van verkeersregels.

Schema

2 Media en communicatie


Communicatie= het proces waarbij een zender bedoeld of onbedoeld een bepaalde boodschap overbrengt aan een ontvanger.
Het medium waarlangs de boodschap wordt verstuurd, kan bv. bestaan uit gesproken of geschreven woord en gebaren.
Wanneer de ontvanger op een boodschap reageert ontstaat er feed-back of terugkoppeling.

Communicatie is een sociaal proces: de ene mens heeft de ander nodig.
Communicatie heeft ook economische aspecten: mensen moeten goed met elkaar samenwerken.

Soorten communicatie:
 Directe en indirecte communicatie. (Direct= face-to-face contact, indirect: niet).
 Eenzijdige en meerzijdige communicatie. (Eenzijdig= eenrichtingsverkeer zoals radio- en tv-programma’s, meerzijdig= als deelnemers zender en ontvanger zijn).
 Verbale en non-verbale communicatie. (Verbaal= gesproken + geschreven woord, non-verbaal= overgebrachte informatie via o.a. symbolen, tekeningen en lichaamstaal).
 Massacommunicatie
Kenmerken massacommunicatie:
 Informatie die ze overbrengen is bedoeld voor een groot en anoniem publiek.
 Informatie is openbaar en voor iedereen toegankelijk.
 Relatie tussen zender en ontvanger is onpersoonlijk.
 Communicatie verloopt meestal eenzijdig.
(Ontvanger bijna alleen indirect en achteraf reageren, weinig feed-back, zenders kunnen vaak niet meteen controleren of boodschap wordt begrepen).

Soorten boodschappen:
 amusement
 nieuws
 meningsvorming
 cultuur
 educatie en onderwijs

Functies van media voor de samenleving:
 instandhouding van de democratie
 cultuuroverdracht

3 Soorten media

Verschillen in gedrukte media:
 Tijdschriften
 Kranten
 Huis-aan-huisbladen

Kranten zijn te verdelen in landelijke en regionale kranten.
Ook is er onderscheid tussen populaire kranten en kwaliteitskranten.
Populaire kranten leggen de nadruk op sensationeel nieuws, kwaliteitskranten op politieke ontwikkelingen en de achtergronden van het nieuws.

Tijdschriften zijn te verdelen in:
 jongerenbladen (jeugdbladen, zoals Hitkrant)
 vrouwenbladen (Libelle, Margriet)
 roddelbladen (schrijven voornamelijk over bekende Nederlanders)
 special interest bladen (bladen over 1 specifiek onderwerp)
 vakbladen (bedoeld voor een bepaalde beroepsgroep)
● opiniebladen (geven achtergrondinformatie en commentaar bij politieke, economische, culturele en maatschappelijke kwesties)
 omroepgidsen (zoals Veronica-gids)

3 soorten televisie- en radiozenders:
 publieke omroepen
 regionale en lokale omroepen
 commerciële omroepen

Publieke omroepen: zenden uit op Nederland 1,2 en 3. Iedere stroming of zuil kreeg een eigen zender. Ze moeten een deel van hun zendtijd aan culturele of informatieve programma’s besteden. Publieke omroepen krijgen hun geld van de omroepbijdrage die iedereen met een radio of televisie moet betalen.

Ook zijn er nog regionale en lokale omroepen.

Commerciële zenders moeten hun opbrengsten uit reclameboodschappen halen. Ze beschouwen daarom hun zender als een product waar zoveel mogelijk mensen naar moeten kijken.

We hebben in Nederland dus een duaal bestel (duaal= tweeledig).

Er zijn tegenwoordig nieuwe media. Met nieuwe media bedoelen we: de nieuwe informatiebronnen naast gedrukte media, radio en televisie. Dus computers, e.d.
Computerschijfjes kunnen enorm veel informatie bevatten.
Met internet kun je wereldwijd internetten. Daar heb je een modem voor nodig. Daarmee kunnen signalen via de telefoonlijn worden verzonden van de ene naar een andere computer. Na 1990 kwamen er pas gebruiksvriendelijke programma’s.
Je kunt met internet op het world wide web, je kunt e-mailen en er staan nieuwsgroepen op. Je kunt hiermee praten over bepaalde onderwerpen met anderen.

