Zit je in 4/5 havo en heb je een N&T of N&G profiel? Vul deze korte vragenlijst in over chemie-opleidingen en maak kans op 20 euro Bol.com tegoed.

Meedoen

maatschappijleer hoofdstuk 3 kiezen en delen

Beoordeling 6
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas vwo | 1675 woorden
  • 24 oktober 2012
  • 6 keer beoordeeld
  • Cijfer 6
  • 6 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!

Maatschappijleer. Samenvatting hoofdstuk3


1)No taxation without representation. Overlegorganen die rijke mannen vertegenwoordigen, parlement


Volksoevereiniteit: de politieke macht is afgeleid van het volken en wordt uitgeoefend namens het volk. De regering moet verantwoording afleggen aan het volk en niet meer aan de koning of god.


Twee basis elementen democratie:



  1. Alle volwassen inwoners kunnen door middel van algemeen kiesrecht invloed uitoefenen op de besluitvorming

  2. Een aantal grondrechten is gewaarborgd om in vrijheid die invloed te kunnen uitoefenen. Een democratie kan alleen functioneren als er ook sprake is van een rechtstaat.


Besluit alleen democratisch als aan de centrale waarden van gelijkheid en vrijheid is voldaan


Gelijkheid: alle burgers hebben gelijke rechten en er mag niet gediscrimineerd worden


Vrijheid: de burgers moeten hun eigen leven kunnen inrichten zoals zij dat willen.  Zolang zij daarmee de vrijheid van andere burgers niet schaden mag de overheid die vrijheid niet beperken.


Democratie gaat uit van een gematigd positief mensbeeld.


Belangrijkste kenmerken democratie:



  • Algemeen kiesrecht

  • Regelmatige verkiezingen

  • Vrijheid van meningsuiting (zijn wel grenzen)

  • Vrijheid van vereniging en vergadering

  • Machtscheiding


Directe democratie: alle burgers rechtstreeks meepraten en beslissen


Parlementair stelsel: kiest de bevolking alleen het parlement rechtstreeks.


Referendum: af en toe rechtstreeks stemmen en meebeslissen over een besluit


Presidentieel stelsel: bevolking kiest rechtstreeks een parlement en een president


Dictatuur: burgers weinig rechten en veel plichten.


Totalitaire dictatuur: als een dictatuur ieders privé leven scherp in de gaten houd en kinderen aanzet om hun ouders aan te geven.


De kans dat de democratie goed gaat is groot als:



  1. Als er sprake is van een gunstige sociaaleconomische ontwikkeling

  2. Als er een zekere mate van sociaaleconomische gelijkheid bestaat.

  3. Als er sprake is van een democratisch politieke cultuur. Ook tolerantie is belangrijk. Mensen moeten de ruimte geven aan meningen waarmee ze het niet eens zijn.

  4. Burgers hebben zicht verenigd in organisaties op grond van ideeën of belangen. Via deze groepen kunnen de burgers ook buiten de verkiezingen macht uitoefenen op de politiek.

  5. Militairen geen invloed hebben op de politiek

  6. Als de staat goed functioneert, goede diensten verleent en niet teveel belangen van een groep behartigt

  7. Als er geen hevige conflicten zijn tussen etnische groepen of mensen van verschillende godsdiensten


Soms moeilijk besluiten democratisch te nemen als een paar deelnemers:



  • Veel meer geld hebben dan de anderen

  • Anderen snel de mond snoeren of kleineren

  • Groot en sterk zijn en met messen rondlopen die ze af en toe dreingent laten zien


2)mensen met dezelfde ideologie vormen een politieke stroming


Politieke partij is een georganiseerde groep mensen die:



  • Ideeën over alle belangrijke beleidsterreinen. Die ideeën worden samen genoemd  in het programma.

  • Kandidaten stelt bij de verkiezingen


Linkse partijen willen dat de overheid ingrijpt op de sociale ongelijkheid te verminderen


Rechtse partijen vreest dat de vrijheid in gevaar komt als de overheid zich te veel met de sociaaleconomische zaken bemoeit.


Van links naar rechts: communisme, socialisme, christendemocratie, liberalisme, fascisme.


Communisme: gelijkheid centraal


Kapitalistische maatschappij leid tot grote sociale ongelijkheid.


Communistische bewegingen leiden vaak tot een eenpartijdictatuur.


Fascisme voelt zich bedriegt door: maatschappelijke veranderingen en vreemde groepen.


