Massamedia

Beoordeling 7.4
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 1581 woorden
  • 21 mei 2001
  • 332 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.4
  • 332 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
De Galaxy Chromebook maakt je (school)leven makkelijker!

Met de Galaxy Chromebook Go kun je de hele dag huiswerk maken, series bingen en online shoppen zonder dat die leeg raakt. Ook kan deze laptop wel tegen een stootje. Dus geen paniek als jij je drinken omstoot, want deze laptop heeft een morsbestendig toetsenbord!

Ontdek de Chromebook!
Hoofdstuk 1

Communicatie= Een doorlopend proces waarbij een zender bedoeld of onbedoeld een boodschap(informatie) overbrengt aan een ontvanger.

Zender= degene die informatie overbrengt/meedeelt

Ontvanger= Degene die de boodschap van de zender krijgt.

Eenzijdige informatie= De zender geeft een bericht aan een ontvanger, de ontvanger kan niet terug reageren naar de zender (bijv. t.v-uitzending).

feedback= Als zender en ontvanger met elkaar kunnen communiceren(tegelijk zender en ontvanger).

Meerzijdige communicatie= Als zender en ontvanger direct op elkaars boodschappen kunnen reageren(met bijv. een gesprek of een gezichtsuitdrukking)


Verbale communicatie= Communicatie door middel van zowel gesproken als geschreven woorden.

Non-verbale communicatie= Communicatie zonder woorden, dus bijv. gelaatsuitdrukkingen, plaatjes of muziek bij een film.

Directe communicatie= Communicatie zonder (technische hulpmiddelen). Dus gesprekken enz.

Indirecte communictie=communicatie met technische hulpmiddelen. Dus een telefoongesprek enz.

Effectieve communicatie= Dat de combinatie van verbale en non-verbale communicatie goed gebruikt is. Bijv bij een begrafenis treurige muziek en close-ups van de gelaatsuitdrukkingen van de mensen.

referentiekader= Het geheel van kennis, ervaringen en verwachtingen dat mensen hebben. Door verschillen van bijv. cultuur kunnen er communicatiestoornissen gebeuren.

Socialisatie= Het proces waarbij de mens voorbereid word op een rol in de maatschappij. Niet iedereen word op de zelfde manier gesocialiseerd, bijv. de manieren die horen bij een bep. cultuur.

Informatie= Nieuws en kennis. Nieuws is subjectief want wat voor de een wetenswaardig is, is voor een ander misschien onbelangrijk.


Massacommunicatie= Communicatie die gericht is op het publiek. Iedereen kan van de uitgezonden informatie kennis nemen(die soort van communicatie is meestal eenzijdig en ook vaak indirect).

Massamedia= Massacommunicatie wordt verspreidt met technische middelen.

Hoofdstuk 2

De taken die de media kan vervullen= 1. Ze kunnen leverancier van informatie zijn. 2. Ze kunnen opinies en gedrag beïnvloeden. 3. Ze kunnen kennis en inzicht vergroten. 4. Ze kunnen verstrooiing bieden.

Massamedia functie (sociologisch)= Elk objectief waarneembaar effect of gevolg van een menselijke activiteit (in dit geval de media) voor een groep mensen of voor de samenleving. Er zijn verschillende functies zoals: Cultuur(met normen en waarden), Blikverruiming(kennis over de wereld), De massamedia dragen kennis en informatie over. Massamedia kan ook zorgen voor de overdracht van informatie- en kennis tussen burger en overheid(wat de burgers willen en wat de overheid wil).

Beslissingen worden goed overdacht want de massamedia geeft veel meningen van mensen.

De media kan onderwerpen in het nieuws brengen, waardoor mensen over dit onderwerp gaan denken/discussieren, zoals vervuiling en kernwapens.

Hoofdstuk 4

selectieve perceptie= Mensen onthouden informatie beter als ze al iets over het onderwerp weten. Ook onthouden mensen iets beter als ze in het onderwerp geïnteresseerd zijn. Mensen doen de dingen waarin ze geïnteresseerd zijn, bijv. het lezen van een bepaalde krant.