4 Hoe komt het nieuws tot stand?

Kwaliteit van berichtgeving hangt nauw samen met objectiviteit. Objectiviteit= een beschrijving van feiten en meningen die in overeenstemming is met de werkelijkheid.
Nieuws wordt altijd geschreven vanuit een bepaald referentiekader: de persoonlijke waarden en normen, de eigen ervaringen en gewoontes spelen altijd een rol als je iets beschrijft. Journalisten maken ook selecties uit het nieuwsaanbod.
Journalisten moeten daarom in ieder geval:
1. een scheiding maken tussen feiten en commentaar.
2. het principe van hoor en wederhoor toepassen. (Nieuwsfeiten moeten van meer dan één kant belicht worden door meerdere mensen aan het woord te laten).
3. over kennis van zaken beschikken.

Leiding van een krant:
 directie, is verantwoordelijk voor het zakelijke en financiële management.
 redactie, heeft de inhoudelijke verantwoordelijkheid.

Het redactiestatuut staat beschreven in de CAO van dagbladjournalisten en waarborgt in hoge mate de onafhankelijkheid van de redacties. De identiteit van de krant is er ook in beschreven.

De meeste kranten, tijdschriften en omroepen streven naar een duidelijk herkenbare identiteit. Dat blijkt uit:
 de keuze van de onderwerpen door journalisten en de redactie.
 de presentatie
 eigen commentaar en analyses

Nieuwsbronnen:
 personen en instellingen (actiegroepen, verenigingen)
 nieuwsgaring (eigen gespecialiseerde journalisten die zelf op zoek gaan naar nieuws, zoals correspondenten).
 persbureaus (sturen nieuwsberichten via modem en fax).
Belangrijkste persbureaus voor de Nederlandse kranten zijn:
ANP, AP, REUTER, AFP, DPA.

Minder dan 1% van het oorspronkelijke nieuwsaanbod wordt in de krant opgenomen. Men moet selecteren.
 Hoe uitzonderlijk is het bericht?
 Hoe ingrijpend zijn de gevolgen van de gebeurtenis?
 Is het feit van belang voor het totaalinzicht in een bepaalde kwestie?
 Wat sluit aan bij de interesse van de doelgroep van de krant, de lezers?

Embargo= dat er niet vóór een bepaald tijdstip gepubliceerd mag worden. Voorbeelden: troonrede, jaarverslagen.

5 De invloed van de media

Beïnvloedingstheorieën:
1. injectienaald-theorie
2. ‘multiple-step-flow of communication’
3. theorie van de selectieve perceptie
4. agenda-theorie

Injectienaald-theorie: media werd gezien als een injectienaald die het publiek ‘druppeltje voor druppeltje’ met bepaalde ideeën kon volspuiten.
Indoctrinatie= het systematisch en voortdurend opdringen van bepaalde opvattingen en meningen aan het publiek, waardoor het denkpatroon sterk wordt beïnvloed. Vb. in Sovjet-Unie.
Op grote schaal vindt er bij de media manipulatie plaats. Manipulatie= vervormde informatie over een bepaalde kwestie, omdat met opzet feiten worden weggelaten of verdraaid zonder dat de ‘ontvanger’ dit merkt.

‘Multiple-step-flow of communication’: massamedia hebben meestal alleen indirecte invloed. Beïnvloeding verloopt volgens bepaalde mensen uit onze naaste omgeving, zogenaamde opinieleiders. Dit zijn mensen die binnen een bepaalde kring veel gezag hebben.
Men gaat uit van 2 fasen:
Eerst ontwikkelen opinieleiders een duidelijk eigen mening over actuele kwesties, dan sluiten collega’s bijvoorbeeld bij hem aan. Ze nemen zijn mening over.

Selectieve perceptie: Deze theorie benadrukt het gegeven dat mensen informatie nooit objectief waarnemen (perceptie = waarneming). Informatie wordt geselecteerd en vervormd dat deze zoveel mogelijk past in ons referentiekader.
Referentiekader= het geheel van persoonlijke waarden, normen, kennis en ervaring.