Duitse variant hiervan is nationaalsocialisme.


Liberalisme: hecht aan vrijheid


Socialisme: zonder bescherming arbeiders zijn er geen gelijke kansen voor iedereen op onderwijs en werk.


Christendemocratie: het goed functioneren van de staat is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van iedereen. Solidariteit. Gezin is de hoeksteen van de samenleving.


Populisme:men doet een beroep op het volk tegen de gevestigde machten en pretendeert namens het volk te spreken.


Single-issuepartijen: richten zich alleen op een aspect.


3)Elke 4 jaar kunnen Nederlanders rechtstreeks stemmen voor:



  • De tweede kamer

  • Provinciale staten

  • De gemeenteraad

  • Deel gemeente raden voor wijken van grote steden.

  • Eens in de 5 jaar het europees parlement.


Eerste kamer word indirect gekozen.


Actief kiesrecht: mensen die mogen kiezen


Passief kiesrecht: dat je gekozen mag worden.


Zwevende kiezers: bepalen per verkiezing wat ze stemmen.


Sinds 1971 zijn kiezers niet meer verplicht om naar het stem bureau te gaan.


Evenredige vertegenwoordiging: het aantal zetels is evenredig aan het aantal stemmen.


Districtenstelsel: land verdeeld in districten, ieder district kiest een afgevaardigde van het parlement.


Twee soorten districten stelsels:  in een stelsel is de kanidaat die het hoogste aantal stemmen haalt meteen gekozen in een ander stelsel ben je de eerste ronde alleen gekozen als je de absolute meerderheid van de stemmen haalt.


Soms bij evenredige evenredige vertegenwoordiging  een kiesdrempel dat je eerst een bepaald aantal van de stemmen moet halen om in de kamer te komen.


4)constitutionele monarchie: de bevoegdheden van de koning staan in de grondwet.


Degelijks bestuur van Nederland



  • Regering:  1. Vijftien ministers


                   2. koningin



  • Kabinet:


                   1.ministers



  • Ministerraad:


                   1.ministers


                   2. vijftien staatssecretarissen.


Staatsecretarissen: onderministers die verantwoordelijk zijn voor een deel van het beleidsterrein van de minister


Koningin stelt informateur aan: die moet onderzoeken welke regering mogelijk is.


Stelt ook formateur aan: die vormt een nieuw kabinet, verdeelt de minister posten over de deelnemende partijen en zorgt dat die posten worden bemest.


Coalitie: regering die uit meerdere partijen bestaat.


Plannen voor 4 jaar staan in een regeerakkoord.


Tweedekamer/statengeneraal: 150 direct gekozen leden


Eerste kamer/senaat: 75 indirect gekozen leden


Nederland kent een duidelijk onderscheid tussen regering en parlement.


Kamerleden mogen geen lid zijn van het parlement, scheidslijn tussen regeringspartijen en oppositie partijen.


De leden van de tweede kamer van een partij worden een fractie genoemd. Fractie word geleid door fractie voorzitter.


Andere Kamerleden fractie specialisten.


De belangrijkste taken van het parlement zijn wetgeving en het controleren van de regering.


Voor de wetgeving heeft het parlement een aantal rechten:



  • Begrotingsrecht

  • Amendement(dmv stemmen dingen veranderen in wet voor stellen)

  • Initiatief(Kamerleden komen met wetsvoorstel)


De weg van wetsontwerp tot wet



  1. Regering maakt wetsontwerp

  2. De regering zendt het ontwerp naar de tweede kamer

  3. Als een meerderheid van de tweede kamer voor heeft gestemd, gaat het wetsontwerp naar de eerste kamer

  4. Tenslotte zetten de betreffende minister en de koningin hun handtekening .


Middelen om de regering te controleren:



  • Mondeling en schriftelijke vragen stellen

  • Het houden van een interpellatie(spoeddebat)

  • Een enquête instellen. Kamerleden vormen een onderzoekscommissie.


Motie van wantrouwen, wanneer die aangenomen word moet de minister aftreden


Als het hele kabinet moet aftreden noem je dat een kabinetscrisis


Dualisme: parlement en regering duidelijk van elkaar gescheiden.


Monisme: regeringsfracties zijn in feite een verlengstuk van de regering


5)Nederland is een gedecentraliseerde eenheidsstaat. Decentraal word er ook een beleid uitgevoerd.