Het nieuws is door verschillende sluizen gegaan voordat het de consument bereikt. Het moet aan bepaalde eisen voldoen. Dat zijn: 1. Gebeurtenissen moeten uitzonderlijk zijn. 2. Gebeurtenissen moeten gevolgen hebben voor grotere groepen mensen. 3. Gebeurtenissen moeten actueel zijn. 4. Gebeurtenissen moeten van beklang zijn voor de doelgroep van het medium. 5. Gebeurtenissen waarover een langere tijd over kan worden gepubliceerd hebben meer nieuwswaarde dan eenmalige incidenten. 6. Gebeurtenissen moeten gemakkelijk uit te leggen aan het grote publiek. 7. In het nieuwsaanbod moet afwisseling zitten.

Journalistieke normen= journalisten proberen objectieve informatie te geven, maar informatie blijft toch altijd wel gekleurd. Er zijn verschillen de normen, die staan op blz. 22.

Hoofdstuk 4

injectienaaldtheorie= Met de media kunnen massa's mensen beïnvloed worden. De inhoud van de boodschappen is van directe invloed op de burgers.

De theorie van het tweetrapsmodel= Het publiek bestaat ui twee delen, de opinieleiders en de volgers. Volgers laten hun mening afhangen van de opinieleiders die de informatie goed oppikken en verwerken. De opinieleiders zorgen ervoor dat het onderwerp de massa bereikt. ZIE BLZ 26!

Omdat mensen sommige dingen willen horen, heeft dat invloed op de media. Hierdoor word dus de selectiviteittheorie toegepast, de mensen onthouden dan de dingen ook beter die in het nieuws zijn.

De media kijkt of de mensen het nieuws interessant vinden, daar stemt de media hun aanbod af.

Agendatheorie= Volgens deze theorie bepalen de media de onderwerpen waarover in de maatschappij gedacht wordt.

Hoofdstuk 5

De pers= Alle gedrukte massamedia.

De omroep= De radio en de televisie.

marktmechanisme= De wet van vraag en aanbod, het bepaald welke bladen groot worden en welke moeten verdwijnen. De bladen zijn afhankelijk van de winst.

Grondwet= De meest fundamentele wet. De taken van overheid en burger vastgesteld. Zonder vrijheid van meningsuiting, godsdienst en levensovertuiging zou er geen democratie zijn. Bij de massamedia komen daarom verschillende meningen voor. De kritiek op regeerders en volksvertegenwoordigers zouden dan niet bekend worden, bijv. welke fouten ze gemaakt hebben.

Censuur= Het controleren en eventueel verbieden van teksten voordat ze in het openbaar verschijnen.

Regels op de vrijheid van de massamedia= Iemand beledigen, opruiing, liegen en schending van de goede zeden is verboden.

verschoningsrecht= Het recht om informatie die iemand bij de uitoefening van zijn beroep heeft verkregen, verborgen te houden. (Dat is bij artsen, en advocaten)

pluriformiteit= Verscheidenheid van de media.

Zorgfunctie= De overheid zorgt ervoor dat de media hun werk optimaal kunnen verrichten.

Hoofdstuk 6

Beleidsinformatie= nieuwsfeiten en achtergronden van politieke en maatschappelijke ontwikkelingen.

Human-interest= teksten over allerdaagse of juist bijzondere mensen en gebeurtenissen. Het is geen politiek, maar het is om de lezers te vermaken.

Verstrooiing= Hiermee wordt gedoeld op strips, feuilletons(vervolgverhaal), sportberichten enz.

Praktische informatie= Informatie die van direct praktisch nut voor de lezers is. (weerbericht, kooktip)

Opinie= geeft de mening van een krant weer. Individuele redacteuren en medewerkers geven hun mening, opinies ook in cartoons.

Advertenties= Adverteerders zijn niet onder de verantwoording van de redactie(krant). Adverteerders kopen ruimte in een krant.

Landelijke dagbladen= Overal door het land verkocht. Ze geven binnenlands- en buitenlands nieuws. Het binnenlands nieuws is voor hun van nationaal belang.

Regionale bladen= Zij geven juist informatie over de regio, maar ook wel een beetje buitenlands en nationaal nieuws. De bladen zijn meestal ook in de regio te koop.

Ochtendbladen brengen het nieuws van de hele vorige dag, het avondblad brengt in vergelijking met het ochtendblad verser nieuws, waarop het ochtendblad weer met verser nieuws komt in vergelijking met het avondblad van de vorige dag.

Populaire massakranten= brengen veel human-interest en verstrooiing.