Agenda-theorie: benadrukt dat de media niet bepalen hóe mensen denken, maar hooguit waarover zij denken en met elkaar praten. Bv: aids op televisie, mensen praten erover op ’t werk.
Ook beïnvloeden de media de politieke agenda.

Een vooroordeel= een oordeel over iemand dat niet op kennis van zaken berust.
Stereotypering= een vaststaand beeld, waarbij we aan een hele groep bepaalde kenmerken toeschrijven.

Beeld van de criminaliteit
De media geven geen reëel beeld van de omvang en soorten criminaliteit.
Ook het beeld van de dader wordt door de media sterk beïnvloed in bijv. strips.
Massamedia hebben dus een grote invloed op het beeld dat wij van de criminaliteit hebben. Daardoor wordt:
 bij het begrip criminaliteit vooral aan zware en agressieve criminaliteit gedacht en veel minder aan bijv. witteboordencriminaliteit.
 de hoeveelheid agressieve criminaliteit veel hoger ingeschat dan het in werkelijkheid is.
 vaak vastgehouden aan een stereotiep beeld van dé misdadiger.
 bij de bestrijding van criminaliteit dikwijls veel waarde toegekend aan strengere straffen, soms zelfs de doodstraf.

Ook de angst om slachtoffer te worden wordt door de media vergroot. Mensen uit kleine plaatsen zijn veel banger omdat er veel minder criminaliteit voorkomt.

6 Media en de overheid

Uitgangspunten in het beleid van de Nederlandse overheid:
 vrijheid van meningsuiting
 bescherming van een pluriform aanbod

Er is sprake van persvrijheid, dus van gedrukte media. Je mag ook geen discriminerende uitlatingen publiceren, en ook geen onware, opruiende en onzedelijke publicaties of uitzendingen maken.

Pluriformiteit= de verscheidenheid aan kranten, tijdschriften, omroepen en zenders.
Het publiek krijgt hierdoor verschillende soorten informatie die met elkaar te vergelijken is.

Principes van de houding van de overheid tegenover de pers:
 vrijemarktprincipe, = het bestaansrecht van bladen overlaten aan de vraag of er voldoende behoefte aan is.
 Bescherming van de pluriformiteit, = ervoor zorgen dat er voldoende bladen met een verschillende ‘kleur’ te krijgen zijn.

Kranten en tijdschriften zijn ook marktgericht, actief bezig om voldoende betalende lezers te bereiken.

Voor de verscheidenheid is er het Bedrijfsfonds voor de Pers opgericht, het wordt gebruikt om landelijke dagbladen met een duidelijke politiek of kerkelijke kleur die in nood zijn te helpen.

In het publieke bestel werden maar 5 omroepen vastgelegd in de Omroepwet: AVRO, KRO, NCRV, VARA en VPRO. Later kwam er een open bestel met ruimte voor nieuwe omroepen zoals Veronica.
Daarvoor is er de mediawet.

Nederland heeft zich te houden aan internationale verdragen. In het Europees Verdrag is vastgelegd waarin het recht op het doorgeven en ontvangen van informatie is geregeld. Daarom zijn er zenders die uitzenden vanuit het buitenland.
Ook zijn er regels voor de reclame.

Voor de mediawet en reclame gelden ook regels:
 zo mag er maximaal 12 minuten per uur aan reclame worden besteed.
 programma’s mogen worden gesponsord, men mag aan het begin of eind de namen van de sponsors laten zien.

Sluikreclame is verboden. Dat is het doelbewust tonen of noemen van een product of productnaam, zonder dat het publiek weet dat het om reclame gaat.

Vroeger was er nog sprake van verzuiling. Er waren nog veel politieke richtingen en stromingen. In de jaren ’60 vielen de oude scheidslijnen weg. Er was vanaf toen sprake van ontzuiling. In de jaren ’90 was er sprake van vertrossing. Het ging om kijkcijfers en amusement.

Ook in de pers zijn er minder persconcentraties. Er zijn nog maar 12 kranten overgebleven.

Nu wordt verwacht dat grote mediaconcerns onze programma’s gaan beheersen.
Er wordt verwacht dat de kwaliteit zal afnemen. Dit allemaal door de commercialisering.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.