Autonomie:provincies en gemeenten kunnen een aantal taken naar eigen inzicht uitvoeren


Medebewind:lagere overheden voeren taken uit in opdracht van hogere overheden


Provincies en gemeenten kunnen zelf regels maken: verordeningen.


Burgers kiezen provinciale staten, die kiezen gedeputeerde staten(vormen samen met commissaris  van de koningin het dagelijks bestuur van de provincie)


Alle patijen vertegenwoordigt in GD (afspiegelingscollege)


Anders heeft het een politieke kleur( meerderheidscollege)


Voorzitter van GD en PS is de commissaris van de koningin.


Burgers kiezen gemeenteraad die wethouders kiest, wethouders en burgemeester vormen het dagelijks bestuur.


6)sinds 1992 spreken we van de Europese unie. De euro vanaf 2002


Intergouvernementele organisatie: deel nemende landen behouden hun zelfstandigheid en kan niet zonder toestemming een besluit worden opgelegd.


Supranationale organisaties: nemen bevoegdheden van de deelnemende lande over, want de gemaakte afspraken en regels zijn bindend voor die landen, die dus iets van hun nationale soevereiniteit inleveren


Raad van ministers: uit elk land een, is het belangrijkste besluitvormende en wetgevende orgaan.


Elk half jaar is een ander land voorzitter van de EU.


Europese commissie heeft geen binding met partijpolitieke parlementaire meerderheid, maar wordt samengesteld door de regering van lidstaten.


Wordt het aantal leden van de Europese commissie verlaagd tot minder dan het aantal lidstaten. De lidstaten leveren dan bij toerbeurt leden voor de commissie.


Elke 5 jaar kiezen de burgers rechtstreeks het europees parlement.


Stemmingen in het parlement zijn vaak niet meer dan adviezen aan de raad van ministers, die uiteindelijk beslist.(democratisch tekort)


Referendum: volksstemming


Subsidiariteitsbeginsel:grens overschrijdende problemen die alleen in internationaal verband aangepakt kunnen worden. 


Europese verordeningen gelden direct. Elk land en iedere burger die meent dat een land zich niet aan de Europese regelgeving houd, kan zich richten tot het europees hof van justitie.


7) de vijf functies van massa media in de politiek:



  • Informatie functie

  • De platform- of spreekbuis functie

  • De controle functie

  • De commentaar functie

  • De onderzoek functie


Verzuiling: de samenleving was voor een groot deel verdeelt in organisaties op basis van levensbeschouwing.


Ontzuiling: veel organisaties verloren hun band met de levensbeschouwing van de zuil.


Pluriformiteit: veelvormigheid.


Infotainment: mix van informatie en amusement


8) politieke agenda: lijst van onderwerpen waarover de politiek waarschijnlijk binnenkort een besluit gaat nemen.


Ambtenaren zijn de vierde macht of bureaucratie


De andere drie machten zijn:wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht.


Pressiegroepen verschillen op twee punten van politiekpartijen:



  1. Pressie groepen richten zich op een deel van het overheid beleid en kunnen dus hun eigen onderwerp dus boven alles laten gaan

  2. Ze doen niet mee aan verkiezingen


Veel pressie groepen zijn belangengroepen.


Terwijl sommige groepen actie voeren op straat, praten andere met ministers, Kamerleden en ambtenaren over hun wensen: lobbyen


Advies organen: WRR, SER.


Planbureaus: CPB,SCP


Consensus: overeenstemming


Oude politiek: achterkamertjespolitiek. Consensuscultuur


Nieuwe politiek: duidelijke standpunten, meer openheid en krachtige besluiten.


9)wat moeten burgers doen om invloed te hebben in de politiek:



  • Doorzettingsvermogen

  • Goede organisatie

  • Kennis van zaken


Representatie: de manier waarop zij hun kiezers vertegenwoordigen


10) voor een goede democratie zijn nodig:



  1. Hoge participatie bij de verkiezingen, in politieke en maatschappelijke organisaties en bij activiteiten tussen verkiezingen in

  2. Respect voor grondrechten, zodat iedereen in de praktijk zonder angst de grondrechten kan uitvoeren

  3. De ervaring dat politiek en democratie ertoe doen, dus dat via democratische procedures genomen besluiten het welzijn van de bevolking bevorderen en door de meeste mensen als juist en rechtvaardig word ervaren. Dit draagt sterk bij aan de legitimiteit van het democratisch stelsel.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.