Kaderkranten= de nadruk ligt hierbij op beleidsinformatie.

identiteit= De identiteit(het karakter) van een krant staat niet voor altijd vast, het kan in de loop der jaren veranderen.

Er zijn verschillende soorten tijdschriften, vrouwen of damesbladen, familiebladen, mannenbladen, gossip- of roddelbladen, jeugdbladen, omroepbladen, hobbybladen, sportbladen en de vaktijdschriften.

Opiniebladen= Hebben tot doel de lezer te informeren over de achtergronden van maatschappelijke, economische, politieke en culturele ontwikkelingen. (lijken veel op kaderkranten)

Hoofdstuk 7

marktgerichtheid= Rekening houden met de vraag van het publiek(zo groot mogelijk).

Een groot aantal dagbladen is verdwenen door de ontzuiling, en door de komst van de televisie. De matig geïnteresseerde burger hoefde na het t.v.-journaal niet ook nog eens de krant in de kijken.

Doordat de STER-reclame werd ingevoerd, ging er veel reclame naar de t.v. i.p.v. naar de dagbladen(krant). De opbrengst van de reclame is erg belangrijk voor de dagbladen.

Ondanks de problemen bij de pers is het totale aantal lezers van dagbladen niet gedaald, maar zelf gestegen.

Persconcentratie= Het aantal verschillende dagbladen wordt minder, maar er wordt meer

geproduceerd(van minder soorten). Steeds minder uitgevers krijgen een groter deel van de bladenmarkt in handen.

Oplagespiraal= Geeft het verband aan tussen de oplage, de advertentie-inkomsten en de kwaliteit van de bladen. Als een blad minder wordt verkocht, krijgen ze minder adverteerders(geld).

Marktsegmentering= Het publiek is steeds meer opgedeeld in verschillende groepen, waarvoor afzonderlijke bladen verschenen. (voor elke groep een blad)Hierdoor kwamen er meer bladen.

Special-interest bladen= Adverteerders willen adverteren bij een blad dat met hun product te maken heeft, bijv. voor voetbalschoenen bij een voetbalblad.

Bedrijfskolom= Bevat alle activiteiten die nodig zijn om een bepaald soort product bij de krant te brengen.

redactie= verantwoordelijk voor de inhoud van een blad.

Hoofdstuk 8

Mediawet= deze wet gaat er van uit dat het Nederlandse omroepbestel een publiek bestel moet zijn.

Omroepbestel= De gehele organisatie van de(Nederlandse) omroep.

Kenmerken van het publieke bestel zijn:

- Het bestel is niet commercieel maar publiek.

- Het bestel is open

- Het bestel kent programmatische autonomie.

WAT dit allemaal inhoud staat op BLZ. 52

Elk land krijgt op grond van internationale afspraken enkele frequenties toegewezen waarop het radio- en t.v. -programma's mag uitzenden. Het aanbod van zenders kan vergroot worden door de kabel te gebruiken. Enkele omroepinstellingen die de Mediawet onderscheidt=

- omroepverenigingen

- de Nederlandse Omroep Stichting (NOS)

- educatieve omroepinstellingen

- lokale en regionale omroepinstellingen

Volgens de Mediawet moet je aan een aantal voorwaarden voldoen om als zender op t.v. te komen:

- Ze(zender) moeten een eigen identiteit hebben.

- Ze moeten georganiseerd zijn als een vereniging of een stichting.

- De omroepverenigingen moeten een volledig programmapakket brengen, een totaalprogramma.

- Omroepverenigingen moeten een minimum aantal betalende leden hebben.

Merchandising= De verkoop van artikelen die met de omroepvereniging en haar programma's samenhangen(T-shirts, Cd's).

Aspirant-omroep= Een nieuwe omroepvereniging, de omroepvereniging hoeft in het begin nog niet zo veel leden te hebben als de andere zenders. De aspirant-omroep moet wel aan de andere voorwaarden voldoen.

Taken van de NOS zijn:

- De coördinatie van programma's van de landelijke omroepverenigingen.

- Het vertegenwoordigen van de omroepverenigingen in internationale organisaties en het beschikbaar stellen van programma's in het buitenland.

- Het behartigen van gemeenschappelijke belangen van de omroepinstellingen.

- Het verzorgen van eigen programma's over die zaken waaraan andere zendgemachtigden niet voldoende aandacht besteden.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

B.

B.

kom join my roblox server

4 jaar geleden